|
|
|
| |
| | | |
Conjunctiereductie in gelede woorden, een
terreinverkenning
G.E. Booij
| |
1. Reductie in composita
Een tot nu toe vrijwel niet
1 bestudeerde vorm van conjunctiereductie in het
Nederlands is die in gelede woorden, waarbij delen van woorden worden
weggelaten. De volgende voorbeelden illustreren dit verschijnsel voor wat
betreft composita:
2
(1)
minimum- en maximumbedragen (Ba 137)
in binnen- en buitenland (AM 16)
chantage- en onderhoudsverplichtingen (AM 57)
linker- en rechterkant
baard- en tandwalvissen (Ba 137)
De vraag die zich naar aanleiding van de voorbeelden in (1) direct
voordoet is, waarom we deze data interpreteren in termen van deletie. Waarom
kunnen ze niet worden geïnterpreteerd als composita waarvan het linkerlid
bestaat uit een nevenschikking van twee woorden? Deze vraag wordt des te
dringender omdat we dit type compositum in ieder geval moeten toestaan.
Vergelijk de voorbeelden in (2):
3
(2)
kat-en-muis-spelletje
gooi-en-smijt-films (Ba 145)
klok-en-hamer-spel (Ba 145)
woon-en-werk-afstanden (Voorl. krant Nrd.-Holland,
23.5.1981)
De voorbeelden in (2) kunnen niet worden opgevat als produkten van
reductie. Zo moet kat-en-muis-spelletje niet opgevat worden als
‘katspelletje en muisspelletje’, maar als ‘spelletje tussen
kat en muis’. Evenmin kan woon-en-werk-afstanden
geïnterpreteerd worden als ‘woonafstanden en werkafstanden’,
maar alleen als ‘afstanden tussen wonen en werken’.
Een eerste argument voor de deletie-hypothese kan ontleend worden
aan de voorbeelden in (3):
(3)
taalvaardigheids- en literatuuronderwijs
huwelijks- en familiebanden (AM 20)
maans- en zonsverduisteringen (AM 12)
wespe- en bijesteken
In deze voorbeelden treedt er een bindfoneem ə of [s] op bij het
linkerlid. Als we nu bijvoorbeeld de structuur [[[wesp]N
en [bij]N[steken]N]N
zouden toekennen aan wespe- en bijesteken, dan blijft onverklaard waarom
hier een morfologisch element binnen de conjunctie mag worden ingevoegd,
terwijl dit normaliter juist verboden is: vergelijk b.v. het rangtelwoord
drieënzestigste, afgeleid | | | | van het hoofdtelwoord
drieënzestig. Dit hoofdtelwoord is een voorbeeld van conjunctie
binnen woorden. Als nu de conjuncten van drieënzestig ieder voor
zich toegankelijk waren voor morfologische operaties, dan zouden we b.v.
derdeënzestigste verwachten in plaats van het correcte
drieënzestigste. Daartegenover staat dat de morfologie wel mag
doordringen in woordgroepen die geconjugeerd zijn, zoals blijkt uit de
woordgroep het [heel mooie]AP en [erg
dure]AP boek, waar boek in beide AP's een
-e afdwingt. Toman (1981) stelt dan ook als principe voor dat
geconjugeerde minimale projecties (X0-conjuncten) niet toegankelijk
zijn voor morfologische regels. De introductie van bindfonemen zou in strijd
zijn met dit principe, als we hier geen deletie zouden aannemen.
De juistheid van de deletiehypothese blijkt ook uit constructies als
het verschil tussen een derde- en een zesdeklasser. Deze woordgroep kan
niet basisgegenereerd worden, omdat dit zou impliceren dat derde
geconjugeerd is met een zesde, hetgeen onmogelijk is, omdat een
zesde geen constituent is (aannemend dat coördinatie uitsluitend
constituenten kan verbinden). Dit zelfde probleem doet zich voor bij diverse
van de hieronder gepresenteerde constructies, zoals die in (5)-(8). Bovendien
zou, als we de onderhavige woordgroep basisgenereren, de prepositie
tussen het vereiste complement met meervoudige betekenis ontberen (vgl.
tussen *een hond/honden.)
Ook woordgroepen als schei- en natuurkunde (Ba 140) en
wis- en sterrenkunde (Dij 123) ondersteunen de reductiehypothese. In de
eerste plaats komt schei niet als zelfstandig woord met de betekenis
‘analyseren’ voor (wel als geflecteerde vorm van het werkwoord
uitscheiden in de betekenis ‘ophouden’, b.v. Schei toch
uit!). Het compositum scheikunde, waarin de slot-d van de
verbale stam schei om voor de hand liggende redenen ontbreekt, is dus
zowel qua vorm als qua betekenis (de specifieke betekenis ‘chemie’)
idiosyncratisch en moet derhalve in het lexicon worden geregistreerd. Het
adjectief wis komt weliswaar wel als zelfstandig woord voor, maar alleen
in staande uitdrukkingen als wis en waarachtig, wis en zeker. Dat de
idiosyncratische aspecten van schei en wis terugkeren in
woordgroepen als schei- en natuurkunde en wis- en sterrenkunde
volgt automatisch uit de deletiehypothese, terwijl de conjunctiehypothese dit
niet voorspelt. Bovendien zou de conjunctiehypothese het probleem opleveren dat
woorden van verschillende syntactische categorieën geconjugeerd moeten
kunnen worden, b.v. het werkwoord schei en het nomen natuur, of
het adjectief wis en het nomen sterren, terwijl de regel nu juist
is dat alleen elementen van dezelfde syntactische categorie kunnen worden
nevengeschikt. Dit laatste probleem doet zich eveneens voor t.a.v. een
woordgroep als leer- en handboeken (Dij 75), waar leer een verbum
en hand een nomen is.
We zullen nu eerst nader bezien, in welke syntactische configuraties
deze reductie optreedt. Essentieel is, dat er sprake is van een vorm van
nevenschikking (eventueel ook asyndetisch of polysyndetisch). We kunnen het
volgende regelschema aannemen voor de gewone nevenschikking (vgl.
Jackendoff (1977: 50) en
Neijt (1979: 5,66)):
(4)
| Xi→Xi (conj
Xi)n | n≥1,
i≥o |
| | X = N, A, V, P, Q |
In alle door regelschema (4) gegenereerde structuren kan in principe
reductie plaatsvinden. Enkele voorbeelden: | | | |
(5)
X = N, conjunctie van N's:
[land-]N en [tuinbouw]N
[schema-]N of [matrixvorm]N (Ntg 72
(1979), 173)
[land-]N, [lucht-]N en
[zeestrijdkrachten]N (Ba 138)
4
conjunctie van NP's (N' of N''):
[betekenis-]NP maar [vooral
stijlonderscheid]NP (Ba 138)
5
met het oog op [de land-]NP en [de
tuinbouw]NP
spelen is [kinder-]NP, [geen mannenwerk]NP (Ba
138)
(6)
X = A, conjunctie van A's:
een [bange]A, [elf-]A>,
[twaalfjarige]A jongen (HP 13.3.1982)
[meer-]A of [minderwaardige]A taken (Ho
38)
(7)
X = P, conjunctie van P's
[voor-]P of [achterin]P de boot
conjunctie van PP's (P' of P''):
[in de land-]PP en [in de tuinbouw]PP
[voor de minimum-]PP en [voor de
maximumloners]PP
(8)
X = V, conjunctie van V's:
Jan deed niets anders dan [glim-]V of
[schaterlachen]V
conjunctie van VP's (V').
…dat Jan [eerst appel-]VP en [daarna peresap
dronk]VP
conjunctie van S en (V''):
…dat [Jan appel-]s en [Piet peresap dronk]S
conjunctie van S' en (V'''):
Jan vroeg [wie er appel-]S', en [wie er peresap
dronk]S'
(9)
X = Q, In anderhalf jaar zijn daar [zestig-]Q,
[zeventigduizend]Q
van verkocht (HP 13.3.1982)
Met
Neijt (1979: 5) neem ik aan, dat polysyndetische
nevenschikking (met ook een voegwoord voor het eerste conjunct) alleen mogelijk
is voor maximale projecties van lexicale categorieën. Het relevante
regelschema is dan:
(10)
Xi → (conj Xi)n, i maximaal, n
≥ 2
Een voorbeeld van reductie in een dergelijke structuur is hetzij
hoofd-, hetzij nevenaccent (Bo 54).
In de hierboven gegeven voorbeelden blijkt steeds van twee identieke
gedeelten het linker gedeleerd te worden. Het is echter ook mogelijk het
rechtergedeelte te deleren, zoals de volgende data aantonen:
(11)
onderzoeksdoelstelling of -belangstelling (Spektator 11
(1982), 422)
opvolger of -volgster (Si 355)
syllabe- initiële of -finale clusters (Bo 83)
regelordening en -toepassing (Bo 191)
Amsterdam wil ombudsman en -vrouw (Trouw 27.5.1981)
De relevante generalisatie lijkt te zijn, dat van twee identieke
gedeelten dat ge- | | | | deelte wordt gedeleerd dat grenst aan het interne
voegwoord. Dat inderdaad het te deleren gedeelte aan die voorwaarde moet
voldoen, vindt een onafhankelijke bevestiging in de volgende data:
(12)
i *in de landbouw van Nederland en de tuinbouw van België
ii *de twaalfjarige kinderen en de dertienjarige kinderen
iii de twaalfjarige kinderen en de dertienjarige kinderen
iv *dat Jan appelsap dronk en Piet peresap dronk
v dat Jan appelsap dronk en Piet peresap dronk
In de voorbeelden (12i, ii, iv) ligt het gedeleerde gedeelte niet
direct naast het interne voegwoord, hetgeen een ongrammaticaal resultaat
oplevert. In (12iii) en (12v) heeft eerst N-deletie respectievelijk V-deletie
plaatsgevonden, waardoor het gat grenst aan het interne voegwoord. Verder
voorspelt deze conditie ook correct dat rechterdeleties als de volgende fout
zijn:
(12)
vi *de regelordening en de regeltoepassing
vi *een ombudsman of een ombudsvrouw
Ook hier immers wordt het gat gescheiden van het voegwoord, in deze
voorbeelden door een lidwoord.
De volgende vraag die we ons moeten stellen is, van welke aard de te
deleren constituent is: is het een fonologische, morfologische of syntactische
constituent, of heeft deze nog een andere status? De beginregels van een bekend
gedicht van
Charivarius (Ba 151), dat als parodie en expliciet
regeloverschrijdend bedoeld is, laten zien dat het bij reductie niet gaat om
twee constituenten die fonologisch identiek zijn
6:
(13)
'K zie schapen witgewold
'K zie rid- en runders draven
'K zie vo- en vlegels zich
Aan wa- en bitter laven
Ook morfologische identiteit is niet voldoende, getuige (14):
(14)
*goedig en lievig
*absurditeiten en banaliteiten
*kanaliseren en regulariseren
In de derde plaats laten de voorbeelden in (15) zien, dat er ook
gedeleerd mag worden, als van de twee identieke constituenten er
één zelfstandig woord is, en de ander deel van een woord:
(15)
i Amerikaanse talen en Papoeatalen (Ba 155)
luxe auto's en ambulanceauto's (Ba 143)
astronomische mogelijkheden en waarnemingsmogelijkheden (HN
18.4.1981)
ii het basis- en voortgezet onderwijs (As 37)
de wereld- en olympische kampioenen (Trouw 8.1.1983)
De relevante conditie op de te deleren constituent, die we Y zullen
noemen, kan | | | | gegeven deze data, voorlopig het best als volgt
geformuleerd worden: ‘Y is een fonologisch woord’.
De voorbeelden in (15) onderstrepen nog eens de onmogelijkheid om
dit type constructies te genereren zonder een deletieregel. Amerikaanse
en Papoea b.v. zijn geen syntactisch gelijkwaardige constituenten, zoals
nevenschikking vereist: Amerikaanse is een adjectief, Papoea is
een substantief. Bovendien is Amerikaanse een zelfstandig woord, maar
Papoea deel van een woord.
Met de notie ‘fonologisch woord’ kan worden uitgedrukt,
dat er geen exacte equivalentie hoeft te bestaan tussen syntactische woorden en
hun fonologische correlaten. Zo smelten in sommige talen lidwoorden, clitics
e.d. fonologisch samen met een aangrenzend woord. Fonologische woorden kunnen
dus groter zijn dan syntactische. Omgekeerd kan een fonologisch woord ook
kleiner zijn dan een syntactisch woord. Zo moeten voor het Nederlands de delen
van een compositum (en sommige affixen, zie par. 2) opgevat worden als
zelfstandige fonologische woorden, hetgeen onder meer blijkt uit hun
syllabificatiepatronen, aannemend dat het fonologisch woord het domein van
syllabificatie is. Dit wordt b.v. geïllustreerd door het minimale paar
balk-anker/bal-kanker:
(16)
balk-anker: (bαlk)σ
(αη)σ
(kər)σ
bal-kanker: (bαl)σ
(kαη)σ
(kər)σ waar σ = syllabe
Dat het fonologisch woord het domein van syllabificatie is, volgt
automatisch uit de door
Selkirk (1978, 1980a, 1980b) ontwikkelde prosodische
theorie, die inhoudt dat er naast een syntactische ook een fonologische
hiërarchie is voor elke zin. Die hiërarchie is als volgt opgebouwd:
syllabe (σ), voet (F), fonologisch woord (ω),
fonologische frase (φ), intonatieëenheid (I), uiting (U). Omdat
ω-knopen σ-knopen domineren, volgt daaruit, dat
syllabificatie werkt binnen het domein van het fonologisch woord. Voor iedere
taal is nu een algorithme nodig dat de syntactische hiërarchie afbeeldt op
de fonologische
7. Laten we voorlopig voor het Nederlands het
volgende afbeeldingsprincipe aannemen:
(17)
Ieder syntactisch woord correspondeert met één
fonologisch woord, behalve composita waarvoor geldt dat met ieder lid een
afzonderlijk fonologisch woord correspondeert.
Dit principe verklaart nu de mogelijkheid tot reductie in de
voorbeelden (15). In b.v. Amerikaanse- en Papoeatalen verschilt het
gedeleerde gedeelte syntactisch/morfologisch van de ermee corresponderende
constituent talen: zelfstandig woord versus woorddeel. Hun identiteit is
echter hierin gelegen dat het identieke fonologische woorden zijn.
Zoals
Van der Zee (1982:85) correct opmerkt in verband met
syntactische samentrekking, wordt de acceptabiliteit van
samentrekkingsresultaten mede bepaald door het intonatieverloop:
’Restanten en de daarmee corresponderende elementen… dienen nadruk
te krijgen, fokuskonstituenten te zijn’. Zo moet in Amerikaanse- en
Papoeatalen een nadruksaccent vallen op Amerikaanse en
Papoea-. Evenzo moet in een zinnetje als Amsterdam wil ombudsman
en-vrouw accent vallen op -man en op -vrouw, hoewel
normaliter in composita het accent valt op het eerste lid (hier ombuds).
Dit nadruksaccent kan optreden indien er sprake is van een semantisch kontrast
tussen de rest en zijn pendant (het meest voorkomende geval), of wanneer er
sprake is van nadrukkelijke herhaling (vgl. | | | |
dóod - en
dóodmoe, ín- en íngoed, Ba 148). Deze eis t.a.v. de
resten en hun pendanten verklaart de ongrammaticaliteit van reducties als de
volgende:
(18)
i keúr- en vorsten (Ba 140)
ii voorbij- of reizende monniken (Ba 141)
waar een semantisch contrasterende pendant van de rest ontbreekt. Om
aan de eis van contrastiviteit te voldoen, worden dan ook wel constructies als
de volgende gecreëerd.
(19)
i dit is geen voor-, maar een naoordeel (Ba 141)
ii grijze hand- en bruine voetschoenen (Ba 141)
De eis van een rest die als focusconstituent kan fungeren, verklaart
evenzo de ongrammaticaliteit van de volgende reducties
(20)
i *voorbeelden en tegenvoorbeelden
ii *het minimum of liever het bestaansminimum.
In (20i) ontbreekt een focusconstituent in het linkerlid, in (20ii)
kan het niet als focusconstituent optreden, omdat het geen contrasterend
pendant heeft in deze constructie.
Van groot belang is ook de eis dat de rest die als focusconstituent
fungeert en zijn pendant, de tweede focus, inderdaad constituenten zijn.
Vergelijk b.v. de volgende reducties:
(21)
i *Blenheimbommenwerpers en Beaufortbommenwerpers
ii landbouwmachines en tuinbouwmachines.
Dit verschil in grammaticaliteit heeft te maken met het verschil in
morfologische (en daarom ook prosodische) structuur van de composita in (21).
Vergelijk:
(22)
i
[[Blenheim]N[[bommen]N[werpers]N]N]N
ii
[[[land]N[bouw]N]N[machines]N]N
Als we de minimale assumptie maken, dat de prosodische structuur van
deze complexe composita een weerspiegeling is van hun morfologische structuur,
dan hebben de genoemde composita de volgende fonologische structuur
8:
(23)

| | | |
Merk nu op dat Beaufortbommen in (21i) geen constituent is,
en dus niet als focusconstituent kan fungeren. Daarentegen is tuinbouw
in (21ii) wel een constituent, en derhalve kan tuinbouw, zoals vereist,
als focusconstituent fungeren. De conditie voorspelt eveneens de
ongrammaticaliteit van *voor- en tegenvoorbeelden, waar tegenvoor
geen constituent is
9.
De ‘focuseis’ verklaart ook waarom sommigen reducties
als de volgende minder acceptabel vinden:
(24)
i damesbladen en andere bladen (Ha 11)
ii oorlogsrampen en andere rampen (NCRV-tv, 10.11.1980)
iii ijsberen en bruine beren (Ba 152)
Het probleem is hier dat b.v. dames en andere
semantisch niet sterk contrasteren, omdat andere, in tegenstelling tot
dames, geen ‘semantische dimensie’ specificeert. In (24iii)
specificeren ijs- en bruine verschillende semantische dimensies,
respectievelijk verblijfplaats en huidskleur. Een optimaal semantisch contrast
wordt verkregen bij tegengestelde specificaties t.a.v. dezelfde semantische
parameter.
Merk verder op, dat niet alleen fonologische woorden
(ω), maar ook projecties ervan (zoals bommenwerper,
ωι) gedeleerd kunnen worden.
De regel van conjunctiereductie in gelede woorden kan nu als volgt
worden samengevat:
(25)
Conjunctiereductie (optioneel)
| Deleer Y | Condities: | (i) | Y =
ωm, m
≥0 |
| | | (ii) | Y grenst aan
conj |
| | | (iii) | er is
een rest die, evenals zijn pendant, als
focusconstituent |
| | | | kan
fungeren |
Ik neem aan, dat de eis dat de te deleren constituent Y een
identieke tegenhanger heeft, volgt uit het principe dat gedeleerde
constituenten terugvindbaar moeten zijn.
Men kan zich afvragen, waarom de prosodische condities in deze regel
condities zijn op de variabele, en niet op de resten, b.v. ‘de resten
moeten bestaan uit één of meer fonologische woorden’. De
reden is, dat zo'n conditie inadequaat zou zijn. Als we b.v. in goedig en
lievig het gedeelte -ig zouden deleren, krijgen we de prosodische
structuur (26):
(26)

| | | |
Deze structuur is inderdaad in eerste instantie onwelgevormd, omdat
de tweede syllabe van het eerste woord alleen de consonant [d] bevat. Maar deze
structuur zal automatisch geresyllabificeerd worden, zoals na iedere
fonologische regel die effect heeft op syllabestructuur. Zo kan in
ploeteren de eerste schwa gedeleerd worden. We krijgen dan in eerste
instantie een syllabe zonder vocaal, maar in tweede instantie zal deze
fonologische representatie geresyllabificeerd worden. Met andere woorden: het
prosodisch onwelgevormde tussenstadium mag de regel niet blokkeren. Hetzelfde
zou gelden voor (26): na herstructurering zou, ten onrechte, goed- en
lievig als correct worden gekenmerkt.
| |
2. Reductie in gelede woorden met affixen
De hierboven gepresenteerde analyse van conjunctiereductie
voorspelt, dat ook affixen, voorzover deze zelfstandige fonologische woorden
vormen, in principe gedeleerd kunnen worden. Deze voorspelling is correct,
zoals blijkt uit de volgende voorbeelden
10:
(27)
| zwanger- en moederschap | (Ba
148) |
| eenzijdig- en partijdigheid | (Ba
148) |
| zicht- en tastbare lichamen | (Dij
59) |
| storm- en regenachtig | (Ba
148) |
| christen- en
heidendom | |
| eer- en
deugdzaam | |
Ook -loos kan worden gedeleerd, evenals de suffixopeenvolging
-loosheid:
(28)
Amerikaanse series die even oever- als zouteloos zijn (Folia
Civitatis 17.5.1980)
Daar aanbidt men het gouden kalf van god-, bezit- en zedeloosheid
(De Standaard 1932, geciteerd in VU-Magazine 11 (1982), 385)
Er is onafhankelijke evidentie voor de fonologisch woord-status van
Nederlandse suffixen als -loos, -schap, -heid, -baar, -zaam, -dom, en
-achtig
11:
(i) woorden gevormd met dergelijke suffixen hebben hetzelfde
accentpatroon als composita: vgl. lándbòuw met
éerlòos, móederschap, vróomhèid,
dráagbàar en régenàchtig;
(ii) deze suffixen vormen een onafhankelijk domein van
syllabificatie, hetgeen met name te constateren valt bij suffixen als
-loos en -achtig (vgl. dakloos:
(dak)σ (loos)σ, niet
*(da)σ, (kloos)σ, roodachtig:
(rood)σ
(ach)σ(tig)σ, niet
*(roo)σ(dach)σ(tig)σ.
(iii) voor wat betreft -achtig: prevocalische schwa-deletie
werkt niet voor -achtig, wel voor alle andere klinker-initiële
suffixen; vgl. b.v. zijdeachtig met zijde + ig. Dit wordt
voorspeld als prevocalische schwa-deletie werkt binnen het domein van het
fonologisch woord.
Een algemene conditie op de fonologische woorden van het Nederlands
is, dat ze minimaal één volle vocaal (d.w.z. niet-schwa)
bevatten. De hierboven genoemde suffixen voldoen aan deze eis. Ook vanuit
historisch gezichtspunt is de fonologisch woord-status van deze suffixen
begrijpelijk, want ze hebben zich alle ontwikkeld uit zelfstandige woorden (cf.
Van Loey 1964: 197-202). Omgekeerd is -schap zich
opnieuw als zelfstandig syntactisch woord gaan manifesteren binnen het
terminologisch kader van de zogenaamde publiekrechtelijke
be- | | | | drijfsorganisaties, waar men spreekt van verschillende
schappen, zoals het landbouwschap en het waterschap.
Merk op, dat de klasse van suffixen met fonologisch woordstatus
kleiner is dan de klasse van zogenaamde accent-neutrale suffixen. Suffixen als
-je, -sel en -te zijn wel accentneutraal, maar bevatten alleen
een schwa. Het zijn dus geen zelfstandige fonologische woorden, wat spoort met
het feit dat ze geen reductie toelaten. Vgl.:
(29)
*mijn liefje, mijn duifje
*stijfsel of plaksel
*warmte en stilte
We onderscheiden voor het Nederlands dus twee klassen suffixen: een
klasse met de status van fonologisch woord, en een klasse van suffixen die
fonologisch samensmelten het voorafgaande fonologisch grond, zoals -ig,
-iteit en -iseer. Dit samensmelten blijkt o.a. uit de
syllabificatie: bij de laatstgenoemde groep vormt de eerste vocaal van het
suffix een syllabe met de slotconsonant van het grondwoord, b. v.
(30)
(goe)σ (dig)σ;
(ab)σ (di)σ
(teit)σ; (ka)σ
(na)σ (li)σ
(seer)σ
Als het grondwoord uit meer dan een fonologisch woord bestaat, dan
smelt een niet-zelfstandig suffix uiteraard samen met het aangrenzende
fonologische woord. Zo krijgen we prosodische structuren als de volgende:
(31)
| morfologische structuur: | fonologische
structuur: |
| [[[rede]N[kunde]N]Nig]A | (rede)ω
(kundig)ω |
| [[[gemak]N[zucht]N]Nig]A | (gemak)ω
(zuchtig)ω |
| [[elf)Q[jaar]N
ig]A | (elf)ω
(jarig)ω |
| [[meer]Q
[waarde]N ig]A | (meer)ω
(waardig)ω |
Correlerend met fonologische structuren als die in (31) zijn dan ook
reducties als de volgende mogelijk, omdat kundige, zuchtig, jarige,
waardige en landse fonologische woorden zijn:
(32)
rede- en taalkundige ontleding (Ba 155)
gemak- en genotzuchtig (AM 24)
een bange, elf-, twaalfjarige jongen (HP, 13.3.1982)
meer- of minderwaardige taken (Ho 38)
binnen- en buitenlandse politiek (NRC 8.1.1983)
Merk op, dat we impliciet ook van het voorbeeld zicht- en
tastbare lichamen in (27) al aannamen, dat -bare één
fonologisch woord is. Inderdaad smelten inflectionele suffixen in het
Nederlands altijd samen met het voorafgaande fonologische woord, zoals blijkt
uit de syllabificatiepatronen. Vergelijk in dit verband ook de woordgroepen
hebbelijk- en onhebbelijkheden (BB 387) en kennis- en machteloze
groepen (Gramma 6 (1982), 5).
De voorbeelden in (31) en de reducties in (32) lieten zien dat er
geen complete isomorfie bestaat tussen morfologische en fonologische structuur.
Deze asymmetrie is ook waarneembaar bij de bindfonemen in composita. Hoewel
vanuit morfologisch gezichtspunt een bindfoneem niet bij één van
de leden van een | | | | compositum hoort, maar bij allebei, smelt het
fonologisch samen met het eerste lid. Er wordt in de hier gegeven analyse dan
ook correct voorspeld, dat bij deletie van het tweede lid het bindfoneem
aanwezig blijft, terwijl het altijd ontbreekt bij deletie van het eerste lid
(als in onderzoeksdoelstelling of-belangstelling).
Voorbeelden van deletie in afgeleide woorden waarbij een suffix als
rest overblijft (m.a.w.: deletie in de rechterconjunct) komen in mijn materiaal
niet voor. Dit wordt hierdoor verklaard, dat suffixen moeilijk als
focusconstituenten kunnen optreden, omdat ze semantisch niet contrasteren. Zo
is semantisch/pragmatisch een constructie als oeverloze of-achtige
betogen merkwaardig (evenzo: Höhle 1982: 90).
Ook bij gelede woorden met prefixen is reductie mogelijk, zoals in
(33):
(33)
[…] dat het intuïtiesprobleem zijn ont- en bestaan
[…] (Ntg 74 (1981), 169)
ont- en verwikkelingen (Trouw, 26.8. 1982)
ge- en misnoegen (Utrecht WPL, sept. 1981: 22)
be- en geoordeeld (Ba 149)
be- en verwerken van rubber (Ba 149)
ge- en verbruiksartikelen (Ba 149)
Regel (25) kan ook dit reductiepatroon verantwoorden, als we het
weggelaten gedeelte beschouwen als een of meer fonologische woorden.
Onafhankelijke evidentie hiervoor is, dat de regel van prevocalische
schwa-deletie, die - zoals we hierboven zagen - niet over een fonologisch
woordgrens heenwerkt, inderdaad wordt geblokkeerd op de grens van prefix en
grondwoord
12. Vergelijk:
(34)
beademd, *bademd; geaard, *gaard
Bij ont- en ver- blijkt de aanwezigheid van een
fonologisch-woordgrens na het prefix uit syllabificatiepatronen als:
(35)
ontaard: (ont)σ
(aard)σ, niet: *(on)σ
(taard)σ
veras: (ver)σ (as)σ
niet: *(ve)σ (ras)σ
Dit betekent overigens niet per se, dat nu ook de prefixen zelf de
status van fonologisch woord moet worden toegekend. Dit zou immers problemen
opleveren voor de prefixen be- en ge-, die slechts een schwa als
vocaal bevatten, en voor het prefix ver-, althans voor die sprekers die
onderliggend al een schwa hebben. Een mogelijke hypothese is, dat dergelijke
prefixen een syllabische appendix bij een fonologisch woord vormen, als
volgt:
(36)

| | | |
Door deze structuur aan te nemen, wordt voorspeld, dat het gedeelte
na het prefix gedeleerd kan worden, althans indien - in afwijking van de
normale accentuering - de prefix-syllabe beklemtoond is. Dit geeft dergelijke
constructies overigens een gemarkeerd karakter, omdat syllaben met een schwa
slechts bij uitzondering accent krijgen (vgl. ook: Dit is dé slager
van Amsterdam
13. De fonologische structuur van b.v. beoordeeld ziet er
dan als volgt uit:
(37)

Omdat pre-vocalische schwa-deletie werkt in het
ω-domein, blijft de schwa van be- gehandhaafd. Door deze
prefixen de status van ‘syllabische appendix bij fonologisch woord’
te geven, wordt bovendien correct geïmpliceerd, dat er bij woorden met dit
type prefixen nooit deletie van de prefixen zelf (dus in de rechterconjunct)
optreedt:
(38)
*bevaren en berijden
*gehijg en gepuf
*vergeven en vergeten
Een tweede klasse van woorden met prefixen vormen de woorden met
prefixen die minimaal één volle vocaal bevatten. Ook bij dit
soort woorden treedt reductie op; een woord minus een prefix of de tegenhanger
ervan wordt gedeleerd:
(39)
i on- of zelfs antinationaal (Ba 153)
im- en export (Ba 149)
14
a- en antipolitieke tendenzen (VU-Magazine 11 (1982),
283)
ii minder vruchtbaar of zelfs onvruchtbaar (Ba 153)
minder validen en invaliden (Ba 153)
zeer moeilijk begaanbaar tot onbegaanbaar (Ba 153)
Deze prefixen kunnen als zelfstandige fonologische woorden worden
opgevat, omdat ze een volle vocaal hebben. Bovendien dragen sommige, zoals
ex-, anti-, a- en im- normaliter ook de hoofdklemtoon van het
woord waarin ze voorkomen. Kennen we deze prefixen inderdaad de
fonologisch-woordstatus toe, dan verwachten we de mogelijkheid van reductie
als:
(40)
a-politieke en -religieuze uitspraken
anti-Russische en -Amerikaanse bewegingen
ex-minnaar en -echtgenoot
Hoewel dit reductiepatroon in het door mij verzamelde materiaal niet
voorkomt, is er m.i. niets op de grammaticaliteit ervan aan te merken.
Tenslotte zijn er ook woorden die morfemen bevatten die aan het
Grieks zijn ontleend, zoals tele-, mono- en biblio-. Deze
morfemen zijn noch lexicale morfemen, noch affixen. Voor die taalgebruikers die
ze als zelfstandige morfemen | | | | herkennen, kunnen ze de status van
zelfstandig fonologisch woord hebben, blijkens constructies als de
volgende:
(41)
mono- en dialogen (Ba 150)
biblio- en dactylografische hulp (Ntg 73 (1982), 471)
hydro- en aerostatica (Dij 90)
15
| |
3. De status van de reductieregel
Hoewel regel (25) syntactisch wordt geconditioneerd (de aanwezigheid
van nevenschikking is vereist) is het toch geen syntactische transformatie,
maar een fonologische regel die opereert op fonologische eenheden, te weten
fonologische woorden en projekties daarvan. De status van ‘syntactische
transformatie’ wordt voor deze regel, die delen van woorden deleert,
principieel uitgesloten door het principe van Lexicale Integriteit. In
Lapointe (1979: 222) wordt dit principe onder de naam
‘Generalized Lexical Hypothesis als volgt verwoord: ’syntactic
rules are not allowed to refer to, and hence cannot directly modify, the
internal morphological structure of words’.
Anderson (1982: 591) staat een zwakkere versie van het
principe van Lexicale Integriteit voor en wil flexie ervan uitsluiten:
morphology is divisible into two parts: an inflectional part which
is integrated […] with the syntax, and a derivational part, which is
confined to the lexicon and opaque to the syntax.
Beide versies van Lexicale Integriteit sluiten conjunctiereductie in
gelede woorden als syntactische regel uit: het principe implicieert dat alleen
fonologische regels in zinsverband delen van woorden kunnen weghalen.
Het interessante is nu, dat het principe van Lexicale Integriteit door het
verschijnsel van conjunctiereductie in gelede woorden nadrukkelijk wordt
bevestigd: de aard van de te deleren constituent blijkt ook op empirische
gronden alleen maar fonologisch, in termen van de notie ‘fonologisch
woord’ gedefinieerd te kunnen worden.
Höhle (1982), die laat zien dat zich in het Duits
dezelfde reeks van reductieverschijnselen in gelede woorden voordoet, geeft
weliswaar geen expliciete regel, maar stelt wel dat de notie
‘woordgrens’ een cruciale conditionerende rol moet hebben. Het
woordgrenssymbool is dan niet alleen geassocieerd met zelfstandige woorden,
maar ook met delen van composita, en sommige affixen. Het onderscheid in
welgevormdheid tussen hilf- und hoffnungslos en *salz- und mehlig
volgt dan uit het feit dat met -los een sterke grens, de woordgrens, is
geassocieerd, maar met -ig de zwakke grens +. Höhles criteria voor
het onderscheid tussen + -affixen en # -affixen zijn identiek aan de mijne.
Toch is een reductie-regel die gebruik maakt van de notie ‘fonologisch
woord’ niet simpelweg een notationele variant van een regel die gebruik
maakt van het + / # -onderscheid. In het laatste geval blijft namelijk
onduidelijk waarom van twee constituenten die structureel niet identiek zijn
(zoals in professionelle und Amateurschauspieler, Höhle 1982:92),
omdat het weggelaten deel een zelfstandig woord is, en de pendant niet, er toch
een gedeleerd mag worden. Alleen in de prosodische structuur wordt het
syntactisch verschil tussen deze constituenten uitgewist.
Een vraag die zich nu opdringt is, of een fonologische regel zowel
aan de syntac- | | | | tische als aan de prosodisch-fonologische structuur mag
refereren, zoals de hierboven voorgestelde regel van conjunctiereductie doet.
Immers, enerzijds refereert deze regel naar de syntactische notie
‘nevenschikkend voegwoord’, en anderzijds naar de prosodische notie
‘fonologisch woord’. Voor louter segmentele fonologische regels is
het heel gewoon dat ze aan syntactische informatie refereren (de klasse van
morfo-lexicale regels). Maar segmenten vormen dan ook onderdeel van zowel de
morfologisch-syntactische als de fonologische hiërarchie van taal.
Selkirk (1980a: 108) onderscheidt dan ook twee typen
fonologische regels: L(abeled B(racketing)-domain rules en prosodic
domain-rules. LB-domain rules werken vóór, en prosodic domain
rules ná de omzetting van de syntactische in de prosodisch-fonologische
structuur, zo is haar voorstel. De regel van conjunctie-reductie lijkt in
strijd te zijn met dit model.
Nu zou men aan de oplossing kunnen denken om eerst de syntactische
conjunctie-structuren te ‘vertalen’ in prosodische structuren, en
dan de reductieregel te laten opereren op zuiver prosodisch gedefinieerde
structuren. Het probleem is dan echter, dat in de prosodische structuur
conjunctie niet meer als zodanig herkenbaar is. Zo krijgen volgens de regels
van
Selkirk (1978:20),
Neijt en
Zonneveld (1981a) of
Nespor en
Vogel (1982:228) de woordgroepen de landbouw en de
tuinbouw en de landbouw met de tuinbouw een identieke prosodische
structuur, namelijk:
16
(42)

terwijl toch in het tweede geval geen reductie kan optreden:
(43)
*De minister vond dat de landbouw met de tuinbouw moet
concurreren
Evenzo zijn de volgende reducties m.i. onmogelijk
(44)
i dat (de landbouw)φ (de tuinbouw)φ moet
redden
ii dat (de binnenlandse)φ (op de buitenlandse
resultaten)φ drukken.
Het lukt dus niet langs deze weg syntactische informatie geheel uit
prosodische regels te bannen
17.
Het model van Selkirk (1980a), waarin ‘LB-domain rules’
en ‘prosodic domain rules’ strikt gescheiden worden, roept
overigens niet alleen vragen op i.v.m. conjunctiereductie. Er zijn ook andere
fonologische regels die zowel van syntactisch-morfologische als van prosodische
informatie gebruik lijken te maken. Zo heeft het Nederlands een regel van
schwa-insertie die alleen werkt in verkleinwoorden, om de allomorf -etje
van de onderliggende vorm -tje af te leiden. Deze regel wordt niet
alleen geconditioneerd door syntactische-morfologische informatie
(‘alleen in verkleinwoorden’), maar ook door proso- | | | | dische: de slotsyllabe van het grondwoord moet beklemtoond zijn, dus of een
sterke syllabe, of een syllabe die zelfstandig voet of woord is. Vergelijk:
(45)

Het model van
Selkirk (1980a) laat dergelijke interactie van
morfologisch-syntactische en prosodische informatie niet toe. Ook de hypothese
dat de toekenning van metrische en syllabestructuur cyclisch (dus in termen van
morfologische domeinen) verloopt (cf.
Kiparsky 1979) en
McCarthy's hypothese (McCarthy 1982), dat de zogenaamde
‘expletive infixation’ (het invoegen van fuckin' binnen een
woord) wordt geconditioneerd door de prosodische structuur van woorden, gaan
ervan uit, dat dergelijke interactie wel mogelijk moet zijn. Herbezinning op
dit model, en nader onderzoek van de interactie van deze twee soorten
informatie is dus zeer noodzakelijk.
| | | | | |
Bibliografie
| Anderson, S.R. (1982), ‘Where's morphology?’,
Linguistic Inquiry 13, 571-612. |
| Bakker, D.M. (1968), Samentrekking in Nederlandse
syntactische groepen. Leiden: Universitaire Pers. |
| Bakker, D.M. (1982), ‘Nevenschikking’ in W.
Breekveldt en J. Noordegraaf (red.) Voortgang van het onderzoek in de
subfaculteit Nederlands aan de Vrije Universiteit, III, 228-43. |
| Booij, G.E. (1982a), Hiërarchische Fonologie
(oratie V.U. Amsterdam). |
| Booij, G.E. (1982b), ‘Principles and parameters in
prosodic phonology’, te verschijnen in B. Butterworth, B. Comrie, O. Dahl
(eds.), Language Universals: Internal and External Explanation. The
Hague/Berlin: Mouton. |
| Höhle, T.N. (1982) ‘Über Komposition und
Derivation: zur Konstituentenstruktur von Wortbildungsprodukten im
Deutschen’, Zeitschrift für Sprachwissenschaft 1, 76-112. |
| Jackendoff, R.S. (1977), X' Syntax. A Study of Phrase
Structure. Cambridge Mass.: MIT Press. |
| Kerstens, J. (1981), ‘Bestaat Gapping eigenlijk
wel?’ Spektator 11, 61-79 |
| Kiparsky, P. (1979), ‘Metrical Structure assignment is
cyclic’, Linguistic Inquiry 10, 421-42. |
| McCarthy, J.J. (1982), ‘Prosodic Structure and
Expletive Infixation’, Language 58, 574-90. |
| Lapointe, S. (1979), ‘A lexical analysis of the English
auxiliary verb system’. Glot 2, 215-54. |
| Loey, A. van (1964), Schönfelds Historische
Grammatica van het Nederlands. Zutphen: Thieme. |
| Marle, J, van (1982), ‘Een niet-generaliserende analyse
van schwa-deletie’, Spektator 12, 326-41 |
| Nespor, M. en I. Vogel (1982) ‘Prosodic domains of
external sandhi rules’ in H. van der Hulst en N. Smith (eds.) The
Structure of Phonological Representations. Dordrecht: Foris, 225-56. |
| Neijt, A. (1979), Gapping. A Contribution to Sentence
Grammar. Dordrecht: Foris. |
| Neijt, A. en W. Zonneveld (1981a) ‘Metrische fonologie:
klemtoon en clitics in het Nederlands’, in: Verslag van de 156e
vergadering van de Nederlandse Vereniging voor Fonetische Wetenschappen, 16
oktober 1981, Amsterdam, 26-37. |
| Neijt, A. en W. Zonneveld (1981b) ‘De
aantrekkingskracht van -baar’, Glot 4, 215-28. |
| Royen, Gerlach P. (1953), ‘Piet- en andere
luttigheden’, in Taalrapsodie, Bussum, 750-75. |
| Selkirk, E.O. (1978) ‘On prosodic Structure and its
relation to syntactic Structure’ (ongepubl. paper, Univ. of Mass.) |
| Selkirk, E.O. (1980a), ‘Prosodic domains in phonology:
Sanskrit revisited’, in: M. Aronoff en M.-L. Kean (eds.) Juncture.
Saratoga Calif.: Anma Libri, 107-29. |
| Selkirk, E.O. (1980b), ‘The role of prosodic categories
in English word stress’, Linguistic Inquiry 11, 563-606. |
| Siegel, D. (1974), Topics in English Morphology.
MIT-diss. |
| Strauss, S.L. (1982), Lexicalist Phonology of English and
German. Dordrecht: Foris Publications. |
| Toman, J. (1981) ‘Koordination und Wortstruktur’,
Arbeitsbericht no. 14, DFG-Projekt Nominal-komposita, Universität
Regensburg. |
| Zee, N. van der (1982), ‘Samentrekking als
transformationeel zorgenkindje’, Glot 5, 77-106. |
| Zonneveld, W. (1983), ‘Lexical and phonological
properties of Dutch voicing assimilation’, te verschijnen in: M.P.R. van
den Broecke e.a. (eds.) Studies for Antonie Cohen. Dordrecht: Foris
Publications. |
|
1De uitzonderingen zijn Gerlach Royen (1953)
en Bakker (1968). Ik dank Hans Bennis, Ton van Haaften, Jaap van Marie, Anneke
Neijt en Piet van Reenen voor hun commentaar op een eerdere versie van dit
artikel, en Michaël Moortgat en Harry van der Hulst voor hun commentaar op
mijn ideeën.
2Voorbeelden in dit artikel zonder
bronvermelding zijn gebaseerd op observaties of intuïties van de auteur.
De bronnencodes verwijzen naar de volgende bronnen (het cijfer geeft de pagina
aan):
AM = H. Arlman en G. Mulder (1982), Van de Prins geen
kwaad. Alphen aan den Rijn: Sijthoff
As = E.M.H. Assink (1983), Leerprocessen bij het
spellen. Utrecht: Drukkerij Elinkwijk
Ba = D.M. Bakker (1968), Samentrekking in Nederlandse
syntactische groepen. Leiden: Universitaire Pers
BB = J.G. Boot en B. Boot-Siertsema (1982) Praatboek uit
Zuid-Afrika. Amsterdam: Buijten en Schipperheijn.
Bo = G.E. Booij (1981), Generatieve Fonologie van het
Nederlands. Utrecht: Het Spectrum.
Dij = E.J. Dijksterhuis (1950) De mechanisering van het
wereldbeeld. Amsterdam: Meulenhoff.
Ha = G.J. de Haan e.a. (1974) Basiskursus Algemene
Taalwetenschap. Assen: Van Gorcum.
HN = Hervormd Nederland
Ho = H. v. Hoorn e.a. (1982) Politiek. Den Haag: Bert
Bakker
HP = Haagse Post
Si = B. Siertsema (1980), ‘Taalwetenschap aan de Vrije
Universiteit’ in M. van Os en W.J. Wieringa (red.) Wetenschap en
rekenschap. Kampen: Kok, 334-60.
3De voorbeelden in (2) zijn voorbeelden van
de interactie morfologie-syntaxis. Merk echter op, dat deze interactie vrij
marginaal is: in composita b.v. vinden we doorgaans alleen conjuncties van
lexicale categorieën (dus b.v. niet de klok en de
hamer-spel).
4Ik neem aan, dat het voegwoord na
land- hier φ is. In Bakker (1982) wordt voor conjuncties
zonder voegwoorden aangenomen, dat er dan geen voegwoord in de syntactische
structuur aanwezig is. Een bezwaar hiertegen is, dat er dan niet gerefereerd
kan worden aan de positie links of rechts van het (niet gerealiseerde)
voegwoord, hetgeen de formulering van de regel van conjunctiereductie
aanzienlijk zou compliceren.
5Modale elementen als vooral lijken
mij onderdeel van de NP te zijn, getuige zinnen als Vooral stijlonderscheid
is belangrijk, waarin vooral stijlonderscheid de eerste zinspositie,
vóór de persoonsvorm, bezet.
6Bakker (1968: 150) geeft ook twee
soortgelijke voorbeelden, die hij terecht als bizar kwalificeert: Substan-
en adjectieven en ex- en tentamina.
7Zie Booij (1982a, b) voor een uitvoerige
bespreking van deze assumpties, met voorbeelden uit verschillende talen, ook
van affixen met fonologisch woord-status. Ik zal in het vervolg van dit artikel
in de voorbeelden gemakshalve het voet-niveau weglaten, tenzij het relevant is
voor de argumentatie.
8Zie Nespor en Vogel (1982: 229) die
-vergelijkbaar met ω' naast ω- een φ'
naast φ aannemen.
9De gedachte condities op resten een rol te
laten spelen bij het uitsluiten van (21i) werd mij gesuggereerd door Anneke
Neijt.
10Enkele andere voorbeelden zijn:
…waarom de natuurlijke taal uitsluitend Gapping- en
Sluicing-achtige samentrekkingen toestaat (T. Scholten, A. Evers, M. Klein,
Inl. in de transf.-gen. taal-theorie, Groningen, 1982, p. 219), een
kasteel- of kathedraalachtig bouwwerk (J. Brouwers, Bezonken
Rood, p. 8), …waaraan een stuk geborgen- en zekerheid
ontleend wordt ( Ontmoetingen onderweg, Leusden, 1980, p. 7), zijn
nuchtere plannen van bezonnen- en ingetogenheid (J. van Oudshoorn,
Willem Mertens levensspiegel, p. 21), duidelijkheids- en
volledigheidshalve, Spektator 12 (1982), 147.
11In Neijt en Zonneveld (1981b) wordt aan
suffixen als -achtig en -schap eveneens de status van
(fonologisch) woord toegekend, maar -baar niet. In Zonneveld (1983)
wordt echter betoogd, dat -baar toch beter als fonologisch woord kan
worden opgevat.
12Zie voor een alternatieve verklaring voor
het ontbreken van schwa-deletie bij prefixen, Van Marie (1982). In die analyse
wordt hun reductiegedrag niet in de overwegingen betrokken. Het prefix
her- laat ik hier buiten beschouwing vanwege zijn complexe
gedrag.
13Dat voor sommige sprekers constructies als
(33) niet erg acceptabel zijn heeft daarnaast waarschijnlijk ook wel te maken
met het feit dat dit soort prefixen geen duidelijke semantische opposities
vormen.
14Naast im- en export komt ook in-
en export voor. Kerstens (1981: 78, noot 5) trekt uit de zin Hij heeft
een in- en exportonderneming de conclusie, dat hier morfologische
constituenten ( in en ex) nevengeschikt verbonden zijn, daarmee
implicerend dat er van reductie (‘Gapping’) geen sprake is.
Inderdaad wijst in- en export op nevenschikking van de prefixen, terwijl
im- en export juist wijst in de richting van afleiding uit import en
export, omdat anders de [m] van im- onverklaarbaar is. Im- is
immers de allomorf van /in/ voor een labiaal. Ook al is im- en export
niet voor iedereen acceptabel, de in dit artikel gepresenteerde argumenten
wijzen echter m.i. voldoende uit dat niet alle vormen van reductie in gelede
woorden als nevenschikking van morfologische constituenten kunnen worden
geïnterpreteerd.
15De fonologisch woord-status van prefixen
als anti-, ex-, pro- en contra- manifesteert zich ook in het feit
dat ze als syntactisch woord gebruikt worden: de anti's (=
anti-revolutionairen), pro's en contra's, mijn ex. Economen gebruiken
het niet-lexicale morfeem macro ook als adverbium: ‘ Macro
kun je er de werkloosheid mee oplossen, maar dat is alleen maar macro en
alleen op papier.’ ( HP 13.3.1982, p. 19, 21).
Ook in het Engels kunnen prefixen en prefixachtige morfemen
‘los’ optreden. Vgl. b.v.: mono- and trisyllabic, pro- and
enclitics, hyper- and hypo-thyroid, socio- and politico-economic (Siegel 1974:
47); vgl. ook Strauss (1982: 43).
16Neijt en Zonneveld (1981a: 33) stellen voor
fonologische ‘phrases’ ( φ) als volgt af te leiden uit
syntactische structuren:
a. De M's (= ω's) van een minimale X'' vormen
samen een rechtsvertakkende w-s-structuur, genaamd φ.
b. M φ → φ
φ M → φ Conditie: M heeft C-command
over φ.
De structuur van b.v. de PP voor zijn werk ziet er dan
als volgt uit:
17Het lijkt alsof in het volgende geval
inderdaad sprake is van reductie zonder nevenschikking: uit de makro- naar
de mikrowereld (Dij 112), maar deze constructie kan wellicht als
nevenschikking worden opgevat, waarbij uit---naar de rol vervult van
nevenschikkend voegwoord analoog aan b.v. hetzij… hetzij en
zowel…als. Dit wordt bevestigd door het feit dat uit de makro
- naar de mikrowereld één constituent is zoals blijkt uit de
test ‘een zinsdeel voor de persoonsvorm’, b.v.: Uit de makro -
naar de mikrowereld is slechts één stap. Hetzelfde geldt voor
constructies als Drie- tot vierduizend gulden en Dit heeft niet tot
moeilijke laat staan onoplosbare problemen geleid.
Enkele van mijn Duitse informanten keurden echter ook een zin
als Sie ersetzten Ofen- durch Zentralheizung goed, waarin durch
moeilijk als een conjugerend element kan worden opgevat, getuige de
ongrammaticaliteit van * Ofenheizung durch Zentralheizung ersetzten Sie.
Voor dergelijke sprekers lijkt de deletieregel zuiver prosodisch, zonder
referentie aan de syntactische notie ‘conjunctie’ te
functioneren.
|
|