terug  begin  verder

[p. XXXVIII]

Hoofdstuk III
Verbreiding van het Boek van Sidrac.

De Franse tekst is vertaald in het Diets (Middelnederlands), Provençaals, Italiaans en Engels; vervolgens is de Dietse tekst weer overgebracht in twee Westduitse dialecten (Nederduits en Nederrijns), waarna een Nederduitse tekst vertaald is in het Deens1). Talrijke Franse handschriften getuigen van de populariteit van het werk, waarvan in de bibliotheken der voornaamste Franse vorsten exemplaren aanwezig waren2). Tweemaal is het boek in het Engels vertaald: in de 14de eeuw op rijm door Hugh Campden3) en later in proza, van welke vertaling de Bodleian Library te Oxford een 15de-eeuws fragment bewaart: ms. Digby 1944). Een van de handschriften der Italiaanse versie is uitgegeven door A. Bartoli5) in de serie ‘Opere inedite e rare dei primi trei secoli della linqua’; een fragment van een 15de-eeuws kloosterhandschrift in Otrantodialect is gepubliceerd door V. de Bartholomaeis6), hiervan vindt men een uittreksel bij E. Monaci: Crestomazia italiana dei primi secoli, bl. 548.

[p. XXXIX]

Vertalingen van Nederlandse teksten.

De vertaling in het Nederrijns had waarschijnlijk omstreeks 1400 plaats; het oudste der drie nog bestaande handschriften, zeer fragmentarisch, dagtekent althans uit die tijd. Het bevindt zich in de Preussische Staatsbibl. te Berlijn (ms. Germ. Q 1410), waar men nog een ander bewaart (ms. Germ, Q 536), dat van 1529 dateert en vrij volledig is. Het derde berust in het Stadsarchief van Keulen (ms. W. fo. 4) en is waarschijnlijk in het laatst der 15de eeuw geschreven1). Deze drie Nederrijnse handschriften gaan, al of niet direct, terug op eenzelfde Nederlands voorbeeld, blijkens de overeenkomstige teksten; ze hebben ook alle drie de rijmproloog en misien de berijmde epiloog.

Een andere Nederlandse tekst diende als voorbeeld voor een 15de-eeuwse Nederduitse vertaling2). Twee hss. daarvan bevinden zich te Kopenhagen, nl. hs. 807, 4o in de Arnamagnaeaanse Bibl. en het 16de-eeuwse hs. van Suhm in de Grote Kon. Bibl. Het eerste en relatief volledigste, dagtekenend uit de 15de eeuw, is uitgegeven door H. Jellinghaus: Das Buch Sydrach, Tübingen 19043). In tegenstelling met de Nederrijnse hss. bevat dit wel, zij het dan ook gewijzigd, de rijmepiloog, doch mist de rijmproloog. Vooral hierom is J van belang, wijl er 5 vragen4) in voorkomen die in de bekende Nederlandse handschriften en drukken ontbreken5), doch ongetwijfeld deel uitmaakten van de Nederlandse vertaling, zoals ik reeds uitvoeriger in TTL 1934 heb meegedeeld; van deze 5 vragen bevat het onvolledige hs. van Suhm er ook drie.

Tenslotte is de Nederduitse tekst weer vertaald in het Deens. Van deze vertaling bevindt zich te Kopenhagen een hs. uit het laatst der 15de eeuw, dat uitgegeven is door Gunnar Knudsen6). De vragen uit J die de Nederlandse hss. missen, komen alle vijf ook voor in de Deense tekst. Deze bevat echter weer een vraag (vr. e6) die

[p. XL]

wel voorkomt in de Nederlandse teksten (vr. O 166) maar niet in J. Blijkbaar gaat de Deense tekst dus terug op een Nederduits hs., ouder dan J. Dit wordt bevestigd door de volgorde der vragen, welke in DE beter overeenkomt met die van de Nederlandse hss. dan in J (vgl J vr. 70-75, 91-92 en 106-107).

De Deense tekst, zeer onvolledig, zeer verkort en met talrijke schrijffouten, is waarschijnlijk afschrift van een afschrift der vertaling uit het Nederduits. Er zijn enkele weinig belangrijke interpolaties van theologische inhoud, vr. c22, c25 en f20. De uitgever levert in zijn Inleiding een uittreksel van het artikel van Renan en Paris in de Hist. Litt. XXXI, dat hij, blijkbaar Jellinghaus volgend, de enige uitvoerige literatuurhistorische behandeling van de Sidrac noemt; Langlois was hem dus onbekend. Daar hij geen Nederlandse tekst kende, wat niet zozeer te verwonderen valt, meende hij, wijzende op het ontbreken van astrologische, lapidarische en medicinale gedeelten, dat deze eerst later in de Franse teksten geïnterpoleerd waren.

De Nederlandse tekst.

De Franse hss. kennen in hoofdzaak twee redacties: een kortere (β) met omstreeks 600, en een meer uitgebreide (γ) met ± 1200 vragen; dit verschil wordt voornamelijk veroorzaakt doordat vele vragen der β-redactie in andere hss. gesplitst voorkomen1). Bij vergelijking van de plaats die enige willekeurig gekozen vragen van de Nederlandse tekst in Franse hss. innamen, bleek de nummering der β-redactie beter te beantwoorden aan de Nederlandse dan de γ-redactie. De conclusie is dan ook gewettigd, mede in verband met het aantal vragen, dat de Antwerpse vertaler een Frans hs. der β-redactie tot voorbeeld had.

Een kleine bizonderheid dient nog vermeld te worden: in de 10de vraag geven de Franse teksten de volgende 4 namen van deelen der wereld: Saans (Sanaaf)-Carboham-Gramast (Gramaf, Triamaf) Trobissamef (Trochissamef). Deze zonderlingen namen luiden in de Nederlandse tekst: Sanaaf-Carboam-Grunaf-Trocios-Samef (Samesue)2), althans in de drukken en de meeste hss., dus 5 namen door splitsing der 4de; alleen O heeft het eerste deel van de vierde naam toegevoegd aan de derde: Grunaf torcios3). Ook in sommige Franse hss. is het laatste deel van de vierde naam afzonderlijk vermeld, b.v. in het Parijse hs. B.N. 1160: Sanaaf-Carboham-Triamaf-Throchis-Samef (5 namen!) en in Brussel 11110: Sarmaaf-Carboham-Griamastrochis-Samef (een verdeling die overeen-
[p. XLI]
komt met O). Ook het Franse voorbeeld onzer vertaling zal hier een naamverdeling gehad hebben als het Brusselse hs.

Datering.

In de berijmde epiloog heeft de vertaler het jaartal van zijn werk vermeld. Deze epiloog is maar in drie Nederlandse hss. bewaard, alsmede in de drukken. Van de Westduitse teksten (die op de Nederlandse teruggaan) heeft er maar één, J, de rijm-epiloog; doch het bedoelde jaartal is daar vervangen door de datum van het Nederduitse afschrift (1479), zodat geen der Westduitse teksten hier steun verschaft. We beschikken dus over 4 onmiddellijke gegevens; de rijm-epiloog van B zegt:

 
...Doe men Gods jairen noteerde
 
Derthien hondert sessentwintich ende drye.
 
Bidden wij der maghet Marie...

H:

 
...Als men ons Heren jaer noteerde
 
Dertienhondert .XXVI. ende drie.
 
Nu bidden wi der maget Marie...

K:

 
...Doe men Gods iare noteerde
 
XIIIc XV ende drie.
 
Bidden wi der maget Marien...

de drukken:

 
...Ter bede van veel edelre heren,
 
Doe men screef dertyen hondert ende XXVI.
 
Nu laet wy bidden der maghet Marien...

Hieruit mag met recht geconcludeerd worden, dat ‘ende drie’ een wezenlijk bestanddeel van de datering was, vooral met het oog op het, in de drukken te dezer plaatse verwaarloosde, rijm. Wat echter het hoofdgetal aangaat, hier mogen we met onze conclusie niet te haastig zijn. De eerste indruk is, dat 1326 wel het hoofdgetal van de datering moet wezen, omdat drie van de vier onmiddellijke gegevens dit suggereren. Maar de afwijking in K behoort in genen dele veronachtzaamd te worden, te minder daar we nog beschikken over een indirecte aanwijzing welke Jan Boendales Lekenspiegel ons aan de hand doet.

Zoals beneden nader uiteengezet zal worden, heeft Boendale uit de Sidrac de stof geput niet alleen voor het vierde boek van zijn Lekenspiegel, maar ook voor een groot deel van het eerste en het derde boek. Men houde bovendien in het oog, dat het eerste boek niet slechts ontleent aan de beginvragen van de Sidrac, maar o.m. aan vraag 284-286, 303, 319! En hieraan was Boendale, naar bekend is, bezig in 1325:

[p. XLII]
 
Ende van Godevaert1) sijn leden
 
Tote dat ic te deser stede
 
Dichte dese selve lesse
 
Twee hondert jaer twintich ende sesse.
 
Lsp. I c. 38, 85.

Gezien de vele plaatsen waar de Lekenspiegel letterlijk overeenkomt met de Sidrac2), mag men met grond besluiten, dat Boendale van de Dietse vertaling gebruik heeft gemaakt; en vervolgens, dat de Sidrac hoogstwaarschijnlijk vóór 1325 vertaald is. Nu doen zich verschillende mogelijkheden voor:

a:
K kan de juiste tekst hebben.
b:
‘XXVI’ kan onjuiste copie zijn van XXIII (dat weer een een samenvatting kan wezen van ‘XX ende drie’, in K dan verkeerd overgenomen als ‘XV ende drie’), zoals betoogd is door N. de Pauw3), die aldus tot het jaar 1323 kwam.
c:
‘1329’ kan het jaar aangeven waarin een der afschriften is vervaardigd.

 

De mogelijkheid onder c sluit natuurlijk a of b niet uit; we hebben dus keuze uit 1318 en 1323 met enige waarborg van waarschijnlijkheid.

Stellen we vooreerst de vraag: is het jaar 1318 mogelijk als jaar der vertaling? Ongetwijfeld; volgens Langlois4) vermeldt een artikel in Archaeological Review II (bl. 345-349), dat in Engeland een Sidrac is gesignaleerd vóor 1319; er kan dus zeker in die tijd ook in Antwerpen een exemplaar in omloop zijn geweest. En mocht het genoemde Franse hs. in Engeland hetzelfde zijn als dat, hetwelk den Antwerpenaar tot voorbeeld heeft gediend - en onmogelijk is dit lang niet5) -, dan zou daaruit volgen dat de Dietse vertaling vóor 1319 gereed was6).

[p. XLIII]

Ziedaar de gedachtengang die mij er tenslotte toe heeft gebracht 1318 te beschouwen als het jaar, waarin de Antwerpse vertaler van de Sidrac met zijn werk klaar kwam.

Wie was de Antwerpse vertaler?

De beantwoording dezer vraag vereist een nauwlettende studie, waaraan door de onderhavige tekst enigszins wordt tegemoet gekomen. Het is immers niet in de laatste plaats met het oog op bovenstaande vraag, dat de tekst van O gekozen is om ten grondslag te worden gelegd aan deze editie.

Wat is tot heden de mening geweest van Noord- en Zuidnederlandse filologen aangaande het vaderschap van de Middelnederlandse vertaling? Men kan de onderscheiden uitingen daarover aldus karakteriseren: voor of tegen Boendale. De oorzaak hiervan moet, behalve in de tijd van vervaardiging, gezocht worden in de omstandigheid, dat Boendale in zijn Lekenspiegel (IV, 1, 9) niet slechts meedeelt het boek van Sidrac gelezen te hebben; maar ook de stof voor zijn hoofdwerk voor een belangrijk gedeelte er aan ontleende. M. de Vries1) wees daar reeds op, met vermelding van de volgende plaatsen in de Lekenspiegel, waar de bron met name wordt aangeduid:

 

Lsp. IV, 1, 1:

 
Een coninc, een groot heere,
 
Die so vraechde wilenneere
 
Enen clerc, was heydijn
 
Ende so groten astronomijn,
 
Dat hi vele propheteerde
 
Ende den volke wijsheit leerde,
 
Die hi hem screef ende ooc sprac,
 
Ende die meester hiet Sydrac.
 
Sinen boec hebbic ghelesen
 
Daer vele wondre in wesen
 
Van prophecien ende mede
 
Van uutnemender wijshede.

IV, 1, 60:

 
Alse ons Sydrac doet verstaen.
 
Int einde seit Sydrac alsoe...

IV, 1, 72:

 
Voort spreect aldus Sydrac mee

IV, 6, 1:

 
In Sydracs boec so lesen wi dat
[p. XLIV]

IV, 6, 10:

 
Sydrac die seit ons mede

IV, 6, 69:

 
Nu willic u dan meer lyen
 
Van meester Sydracs prophecien

IV, 7, 1:

 
Sydrac seit...

IV, 10, 50:

 
Sydrac seit, die wise man...

Het is wel merkwaardig dat de naam Sydrac alleen in boek IV van de Lekenspiegel, en wel herhaaldelijk, wordt genoemd; in het eerste boek wordt er vaag op gezinspeeld: ‘Also als ons een meester leert’ (c. VIII, 32) - ‘Aldus las ict in ene stat’ (c. XII, 32).

Behalve de dubieuze datum verschaft de vertaler van de Sidrac ons nog enkele gegevens over zichzelf in de rijmproloog:

46
Te Antwerpen daer ic wone
144
Want ic oud was vichtich jaer
 
Doe ic dit werc eerst began
 
Ende hebbe versleten nochtan
 
Met dichtene minen sin.1)

Napoleon de Pauw meende te kunnen besluiten2), dat Boendale zelf de Sidrac vertaald had. Deze mening werd bestreden door L. Willems, die er o.m. op wees3), dat De Pauws argumenten al aan M. de Vries, Penon, Jonckbloet en Te Winkel bekend waren, terwijl deze geleerden de vertaling toch niet aan Boendale toeschreven. Onlangs kreeg De Pauw echter een medestander in Floris Prims (in dl. VIII van diens Geschiedenis van Antwerpen), maar dr. J. van Mierlo vroeg terecht4): Zou Boendale proza geschreven hebben?

Voor mij is het uitgesloten dat Boendale de vertaler zou zijn, om de volgende redenen:

1. Boendale zegt alleen dat hij het boek gelezen heeft. 2. Er zijn talrijke volkomen gelijkluidende plaatsen in Sidrac en Lekenspiegel waaruit blijkt, dat Boendale de Nederlandse vertaling voor zich heeft gehad. Het zou toch wel vreemd zijn, dat B. zichzelf zo dikwijls herhaalde zonder van ‘zijn’ vertaling te reppen.

[p. XLV]

Tot steun van deze mening kunnen bovendien de volgende overwegingen in aanmerking komen: 3. Boendale schreef geen literair werk in proza. 4. Hij was niet zó nauwgezet, waar het vertalingen betrof, als zijn stadgenoot blijkt in Rijmproloog 57-80. 5. Rijmproloog en -epiloog missen de sprekende enjambementen die voor B. zo kenmerkend zijn. 6. De toon van de rijmstukken is onmiskenbaar die van een man, ouder dan de auteur van de Lekenspiegel. 7. Boendales ‘zin’ was in 1318 (en evenmin in 1323) nog lang niet ‘versleten’.

Wie dan wel de vertaler is? Deze vraag kan nog niet worden beantwoord. Daar hij omstreeks 1315 aan zijn werk begonnen kan zijn, was hij vermoedelijk ± 1265 geboren. Vóor 1315 had hij al verscheidene werken geschreven (waarschijnlijk geen berijmde vertalingen, waarin hij o.m. een vermanende stem heeft laten horen tegen de lectuur van ridderromans. Overigens weten we alleen dat hij omstreeks 1318 in Antwerpen woonde1).

1)Voor de Franse, Provençaalse, Italiaanse en Engelse handschriften zie men Hist. Litt. XXXI bl. 286, Langlois bl. 215, Bartoli bl. XVII, Bülbring bl. 443; en voor de Nederlandse en Westduitse hss. mijn studie in TTL 1934 bl. 30.
2)Zie L. Delisle: Recherches sur la librairie de Charles V, Paris 1907. Bij Ant. Sanderus: Bibl. Belga manuscripta (1641) leest men, dat er in de bibliotheek der Bourgondische hertogen drie exemplaren waren van ‘Sydrac en françois’, waarvan éen (no. 202) was ‘envoyé au roy d'Espagne’. De meeste Franse hss. bevinden zich natuurlijk in Frankrijk, maar ook in Engeland zijn er vele, zie Ward en Bülbring, o.c. Ook worden er enkele aangetroffen in Italië, België en Nederland; voor de beide laatstgenoemde landen zie men LB 1934, bl. 1.
3)Th. Warton: History of English Poetry2, 1840, I bl. 202 en II bl. 306. De vertaling van Hugh Campden werd in 1510 gedrukt bij Th. Godfrey te Londen.
4)Zie Bülbring o.c. die ook de Engelse hss. beschrijft, voorzover dit nog niet geschied was, en de drukken. Merkwaardig is dat Campden, evenals de Nederlandse vertaler, de lange gedeelten over astrologie, kruiden en gesteenten heeft overgeslagen.
5)A. Bartoli: Il libro di Sidrach, Bologna 1868.
6)V. de Bartholomaeis: Un' antica versione del libro di Sydrac in volgare di terra d'Otranto (Archivo glottologico italiano XVI).
1)Zie TTL 1934. Ik verzuimde daar te melden, wat ik hierbij gaarne herstel, dat het prof. dr. K. Christ te Berlijn was, die mijn aandacht op de Nederrijnse hss. vestigde.
2)Dat de Nederduitse tekst op een ander Nederlands voorbeeld teruggaat dan de Nederrijnse overzetting, heb ik aangetoond in TTL 1934.
3)De aantekeningen achterin deze uitgave bevatten enkele goede opmerkingen, maar soms wedijveren ze met de Sidrac in naïveteit.
4)Ten onrechte noemde ik op bl. 47 en 58 van TTL 1934 een zestal vragen (vr. J 87 moet geschrapt); in de hier uitgegeven tekst heb ik de vijf vragen (J 37-61-78-81-109) ingelast onder de nummers 37a, 60a, 76a, 78a en 105a.
5)Het zijn geen interpolaties, want ze komen ook in de Franse tekst voor en uit de taal blijkt duidelijk hun Nederlandse afkomst.
6)G. Knudsen: Sydrak, efter haandskriftet Ny Kgl. Saml. 236, 4o. København 1921-'32.

1)De vraag welke redactie primair is, werd door R. Marichal beantwoord ten gunste van de korte; het is niet onmogelijk dat ook de γ-redactie door de auteur(s) zelf is gelanceerd. Marichal, die 14 Franse hss. heeft geclassificeerd, onderscheidt nog 2 groepen α: afgeleid resp. van β en γ, doch met een zelfde slottekst.
2)De overige varianten in de Nederlandse teksten zijn van geringe betekenis.
3)Tussen Grunaf en torcios is wel een kleine ruimte, maar in tegenstelling met de andere namen staat torcios zonder hoofdletter.

1)Godfried van Bouillon, 1099.
2)Men vergelijke bijvoorbeeld de tekst van vraag 82-83-84 met de corresponderende plaatsen in de Lekenspiegel. Een lijstje van alle overeenkomstige plaatsen in Sidrac en Lekenspiegel kan men vinden op bl. LXVIII.
3)VMKVA 1919, 2e stuk, bl. 421-437
4)bl. 212 noot.
5)Dat Franse voorbeeld bevindt zich althans niet onder de Sidrac-hss. in België en ons land. Ik herinner nog aan de merkwaardige coïncidentie, dat ook de Engelse vertaling de Lapidaris, de Astrologie en de vragen over de geneeskrachtige kruiden mist. Toch is de Engelse tekst geen vertaling van de Nederlandse, zoals een (vluchtig) onderzoek mij leerde.
6)Althans indien men daarbij aanneemt dat het hs. via Antwerpen naar Engeland kwam. Dat het via Engeland in Antwerpen zou gekomen zijn is weliswaar niet volstrekt onmogelijk, maar toch zeer onwaarschijnlijk.

1)Zie zijn uitgave van Jan van Boendale's Der Leken Spieghel, Leiden 1844, Inleiding bl. LVII vv.
1)Het woord ‘dichten’ moet hier waarschijnlijk niet in de hedendaagse betekenis worden opgevat, maar in die van ‘een werk schrijven’, hetzij in proza of in poëzie (deze betekenis komt in de Middeleeuwen vaak voor); men zie Rijmproloog 62, 74 en 125.
2)VMKVA 1919, bl. 421 e.v.
3)VMKVA 1926, bl. 197 e.v.
4)Ons Geestelijk Erf VIII (1934), bl. 108.
1)Ik wijs er nog op, dat het weinig voorkomende woord auctoriteit (zie Woordenlijst) ook wordt gebruikt door de dichters van Die Dietsche Doctrinale en Mellibeus (zie de studie van W.H. Beuken in TMNL XLVI, bl. 165). Nog afgezien van de chronologie komt het mij echter voor, dat de Sidrac-vertaler met geen dezer beiden identiek kan zijn, met het oog op zijn denkbeelden over berijmde vertalingen.

terug  begin  verder