|
Tabel 1. De belangrijkste varianten van [a [p. 6] In de tweede helft van de 19de eeuw was de uitspraak [α De toestand in Oostzaan is op enkele punten anders dan in de echte Zaandorpen. In de eerste plaats vertoont dit dorp een groter percentage [ε In de derde fase vinden we een heel ander beeld. De [α Bij het verhaaltje valt de snelle stijging op van de [ε
figuur 2. Vokaaldriehoek met ontwikkeling van Zaanse [α
].
= ontwikkeling vóór 1900; = ontwikkeling ná 1900.[p. 7]
2.2.2. [ɔ
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| diftong | fase 1 | fase 2 | fase 3 | |
|---|---|---|---|---|
| tieners | verhaal | |||
oe![]() |
- | 1% | 50% | 54% |
ɔ![]() |
100% | 75% | - | - |
![]() |
- | 11% | - | - |
oe φ.υ;φ ; ![]() |
- | 8% | 33% | 20% |
| φ.(υ) | - | 4% | 14% | 23% |
| oe: | - | - | 3% | 3% |
Tabel 2. De belangrijkste varianten van [ɔ
]. De percentages berusten in fase 2 op 85, bij de tieners op 118 en in het verhaal op 157 waargenomen exemplaren.
Boekenoogens [ɔ
] bezit bij de dialektsprekers nog een duidelijke meerderheid: 64 van de 85 gevallen. De rest wordt ingenomen door vormen die we kunnen samenvatten onder [
]-varianten: [ø.υ], [
en
]. Een onderscheid binnen deze groep is moeilijk te maken, omdat, althans in mijn oren, de volgende processen steeds plaats vinden: er is een geronde voor-klinker, die gevolgd wordt door een ronde glide; terwijl dat gebeurt gaat de tong van de [ø.]-stand naar een stand in de buurt van [
]. In het ene exemplaar uit deze groep is het laatste proces meer hoorbaar, in een ander het eerste. Daarnaast komen ook zuivere [ø.]-vormen voor.
Het beeld in de derde fase is totaal anders. Het verschijnen van de [oe
]is niet zo heel erg verrassend, maar het toenemen van de [ø.]-vormen en het absolute verdwijnen van de ø-vormen is dat wel. Nadat ik de tieners van het derde interview had opgenomen, vroeg ik ze of [hɔ
s]voor huis hun bekend voorkwam. Het antwoord was nee, één dacht dat dit Volendams was, Zaans leek het hun in ieder geval niet. Ook wat oudere personen, die echter niet specifiek dialektsprekers zijn, spreken de [ø.], en herkennen de [ɔ
] alleen desgevraagd in een uitdrukking als oit en tois. Merkwaardig is ook dat de [φ.] een stigma is geworden voor Zaankanters buiten hun streek8. De open ongespannen lange monoftong [oe.] komt met een heel geringe frekwentie voor.
Het verhaaltje levert ook nog een verrassing op: we zien dat niet alleen de [oe
]-vormen stijgen maar ook de [φ.]-vormen. Een samenvatting van de ontwikkelingen wordt gegeven in figuur 3.

].
= ontwikkeling vóór 1900;
= ontwikkeling ná 1900.Voordat ik wederom de [α
] en de [ɔ
] afzonderlijk behandel, wil ik eerst ingaan op de toestand in Oostzaan. Ik zal een aantal feiten geven die suggereren dat het dialekt van dit dorp het Zaans van de Zaandorpen zo'n 50 jaar vooruit is. Deze feiten zijn:
| a. | In Boekenoogens tijd (1898, 30) had Oostzaan al in plaats van de (palatale) [a.] een [ao.], dat wil zeggen: de Amsterdamse variant. Deze [ao.] is nu in het Zaans bezig binnen te dringen, maar heeft bij de tieners nog slechts een kleine minderheids positie. |
| b. | Boekenoogen 1898, 32 geeft voor Oostzaan wat de [α ] betreft een [αο ] op. Intussen vinden we aan de Zaan alleen bij de jongeren velaire diftongen. De Oostzaanse dialektspreker uit de tweede fase heeft een voorkeur voor diftongen met een eerste element dat palataler is dan [α ]en[ε ]-vormen leggen beslag op 26% van het totaal, terwijl deze aan de Zaan slechts 5% uitmaken. De Oostzaner vertoont min of meer hetzelfde beeld als de tieners uit de derde fase: toename van de palatale vormen, sterke afname van de velaire. |
| c. | De ontwikkeling van de [ɔ ] is problematisch. Eerst moet het probleem opgelost worden, wat Boekenoogen bedoelt met əui. Naar mijn idee hebben we te maken met een variant van [ø.], zoals beschreven is in 2.2.2.: hij doelt op een [ø.]met een [ ] erna (eu+i), maar deze [ø.] is lager en minder voor in de mond geartikuleerd. Wanneer deze interpretatie juist is, maar zekerheid daarover is ner- |
gens meer te krijgen, dan was het Oostzaans in de eerste fase ongeveer gelijk aan het Zaans in de derde fase. De dialektspreker uit Oostzaan maakt de verdere ontwikkeling duidelijk. Bij hem vinden we in het gesprek altijd [oe ](vergelijk ook Heeroma 1935, 55, die voor Oostzaan ook [oe ] opgeeft). We stuiten hier echter op een tweede probleem: aan het interview van deze Oostzaner is een band toegevoegd waarin hij een woordenlijst uitspreekt. Acht woorden uit deze lijst hebben een ui en daarvan spreekt hij er drie uit als [oey] en vijf als [ø.] of [ø. υ]. Ik weet niet welke waarde ik moet hechten aan deze vijf woorden. Het lijkt me echter niet onmogelijk dat deze [ø.]-vormen vroeger tot zijn idiolekt hebben behoord, en dat ze te voorschijn komen bij uiterste
koncentratie op het dialekt.
Er zijn waarschijnlijk ook nog wel andere punten waarop het Oostzaans voorloopt op het Zaans, zoals het voorkomen van palatalisatie van [ɑ] in sommige posities. Deze gevallen heb ik niet systematisch nagegaan. |
] in de Zaandorpen
Zoals al is opgemerkt in 1. had het Zaans, zoals de andere Noordhollandse dialekten een ketting-verandering ondergaan met als resultaat [α
] (vergelijk figuur 2). De theorieën voorspellen op dit punt de volgende ontwikkeling: [α
] wordt [ɔ
], zodat ook voor het fonetisch kenmerk Rond de twee elementen uit de diftong aan elkaar tegengesteld zijn. We hebben gezien dat deze ontwikkeling in het begin van deze eeuw inderdaad op gang kwam; maar deze ontwikkeling is niet doorgezet! De andere mogelijkheid in de theorie, nl. ontwikkeling van een open lange monoftong, werd ook geen realiteit, en er is ook geen stilstand ingetreden. Wat wel gebeurde was een gedeeltelijke gelijkmaking van de twee elementen uit de diftong, doordat het eerste element (weer) palataler werd.
De oorzaak van dit verschijnsel ligt voor de hand, en is ook niet zo spektakulair: er is hier sprake van aanpassing aan de [ε
] van het Algemeen Beschaafd. Wellicht ten overvloede kan nog gewezen worden op een duidelijk bewijs voor deze interpretatie. Het percentage [ε
]-vormen neemt in de afdeling verhaal drastisch toe vergeleken met het percentage in het interview, hetgeen wil zeggen dat de tieners de [ε
] kennen als de hoger gewaardeerde variant.
Tenslotte wil ik nog wijzen op het hoge percentage [α
] bij de tieners (37%). Het is mogelijk dit feit te zien als een bewijs voor het feit dat dit dialektkenmerk in de Zaanstreek nog springlevend is, in tegenstelling tot andere kenmerken zoals [i.] voor [e.], [e.] voor [a.] en [ɔ
] voor [oe
]. Dit is volgens mij een onjuiste interpretatie. De [α
] komt op vele plaatsen in Noord- en Zuid-Holland voor naast de dialekt-specifieke vormen. Zo besteden dialektologen vaak aandacht aan de [a.] en [ε.] voor [ε
] in Amsterdam, hoewel de [α
] daar ook (en misschien zelfs wel meer) voorkomt, vooral bij mensen die [a.] en [ε
] niet zo beschaafd vinden. Verder komt [α
] voor in Leiden, Gouda en Den Haag, en waarschijnlijk in nog veel meer plaatsen. Het is een kenmerk van het ‘algemeen halfbeschaafd’ en het is min of meer toevallig dat deze gelijk is aan de oude diftong van het dialekt in de Zaanstreek.
] in de Zaandorpen
De [ɔ
] was in de eerste fase al op zijn eindpunt in zijn ontwikkeling als diftong (vergelijk figuur 3). De volgende mogelijkheden laat de theorie open: hetzelfde blijven óf afval van de glide waardoor een lange open monoftong [
] zou ontstaan. Er is echter ook hier een geheel andere ontwikkeling gekomen: eerst [ɔ
]→[ø.] dan [
]→[oe
].
Hoe moeten we deze eerste stap, het ontstaan van een [ø.], nu interpreteren? Het meest waarschijnlijk lijkt mij de volgende interpretatie: op een gegeven moment bemerkten sommige Zaankanters dat hun [ɔ
] als dialektkenmerk minder hoog gewaardeerd werd dan de [oey] van Algemeen-Beschaafd sprekers,en men gaat zijn [ɔ
] aanpassen. Dit gebeurt doordat men de eigen artikulatie zodanig wijzigt, dat de waargenomen klank [oe
] benaderd wordt, althanś in eigen oren. Er vindt géén aanpassing plaats doordat men een Algemeen-Beschaafd spreker in de mond kijkt en datgene wat men daar ziet gebeuren gaat nabootsen. Wanneer men probeert een klank te imiteren bestaat de kans, dat de poging niet helemaal lukt, en dat gebeurde in ons geval: er kwam een klank tot stand die zowel een te hoog als te rond eerste element had([ø
υ]). Waarschijnlijk ontstond juist deze klank doordat de dialektsprekers vooral aan hun [ɔ
] opgevallen was dat deze ten opzichte van de [oe
] gedissimileerd was. Bij de aanpassing brachten zij de graad van dissimilatie zo ver terug, dat het verschil tussen de twee elementen uit de diftong te gering werd9. De
[ø
υ] waarop een aantal Zaankanters was overgegaan, werd door anderen in het dorp opgevangen en opnieuw geïnterpreteerd, namelijk als een licht gediftongeerde variant van de [ø.]. Degenen die een dergelijk licht gediftongeerde monoftong niet korrekt achtten, ‘herstelden’ deze tot [ø.], vooral in hun formele spreekstijl10. Zo gauw dit één keer was gebeurd, liepen [ø
υ] en vooral [ø.] de kans de nieuwe norm te worden in de Zaanstreek, waardoor ze door hele groepen dialektsprekers rechtstreeks werden overgenomen. Daarnaast is het natuurlijk mogelijk dat het bovenbeschreven proces zich enkele malen heeft afgespeeld.
Er zijn twee aanwijzingen dat het proces inderdaad zo verlopen is: a. wanneer we de percentages van de [ø.] en varianten in fase drie met elkaar vergelijken, valt op, dat zowel de [oe
] als de [ø.] frekwenter worden als de stijl formeler wordt. Dit gaat ten koste van[ø
υ]. Verder blijkt dat de stijging van de [oe
]-vormen veel minder groot is dan de stijging van de [ε
]-vormen in tabel 1.
b. Tijdens het voorlezen van het verhaaltje vergiste een meisje zich éénmaal bij een ui-woord: zij herstelde toen een [oe
] in een [ø.]! Uit de gegevens blijkt dus dat de [ø.] de norm is, terwijl de varianten alleen in de informele stijl van belang zijn. Een minder direkt argument kunnen we ontlenen aan het feit dat andere verklaringen óf onwaarschijnlijk zijn, óf niet kunnen verklaren waarom juist een [ø.] en varianten zijn ontstaan.
| 1. | De [ø.] is ontstaan uit onzekerheid: sommige Zaankanters weten in bepaalde situaties niet in welk woord een [oe ] en in welk woord een [ø.] thuishoort. Het bezwaar tegen deze verklaring, die mw. Daan (pers. comm.) mij als mogelijkheid suggereerde, is dat deze rijkelijk vaag is, en geen enkele reden geeft waarom er bij de Zaankanters onzekerheid tussen [ø.] en [oe ] zou moeten bestaan. Toch heeft deze verklaring wel wat gemeen met de hiervoor voorgestelde: in beide gevallen is sprake van onzekerheid van een spreker. We hebben echter te maken met twee verschillende vormen van onzekerheid: daar met de onzekerheid van een dialektspreker die niet precies weet hoe hij een over te nemen akoestische
|
| vorm artikulatorisch moet interpreteren. Hier is een spreker onzeker over welk foneem hij moet kiezen. | |
| 2. | De [ø.] is overgenomen uit het zogenaamde fabrikantenzaans. Eén van de kenmerken van het fabrikantenzaans, zo blijkt uit Jonker 1976, 78, een [ø.] voor [ɔ ]. Dit fabrikantenzaans werd omstreeks de eeuwwisseling gesproken door meer bemiddelde figuren, die (nog) niet op het ABN waren overgegaan, of wilden overgaan. Het is mogelijk dat de [ø.]-sprekers uit fase twee en drie hun [ø.] uit het fabrikantenzaans hebben ontleend, maar deze verklaring verschuift het probleem alleen, omdat nu de [ø.] van de fabrikanten verklaard moet worden. Het is mijns inziens a annemelijker te veronderstellen, dat beide groepen Zaankanters met hetzelfde probleem worstelden en dezelfde oplossing vonden. De fabrikanten overkwam het allemaal een halve eeuw eerder, wat begrijpelijk is omdat ze veel eerder ook geregeld kontakt met de buitenwereld kregen. |
| 3. | De [ø.] is overgenomen uit een dialekt dat een [ø.] of iets dergelijks kende. Jonker 1976, 18 e.v. noemt als enig dialekt dat enige invloed zou hebben gehad het Westfries, maar dit is een dialekt dat diftongen kent die erg lijken op de [oey], (zie voor een recente kaart Rijckeboer 1973, 70 e.v.). Er is verder geen dialekt te bedenken dat op dit punt expansief zou kunnen zijn. |
Men kan bij elke verandering in een toestand zich de volgende vragen stellen: vanwaar, waarheen en waarom? Het is de gebruikelijke wetenschappelijke praktijk om de laatste vraag aan de eerste vast te knopen. Men verklaart een verandering als men deze uit de aard van de oorspronkelijke toestand begrijpelijk maakt. De tweede vraag geldt als minder wetenschappelijk, want iedereen is bang voor teleologische verklaringen. In de dialektologie echter is de vraag ‘waarheen?’ vrij gewoon, en het antwoord, aanpassing van een dialekt aan een standaard-taal, wordt routinematig gegeven als dat toepasselijk is. Het is echter de moeite waard meer inzicht te krijgen in dat proces van aanpassen, omdat zodoende sommige vormen van taalverandering meer begrijpelijk worden.
De veranderingen binnen de twee diftongen in Noordhollandse dialekten verliepen tot 1900 geheel konform de theorieën van Labov e.a..Daarna kunnen de gebeurtenissen niet zo eenvoudig meer met deze theorieën in verband worden gebracht. Bij de [α
] blijft dissimilatie en monoftongering uit, en verandert de diftong in een [ε
]. Dit is een overduidelijk geval van aanpassing aan het ABN. Bij de [ɔ
] is de teleologie wat ingewikkelder. De voorgestelde verklaring van de ontwikkeling van de [ŋ
] had de volgende kenmerken: een groep sprekers A wil een klank X uit een and
dialekt overnemen. Zij benaderen klank X wel maar interpreteren de artikulatie van X verkeerd, zodat klank Y ontstaat. Een groep sprekers B van hetzelfde dialekt als A interpreteert klank Y zodanig dat men komt tot weer een andere artikulatie en een nieuwe klank Z. Met andere woorden: korrekte aanpassing mislukt omdat de akoestische vorm van de klank meerduidig is11.
De verandering van de Zaanse [
], zoals hier voorgesteld is een sterk punt voor een theorie die expliciet uitgaat van de meerduidigheid van de klank en het vermogen tot aanpassen van sprekers. Een theorie die hiermee rekening houdt is ontwikkeld door Andersen 1973. Zo'n theorie is wetenschappelijk gezien minder aantrek-
kelijk omdat de feiten van een bepaalde taalverandering verklaard worden met een ruimer arsenaal van invloed hebbende faktoren, dan een theorie die alleen op basis van de aard van de klank (en het klanksysteem) verklarende uitspraken kan doen. Het Zaanse voorbeeld is voor een theorie als de laatste niet te verklaren, maar het zou nog mooier zijn als er meer bewijzen zouden zijn in de vorm van dialekten die van [ɔ
] naar [ø.] veranderd zijn. Dergelijke dialekten zijn inderdaad aanwezig:
| 1. | Het fabrikantenzaans. Zie 3.3. |
| 2. | Het Oostzaans. Zie 3.1. (Landsmeer heeft ook een [ø.] gehad) |
| 3. | Het Amsterdams. Waarschijnlijk heeft het Amsterdams eenzelfde ontwikkeling gekend als het Zaans, alleen 100 jaar eerder. Dibbets 1972 geeft een overzicht van de bewaard gebleven opmerkingen van tijdgenoten die een inzicht geven in de verandering die plaatsvond in het milieu van de middenklasse. Voor het gemak neem ik de belangrijkste citaten over:
‘Ui klinkt bij ons tusschen 't Grieksche oi en ui in. In de Noordhollandsche dialect plach men 't in mijnen jongen tijd volkomen als oi uit te spreken: in de Zuidhollandsche en Hoftaal trok zy sterk naar ei of eui. Men heeft sedert een midden gehouden.’ (Bilderdijk, 1836, Nederlandsche Spraakleer, p. 37) Dibbets 1972, 146 interpreteert de sleutelcitaten van Bilderdijk als een beschrijving van de verandering van [ɔ ] naar [oe ], en konkludeert dat men in de middenklasse niet op de lange monoftong [oe.] is overgegaan. Deze afwijzing van [oe.] lijkt mij korrekt, al zal hij misschien wél bedoeld zijn in het laatste citaat (dat echter de toestand in een ander deel van Amsterdam en veel later beschrijft). De eerste twee citaten wijzen op een duidelijk geronde diftong achtigevoorklank: [ø υ]. Het aardige is weer dat het grafeem eui op twee manieren opgedeeld kan worden: e + ui en eu + i. De tweede splitsing past moeiteloos bij de interpretatie die hier van Bilderdijks beschrijving gegeven wordt. Ik ben er verder niet zeker van dat in het laatste citaat werkelijk een [oe.] wordt bedoeld. Voor deze klank pleit de verwijzing naar het Franse fleur, ertegen dat uit de twee grafemen eui en uiw blijkt dat er een glide aan de klinker vastzit. Een dergelijke glide is in fonetisch opzicht waarschijnlijker bij een gespannen klinker, nl. [ø.] dan bij een ongespannen [oe]. De schrijfwijze uiw brengt mij, tezamen met het ‘langst aanhouden op de u’ van Bilderdijk, op het laatste kenmerk van de overgangsklank, de geprononceerde gerondheid van het glidedeel. Het is verleidelijk deze gerondheid in
verband te brengen met de opmerking van Zwaardemaker en Eijkman 1928, 155 dat in de Zaanstreek aan het eind van een woord [ ] in plaats van [oe ] gehoord wordt. In ieder geval, mijn rekonstruktie van de diftong tijdens de overgang van [ɔ ] naar [oe ] komt uit op:[ø υ]. Als deze rekonstruktie juist is, heeft het Amsterdams het Zaanse pad bewandeld. Ik heb wat langer bij het Amsterdams stilgestaan, omdat de geschiedenis van dit dialekt
|
| al enige malen is beschreven, zonder dat, voor zover ik weet, deze mogelijk aan de orde is gekomen. | |
| 4. | Tenslotte kan op verschillende Nederlandse dialekten worden gewezen met [ø.]voor [oey], terwijl men uit de toestand in de direkte omgeving kan afleiden dat een vrij extreme diftong in een eerder stadium niet onwaarschijnlijk is. Kloeke 1927, 112 rapporteert verwarring tussen [ ] en [oey] bij de Schermerhorners. De dialekten van de dorpjes om Schermerhorn heen hebben extreme diftongen12. Volendam heeft een [ø.] voor [oey]. Van Ginneken 1954, 325 leidt hier uit af dat het dialekt op dit punt nimmer een diftong heeft gehad, hetgeen hij merkwaardig vindt, omdat in de dorpen om Volendam heen wel diftongen en sekundaire (dat wil zeggen: door afval van de glide ontstane) monoftongen voor [oey] hebben. Een [ø.] die ‘op de Zaanse manier’ ontstaan zou zijn, neemt de bevreemding weg. Opperdoes en Heerhugowaard liggen alle twee tussen dorpjes met diftong-dialekten. Beide hebben echter systematisch [ø.] voor [oe ] (Daan 1969). Het is bekend dat dicht bij de veronderstelde bakermat van de diftongering, Brabant, ook nog dorpjes zijn met
[ø.] voor [oe ]. Ook deze liggen verspreid tussen de extreme diftong dialekten. De verklaring voor deze toestand in Oost-Noord-Brabant is, dat we hier met relikt-gebieden te maken hebben. (Hoppenbrouwers 1971, Rijckeboer 1973). Deze dorpjes zouden zijn blijven steken bij de eerste fase in de volgende ontwikkeling: [y.]→[ø.]→[ʌy]→[oey]. Deze theorie is best mogelijk, hoewel hij in strijd is met de in l. uiteengezette theorieën. In ieder geval is het niet a priori uitgesloten dat de [ø.] het gevolg is van een ontwikkeling als in het Zaans. Ten slotte kan ik nog verwijzen naar De Vries 1932, 250 e.v. die verschillende dialekten opnoemt waar een [ø.] uit een diftong zou zijn ontstaan. Hij meent dat dit het gevolg is van assimilatie tussen de twee delen van de diftong, de andere mogelijkheid is ook hier niet uitgesloten.
Misschien is voor enkele van de bovenstaande dialekten aannenemelijk te maken, dat een Zaanse ontwikkeling niet kan hebben plaatsgehad. Dan nog bewijzen de rest van de gegevens de volgende dienst: de relatief uitvoerig gedokumenteerde Zaanse verandering kan ook in andere dialekten hebben plaatsgehad. Deze mogelijkheid is te meer reëel omdat de verandering [ŋ ]→[ø.] in de Zaanstreek in 50 jaar zijn beslag kreeg, en wel zo grondig dat [ɔ ] spoorloos verdween (zie 2.2.2.). |
Eerst hebben we de stadia van de verandering in de Zaanse diftongen zo nauwkeurig mogelijk vastgesteld. Daarna gingen we in op de tweede vraag: kunnen de theorieën over diftongen de ontwikkeling in het Zaans verklaren? Het antwoord bleek nee. Toch hebben die theorieën hun nut gehad; op een eenvoudige manier kon worden aangetoond dat het Zaans zich niet meer zelfstandig ontwikkelde, maar dat van aanpassing aan het Algemeen Beschaafd sprake moest zijn. Hieruit volgde dat de theorie over taalverandering moest worden uitgebreid met uitspraken over verandering door aanpassing, en vooral ook, verandering door niet helemaal geslaagde aanpassing wegens de meerduidigheid van de akoestische vorm van de klank. Nadat een verklaring van de problematische verandering [ɔ
]→[ø.] binbinnen deze theorie was opgesteld, werd een beknopt overzicht gegeven van dialekten waar misschien eenzelfde ontwikkeling is geweest. Daardoor werde de noodzaak van het bestaan van een dergelijke theorie steviger gefundeerd, althans voor het Nederlands.
(Amsterdam, november 1976)
| Andersen, H., 1972, Diphtongization. Language 48, 11-50. |
| Andersen, H., 1973, Abductive and deductive change. Language 49, 765-793. |
| Boekenoogen, G.J., 1898, De Zaansche Volkstaal (geciteerd naar de tweede druk, Zaandijk 1971). |
| Cohen, A., C.L. Ebeling, K. Fokkema en A.G.F. van Holk, 1972, Fonologie van het Nederlands en het Fries. 's-Gravenhage, derde druk. |
| Daan, J., 1969, Dialectatlas van Noord-Holland. |
| Dibbets, G.R.W., 1972, J.A. Alberdingk Thijm als beschrijver van het Amsterdams. Taal en Tongval 24, 143-161. |
| Elias, M. en F. Jansen, 1977, De betrouwbaarheid van het scoren bij sociolinguïstisch onderzoek. Spektator 6, nr. 7. |
| Ginneken, J. van, 1954, Drie Waterlandse dialecten. Alphen aan de Rijn. |
| Heeroma, K.H., 1935, Hollandse dialectstudies. Groningen. |
| Hoppenbrouwers, C., 1971, De realisering van NNL ui in Zuidoost-Noord-Brabant, een algemene theorie over de diftongering. Taal en Tongval, 23, 15-37. |
| Hulst, H. van der, F. Jansen en J. Nijhof, 1976, Geschiedenis van het Nederlandse vokalisme. Leiden. |
| Jonker, J. jr., 1976, Zaans voor beginners. Zaandijk. |
| Kloeke, G.G., 1927, De Hollandsche expansie in de zestiende en zeventiende eeuw en haar weerspiegeling in hedendaagsche Nederlandsche dialecten. 's-Gravenhage. |
| Labov, W., 1972a, The isolation of contextual styles. In: Labov 1972d, 70-109. |
| Labov, W., 1972b, The internal evolution of linguistic rules. In: Stockwell & Macaulay (eds.) 1972, 101-171. |
| Labov, W., 1972c, The social setting of linguistic change. In: Labov 1972d, 260-325. |
| Labov, W., 1972d, Sociolinguistic patterns. Philadelphia. |
| Labov, W., M. Yaeger & R. Steiner, 1972, A quantitative study of sound change in progress. Final report on National Science foundation contract NSF-GS-3287. Philadelphia. |
| Leopold, J.A. en L. Leopold, 1882, Van de Schelde tot de Weichsel. Nederduitsche dialecten in dicht en ondicht. Groningen. |
| Rijckeboer, H., 1973, Uit in de Nederlandse dialecten. Taal en Tongval 25, 48-82. |
| Stockwell, R.P., 1969, Mirrors in the history of English pronuncation. In: R. Lass(ed.), Approaches to English historical linguistics. New York, 228-245. |
| Stockwell, R.P. & R.K.S. Macaulay (eds.), Linguistic change and generative theory. Bloomington. |
Vries, W. de, 1932, Iets over grm. î en te onzent. TNTL 51, 245-269. |
| Winkler, J., 1874, Algemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon. |
| Zwaardemaker, H. Cz. en L.P.H. Eijkman, Leerboek der Phonetiek. Haarlem. |