De Franse tekst is vertaald in het Diets (Middelnederlands), Provençaals, Italiaans en Engels; vervolgens is de Dietse tekst weer overgebracht in twee Westduitse dialecten (Nederduits en Nederrijns), waarna een Nederduitse tekst vertaald is in het Deens1). Talrijke Franse handschriften getuigen van de populariteit van het werk, waarvan in de bibliotheken der voornaamste Franse vorsten exemplaren aanwezig waren2). Tweemaal is het boek in het Engels vertaald: in de 14de eeuw op rijm door Hugh Campden3) en later in proza, van welke vertaling de Bodleian Library te Oxford een 15de-eeuws fragment bewaart: ms. Digby 1944). Een van de handschriften der Italiaanse versie is uitgegeven door A. Bartoli5) in de serie ‘Opere inedite e rare dei primi trei secoli della linqua’; een fragment van een 15de-eeuws kloosterhandschrift in Otrantodialect is gepubliceerd door V. de Bartholomaeis6), hiervan vindt men een uittreksel bij E. Monaci: Crestomazia italiana dei primi secoli, bl. 548.
De vertaling in het Nederrijns had waarschijnlijk omstreeks 1400 plaats; het oudste der drie nog bestaande handschriften, zeer fragmentarisch, dagtekent althans uit die tijd. Het bevindt zich in de Preussische Staatsbibl. te Berlijn (ms. Germ. Q 1410), waar men nog een ander bewaart (ms. Germ, Q 536), dat van 1529 dateert en vrij volledig is. Het derde berust in het Stadsarchief van Keulen (ms. W. fo. 4) en is waarschijnlijk in het laatst der 15de eeuw geschreven1). Deze drie Nederrijnse handschriften gaan, al of niet direct, terug op eenzelfde Nederlands voorbeeld, blijkens de overeenkomstige teksten; ze hebben ook alle drie de rijmproloog en misien de berijmde epiloog.
Een andere Nederlandse tekst diende als voorbeeld voor een 15de-eeuwse Nederduitse vertaling2). Twee hss. daarvan bevinden zich te Kopenhagen, nl. hs. 807, 4o in de Arnamagnaeaanse Bibl. en het 16de-eeuwse hs. van Suhm in de Grote Kon. Bibl. Het eerste en relatief volledigste, dagtekenend uit de 15de eeuw, is uitgegeven door H. Jellinghaus: Das Buch Sydrach, Tübingen 19043). In tegenstelling met de Nederrijnse hss. bevat dit wel, zij het dan ook gewijzigd, de rijmepiloog, doch mist de rijmproloog. Vooral hierom is J van belang, wijl er 5 vragen4) in voorkomen die in de bekende Nederlandse handschriften en drukken ontbreken5), doch ongetwijfeld deel uitmaakten van de Nederlandse vertaling, zoals ik reeds uitvoeriger in TTL 1934 heb meegedeeld; van deze 5 vragen bevat het onvolledige hs. van Suhm er ook drie.
Tenslotte is de Nederduitse tekst weer vertaald in het Deens. Van deze vertaling bevindt zich te Kopenhagen een hs. uit het laatst der 15de eeuw, dat uitgegeven is door Gunnar Knudsen6). De vragen uit J die de Nederlandse hss. missen, komen alle vijf ook voor in de Deense tekst. Deze bevat echter weer een vraag (vr. e6) die
wel voorkomt in de Nederlandse teksten (vr. O 166) maar niet in J. Blijkbaar gaat de Deense tekst dus terug op een Nederduits hs., ouder dan J. Dit wordt bevestigd door de volgorde der vragen, welke in DE beter overeenkomt met die van de Nederlandse hss. dan in J (vgl J vr. 70-75, 91-92 en 106-107).
De Deense tekst, zeer onvolledig, zeer verkort en met talrijke schrijffouten, is waarschijnlijk afschrift van een afschrift der vertaling uit het Nederduits. Er zijn enkele weinig belangrijke interpolaties van theologische inhoud, vr. c22, c25 en f20. De uitgever levert in zijn Inleiding een uittreksel van het artikel van Renan en Paris in de Hist. Litt. XXXI, dat hij, blijkbaar Jellinghaus volgend, de enige uitvoerige literatuurhistorische behandeling van de Sidrac noemt; Langlois was hem dus onbekend. Daar hij geen Nederlandse tekst kende, wat niet zozeer te verwonderen valt, meende hij, wijzende op het ontbreken van astrologische, lapidarische en medicinale gedeelten, dat deze eerst later in de Franse teksten geïnterpoleerd waren.
De Franse hss. kennen in hoofdzaak twee redacties: een kortere (β) met omstreeks 600, en een meer uitgebreide (γ) met ± 1200 vragen; dit verschil wordt voornamelijk veroorzaakt doordat vele vragen der β-redactie in andere hss. gesplitst voorkomen1). Bij vergelijking van de plaats die enige willekeurig gekozen vragen van de Nederlandse tekst in Franse hss. innamen, bleek de nummering der β-redactie beter te beantwoorden aan de Nederlandse dan de γ-redactie. De conclusie is dan ook gewettigd, mede in verband met het aantal vragen, dat de Antwerpse vertaler een Frans hs. der β-redactie tot voorbeeld had.
Een kleine bizonderheid dient nog vermeld te worden: in de 10de vraag geven de Franse teksten de volgende 4 namen van deelen der wereld: Saans (Sanaaf)-Carboham-Gramast (Gramaf, Triamaf) Trobissamef (Trochissamef). Deze zonderlingen namen luiden in de Nederlandse tekst: Sanaaf-Carboam-Grunaf-Trocios-Samef (Samesue)2), althans in de drukken en de meeste hss., dus 5 namen door splitsing der 4de; alleen O heeft het eerste deel van de vierde naam toegevoegd aan de derde: Grunaf torcios3). Ook in sommige Franse hss. is het laatste deel van de vierde naam afzonderlijk vermeld, b.v. in het Parijse hs. B.N. 1160: Sanaaf-Carboham-Triamaf-Throchis-Samef (5 namen!) en in Brussel 11110: Sarmaaf-Carboham-Griamastrochis-Samef (een verdeling die overeen-
komt met O). Ook het Franse voorbeeld onzer vertaling zal hier een naamverdeling gehad hebben als het Brusselse hs.
In de berijmde epiloog heeft de vertaler het jaartal van zijn werk vermeld. Deze epiloog is maar in drie Nederlandse hss. bewaard, alsmede in de drukken. Van de Westduitse teksten (die op de Nederlandse teruggaan) heeft er maar één, J, de rijm-epiloog; doch het bedoelde jaartal is daar vervangen door de datum van het Nederduitse afschrift (1479), zodat geen der Westduitse teksten hier steun verschaft. We beschikken dus over 4 onmiddellijke gegevens; de rijm-epiloog van B zegt:
H:
K:
de drukken:
Hieruit mag met recht geconcludeerd worden, dat ‘ende drie’ een wezenlijk bestanddeel van de datering was, vooral met het oog op het, in de drukken te dezer plaatse verwaarloosde, rijm. Wat echter het hoofdgetal aangaat, hier mogen we met onze conclusie niet te haastig zijn. De eerste indruk is, dat 1326 wel het hoofdgetal van de datering moet wezen, omdat drie van de vier onmiddellijke gegevens dit suggereren. Maar de afwijking in K behoort in genen dele veronachtzaamd te worden, te minder daar we nog beschikken over een indirecte aanwijzing welke Jan Boendales Lekenspiegel ons aan de hand doet.
Zoals beneden nader uiteengezet zal worden, heeft Boendale uit de Sidrac de stof geput niet alleen voor het vierde boek van zijn Lekenspiegel, maar ook voor een groot deel van het eerste en het derde boek. Men houde bovendien in het oog, dat het eerste boek niet slechts ontleent aan de beginvragen van de Sidrac, maar o.m. aan vraag 284-286, 303, 319! En hieraan was Boendale, naar bekend is, bezig in 1325:
Gezien de vele plaatsen waar de Lekenspiegel letterlijk overeenkomt met de Sidrac2), mag men met grond besluiten, dat Boendale van de Dietse vertaling gebruik heeft gemaakt; en vervolgens, dat de Sidrac hoogstwaarschijnlijk vóór 1325 vertaald is. Nu doen zich verschillende mogelijkheden voor:
De mogelijkheid onder c sluit natuurlijk a of b niet uit; we hebben dus keuze uit 1318 en 1323 met enige waarborg van waarschijnlijkheid.
Stellen we vooreerst de vraag: is het jaar 1318 mogelijk als jaar der vertaling? Ongetwijfeld; volgens Langlois4) vermeldt een artikel in Archaeological Review II (bl. 345-349), dat in Engeland een Sidrac is gesignaleerd vóor 1319; er kan dus zeker in die tijd ook in Antwerpen een exemplaar in omloop zijn geweest. En mocht het genoemde Franse hs. in Engeland hetzelfde zijn als dat, hetwelk den Antwerpenaar tot voorbeeld heeft gediend - en onmogelijk is dit lang niet5) -, dan zou daaruit volgen dat de Dietse vertaling vóor 1319 gereed was6).
Ziedaar de gedachtengang die mij er tenslotte toe heeft gebracht 1318 te beschouwen als het jaar, waarin de Antwerpse vertaler van de Sidrac met zijn werk klaar kwam.
De beantwoording dezer vraag vereist een nauwlettende studie, waaraan door de onderhavige tekst enigszins wordt tegemoet gekomen. Het is immers niet in de laatste plaats met het oog op bovenstaande vraag, dat de tekst van O gekozen is om ten grondslag te worden gelegd aan deze editie.
Wat is tot heden de mening geweest van Noord- en Zuidnederlandse filologen aangaande het vaderschap van de Middelnederlandse vertaling? Men kan de onderscheiden uitingen daarover aldus karakteriseren: voor of tegen Boendale. De oorzaak hiervan moet, behalve in de tijd van vervaardiging, gezocht worden in de omstandigheid, dat Boendale in zijn Lekenspiegel (IV, 1, 9) niet slechts meedeelt het boek van Sidrac gelezen te hebben; maar ook de stof voor zijn hoofdwerk voor een belangrijk gedeelte er aan ontleende. M. de Vries1) wees daar reeds op, met vermelding van de volgende plaatsen in de Lekenspiegel, waar de bron met name wordt aangeduid:
Lsp. IV, 1, 1:
IV, 1, 60:
IV, 1, 72:
IV, 6, 1:
IV, 6, 10:
IV, 6, 69:
IV, 7, 1:
IV, 10, 50:
Het is wel merkwaardig dat de naam Sydrac alleen in boek IV van de Lekenspiegel, en wel herhaaldelijk, wordt genoemd; in het eerste boek wordt er vaag op gezinspeeld: ‘Also als ons een meester leert’ (c. VIII, 32) - ‘Aldus las ict in ene stat’ (c. XII, 32).
Behalve de dubieuze datum verschaft de vertaler van de Sidrac ons nog enkele gegevens over zichzelf in de rijmproloog:
Napoleon de Pauw meende te kunnen besluiten2), dat Boendale zelf de Sidrac vertaald had. Deze mening werd bestreden door L. Willems, die er o.m. op wees3), dat De Pauws argumenten al aan M. de Vries, Penon, Jonckbloet en Te Winkel bekend waren, terwijl deze geleerden de vertaling toch niet aan Boendale toeschreven. Onlangs kreeg De Pauw echter een medestander in Floris Prims (in dl. VIII van diens Geschiedenis van Antwerpen), maar dr. J. van Mierlo vroeg terecht4): Zou Boendale proza geschreven hebben?
Voor mij is het uitgesloten dat Boendale de vertaler zou zijn, om de volgende redenen:
1. Boendale zegt alleen dat hij het boek gelezen heeft. 2. Er zijn talrijke volkomen gelijkluidende plaatsen in Sidrac en Lekenspiegel waaruit blijkt, dat Boendale de Nederlandse vertaling voor zich heeft gehad. Het zou toch wel vreemd zijn, dat B. zichzelf zo dikwijls herhaalde zonder van ‘zijn’ vertaling te reppen.
Tot steun van deze mening kunnen bovendien de volgende overwegingen in aanmerking komen: 3. Boendale schreef geen literair werk in proza. 4. Hij was niet zó nauwgezet, waar het vertalingen betrof, als zijn stadgenoot blijkt in Rijmproloog 57-80. 5. Rijmproloog en -epiloog missen de sprekende enjambementen die voor B. zo kenmerkend zijn. 6. De toon van de rijmstukken is onmiskenbaar die van een man, ouder dan de auteur van de Lekenspiegel. 7. Boendales ‘zin’ was in 1318 (en evenmin in 1323) nog lang niet ‘versleten’.
Wie dan wel de vertaler is? Deze vraag kan nog niet worden beantwoord. Daar hij omstreeks 1315 aan zijn werk begonnen kan zijn, was hij vermoedelijk ± 1265 geboren. Vóor 1315 had hij al verscheidene werken geschreven (waarschijnlijk geen berijmde vertalingen, waarin hij o.m. een vermanende stem heeft laten horen tegen de lectuur van ridderromans. Overigens weten we alleen dat hij omstreeks 1318 in Antwerpen woonde1).