[p. 401]

Notities

Camiel Hamans: Hans Lodeizen als Londenvaarder

In het door Peter Berger en Pierre H. Dubois bezorgde Nagelaten werk van Hans Lodeizen (Amsterdam, 1969) wordt onder het hoofd ‘Enkele biografische data uit het leven van Joannes August Frederik (Hans) Lodeizen’ op p. 219 vermeld: 1945 ‘Leest veel. Schrijft ook, maar verbrandt alles weer. Begint rechtenstudie te Leiden om eventueel later in diplomatieke dienst te gaan. Regelt het zo, dat hij met een speciale missie voor een hoogleraar in de biologie naar Londen kan reizen. Maakt kort daarop weer een reis naar Londen, blijft daar langere tijd, komt in contact met de redactie van Vrij Nederland, en publiceert in Vrij Nederland een reisverslag en enkele kinderverhalen’.

Naar aanleiding van deze opmerkingen ben ik in het voorjaar van 1970 samen met A.J. Hanou de gegevens gaan natrekken. Dit gebeurde in het kader van een onderzoekje naar het reisthema bij Lodeizen.

Bij het natrekken stuitten we op grote problemen. In de leggers van Vrij Nederland was in het hele jaar 1945 geen publicatie van Lodeizen te vinden. Ook in de Londense Vrij Nederland werd niets aangetroffen. Doorzoeken leverde het gezochte reisverhaal op in de Londense Vrij Nederland van 26 Januari 1946 p. 862. De kinderverhalen bleven onvindbaar. Naderhand kregen we van Peter Berger informatie voor de in ‘Biografische data’ vermelde mededelingen, die onze resultaten bevestigde. De kinderverhalen zijn nooit gepubliceerd. Het reisverhaal van Lodeizen, dat onder de titel Londenvaarder gepubliceerd is in het betreffende nummer van de Londense Vrij Nederland, is naderhand nooit meer gepubliceerd, hoewel het zijn debuut betekende. Wel heeft Leo Ross, die de eerder genoemde onderzoekje begeleidde, het een en ander over dit verhaal medegedeeld in zijn artikel ‘Homoseks’ in de Gids 5/6 1971 p. 314.

Daarom volgt het hierna, evenwel meer als curiosum dan als literair gegeven.

 

Na eindeloos geharrewar in Holland is de avontuurlijke reiziger er in geslaagd een plaats te veroveren tusschen de uitverkorenen, die de pelgrimstocht naar Engeland mogen aanvaarden. Behalve zijn ponden heeft hij echt Engelsche, vooroorlogsche herinneringen mee. Hij is opgewonden, onze avontuurlijke reiziger. Hij kan niet slapen van het wiebelen van de boot en schrikt, als de stoomfluit gaat. Hij kijkt tien keer zijn koffers na, omdat hij zeker weet, dat hij iets vergeten heeft, alleen hij weet niet wat. Hij ontbijt in een overvolle eetzaal en probeert in een voor-oorlogsche stemming te komen door naar de grauwe oevers van de Theems te kijken. Ze moeten er toch al haast zijn.....

Hij trekt zijn koffers het dek op, gaat er op zitten, maar moet ze van den steward weer naar beneden vieren. Plotseling houdt het trillen van de motor op. De boot

[p. 402]

dobbert en drijft en keert een beetje. Iemand wijst en men tuurt naar den oever. Ergens klinkt het woord TILBURY. De reiziger kijkt en ontdekt houten loodsen, een schip, een haven.

Tilbury

De boot ligt uren en uren een paar meter van de wal vandaan, wachtend tot een schip vol Canadezen wegvaart.

De opgewonden passagier drentelt haastig het dek af en op, bibberend als een kille wind hem in de kleeren vaart. Dit is nu Engeland! Een houten loods - en aan de andere kant: grijze huizenrijen in een witte nevel. Het dek is tjokvol. Hij struikelt over koffers en tasschen, hij begint zijn Engelsch te oefenen met sorry, sorry, elke noodige en onnoodige keer. Een klok bengelt in de verte, een Engelsche klok. Een stoomfluit toetert zijn bruine rook in de mist. Waarom kan hij nu niet meteen echt Engelsch zijn, aan wal stappen en zijn geluk luchten? Het is koud, het is tijd voor een kop koffie.....

Londen

Het is sneller gegaan dan hij dacht. Hij heeft zijn kop koffie gehad, hij heeft er wat cake bij genomen, hij heeft sigaretten - pardon? - ja, sigaretten gekocht. Hij was zijn Engelsch nog niet vergeten: ‘Have you cigarettes?’ Het was wel een beetje gek om te vragen, maar waarom eigenlijk? ‘Only Kensitas, Sir’ zegt de juffrouw met de cakes en de koffie en de thee. ‘Only Kensitas? - That doesn't matter.’ Wat geeft het? Hij heeft zijn laatste Rhodesia eergisteren na tafel opgerookt. - Kensitas - de naam roept een flauwe herinnering op - and four for your friends.....

De reiziger is al niet opgewonden meer bij zijn eerste sigaret; de climax is overleefd. Natuurlijk heeft hij een Daily Mail en hij probeert zich nonchalant te concentreren op die wagen, die met een reuze vaart zes personen in het water reed - Zijn ze dood of niet dood - wat geeft het: z'n sigaret is lekker - O en dit is maar een begin! - z'n koffie is niet zoo erg lekker, maar het is koffie en je kunt koffie net zooveel krijgen als je wilt, de cake.....en dan de krant, die overdekt alles vertrouwelijk en geeft een heerlijke rust. Hij is in Engeland, eindelijk in Engeland. Na vijf lange jaren, dat dit land zoo onbereikbaar, zoo sprookjesachtig ver scheen.....

Queu-en voor een taxi op het station. Hij ontdekt voor de zooveelste maal, dat reizen toch eigenlijk wel vermoeiend is. En dan die lamme koffers. Hij zucht, en gaat er op zitten. Vlug! daar is je taxi. De chauffeur heeft een gewone hoed op en hij rookt een pijp. Zijn gezicht is zoo rood als een goudreinet. De meter tikt van de eene shilling naar de andere. Je woont wel een verduveld eind weg. De eene shilling na de andere komt in je hand. Je zit heftig te rekenen naar je fooi. Ondertusschen glijdt het groote Londen langs je kletterende raampje. De straten zijn nog net zoo breed en net zoo vol als eens.....als toen.....

De reiziger is moe van tellen. Hij leunt achterover in de zitting en staart naar buiten. Eindelijk - eindelijk nu is hij de grandseigneur in Londen. Hij zal een bad hebben, een warm, héét bad, hij zal eten, hij zal rooken, hij zal leven gaan opnieuw!

Londenaar

Het is leuk als Hollander Londenaartje te spelen. Als je een beetje oplet heb je het gauw te pakken. Het is het gezicht, dat je zet, wanneer je in een restaurant bestelt, het is de wijze, waarop je een fooi geeft, het is de wijze waarop je cigaretten koopt. O, die heerlijkheid van in een winkel te staan en te zeggen: ‘Twenty cigarettes, please!’ Je raakt er niet verzadigd van. Je wilt iedere winkel binnengaan en de psalm herhalen. Helaas heb je ontdekt, dat een pond makkelijk opraakt, zonder dat je weet hoe. Maar cigaretten hebben er vast iets mee te maken. Dus niet meer cigaretten. In

[p. 403]

Londen moet je niet leven alsof je in Holland was. Groote overwinning, je loopt de eerste cigarettenwinkel voorbij: zonder emotie, zonder blikken of blozen. Je lacht tegen jezelf: je begint aan het goede leven te wennen!

*

In den beginne sta je verbaasd zoo keurig als de menschen in de kleeren steken; ze lijken je haast modellen voor een confectiezaak. O, daar gaat die berenjas, die een droom van je is geweest zoovele jaren.....

Schoenen dito. London is een schoenenzaak. Als je 's ochtends katterig op het station staat te wachten om een nieuwe speurtocht te beginnen, zie je eensklaps niet anders dan allemaal mooie schoenen, net zooals het je wel eens in gezelschap gebeuren kan, dat je niets dan de ooren van de menschen ziet, en dan eensklaps beseft wat een raar ding een oor eigenlijk is....Maar wat een mooi ding is een mooie schoen....Je had nooit gedacht, dat er in Engeland zooveel lichtbruine schoenen gedragen werden. Veel deftige heeren promeneeren heen en weer en geelbruin zijn hun schoenen...schoenen, schoenen, schoenen....!

Auto's in Londen

Een mierenhoop van auto's. 's Avonds tegen zessen drommen ze voor Piccadilly Circus. Van de honderd zijn er zeker tachtig taxi's met een knalrooden chauffeur in de open lucht van de overige twintig zijn er vijf kleine Hillman's met een spichtige dame erin en haar hond en 15 lange pijlsnelle Rolls Royce's met een lakei voorin en achter de separatie, heelemaal achterin, een piepjong meisje met een boodschappentasch. Het verbaast je niet, dat de taxi's zoo oud zijn, wel, dat de Rolls Royce's zoo nieuw zijn. Zoo nu en dan zie je de spichtige dame met haar hond in het kleine Hillmannetje een elegant klein botsinkje maken tegen een pijlsnelle Rolls Royce, en weer zenuwachtig achteruit sturen.

De reiziger zelf echter staat avontuurlijk op het trottoir steekt zijn hand uit, en roept ‘taxi, taxi!’ Want het is zes uur en hij wil naar huis.

*

De underground valt tegen. Alleen de roltrappen zijn leuk. Hij zag vanochtend hoe iemand de trap, die naar beneden ging, naar boven opliep. Morgen zal hij opnieuw vroeg opstaan en de roltrap, die naar beneden gaat naar boven oploopen. Want verder is er niets aan de underground, die per slot maar net als een gewone tram is.

*

De hotelportieren zijn net lakeien van een antiek paleis. Ze staan voor het hotel en wuiven voor je als een taxi wilt hebben. Stel je voor! Onder aan de reuze marmeren trap van je hotel te staan, aan elken voet een koffer volbeplakt met je hotels uit Budapest en Caïro en die goud gegalonneerde lakei, die voor je wuift en wuift als een herault, als een apostel. Taxi, taxi!! Een oud vehiceltje snort voor. De lakei glundert, staat in de houding en zwaait het portier open. Met één voet al op de treeplank keer je je beminnelijk om en stopt hem een douceurtje in de hand. Vooruit! Vooruit! Het leven is een wedren.

*

De oogen van den verbaasden reiziger openen zich zeer wijd als zij in een pracht van licht het orgel in de bioscoop zien oprijzen. Een stroom van klanken vloeit de zaal binnen, verdooft, overweldigt, vermoordt de toeschouwers. Het licht flitst in een lange koker van paars naar groen, van groen naar oranje, van oranje naar blanje en pimpelpaars en alle kleuren van de regenboog en wat ook maar. De oogen van den verbaasden reiziger sluiten zich nu zeer snel om niet te zeggen angstig en in een verheven silzwijgen laat hij de weldoende stroom van klanken, klaterend als een waterval, over zich glijden. Een schuchtere rilling dribbelt hem langs de rug. Hij is gelukkig.

[p. 404]

Ondertusschen oefent de organist een bewonderenswaardige gymnastiek op zijn instrument. Zijn beenen klimmen van hoog naar laag, van links naar rechts. Zijn handen wandelen over de trappen van de toetsen, als menschen, die den weg kwijt zijn. In lange uitblazende accoorden roept hij door de microfoon wat het volgende zal zijn. Voorwaar! Hij is een groot kunstenaar. Zijn pak is zeer wit, zijn schoenen zijn wit en bruin, en zijn haar is zwart. Hij is bewonderenswaardig, hij is groot.

De verbaasde reiziger heeft zijn oogen geopend op een kier. Door deze kier slaat hij het schouwspel gade. Het orgel begint te zingen. Jubelend applaus. De reiziger betreurt het dat hij niet op zijn vingers kan fluiten.

Dan, met markante zwier, draait de organist zich op zijn stoel om, en buigt, en wuift, en dankt. Fantastische kleuren spelen op zijn gelaat. De reiziger ontwaart, dat het een zielig manneke is, van voren gezien. Het applaus zwelt aan. Het moede gezicht wringt zich tot een lach en keert weer tot de toetsen. En als het hoofd verdwijnt, zingt een vroolijke melodie opnieuw - uit de diepte.

 

HANS LODEIZEN

 

Bekijkt men het verhaal dan is het duidelijk, dat de reiziger voor de eerste maal na de bezetting naar Engeland gaat. Zinnen als: ‘Behalve zijn ponden heeft hij echt Engelsche, vooroorlogsche herinneringen mee’. ‘Hij probeert (...) in een vooroorlogsche stemming te komen’. ‘Hij is in Engeland, eindelijk in Engeland. Na vijf lange jaren, dat dit land zo onbereikbaar, zo sprookjesachtig ver scheen..’ laten aan duidelijkheid niets te wensen over. Als het verhaal autobiografisch is moet het, mits de door Dubois en Berger verstrekte gegevens juist zijn, stammen uit de tijd in '45 dat Lodeizen ‘met een speciale missie voor een hoogleraar in de biologie naar Londen’ reisde (p. 219). Dat was zijn eerste reis na de bevrijding. Dat het verhaal dan pas eind Januari 1946 - als Lodeizen al weer een tweede keer naar Londen gegaan is - gepubliceerd wordt lijkt vreemd, temeer daar de Londense Vrij Nederland al vanaf haar begintijd regelmatig dit soort bijdragen placht te publiceren en er dus klaarblijkelijk niet zulke ingewikkelde contacten vereist werden om ervaringen als deze gepubliceerd te krijgen.

De, ook voor Vrij Nederland, vreemde vorm waarin dit journalistieke reisverhaal gesteld is, nml. de hijvorm, suggereert dat Lodeizen distantie wilde nemen. Dat hij bijvoorbeeld ervaringen van verschillende mensen of van een individu op meerdere reizen tot een ‘fictioneel’ verhaal heeft gemaakt. Als dit zo zou zijn, dan is het ook niet zo vreemd dat een verhaal dat suggereert een verslag te zijn van iemand die voor de eerste keer naar Londen komt, gepubliceerd wordt als Lodeizen reeds voor de tweede maal naar Londen is gegaan.

 

(Amsterdam, 15 januari 1974)