|
|
|
| |
| | | |
Marja Geesink
Ontleningen aan Hooft in Coster's voorrede tot de spelen van Bredero (1617).
In dezelfde periode 1616-1617 dat Bredero's spelen Rodd'rick ende Alphonsus (van 1611), Griane (van 1612), Lucelle, in 1616, en Moortje (van 1615), in 1617 gedrukt waren, werd voor de uitgever van deze spelen, Cornelis Lodewijcksz. vander Plasse, een vierbladig katern in 4o gedrukt met de volgende titelpagina: De ‖ Spelen ‖ Van ‖ Gerbrand Adriaensz ‖ Bredero ‖ Amsterdammer. ‖ Vignet: wapen van Amsterdam ‖ t'Amsterdam, ‖ Voor Cornelis Lodewijcksz. vander Plasse/‖ Boeckverkooper op den hoeck vande Beurs ‖ in d'Italiaansche Bijbel. 1617. Deze titelpagina wordt gevolgd door de voorrede van Samuel Coster op (†) 2 recto - [ (†) 3] verso(1). De katern, inhoudelijk tijdgebonden, gezien de toespelingen op literaire conflicten en de voorgenomen oprichting van de Academie, is kennelijk formeel bedoeld doeld als voorwerk bij bundeling van werken van Bredero: in het exemplaar U.B. Amsterdam 461 F 8 volgen chronologisch de eerste drukken (Rodd'rick ende Alphonsus, Griane, Lucelle van 1616, Moortje 1617, Spaanschen Brabander 1618, Stommen Ridder 1619,Kluchten 1619, Nederduytsche Rymen 1620, Angeniet 1623 en Schyn-Heyligh 1624), terwijl de exemplaren K.B.
's-Gravenhage 341 C 11 en U.B. Leiden 707 C 7 met kleine onderlinge verschillen samengesteld zijn uit dezelfde werken in iets andere volgorde in exemplaren van 1621 tot 1637.
Coster's voorrede, gericht aan de burgemeesters en raden van Amsterdam, is een verdediging van Bredero's werk tegen ‘sommigher ondanckbaerheydt ende onwetendheydt’, ‘sommige nydige Ba-Bokken’ die lasterpraatjes rondstrooien, ‘een hoope Moolicken, die haer t' onrecht Rederijckers noemen’. Ruimer genomen echter geldt deze verdediging de poëzie van de gehele eigen kring, waarmee Coster de Academie wil gaan bevolken.
Het betoog valt uiteen in twee gelijke delen: een historisch overzicht en een commentaar op de situatie annis 1615-1617. Het historisch overzicht heeft de bedoeling aan de hand van exempla uit oudheid en
| | | | recenter uit Italië en Frankrijk de magistratuur te laten zien, dat de beoefening van de dichtkunst door volk en vorst niet alleen hoog gewaardeerd werd, maar dat deze waardering door de hooggeplaatsten ook in geld werd uitgedrukt. Na deze inleiding kan Coster des te harder enkele oorvijgen uitdelen:‘“Ten is nu (Godt betert) sommige nydige Ba-Bokken niet ghenoech, dat de Poëten, die voortyts tot last waren, huydensdaegs tot verlichtinge van de Staet zyn: sy beloonense noch daer en boven, in plaets van eer en ryckdom, met laster en achterklap. Dit wedervaert (leyder!) in dese uwe Stadt, MYN HEEREN, onder andere den Dicht-schrijver van de Spelen, die ic uwe E.E. uyt zynen naem tegenwoordelyc opoffere, ende my oock selver’. Tenslotte zorgt de goede poëzie nu voor de inkomsten van het ‘Oude-mannen Goodshuys’, waarmee de staat minder geldelijke zorgen heeft. Naast dit economische argument, dat in goede aarde moet vallen bij kooplieden-magistraten, zorgt Coster nog voor de nodige vleierij door hen onverkort bij de ‘rechte oordeelaers’ van de poëzie te rekenen om zo de gevraagde bescherming af te dwingen, voor de spelen van Bredero en impliciet voor de Academie-in-oprichting.
Twee tot zeven jaar daarvoor(2) had Hooft zich met zijn Reden van de Waerdichheit der Poesie op soortgelijke manier tot de magistraten gericht en wel met de vraag om een betere toneellocatie. De tijdgebonden passage in deze tekst(3) neemt echter een veel kleinere plaats in dan bij Coster. In deze passage bestrijdt Hooft de tegenstanders van de bonae litterae met de mededeling dat zij het misbruik ervan op het oog hebben, een misbruik echter ‘T welck ghijlieden weet altoos soo verre van dese plaetse gebleven te wesen, dat het, oock boven vlieder hoope, met het voordeel van den armen geluckt is’(4). Als verdediging van de poëzie, met name tegenover de bestrijders van deze kunst, en als promotie van de poëzie, nl. dat een grote natie evenredig grote roem moet genieten wat betreft haar literatuur, staat de Reden midden in een traditie van Italië over Frankrijk (Pléiade) naar Nederland. Door de ruimere opzet, een grotere theoretische fundering en een kleiner gelegenheidsaspekt verschilt de Reden van Coster's voorrede en heeft zij veel meer de kenmerken van een klassieker.
Van dit pleidoor voor de ‘heilige poesie’ heeft Coster, toen hij zich tot dezelfde heren richtte, een uitvoerig gebruik gemaakt. In regel 1-12 van de voorrede citeerde hij Hooft letterlijk, afgezien van een paar door de aanpassing gedwongen veranderingen en een meer substantiële ingreep, waar hij in de zesde regel Homerus voorziet van het epitheton
| | | |
Goddelyck. Een andersoortige wijziging treedt op, wanneer Coster in regel 2 Hooft integraal citeert, waarbij haer terugslaat op de poëzie terwijl het bij Hooft betrekking heeft op de beoefenaars van de poëzie:
| Hooft |
Coster |
‘...beroemtheden deser conste, die...bij de doorluchtichste voleken altijdt in grooter achtbaerheit, aensien, en waerdicheit is gehouden. De gemeenten hebben haer aengebeden, de oversten haer geërt, de vorsten haer geviert’(5).
‘Die grootste van alles watter ter wereldt leeft oft gestorven is, wiens gelijek op aerden (wtgesejdt de god-grootheden) de Sonne niet gesien en heeft, Coning Alexander, niet kon-nende missen te mercken wat desen Homerus in hadde, soude liever sijn nachtruste, als hem van onder sijn oorkussen ontbeert hebben’(6).
‘Wel ende danckbaerlijck deed Alexander, als hij sijnen Leitsman liet genieten aen de winste, waer af hij op sijn aenvoeren meester was geworden, hujsende de boecken van Homerus in 't kofferken der Conineklijcke-welrieckentheden; 'twelck rijk van goudt & oostersch gesteente, rijeker van maxel, voor 't dierbaerste gehouden was van alle datmen onder den Periaenschen roof & in 't plonderen van Darius eleenoodjen gevonden had’(7). |
‘De Poësie is by de doorluchtichste Voleken altyt in grooter achtbaerheydt, aensien ende waerdicheyt ghehouden. De Ghemeenten hebben haer aenghebeden, de Oversten haer ge-eert, de Vorsten haer geviert. De grootste van alles watter ter werelt leeft oft ghestorven is, wiens ghelyck op aerden (uytgheseyt de Goddelycke, als hoogher thuys behoorende grootheden) de Sonne niet gesien en heeft, Coning Alexander, niet konnende missen te mercken wat den Goddelycken Homerus in hadde, soude liever sijn nacht-rusten als hem van onder sijn oorkussen ontbeert hebben. Daerom hy oock wel ende danckbarlyck deed', als hy desen synen Leytsman liet genieten aen de winste waer af hy op syn aenvoeren meester was gheworden, huysende de Boecken van Homerus in 't kofferken der Koningly cke welrieckentheden, 'twelek ryek van Goudt en Oostersch Gestente, rycker van maeckxsel, voor 't dierbaerste gehouden was van alle dat men onder den Persiaenschen roof ende in't plonderen van Darius kleynodien had gevonden’(8). |
Na deze letterlijke citaten volgen nog twee parallel lopende exempla: de eerste betreft de goedgunstigheid van Octavia, de zuster van Augustus, ten opzichte van Vergilius(9), de tweede die van M. de Bassompierre, die bij Hooft de ‘Comediant Vautray [...] wel met 12000 g. aen klederen heeft beschonken’(10), terwijl dezelfde bij Coster de ‘Toneelspeelder Vauderó’ van 30.000 guldens voorziet voor hetzelfde. Gezien het verschil in de mededeling ligt de direkte invloed van Hooft hier niet vast.
Voor het historische gedeelte van zijn voorrede heeft Coster steun en inspiratie gevonden bij de Reden vande Waerdicheit der Poesie, voor het actuele gedeelte is de gelijkenis met de overeenkomstige passage in de
| | | | Reden zozeer ingegeven door de meer of minder hete hangijzers van die dagen, dat men alleen kan zeggen: Coster is hier (noodzakelijkerwijze?) vinniger en rechtstreekser dan Hooft.
Amsterdam, maart 1972. |
(1)Ik citeer naar: Memoriaal van Bredero. Documentaire van een dichterleven. Samengesteld door Garmt Stuiveling. Culemborg 1970. De voorrede van Coster staat op blz. 154-156. Op blz. 153 wordt abusievelijk vermeld, dat de voorrede op de opgepagineerde blz. 5-8 staat, hetgeen blz. 3-6 moet zijn. De oorzaak hiervan ligt mogelijk in het feit, dat in het exemplaar U.B. Amsterdam 461 F 8 voor dit katern de titelpagina van de uitgave van Van Waesberge is gebonden.
(2)H.W. van Tricht. P.C. Hooft. Arnhem 1951, blz. 225, noot 1 bij blz. 59.
(3)P.C. Hooft. Sonnetten. Reden vande Waerdicheit der Poesie. [Bezorgd door P. Tuynman]. Amsterdam 1971, blz. 57-71. De bedoelde tijdgebonden passage is te vinden bij de aantekeningen op blz. 96-97.
|
|