|
|
|
| |
Tegenvoorbeeld of uitzondering*
Over weerbarstigheid in de taalkundige theorievorming
Sies de Haan
De term ‘weerbarstig’, of eigenlijk ‘recalcitrant’, wordt door de filosoof Quine gebruikt voor empirische gegevens die in tegenspraak zijn met een bepaalde theoretische interpretatie van een bepaald onderzoeksdomein (vgl. Quine 1961, blz. 43/44). Of een weerbarstig gegeven een tegenvoorbeeld is, meer speciaal, waartegen het een tegenvoorbeeld is, valt volgens filosofen als Quine op voorhand niet te zeggen:
‘Any statement can be held true come what may, if we make drastic enough adjustments elsewhere in the system. (...) Conversely, by the same token, no statement is immune to revision.’ (o.c. blz. 43.)
Dat wil niet zeggen dat Quine een volstrekte anarchie voorstaat bij het ontwikkelen van wetenschappelijke theorieën. In de hier aangehaalde beschouwing volstaat hij met een verwijzing naar, our natural tendency to disturb the total system als little as possible’ (blz. 44). Elders gaat hij meer gedetailleerd op deze kwestie in (zie bijv. Quine 1960, blz. 17 e.v.). Niet de term ‘weerbarstig’, maar wel de ermee samenhangende ideeën over de ontwikkeling van wetenschappelijke theorieën kwamen onder het banier van de TGG de taalkunde binnen. In Nederland werd er voor het eerst aandacht aan geschonken in een artikel van Bo- | | | | tha in De Nieuwe Taalgids (Botha 1969). Botha hield daarin een pleidooi voor de stelling dat een grammaticus altijd op drie nauw samenhangende niveaus werkzaam moet zijn, het niveau van de taalspecifieke grammatica, net niveau van de algemene grammatica en het niveau van de wetenschapstheorie. Hij illustreerde dit aan de hand van de notie ‘tegenvoorbeeld’.
Op een bepaald punt heb ik deze beschouwing altijd als onbevredigend ervaren. Botha plaatst nl. de wetenschapstheoretische opvatting die recalcitrante ervaringsgegevens met tegenvoorbeelden tegen een of ander theoretisch principe identificeert, tegenover wat hij met een term van Garvin ‘de “fuzzy edge”-benadering’ noemt. Deze komt erop neer dat problemen bij het formuleren van een bepaalde regelmatigheid ‘een gevolg’ kunnen zijn ‘van “de omstandigheid”, dat een taal nu eenmaal niet zo strikt-regelmatig is opgebouwd als een logisch systeem’ (Botha 1969, blz. 111/112). Botha verwerpt deze benadering van grammatische problemen en mogelijke tegenvoorbeelden om de volgende redenen:
‘De recente geschiedenis van de linguïstiek verplicht te concluderen, dat het op dit tijdstip onverantwoord is, te beweren dat een specifieke “fuzzy edge” een absolute, inherente eigenschap van taal of een taaluiting is. Volgens mijn kennis van de wetenschapsfilosofie èn de linguïstiek is theorievorming bij uitstek de hedendaagse methodologische techniek om tot empirische kennis te komen. “Fuzzy edges” bestaan dus alleen in het kader van specifieke linguïstische modellen of taaltheorieën. (...) In dit stadium is het dus nog alleen maar mogelijk, te betogen, dat een “fuzzy edge” in het kader van een specifieke taaltheorie een indicatie is van een gebrek in de structuur van deze theorie. Zou men de “fuzzy edge”-benadering consequent doorvoeren, dan worden alle mogelijkheden tot uitbreiding en verdieping van betrouwbare wetenschappelijke kennis opgeheven. Door defecten in een taaltheorie namelijk te interpreteren als inherente ontologische eigenschappen van taal of taaluitingen, wordt de mogelijkheid deze taaltheorieën te herzien en nieuwe, betere theorieën te construeren uitgesloten.’ (o.c. blz. 112)
Botha's argumentatie is een typisch voorbeeld van wat in de argumentatietheorie bekend staat als ‘begging the question’. Ik durf zijn uitdaging om de ‘fuzzy edge’-benadering te verdedigen ‘tegen de achtergrond van een degelijke kennis van de moderne wetenschapsfilosofie’ (o.c. blz. 112) dan ook met een gerust hart aan te nemen1. Uit het feit dat een weerbarstig geval altijd alleen maar bestaat binnen een specifieke taaltheorie, volgt nl. geenszins, zoals Botha ons wil doen geloven, dat de betreffende taaltheorie defect is. Ten eerste bestaat ook een regelmatigheid altijd uitsluitend binnen een specifieke taaltheorie: zonder begrippenapparaat is de werkelijkheid voor ons ontoegankelijk. Daarbij is het heel goed mogelijk, zoals de wetenschapsgeschiedenis overvloedig laat zien, dat wat binnen de ene theorie een regelmatigheid lijkt, dat binnen een andere theorie niet is. Botha's conclusie dat een weerbarstig geval alleen maar een theoretisch defect kan zijn, volgt alleen doordat hij impliciet, zonder enige argumentatie uitgaat van de onjuistheid van de stelling dat een taal niet zo regelmatig is
opgebouwd als een logisch systeem2. Bovendien wekt hij de indruk dat wetenschappelijke kennis alleen betrekking kan hebben op algemene gevallen en niet op bijzondere gevallen, doordat hij impliciet per definitie de status van wetenschappelijke kennis aan een weerbarstig geval ontzegd, en er alleen een aanwijzing voor een theoretisch defect in wil zien. Toch berust de vaststelling van een bijzonder geval evenzeer op theorievorming als die van een algemeen geval. Ook de formulering van een bijzonder geval, bijv. in een waarnemingsuitspraak
| | | | draagt volgens de gangbare methodologische inzichten het karakter van een hypothese. Tenslotte zet Botha de zaken helemaal op hun kop, als hij stelt dat een consequente toepassing van de fuzzy edge-benadering erin bestaat dat defecten van een taaltheorie geïnterpreteerd worden als inherente ontologische eigenschappen van taal. Daarmee verzandt Botha's betoog definitief in een klakkeloos toepassen van een leerstuk uit de filosofie van de natuurwetenschap op de taalkunde3.
Een bespreking, c.q. weerlegging van de fuzzy edge-benadering van weerbarstige gevallen kan niet heen om een bespreking, c.q. weerlegging van de veronderstelling dat een taal niet volstrekt regelmatig is opgebouwd, zoals die bijv. verwoord wordt door A.W. de Groot:
‘Een taal heeft altijd een fundamenteel-logische structuur. Zonder deze zou communicatie door middel van een taal onmogelijk zijn. Elke historisch geworden, niet bewust geconstrueerde menselijke spreektaal heeft echter allerlei elementen en aspecten die met dit fundamenteel-logische karakter in strijd zijn. Het behoort tot de taak van de taalbeschrijver zowel de logische structuur als eventuele afwijkingen daarvan te beschrijven. Dit is tot op zekere hoogte dan ook altijd gedaan in de vorm van ‘regels’ en ‘uitzonderingen’, en ‘regelmatige’ en ‘onregelmatige vormen’. (De Groot 1964, blz. 270).
Als gevolg van het feit dat een taal voortdurend onderworpen is aan allerlei veranderingsprocessen heeft een synchrone taaltoestand nooit het karakter van een homogeen systeem. Het is altijd een niet-gefixeerd tussenstadium in een voortgaande ontwikkeling. Doordat taalveranderingen tijd in beslag nemen, soms zeer veel tijd, en omdat meer of minder geïsoleerde elementen zich tegen verandering kunnen blijven verzetten, bestaan in een synchrone taaltoestand oude en nieuwe elementen naast elkaar, productieve en improductieve categorieën4, levende en versteende vormen, archaïsmen en neologismen, onderscheidingen die aan het verdwijnen zijn en onderscheidingen die zich een plaats proberen te veroveren. Dit ontologische kenmerk van natuurlijke talen, waarvoor voorlopig voldoende empirische evidentie lijkt te bestaan om het als zodanig te aanvaarden, houdt een complicatie in voor de tegenvoorbeelden-logica bij de taalkundige theorievorming. Tegelijkertijd verwijst het naar een belangrijk verschil tussen de aard van regelmatigheden in het onderzoeksdomein van de taalkunde en in dat van de natuurwetenschap. De Saussure wees daar al op toen hij stelde dat synchrone taalwetten wel algemeen zijn, maar niet dwingend. (Vgl. De Saussure 1966, blz. 91)5.
Het heterogene karakter van synchrone taaltoestanden brengt met zich mee dat er in de taalkunde in tegenstelling tot de natuurwetenschap twee interpretaties mogelijk zijn voor een weerbarstig geval, nl. als tegenvoorbeeld en als uitzondering. Ook als men een synchrone taaltoestand geïdealiseerd als een homogeen systeem wil beschrijven, ontkomt men niet aan deze keuze. Als men bijvoorbeeld de systematiek achter het gebruik van het voltooid deelwoord in het Nederlands wil beschrijven, zal men moeten beslissen of men gebruiksgevallen als gegeven deze beslissing..., gezien zijn enthousiasme..., gelet op uw antwoord... tot de te beschrijven systematische gebruiksmogelijkheden van het voltooid deelwoord rekent, dan wel daaraan de status van improductieve gevallen toekent die men ‘wegidealiseert’6. Het maken van een dergelijke keuze hoeft volstrekt niet willekeurig en irrationeel te verlopen, zoals Botha suggereert, mede onder invloed van de door hem uitgekozen citaten van Hockett en Garvin,
| | | | maar kan op rationele, empirische gronden gebeuren, overeenkomstig de normen voor empirisch-wetenschappelijke theorievorming. De fuzzy edge-benadering, als we daaronder verstaan ‘het in aanmerking nemen van de mogelijkheid van het bestaan van onregelmatige gevallen naast de mogelijkheid van regelmatige gevallen’, vormt een regulier onderdeel van ‘de hedendaagse methodologische techniek’ bij uitstek ‘om tot empirische kennis te komen’ (Botha 1969, blz. 112). Om een recalcitrant geval te determineren als een te verantwoorden gegeven, c.q. tegenvoorbeeld, of als uitzondering, geïsoleerd geval, is het vaak nodig de synchrone taaltoestand te bekijken in het licht van de historische ontwikkeling. Zo bekeken bestaat er tussen synchronie en diachronie een tweerichtingsverkeer: om taalveranderingen te kunnen beoordelen moet men het synchrone systeem in ogenschouw nemen waarin die veranderingen plaatsvinden, en om de synchrone systematiek te kunnen vaststellen moet men de diachrone ontwikkeling in ogenschouw nemen waarvan die systematiek een momentopname is. Dit is niet zo zeer een vicieuze cirkel als wel een dialectische wisselwerking.
| |
2. Het geval van de passief-verbinding
De passief-verbinding in het Nederlands, verbindingen van vormen van worden of zijn met een voltooid deelwoord, is een probleemrijk grammatisch onderzoeksobject. De primaire vraag welke voltooide deelwoorden in deze verbinding kunnen optreden, leidt onmiddellijk het moeras van de traditioneel-grammatische begripsproblemen in. Het is echter niet mijn bedoeling om die problemen binnen het bestek van deze squib systematisch de revue te laten passeren. Het gaat mij hier om een illustratie van het voorgaande.
Over de passief-verbindingen zijn in de loop der tijd verschillende opvattingen ontwikkeld. Zo behoren volgens A.W. de Groot.
de groepen (ik) word gezien, (ik) werd gezien in het morphologische systeem van het werkwoord. Zij hebben syntactisch en semantisch de functie niet van woordgroepen, maar van (verbogen) woorden. (De Groot 1949, blz. 141).
In de 17e en 18e eeuwse Nederlandse grammatica's in de traditie van de klassieke grammatica wordt het passief gezien als één van de drie klassen van werkwoorden die naar klassiek voorbeeld werden aangenomen: de bedrijvende, de lijdende en de onzijdige werkwoorden. (Zie hierover Van der Wal 1982). In de traditie van de logische of redekundige zinsanalyse werd deze opvatting in de 19e eeuw verworpen ten gunste van de opvatting dat de lijdende vorm een verschijningsvorm is van de transitieve werkwoorden, met als tegenhanger de bedrijvende vorm. (Vgl. Van der Wal 1982). Anders dan bij De Groot, die de behandeling van de passief-morfologie naar de woordleer verwijst, staat in deze visie de syntactische correspondentie tussen actieve en passieve zinnen centraal. In feite heeft het passiefbegrip hier twee kanten. Enerzijds verwijst het naar één lid van een tweetermige relatie tussen zinnen, anderzijds naar één van de verschijningsvormen en transitieve werkwoorden. In de eerst genoemde interpretatie behoort tot het passiefbegrip, behalve de passieve verschijningsvorm van het werkwoord, het feit dat het subject van het passieve werkwoord met het direct object van de actieve pendant correspondeert, en de mogelijkheid om het subject van de actieve pendant in een voorzetselbepaling met door bij het passieve
| | | | werkwoord tot uitdrukking te brengen.
Ondanks het problematische karakter van deze correspondentie-gedachte heeft deze visie op de passief-verbinding de meeste ingang gevonden. Weerbarstige gevallen zijn in dit verband in de eerste plaats zinnen als (1-4) waarbij niet of nauwelijks een actieve pendant te construeren valt.
| (1) |
In 1912 werd hij onder armoedige omstandigheden geboren. |
| (2) |
Leontien werd geacht beter te weten. |
| (3) |
Daarmee werd hij voor een onoplosbaar dilemma gesteld. |
| (4) |
Overal ter wereld wordt van de mens hetzelfde geëist. |
Hier doet zich dan de vraag voor of we deze en dergelijke zinnen tot uitzondering of tot tegenvoorbeeld moeten bestempelen. Uitzondering-uitsluiting is als methode van kennisverwerving niet zo maar gericht op het redden van theorieën. De regel is dan ook dat een weerbarstig geval als tegenvoorbeeld geldt tenzij er voldoende gronden zijn aangevoerd om van een uitzondering te spreken. Voor het uitzonderlijk karakter van het uitsluitend lijdende gebruik van geboren (worden) valt heel goed een diachrone argumentatie te geven. Het voltooide deelwoord geboren is een overblijfsel van een sterk werkwoord geberen dat is samengevallen met een zwak werkwoord gebaren, uitmondend in het huidige baren. In historisch perspectief bekeken geldt voor dit geval met recht dat uitzonderingen de regel bevestigen. Bij gevallen als (2), (3) en (4) ligt zo'n diachrone verklaring minder voor de hand. Vergelijk ook (5-8):
| (5) |
Wij worden dit jaar wel bezocht! |
| (6) |
Met die automatisering werd een grote werkloosheid in de hand gewerkt. |
| (7) |
Bij dat auto-ongeluk werden twee mensen gedood. |
| (8) |
In veel kringen wordt voor een noodlottige afloop gevreesd |
Dit soort gevallen ondergraven7 een al te mechanische interpretatie van de actief-passief correspondentie, en geven steun aan Van Es' opvatting
‘dat het gebruik van de passieve vorm niet berust op een automatisch transporteren van de actieve naar de passieve constructie, of op een eenvoudige toepassing van bestaande syntactische regels. Er is hierbij een complex van factoren in het spel, syntactisch, idiomatisch, semantisch en stylistisch, wisselend in verband met de spreek- of schrijfsituatie, maar ook met de aard van het betrokken werkwoord.’ (Van Es 1970, blz. 227)
Dit sluit niet uit dat bij nadere analyse de actief-passief correspondentie toch als regel in essentie gehandhaafd kan worden, en het uitzonderlijk karakter van gevallen als (2-8) kan worden toegeschreven aan idiomatisering, of aan de werking van stylistische, contextuele of situationele factoren. Maar, zoals gezegd, zo lang een dergelijke interpretatie niet op een feitelijke grondslag berust, zien we ons geconfronteerd met tegenvoorbeelden tegen de actief-passief correspondentieregel.
Verdere problemen duiken op als we ons afvragen welke zinnen voor omzetting in de lijdende vorm in aanmerking komen, of, als we willen afzien van de correspondentiegedachte, welke voltooide deelwoorden in de passieve verbinding kunnen optreden. Van ouds her (vgl. Van der Wal 1982) in passiefvorming gekoppeld aan de begrippen ‘handelingswerkwoord’ (vgl. de aanduiding ‘bedrij- | | | | vend werkwoord’ of ‘bedrijvende vorm’) en ‘transitief werkwoord’. Afgezien van het problematische karakter van deze begrippen8 doorkruisen ook hier weerbarstige gevallen eenvoudige generalisaties. Twee typen probleemgevallen tasten de traditionele theorie aan die passiefvorming ziet als kenmerk van transitieve werkwoorden: (1) transitieve werkwoorden als hebben, krijgen, bevatten, behelzen die geen passiefvorming kennen, en (2) intransitieve handelingswerkwoorden, die wel passief-vorming kennen. Maar ook de verbinding van passiefvorming met het handelingskarakter van het werkwoord stuit op moeilijkheden: er zijn transitieve niet-handelingswerkwoorden, bijv. het type fascineren, intrigeren en het type vormen, doorsnijden, omzomen, die wel passiefvorming kennen.
Ook hier zou de theorievorming de strategie van de uitzondering-uitsluiting kunnen beproeven, en kunnen nagaan of bepaalde typen van probleemgevallen als versteend en improductief kunnen worden opgevat, of als afgeleide, nieuwe toepassingsmogelijkheden. Deze strategie dient echter te worden gevoed door een representatieve verzameling gebruiksgevallen van de relevante vormen, en vereist daarom een onderzoeksaanpak die in onbruik is geraakt in de moderne grammatica. Daarin overheerst het zoeken naar een formele representatie van grammaticale regelmatigheden alle andere facetten van het grammatica-onderzoek. Het is een interressante wetenschapshistorische vraag waar het idee vandaan komt dat dit de moderne methodologische techniek voor empirische kennisverwerving bij uitstek zou zijn. De bron daarvan is de neo-positivistische wetenschapsfilosofie, die op de moderne Amerikaanse taalkunde een diepgaande invloed heeft uitgeoefend, en, via de TGG, op de moderne taalkunde in het algemeen. Met name de vereenzelviging van wetenschappelijke kennis en methode met natuurwetenschappelijke kennis en methode, of althans de neo-positivistische reconstructies daarvan, heeft zijn sporen nagelaten in de taalkunde9.
| |
3. De TGG en de reconstructie van de actief-passief relatie
In het TGG-onderzoeksprogramma staat de interpretatie van het grammaticale onderzoeksdomein in termen van boomdiagrammen en operaties op boomdiagrammen centraal. Dit programma is in belangrijke mate geïnspireerd door de Nagel-Hempel-opvattingen, of, zo men wil, de Quine-Goodmann-opvattingen over wetenschap. De identificatie van wetenschap met natuurwetenschap en het grote belang dat aan formalisatie gehecht wordt, getuigen daarvan. Zie voor een identificatie van grammatica's met (natuur)wetenschappelijke theorieën, en grammaticaregels met wetenschappelijke wetten Chomsky 1957, blz. 49, en voor het TGG-credo aangaande formalisatie in hetzelfde werk blz. 5.
Jarenlang was de analyse van passieve zinnen uit Chomsky 1957 in belangrijke mate exemplarisch voor de TGG-benadering. Niet voor niets geeft de aanhef van Chomsky 1964 te kennen dat de TGG zich ten doel stelt voor ‘such systematic relations between sentences as the active-passive relation’, ‘to reconstruct more precisely this chapter of traditional grammar’ (o.c. blz. 211). De reconstructie van de actief-passief relatie bleef in de latere ontwikkeling van de TGG steeds verweven met alle theoretische veranderingen. Bij elke verandering in de formele representatiemiddelen was een centrale vraag hoe de actiefpassief relatie in de formele grammatica gerepresenteerd moest worden. Toch
| | | | heeft al dit TGG-onderzoek de empirische problemen, hiervoor aangeduid, en de begripsmatige problemen, waarop hiervoor gezinspeeld is, geen stap dichter bij een oplossing gebracht. In dat opzicht betekent de moderne grammatica ten opzichte van, laten we zeggen, de Nederlandsche Spraakkunst van Den Hertog geen vooruitgang. De TGG heeft in wezenlijke opzichten geen aansluiting gevonden bij de problemen die er in de grammaticatraditie rond de passieve verbindingen bestonden. (Vgl. Gross 1979, blz. 863-6). Zo is het argument voor de invoering van de passief-transformatie in Chomsky 1957 niet gebaseerd op direct-grammaticale overwegingen, maar op overwegingen betreffende de eenvoud en elegantie van de formele representatie van de betreffende zinnen en zinsstructuren in een Syntactic Structures-grammatica (o.c. blz. 42/3). In tegenspraak met de grammaticale traditie wil Chomsky syntaxis uitsluitend opvatten als vormleer, onafhankelijk van de betekenisleer. Om dit aannemelijk te maken probeert hij te beargumenteren, dat de actief-passief relatie in de eerste plaats een vormelijke relatie is. Daarmee verwijdert hij zich van de traditioneel-grammatische problematiek dienaangaande. Dit wordt onderstreept door het feit dat men in de TGG de problemen die in empirisch en conceptueel opzicht aan de traditionele passief-analyses kleven, zelfs niet aan de orde stelt. Een bevredigende reconstructie binnen het gangbare TGG-model is de enige doelstelling. De traditioneel-grammatische termen die men daarbij benut, worden als a-theoretische common sence-termen gehanteerd.
Als je de traditionele visie op de actief-passief relatie nauwkeuriger, van zijn onduidelijkheden ontdaan, wilt reconstrueren10, dan moet je die traditionele conceptie met zijn positieve en negatieve aspecten als leidraad nemen bij je reconstructie. Dit programma is binnen de TGG niet uitgevoerd. Een andere mogelijkheid is om je niet te bekommeren om de gangbare betekenis van je technische termen, en deze binnen je eigen theorie op je eigen manier te definiëren. Deze tweede omschrijving dekt de TGG-praktijk ten aanzien van de traditionele grammatica11, en is tevens een kenmerk van de logisch-positivistische houding tegenover formalisering (vlg. Lakatos 1976, blz. 1-5, 108 e.v. en 121 e.v.). Elke gelijkenis tussen de traditionele conceptie en de nieuwe theorie berust dan in feite op toeval, en is verder niet relevant. Alleen ‘you may push out the original problem into the limbo of the history of thought - which in fact you do not want to do’ (Lakatos 1976, blz. 122).
De toepassing van het begrip ‘natuurwet’ op grammaticaregels leidt eveneens tot verwijdering van de grammatische werkelijkheid. Door het verschillende karakter van fysische en grammaticale regelmatigheden is toepassing van dat begrip slechts mogelijk door extreem te abstraheren en te vereenvoudigen, d.w.z. kwesties toeschuiven aan andere disciplines dan die waarmee men zich bezig houdt. Alleen zo kan de TGG erin slagen allerlei subtiliteiten rond het functioneren van de grammaticale systematiek buiten de deur te houden en deze op maat te snijden voor haar formalisme. Helaas gaat dit in gelijke mate ten koste van het inzicht in de grammatische werkelijkheid. Kaplan (1964, blz. 11) spreekt in dit verband van het principe van de zoekende dronkaard: gevraagd waarom hij onder een lantaarnpaal naar zijn huissleutel zocht die hij op geruime afstand daarvan had laten vallen, antwoordde hij: ‘Omdat het hier veel lichter is!’
| |
| | | |
Bibliografie
| Botha, R.P. 1969, ‘Bindfonemen: Grammatische, Linguïstische en Wetenschapsfilosofische Problemen’ in De Nieuwe Taalgids 62, blz. 101-14. |
| Chomsky, N. 1957, Syntactic Structures, Den Haag. |
| Chomsky, N. 1964, ‘A Transformational Approach to Syntax’ in J.A. Fodor en J.J. Katz (eds), The Structure of Language, Englewood Cliffs, New Jersey, blz. 211-45. |
| Chomsky, N. 1965, Aspects of the Theory of Syntax, Cambridge Massachusetts. |
| Van Es, G.A. 1970, ‘Plaats en functie van de passieve constructie in het syntactische systeem van het Nederlands’ in Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 86, blz. 127-56 en 213-33. |
| De Groot, A.W. 1949, Structurele Syntaxis, Den Haag. |
| De Groot, A.W. 1964, Inleiding tot de Algemene Taalwetenschap, Groningen. |
| Gross, M. 1979, ‘On the failure of generative grammar’ in Language 55, blz. 859-85. |
| De Haan, S. te verschijnen, De logica van het grammatica-onderzoek. |
| Kaplan, A. 1964, The Conduct of Inquiry. |
| Kemeny, J.G. 1967, Een wijsgerige visie op de wetenschap, Hilversum. |
| Lakatos, I, 1976, Proofs and Refutations. The logic of mathematical discovery, Cambridge. |
| Quine, W.V.O. 1960, Word and Object, Cambridge Massachusetts. |
| Quine, W.V.O. 1961, From a logical point of view, New York. |
| Reichling, A, 1939, Over essentiële en toevallige grammaticaregels, Groningen. |
| De Saussure, F. 1966, Cours in General Linguistics, New York. |
| Schultink, H, 1961, ‘Produktiviteit als morfologisch fenomeen’ in Forum der Letteren 2, blz. 110-25. |
| Van der Wal, M.J. 1982, ‘Opvattingen over het werkwoord, en meer in het bijzonder over het passief in de Nederlandse grammaticale traditie van de 17de t/m de 19de eeuw’ in L. van Driel en J. Noordegraaf (red.), Studies op het gebied van de geschiedenis van de taalkunde, Kloosterzande, blz. 52-80. |
|
*Deze squib is het resultaat van onderzoek verricht in het kader van het VF-programma UvA-Let26-85-16 ‘Analytische Studie van Taaltekens’.
1Overigens zou ik de door Botha geciteerde uitspraken van Hockett en Garvin niet voor mijn rekening willen nemen. Met name Garvins uitspraak dat als gevolg van het niet volstrekt regelmatige karakter van taal ‘all notions, that we work with in linguistics (...) are by definition unclear’ lijkt mij te berusten op een verkeerde interpretatie van de probleemsituatie. In Lakatos 1976 wordt ‘exception-barring’ als onderzoeksstrategie in de wiskunde besproken (blz. 24 e.v.) waarbij een ‘whole continuum of exceptionbarring attitudes’ (blz. 36) wordt behandeld in termen van aanvaardbaarheid. De aanduiding ‘uitzondering-uitsluiting’ lijkt mij overigens gelukkiger voor de zaak waar het om gaat dan ‘fuzzy edge-benadering’.
2Daarmee laadt Botha en degene die met hem van mening is dat een fuzzy edge slechts een aanwijzing vormt voor het bestaan van een theoretische tekortkoming, de verplichting op zich om een zodanige beschrijving te ontwerpen van, laten we zeggen, de flexiemorfologie van het Nederlandse werkwoord, dat het bestaan van de vorm kocht voor de verleden tijd van kopen (in plaats van de vorm * koopte) niet langer een uitzondering lijkt.
3Ik ga hier voorbij aan de filosofische problemen rond het begrip ‘natuurwet’ waaraan in wetenschapsfilosofische literatuur ruime aandacht wordt besteed, en met name aan de vooronderstelling die in dit wetsbegrip besloten ligt, dat de natuur zich altijd en overal gelijk zal gedragen. Vergelijk voor een bespreking van natuurwetten die wij niet kunnen ontdekken in dit verband Kemeny 1967, blz. 62 e.v.
4In het verband van deze squib is Schultink 1961 uiterst relevant.
5Dit heeft alles te maken met het institutionele karakter van taal, c.q. taalregels, en met het arbitraire karakter van het taalteken en van de vormelijke en inhoudelijke elementen van de tekens. In verband hiermee zijn er bezwaren aan verbonden natuurwetenschappelijke methoden blindelings toe te passen in de taalkunde. De positivistische gelijkschakeling van de wetenschappelijke methode met de natuurwetenschappelijke heeft via de 20ste eeuwse Amerikaanse taalkunde een negatieve invloed uitgeoefend op het taalonderzoek.
6Ik ontleen dit voorbeeld aan een voordracht van A.M. Duinhoven over het voltooide deelwoord, die zich om de productieve functies van het voltooide deelwoord te achterhalen van de uitzondering-uitsluitingsstrategie bediende.
7In (1-8) ontbreekt de door-bepaling. In het algemeen betekenen passieve zinnen zonder door-bepaling een probleem voor de gedachte van de actief-passief-correspondentie: door het ontbreken van die aanduiding van de ‘handelende’ instantie is het feitelijk onmogelijk, strikt grammaticaal gezien, om een actieve pendant te construeren aangezien er geen kandidaat voor handen is voor het daartoe vereiste subject. Het gebruik om in zo'n geval een onpersoonlijk voornaamwoord als men, iemand, sommigen voor die functie te gebruiken kan in bepaalde gebruiksgevallen semantisch te rechtvaardigen zijn, grammaticaal gezien bestaat er voor zo'n intrapolatie geen enkele grond.
8De grammaticale status van de notie ‘handelingswerkwoord’ is onduidelijk in het licht van het gegeven dat veel ogenschijnlijke niet-handelingswerkwoorden in bijzondere gebruiksgevallen wel degelijk als zodanig kunnen optreden: vgl. bijv. in verband met wonen. Er wordt hier nu tenminste weer gewoond. Het grammaticale karakter van het onderscheid transitief-intransitief wordt ter discussie gesteld in Reichling 1939. Dit wordt ondersteund door het feit dat het aantal noodzakelijk-transitieve werkwoorden uiterst beperkt tot marginaal is, en dat veel intransitieve werkwoorden wel degelijk met een object kunnen voorkomen.
9Zie hierover De Haan, te verschijnen.
10Vergelijk Lakatos 1976, hoofdstuk 2.
11Vergelijk Chomsky 1965, blz. 208/9, noot 2:
‘all significant structural notions will have to be characterized in terms of the previously defined notion “generative grammar” (...) the basic notion to be defined is “G is a most highly valued grammar of the language of which primary linguistic data D constitutes a sample”, where D is presented in the primitive notions of the theory; the phonemes, morphemes, transformations, etc., of the language are, then, the elements that play a specied role in the derivation and representations determined by G’.
Hoewel traditioneel-grammatische onderscheidingen en begrippen een heuristische functie vervullen binnen het TGG-onderzoek, wordt hun reconstructie binnen de formele grammatica niet getoetst aan de oorspronkelijke gebruikswijze, zodat er geen enkele garantie bestaat voor de noodzakelijke overeenstemming tussen hetgeen te reconstrueren was en de reconstructie. Van reconstructie in eigenlijke zin is daarmee ook geen sprake.
|
|