De mening, dat Boendale het Boek van Sidrac vertaald zou hebben (Nap. de Pauw in Versl. en Mededl. der Kon. Vl. Ac. 1919, bl. 421 e.v.; Floris Prims: Geschiedenis van Antwerpen dl. VIII), is onhoudbaar.
Dat Boendale in het vierde boek van zijn ‘Lekenspiegel’ een ‘korte inhoud van de Sidrac’ gaf, zoals J. te Winkel beweerde in zijn Ontwikkelingsgang der Ned. Lett. (Middeleeuwen II bl. 14 noot 2) is onjuist.
Ten onrechte meent Dr. L. Willems (Versl. en Mededl. der Kon. Vl. Ac. 1926, bl. 209 e.v.) - en naar diens voorbeeld ook Dr. J. van Mierlo in zijn Geschiedenis van de Oud- en Middelned. Lett. bl. 188 -, dat de auteur van de Dietsche Lucidarius ook van de Sidrac gebruik heeft gemaakt.
Er moet een oudere Nederduitse Sidrac-tekst bestaan hebben dan die van het handschrift, dat ten grondslag ligt aan de uitgave van H. Jellinghaus: Das Buch Sydrach, Tübingen 1904.
Dat Boendale zijn beschrijving der hellestraffen grotendeels geput heeft uit de visioenen van Tondalus en Patricius (R. Verdeyen en J. Endepols: Tondalus' Visioen en Patricius' Vagevuur, dl. I, bl. 101) is onjuist.
In zijn Inleiding op Boendale's ‘Lekenspiegel’ bl. LIII meende M. de Vries ten onrechte, dat de beide laatste capita van het tweede boek ‘kennelijk des schrijvers eigen werk’ waren.
In ‘Dander Martijn’ van Jacob van Maerlant (uitgave Verdam-Leendertz bl. 60) vertale men wederstoot in r. 319 door ‘betreurenswaardige toestand’, niet door ‘tegenstand’ (zie de Woordenlijst aldaar s.v.).
Dat het woord sachede een verschrijving zou zijn voor scalchede, zoals J. Franck veronderstelde in het Tijdschr. der Mij. voor Ned. Letterkunde XVII bl. 277, is niet waarschijnlijk.
Disticha Catonis IV, 27:
De door Dr. A. Beets in zijn uitgave op bl. 77 voorgestelde wijziging van het laatste vers is niet alleen overbodig maar ook ongewenst.
Het is niet wenselijk noch wetenschappelijk verantwoord, de in het spellingcompromis-Marchant aangegeven groep ‘den-woorden’ uit te breiden.
De dichter van Marieken van Nimweghen was waarschijnlijk lid derzelfde rederijkerskamer, waartoe ook de auteur van ‘De Katmaecker’ behoorde.
Marcellus Emants' epos ‘Godenschemering’ is zeer wel te vergelijken met een klassiek drama.
De Gothische vorm ainohun behoeft niet van jongere datum te zijn dan de vorm ainnohun.
Ten onrechte maakt Dr. J. Pollmann in zijn proefschrift ‘Ons eigen Volkslied’ geen onderscheid tussen Volkslied, Lied in Volkstoon en ‘Gesellschaftslied’.