[p. 302]

Nederlandse schwa: zijn vorm, zijn gedrag, en zijn rol in het rijm*
Mieke Trommelen

0. Inleiding

Het is een oude observatie, dat in de Nederlandse fonologie klinkers uiteen vallen in twee klassen: kort vs. lang/diftong (bijv. Van Ginneken 1931, Moulton 1962). Laten we deze distinktie schematisch weergeven als V en VV respectievelijk (voor uitwerking hiervan verwijs ik naar Zonneveld 1978, en Zonneveld en Trommelen 1980). Hoe de schwa in het vokaalsysteem geclassificeerd wordt is verschillend. Sommigen erkennen de schwa niet eens als apart segment, maar identificeren deze vokaal als u in put, blijkbaar op grond van fonetische gelijkenis (bijv. De Groot 1931, Van den Berg 1958). Ik zal in dit artikel deze positie niet delen, maar schwa als onafhankelijk segment beschouwen. Hier sluit ik me aan bij een lange rij Nederlandse taalkundigen, waaronder Van Ginneken 1934, Van Wijk 1939, Heeroma 1960, en Cohen et al. 1971. Niet alleen beschouwen zij schwa onafhankelijk van u, maar ze gaan nog een stapje verder door schwa onafhankelijk van alle andere vokalen te rubriceren, en uitputtend een eigen klasse te laten zijn. De reden is overwegend de onbeklemtoonbaarheid van deze vokaal.

Mijn doel in dit artikel zal zijn om het fonologisch gedrag van de schwa in te passen in een systeem, dat de bovengenoemde tweedeling V en VV erkent. Dit zal gebeuren in sektie 1. In sektie 2 zullen de Nederlandse konsonanten in de beschouwing betrokken worden, zodat naast een karakterisering van de vokalen ook een karakterisering van vokaal-konsonantkombinaties mogelijk wordt. In sektie 3 zal een gestruktureerde representatie van deze vokaal-konsonantkombinaties gegeven worden, die gezien moet worden als een welgevormdheidskonditie op mogelijke Nederlandse syllabes, of, meer specifiek, Nederlandse rijmen. Sekties 2 en 3 vormen een inleiding op sektie 4, waar onafhankelijke evidentie voor het in 1 gepresenteerde kan worden gevonden in de vorm van (een beperkte groep) Nederlandse diminutieven.

1. Schwa en de andere vokalen

1.1. Schwa vs. de andere vokalen

Een van de criteria om schwa te onderscheiden van de andere vokalen is zijn onbeklemtoonbaarheid. Er zijn echter nog andere redenen te noemen, en te adstrueren: een ander fonologisch gedrag, en een ander distributioneel gedrag. Wat het eerste betreft, bekijk de taalfeiten in (1).

(1) ə Ø
  cylinder cylíndr-isch
  arbiter arbitr-áir
  eskáder eskadr-ón
  kadáster kadastr-áal

[p. 303]

Zonder aan (1) ook maar enige fonologische analyse te willen ophangen, kan men wel opmerken dat de taalfeiten een schwa∼ nul-alternantie vertonen: als er een syllabe volgt, die met een vokaal begint, verdwijnt de schwa van het hoofdwoord. Echter, als er een syllabe volgt, die met een schwa begint, verdwijnt de schwa van het hoofdwoord niet, zoals (2) laat zien.

(2) (con)céntr-isch cénter-en
  offr-éer óffer-en
  simpl-íst (ver)símpel-en
  (in)filtr-ánt fílter-en

In tegenstelling tot andere vokalen blokkeert een syllabe, die met schwa begint blijkbaar de schwa∼ nul-alternantie. Bij een eventuele analyse moet schwa dus strikt gescheiden gehouden worden van de andere vokalen.

Een tweede verschijnsel (waarvan het heel moeilijk uit te maken is of het fonologisch dan wel distributioneel is) heeft te maken met de fonetische realisatie van gespelde ng. In de taalfeiten van (3a) komt ng vóór schwa onveranderlijk aan de oppervlakte als de velare nasaal η; in (3b), waar ng staat voor niet-schwa vokalen, als een cluster bestaande uit de velare nasaal gevolgd door de stemhebbende velare fricatief. Weer wil ik hier geen analyse aan de feiten verbinden, maar enkel wijzen op de verschillen.

(3) (a) [η] (b) [ηγ]
  difto ng en   difto ng eer
  si ng el   bi ng o
  ho ng er   Ho ng aar
  ma ng el   Mo ng ool

Een derde verschil tussen schwa en de andere vokalen is van puur distributionele aard. In het Nederlands kan r op woordeinde niet voorafgegaan worden door een diftong. Deze sequentie komt wel woordintern voor, waarbij γ dan de aanzet is van de volgende syllabe, zoals in (4).

(4) *Beir Bei-roet
  *laur lau-rier, au-rora, Mau-rits
  *heur[ui] heu-ristiek

Maar de syllabe met γ- kan geen schwa bevatten, d.w.z. woordintern komt een sequentie diftong-γ-schwa nooit voor, terwijl diftong-γ-niet-schwavokaal goed is.

De voorlopige konklusie, die ik wil trekken aan de hand van (2), (3), en (4) is, dat schwa zich niet konstant als een van de andere vokalen gedraagt in de Nederlandse fonologie.

1.2. Schwa als lange vokaal

Laten we nu eens naar andere taalfeiten kijken van distributionele aard. Vóór een cluster bestaande uit een sonorante konsonant en een dentale obstruent op woordeinde kunnen zowel korte als lange vokalen voorkomen.

(5) (a) mand (b) maand
  hart   haard
  belt   beeld
  bars   baars

[p. 304]

Eindigt het cluster echter in een niet-dentale obstruent, dan kunnen ervoor alleen korte vokalen staan.

(6) (a) lamp (b) *laamp
  park   *paark
  kalf   *kaalf
  zorg   *zoorg

Hoe is nu de distributie van schwa in deze kontekst?

(7) arend *aremp
  Evert *Everk
  wereld *werelf
  elders *elderg

(7) toont aan dat schwa zich als een lange vokaal gedraagt: evenals een lange vokaal in (5b) mag schwa figureren als het cluster dentaal is. En evenmin als in (6b) komt schwa voor vóór de clusters daar gegeven.

Een tweede voorbeeld heeft te maken met clusters bestaande uit twee sonorante konsonanten op woordeinde. Voor een cluster van dit type mogen alleen korte vokalen figureren.

(8) (a) darm (b) *daarm
  molm   *moolm
  palm   *paalm
  worm   *woorm

Evenmin als lange vokalen in (8b) mogen voorkomen, mag schwa dat:

(9) *aderm
  *apelm

Een derde argument voor het lange vokaal-achtige gedrag van schwa is gebaseerd op de vokaaldistributie op woordeinde. Een paar leenwoorden (zoals bijv. schwa, relais, François) en interjekties (bah, hè) daargelaten, komen korte vokalen op woordeinde niet voor in het Nederlands. Lange vokalen en schwa daarentegen wel!

(10) *micillustratie micā Mieke
  *ritillustratie Ritā rite
  *tubillustratie tubā tube
  *passillustratie passīe (im)passe
  *alpinillustratie alpinō alpine

Op grond van (5) - (10) meen ik te mogen konkluderen dat, distributioneel gezien, schwa en lange vokalen grote overeenkomsten vertonen.

1.3. De representatie van schwa

Zoals al gezegd in de inleiding neem ik aan dat de distinktie kort vs. lang/diftong schematisch gerepresenteerd kan worden als V en VV. De taak waarvoor we ons nu zien geplaatst is er voor te zorgen dat, met gebruikmaking van deze notatie, ten minste de volgende eigenschappen van de schwa worden weergegeven. Enerzijds moet schwa van zowel V als VV verschillen, gegeven de taalfeiten in 1.1..Anderzijds moet hij weer overeenkomst vertonen met lange

[p. 305]

vokalen, zoals duidelijk geworden zal zijn in 1.2..Tenslotte moet uit de notatie volgen waarom schwa altijd onbeklemtoond is. Het lijkt op grond hiervan het meest voor de hand te liggen om de schwa te representeren als in (11).

(11) illustratieV

Schwa verschilt hiermee van alle andere vokalen, omdat hij een andere struktuur heeft, maar vertoont tegelijkertijd een strukturele overeenkomst met de lange vokalen, omdat hij ook een tweeledige architektuur bezit. Bovendien verklaart (11) waarom schwa altijd onbeklemtoond is: het feit dat het Nederlands dalende tweeklanken heeft laat zien, dat in vokaalachtige elementen met een tweeledige struktuur de klemtoon op het eerste deel ligt. Tegelijkertijd kan klemtoon natuurlijk niet gerealiseerd worden op een fonologisch leeg element (illustratie), en dit verklaart de onbeklemtoonbaarheid van de Nederlandse schwa. Als we aannemen, dat het een karakteristiek is van Nederlandse woorden om tenminste één vokaal met hoofdklemtoon te hebben (een karakteristiek, die misschien wel universeel geldt, en niet specifiek is voor het Nederlands), doen we de voorspelling dat een string die slechts de schwa als vokalen heeft geen mogelijk Nederlands woord kan zijn. Aangezien zulke strings ook inderdaad niet voorkomen wordt deze voorspelling gestaafd door de feiten.

2. Het rijm van de Nederlandse lettergreep

We hebben nu een voorlopige karakterisering van de vokalen gegeven, maar, zoals reeds gezegd in de inleiding, zullen we ook de konsonanten en vokaal-konsonantkombinaties moeten beschouwen, wil de tweeledige representatie van de schwa in sektie 4 onafhankelijk gesteund kunnen worden. We zullen beginnen met de konsonanten.

2.1. Inventarisatie van rijmkonsonanten

We kennen in het Nederlandse rijm de konsonanten en konsonantkombinaties zoals gegeven in (12). (12) bevat slechts voorbeelden op woordeinde, maar aangezien deze ook woordintern kunnen voorkomen (zie Bakker 1971), voldoet (12) als expositie.

(12) kat tijd eis huis kip eb nuf lijf lak lach log ram maan ding bal bar ooi ruw
 
  kant kind mens ons aamt hemd soms gems lamp nimf langs dank
  alt held wals hals stolp elf half balk alg olm
  kort bord kers vers terp smurf slurf kerk berg monarch storm urn murw
  kast beduusd gesp bruusk ooft hoofd nacht maagd bits stipt pips takt taks
  ooit
 
  kunst wants komst prompt angst inkt hulst helft korst schurft markt burcht erts
  korps tekst oogst
 
  herfst ernst vondst

2.2. Vokaal-konsonantkombinaties

De vier-konsonantclusters even buiten beschouwing latend vanwege hun beperkte aantal, zien we, dat in drie-konsonantclusters de derde altijd s of t is, en

[p. 306]

de eerste een sonorante konsonant. Bij de twee-konsonantclusters zijn de kombinaties van drie types: twee sonoranten, twee obstruenten, of een sonorantobstruentkombinatie. Dit betekent, dat, gekombineerd met een vokaal, de lineaire sequentie segmenten van (13) in het algemeen voldoet.

(13) [+ vok] [+ son] [+ kons] illustratie

Enkele voorbeelden passen er als volgt in:

(14) r a m  
  st o r m  
  sm u r f  
  k o r s t

Soms moet evenwel de plaats van de sonorant overgeslagen worden:

(15) [+ vok] [+ son] [+ kons] illustratie
  k a   t  
  st i   p t
  p i   p s

Lange vokalen en diftongen passen ook op natuurlijke wijze in (13)

(16) m a a n  
  h u i s  
  h o o f d

want in deze gevallen domineert het label [+ son] het tweede gedeelte van de lange vokaal of diftong. Dit betekent dus, gegeven (11), dat schwa nu als volgt gaat:

(17)lep illustratie ə l  
monn illustratie ə k  
ar illustratie ə n d

Bovendien legt (13) uit waarom de taalfeiten van (6b) en (8b) niet voorkomen:

(18) [+ vok] [+ son] [+ kons] illustratie
  *l a a m p
  *w o o r m

In het eerste geval is er een schending van het kenmerk [+ kor], en in het tweede geval wordt de bundel illustratie als totaal geschonden.

Dus (13), dat we de lineaire representatie van het Nederlandse rijm kunnen noemen, laat de mogelijke rijmen toe, en sluit de onmogelijke uit. Het label [+ son] moet soms een vokaal (vokalen zijn sonorant) domineren, en in andere gevallen weer sonorante konsonanten.

Er zijn echter nog voorkomende Nederlandse woorden (sommige zijn al genoemd in (12)), die niet passen binnen de lineaire string (13). Er zal geen poging ondernomen worden (13) zodanig te veranderen, dat deze taalfeiten er eventueel wel binnen vallen, maar ze zullen als uitzonderingen beschouwd worden. Het gaat om voorbeelden als

[p. 307]

(i) herfst, ernst, vondst: deze schenden het konsonantaantal drie.
(ii) oogst, tekst: hier wordt het meest linkse [+ son] kenmerk geschonden.
(iii) deern, lantaarn: in schending met het meest rechtse [- son] kenmerk.
(iv) Tjeenk, twaalf: schenden de meest rechtse [+ kor] eigenschap.
(v) gesp, wesp, kiosk, bruusk: idem als in (iv). Deze laatste voorbeelden worden nog wel eens ‘verbeterd’ in de foutieve uitspraken geps, weps, en all-riks (verzekering).

Alle taalfeiten (i) - (v) zullen verder in dit artikel buiten beschouwing gelaten worden.

3. De interne struktuur van het Nederlandse rijm

In de vorige sektie werd de notie rijm op een informele manier gebruikt, d.w.z. als een lineaire opeenvolging van segmenten met uitsluitend links-rechts verhoudingen. Gewoonlijk wordt het rijm echter beschouwd meer te zijn dan dit. Met name wordt er verondersteld, dat het rijm zelf een interne struktuur kent, die bestaat uit twee delen: de kern en het sluitstuk. De interne struktuur van de gehele syllabe kan worden weergegeven als in (19) (zie bijv. Hyman 1975 voor verwijzingen):

illustratie

De opdeling in (19) verdeelt een KVK-syllabe dus als K-VK in plaats van KV-K of K-V-K. De motivatie voor de struktuur in (19) is natuurlijk niet, dat de syllabe zo gepresenteerd kan worden, maar dat hij zo gepresenteerd moet worden. Dit wordt benadrukt in Selkirk (te verschijnen), die de binair vertakkende representatie van de syllabe ‘clearly superior to one where syllable structure is defined merely in terms of a sequence of segments’ noemt. Zij geeft twee voor de hand liggende niveaus waar men evidentie kan vinden voor (19), ten faveure van een lineaire string als (13).

(20) ...it allows for quite a restrictive characterization of the notion ‘possible phonotactic constraint of language L’. A purely linear representation of the syllable flounce might look like (2):
 
  (2) $ f1, l2, a3, w4 n5 s6 $
  The fact that strong phonotactic constraints existed between positions I and 2, 3 and 4, or 5 and 6, but not between other pairs, would be given no significance by the linear syllable theory, unless explicit provisions were incorporated to the effect that ‘syllable-initial consonant clusters, the sonorant elements of syllable centers, and syllable-final consonant clusters tend to exhibit phonotactic constraints among themselves’. But, still, the statements remain ad-hoc, for they follow from no more general principle of grammar. The [branching representation] approach to the syllable, on the other hand, permits a single eminently simple statement that will cover the same facts.
 
(21) Nonetheless, the most telling arguments for internal structure in the syllable can only be provided by phonological rules, not distributional considerations, for phonological rules must ‘look at’, i.e. operate in terns of, the properties of phonological representation. In this sense, phonological rules are analogous to transformations of

[p. 308]

the syntactic component, whose operations on syntactic representation are dependent on, and therefore may provide arguments for, the particulars of syntactic constituent structure.

Als we nu naar het Nederlands kijken, dan zien we dat ook bij ons evidentie voor een interne struktuur à la (19) te vinden is op beide niveaus. Een van de beperkingen, die gelden binnen het Nederlandse rijm, wordt bijvoorbeeld geïllustreerd door de taalfeiten van (4), waar r niet onmiddellijk mag volgen op een diftong binnen hetzelfde rijm. Nog een voorbeeld vormt (22), waar lange vokalen en diftongen voor b niet mogen voorkomen binnen hetzelfde rijm:

(22) *meub meu-bel
  *eib ei-ber

(4) en (22) zijn illustraties van het type (20). Soortgelijke gevallen bestaan niet tussen de aanzet en de kern, ofschoon deze in een lineaire representatie net zo dicht bij elkaar staan als kern en sluitstuk. Deze eenzijdige tendens wordt verklaard door (19).

Het tweede, sterkere type evidentie (21) kan ook geadstrueerd worden. Er zijn fonologische processen, die aantonen, dat in de lineaire string (13) een sterke verwantschap bestaat tussen (i) [+ vok] en [+ son] als de laatste een vokaal is, en (ii) [+ son] en [+ kons] als de eerste een konsonant is.

De fonologische regel die kan dienen als illustratie van (i) is de kontraktieregel, die nodig is om de tweeledige VV-sequentie om te zetten in één lange vokaal. Deze regel, die een fonetische eenheid oplevert, kan maximaal eenvoudig geformuleerd worden en lokaal opereren als de input ervan al een eenheid is om mee te beginnen. Eenheid moet worden opgevat als het materiaal dat onmiddellijk door één knoop van een hierarchische struktuur wordt gedomineerd, d.w.z. in dit geval kern.

De regel, die getuigt van de affektie tussen [+ son] en [+ kons] is (het zal de lezer van dit themanummer van Spektator over de schwa niet verbazen) die, welke een schwa inserteert tussen een vloeiklank en niet-dentale konsonant op woordeinde, cf. de voorbeelden in (23).

(23) harp → harəp hart → *harət
  balk → balək pils → *piləs
  kalf → kaləf  
  erg → erəg  
  arm → arəm  

Dit proces is niet beperkt tot twee-konsonantclusters, zoals in (24) duidelijk wordt:

(24) schurft → schurəft borst → *borəst
  markt → marəkt erts → *erəts
  herfst → herəfst  

Dat dit proces niet geldt als het cluster woordintern is laten de voorbeelden van (25) zien.

(25) karpet → *karəpet
  balkan → *baləkan
  palfrenier → *paləfrenier
  bargoens → *barəgoens
  Armada → *Arəmada

[p. 309]

Een analyse die geen gebruik wil maken van de notie syllabe zal een regel met ongeveer het volgende uiterlijk moeten bevatten:

illustratie

De oninzichtelijke informatie Ko #, die nodig is om een schwa in de taalfeiten van (25) uit te sluiten, kan vermeden worden, als de notie sluitstuk wordt gebruikt, waarmee de schwa-insertieregel eenvoudiger en lokaal wordt.



illustratie

De regel moet geïnterpreteerd worden als volgt: wanneer een vloeiklank staat vóór een niet-dentale konsonant, die deel uitmaakt van het sluitstuk van een syllabe, voeg dan een schwa in tussen beide. (27) verklaart de aanwezige schwa's in (23) en (24), en de afwezigheid ervan in (25). Immers hier vormt de niet-dentale konsonant de aanzet tot de volgende syllabe!

Gegeven de hierboven genoemde fonologische beperkingen en regels, die eenvoudig uitgedrukt kunnen worden met behulp van een hierarchische syllabestruktuur in tegenstelling tot een lineaire, zal de rest van deze sektie gewijd zijn aan het omzetten van (13) in een binair vertakkend rijm.

Om te beginnen zullen we het meest rechtse illustratie element van (13), dat altijd aan de periferie van de laatste syllabe vertoeft, niet in onze hierarchische struktuur betrekken, maar als een extrasyllabisch aanhangsel beschouwen. Iets soortgelijks doen Halle en Vergnaud 1980 vonr het Duits, waarvoor ook een ‘appendix’ beredeneerd kan worden. Halle en Vergnaud zien een appendix als (1980:96)

(28) a separate extra-metrical constituent of the syllable...[which does] not appear freely in all positions of the word but [is] limited to word final syllables

Dit kreëert de interim representatie (29)

illustratie

waarvan de linker drie segmenten in een binair vertakkend rijm à la (30) gestruktureerd zijn:

illustratie

De meest ongemarkeerde positie die men kan innemen is, dat kern korrespondeert met [+ vok] elementen, en sluitstuk met [+ kons] elementen, zoals aangegeven in (31)

illustratie

[p. 310]

(31) moet geïnterpreteerd worden in konnektie met een konventie van ‘feature percolation’, d.w.z. dat als een knoop in een hierarchische struktuur een bepaald kenmerk bezit ook alle segmenten, die door deze knoop gedomineerd worden, dit kenmerk moeten hebben. In (31) betekent dat, dat de linkerpuntjes onder kern het kenmerk [+ vok] moeten hebben, en de rechterpuntjes het kenmerk [+ kons]. In subsektie 2.2. zagen we dat het label [+ son] soms een vokaal moet domineren, en in andere gevallen sonorante konsonanten. Dit, in samenhang met de ‘feature percolation’ konventie, betekent, dat de Nederlandse taalfeiten van twee types zijn:

illustratie

Gegeven de ongemarkeerde positie dat kern korrespondeert met [+ vok], zit ir het ene geval het label [+ son] onder de kern, en wordt d.m.v. de ‘feature per colation’ konventie als [+ vok] geïnterpreteerd in het geval van (32a). Deze as sociatie wordt gemotiveerd door de vokaalkontraktieregel. In (32b) zit [+ son onder het sluitstuk en wordt als konsonant geïnterpreteerd. De schwainsertieregel (27) motiveert deze stap.

We kunnen (32a) en (32b), in kombinatie met de appendix, beschouwen als de basisschema's van het Nederlandse rijm. We zullen ze dan ook als zodanig be neden gebruiken. Tegelijkertijd moet er echter nog een oneffenheid worder weggestreken. Het kan nauwelijks toeval zijn dat (32a) en (32b) zo op elkaar lij ken: ze bevatten beide precies dezelfde features op precies dezelfde posities, met als enig verschil de richting van de tak boven [+ son]. Het zou dus niet generaliserend zijn om beide aan te houden als de Nederlandse rijmrepresentatiekombinatie, want ze hebben eigenlijk de uiterlijke kenmerken van twee dingen die tot één teruggebracht kunnen worden. Mijn voorstel is dan ook om (32a) er (32b) te representeren als (33):

illustratie

Het gebruik van het ‘drijvende’ kenmerk [+ son] in (33) moet geïnterpreteerd worden als een afkortingskonventie, die, zoals iedere afkortingskonventie in de fonologie, vergezeld moet gaan van een universeel interpretatiemechanisme, dat, in dit geval, het kenmerk [+ son] associeert óf naar links, óf naar rechts. De ‘feature percolation’ konventie specificeert vervolgens de naar links getrokken [+ son] als een vokaal, en de naar rechts getrokken [+ son] als een konsonant. Dit voorstel maakt maximaal gebruik van universele middelen om de taalspecifieke situatie van het Nederlandse rijm zo generaliserend mogelijk te beschrijven.

Voordat ik overga tot sektie 4, waar, met behulp van (33), een (beperkte) set diminutieven beregeld zal worden, is nog een laatste observatie nodig. De obser-

[p. 311]

vatie is, dat er een verschil is in status tussen kern en sluitstuk. De kern is met name altijd verplicht (wellicht een universele observatie), terwijl in het Nederlands het sluitstuk optioneel is (vergelijk bijv. de taalfeiten in (10)). Dit kan gemakkelijk ingebouwd worden in (33) door parentheses om [+ kons] te zetten. Omdat [+ vok] en [+ son] geen parentheses krijgen, betekent dit, dat ieder Nederlands rijm deze twee laatste verplicht bevat. Met de parenthesesuitbreiding om [+ kons] (en met toepassing van de ‘feature percolation’ konventie) kort (33) de volgende vier representaties af:

illustratie

In (34a, b) is [+ son] onderdeel van de kern. In (34a) is [+ kons] aanwezig, en (34b) is de representatie waarin [+ kons] is weggelaten. In (34c, d) behoort [+ son] tot het sluitstuk. Onder iedere representatie staan wat voorbeelden. (34) bevat alle relevante taalfeiten, behalve de twee types van (15) en (17). In (15) wordt een korte vokaal gevolgd door een obstruent (kat, lak, etc.), en in (17) bevat de tweede syllabe een schwa als vokaal (Mieke, lepel, etc.). Als we serieus nemen dat kenmerken zonder parentheses verplicht aanwezig moeten zijn dan hebben kat, lak representatie (35a) en Mieke, lepel representatie (35b).



illustratie

In (35a) domineert het verplichte [+ son] kenmerk geen fonologisch reëel segment. Omdat [+ son] echter niet genegeerd mag worden, wordt een fonologisch leeg element in deze positie geplaatst. Een soortgelijke stap wordt genomen in het geval van de schwa in (35b): schwa neemt de meest rechtse positie in de kern, en de verplichte [+ vok] knoop is opgevuld door een fonologisch leeg element.

Dit besluit mijn bespreking van het Nederlandse rijm. Zoals al aangekondigd in de inleiding waren sekties 2 en 3 bedoeld om in de nu volgende, laatste sektie onafhankelijke evidentie te geven voor de in sektie 1 gerepresenteerde subkategorisatie van de schwa in de vorm van Nederlandse diminutieven.

[p. 312]

4. Het Nederlandse rijm en diminutiefvorming

De diminutieven die de boven voorgestelde rijmstruktuur en representatie van de schwa het beste illustreren zijn de vormen met -pje en -etje. Die op -tje en -je geven relatief weinig moeilijkheden; die op -kje eisen een speciale behandeling om redenen die ik elders aan de orde stel. Dus diegenen, die gehoopt hadden op een aantrekkelijke analyse van de ‘moeizame gevallen’ koning, houding en wandeling komen - althans hier - bedrogen uit.

Mijn uitgangspunt is dat diminutiefvorming alleen gevoelig is voor het rijm van de laatste syllabe, en dat faktoren zoals klemtoon en/of morfologische kompositie niet van invloed zijn op de keuze van de juiste alternant. Dit kan gemakkelijk aangetoond worden met behulp van (36) en (37).

(36) ríjm - pje ból - letje
  probléem - pje pupíl - letje
  líchaam - pje úlevel - letje
  idióom - pje parasól - letje
 
(37) líjn - tje kín - netje
  Alger íjn - tje koning ín - netje
  táfel wíjn - tje zée méer min - netje
  góud míjn - tje hóofd zín - netje

Laten we verder -tje als de basisvorm van het diminutiefsuffix nemen. Hier zijn argumenten voor aan te voeren, waar ik verder niet op in wil gaan omdat ook dit buiten het bereik van dit artikel valt. De keuze van de basisvorm is trouwens niet belangrijk voor de rest van deze sektie. We leiden dus -pje en -etje af van -tje. Dit afleiden zal gebeuren met behulp van vroeg toe te passen regels die lijken op Aronoff's allomorfieregels (Aronoff, 1976:98). De rijmstruktuur van sektie 3 in kombinatie met de uit het bovenstaande voortvloeiende notie allomorfie maakt diminutiefvorming tot een eenvoudig te beschrijven fenomeen. De taalfeiten die -etje als diminutiefvorm hebben zijn woorden als in de rechterrijtjes van (36) en (37). Deze vormen hebben representatie (34d) als rijmstruktuur in de laatste syllabe. Uitgaande van -tje als basisvorm, krijgen we de volgende ‘allomorfieregel’:

illustratie

De regel moet als volgt gelezen worden: -tie wordt -etje na een tweetakkige rijmrepresentatie. De inhoud van 1 en 2, die onder aan de takken hangen, krijgt men gratis, omdat de enige twee segmenten die in deze posities kunnen staan (volgens de rijmstruktuur van het Nederlands) [+ vok] en [+ son] zijn.

De voorbeelden die -pje als diminutiefvariant nemen zijn van drie types: rijm, storm, en bezem. De respectievelijke rijmrepresentaties hiervan zijn (39a), (39b), en (39c).



illustratie

[p. 313]

Met behulp van de afkortingskonventie ‘drijvende [+ son]’ en de ‘feature percolation’ konventie kunnen (39a, b, c) afgekort worden tot (40):

illustratie

Met (40) in de hand is het duidelijk hoe de ‘allomorfieregel’ ‘-tje wordt -pje’ eruit ziet.



illustratie

Weer hoeven 1 en 2 niet uitgespeld te worden, omdat de inhoud ervan volgt uit (33). De enige manier waarop m in derde positie kan staan is, als de twee posities ervoor ‘opgevuld’ zijn, d.w.z. wanneer er een lange vokaal, een vokaalsonorante konsonantkombinatie, óf een schwa vóór staat.

Zoals beloofd, wordt dus de tweeledige subkategorisatie van de schwa zoals voorgesteld in sektie 1, en ‘geformaliseerd’ in sektie 3 - in het bijzonder in (32a) - onafhankelijk gemotiveerd door de hier voorgestelde ‘allomorfieregels’ voor diminutiefvorming, die op hun beurt weer een logisch gevolg zijn van de voorgestelde rijmrepresentatie, die ook weer onafhankelijk gemotiveerd is, en wel door de mogelijk voorkomende vokalen en konsonanten, en beperkingen op hun kombinaties.

Bibliografie

Aronoff, M. (1976): Word Formation in Generative Grammar, Cambridge (Mass.).
Bakker, J.J.M. (1971): Constant en Variabel, Asten.
Van den Berg, B. (1958): Foniek van het Nederlands, Den Haag.
Cohen, A. et al. (1971): Fonologie van het Nederlands en het Fries, Den Haag.
Van Ginneken, J. (1931): Grondbeginselen van de Schrijfwijze der Nederlandsche Taal, Hilversum
Van Ginneken, J (1934): Het Phonologische Systeem van het Algemeen Nederlandsch, Onze Taaltuin 2, 353-365.
De Groot, A.W. (1931): De Wetten der Phonologie en hun Betekenis voor de Studie van het Nederlands, De Nieuwe Taalgids, 25, 225-243.
Halle, M. and J.-R. Vergnaud (1980): Three Dimensional Phonology, Journal of Linguistic Research 1, 83-105.
Heeroma, K. (1960): De IE als Plus-Foneem van de Reductievocaal, Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 77, 187-202.
Hyman, L. (1975): Phonology: Theory and Analysis, New York.
Moulton, W.G. (1962): The Vowels of Dutch: Phonetic and Distributional Classes, Lingua 11, 294-313.
[p. 314]
Selkirk, E. (te verschijnen): Phonology and Syntax: The Relation between Sound and Structure, Cambridge (Mass.).
Van Wijk, N. (1939): Phonologie, een Hoofdstuk uit de Structurele Taalwetenschap, Den Haag.
Zonneveld,W. (1978): A Formal Theory of Exceptions in Generative Phonology, Dordrecht.
Zonneveld, W. and M. Trommelen (1980): Egg, Onion, Ouch! On the Representation of Dutch Diphthongs, in W. Zonneveld, F. van Coetsem, and O.W. Robinson (eds.), Studies in Dutch Phonology, 265-292, Den Haag.