[p. 471]

Conjunctiereductie én nevenschikking in gelede woorden
G.E. Booij

In zijn squib ‘Conjunctiereductie of nevenschikking in gelede woorden’ (Spektator 14,3 (1984) stelt Wim de Haas aan de hand van een aantal zinnen waarin het getal van de persoonsvorm van het werkwoord varieert, de kwestie aan de orde of we woordgroepen als land- en tuinbouw moeten opvatten als gevallen van conjunctiereductie, dan wel als gevallen van nevenschikking binnen gelede woorden. Zo stelt hij dat de variatie in werkwoordsvorm tussen (1a) en (1b) problematisch is voor zowel de reductie- als de nevenschikkingsanalyse:

(1) a. De land- en tuinbouw neemt in Nederland een marginale plaats in.
  b. De land- en tuinbouw nemen in Nederland een marginale plaats in.

Een vooronderstelling van De Haas' probleemstelling is echter, dat gekozen moet worden tussen één van beide analyses. In het artikel waar De Haas op in gaat, mijn artikel over conjunctiereductie in gelede woorden in Spektator 13 (1983-84), 3-19, wordt echter nu juist betoogd dat zowel nevenschikking moet worden aangenomen (voor gevallen als kat- en muisspelletje) als conjunctiereductie. Het verschil tussen (1a) en (1b) is dan ook geen probleem voor de door mij voorgestane analyse, maar juist een ondersteuning, aangezien zij beide mogelijkheden voorspelt: in (1a) is land en tuin een geconjungeerd linkerlid van een samenstelling, in (1b) is sprake van een onderliggende nevenschikking land-bouw en tuinbouw, een meervoudig subject, dat derhalve de pluralisvorm nemen vereist, en wordt gereduceerd tot land- en tuinbouw.

Zoals De Haas opmerkt, zijn zinnen als

(2) De land- en de tuinbouwmachine zijn gerepareerd

eveneens een probleem voor een theorie die uitsluitend van conjunctie in het linkerlid wil uitgaan. Mij rest daarom de data te bespreken die De Haas in zijn squib onder (7) presenteert, hier-gedeeltelijk-herhaald als (3):

(3) a. De invoerbeperking en uitvoerbeperking illustratie opgeheven
  Het maansverduisteringstijdstip en zonsverduisteringstijdstip illustratie samen
  b. De in- en uitvoerbeperking illustratie opgeheven
  Het maans- en zonsverduisteringstijdstip illustratie samen.

De Haas spreekt hier van een systematisch verschil t.a.v. het pluraliskenmerk tussen de (a) en (b)-zinnen. De data in (3b) zijn een probleem voor een theorie die alleen reductie toestaat, want gegeven de enkelvoudigheid van het werk-

[p. 472]

woord, en dus van het subject, kan in de zinnen (3b) niet aan reductie gedacht worden. Ik heb hier echter een simpel, maar fundamenteel tegenargument: de data zijn niet juist. In de eerste zin van (3b) is voor mij zowel wordt als worden goed, en we hebben hier exact dezelfde situatie als in de zinnen (1). Bij de tweede zin van (3b) moet het sterretje niet bij vallen, maar bij valt staan. Immers, het werkwoord samenvallen vereist, indien het wordt gebruikt zonder complement, een meervoudig subject:

(4) Deze gebeurtenissen vielen samen
  *Deze gebeurtenis viel samen

Daarmee wordt juist de reductie-interpretatie bevestigd.

Ook de bezwaren tegen een reductie-interpretatie van bepaalde andere woordgroepen, die De Haas aanvoert, lijken mij niet houdbaar. De reductie-analyse voorspelt b.v. dat bij deletie van het tweede gedeelte van een geleed woord een eventueel bindfoneem als deel van het eerste fonologisch woord achterblijft in b.v. wespe- en bijesteken, niet *wesp- en bijesteken. De Haas stelt nu dat in dit verband de volgende data problematisch zijn:

(5) goddeloosheid en zedeloosheid god- en zedeloosheid
  smakeloos en reukloos smaak- en reukloos

Er is echter niets op tegen deze woordgroepen op te vatten als reducties van respectievelijk godloosheid en zedeloosheid en smaakloos en reukloos. Integendeel, de reductie dwingt juist tot de letterlijke interpretaties ‘zonder god’ respectievelijk ‘zonder smaak’ die godloos en smaakloos onderscheiden van de woorden goddeloos en smakeloos die (ook) figuurlijke betekenissen hebben.

Evenzo legt De Haas aan woordgroepen als zwanger- en moederschap die hij als onwelgevormd beschouwt, ik niet - verkeerde woordgroepen als de zwangerschap en het moederschap ten grondslag, in plaats van zwangerschap en moederschap. Het merkwaardige van bis- en rijkdom is m.i. semantisch/pragmatisch van aard: bis en rijk vormen geen semantische oppositie.

 

Tenslotte nog iets over de vraag of het im- en export dan wel in- en export is. De oordelen hierover verschillen, maar wellicht zijn beide vormen mogelijk. In het laatste geval moet men dan conjunctie van prefixen toestaan. De reductievariant komt echter zonder meer voor, b.v. im- of expliciet (Forum der Letteren, 24 (1983, 253)).

 

De conclusie is dan ook dat het gebruik van het nevenschikkend voegwoord en in de titel van deze reactie terecht is. De weerbarstigheid van het Nederlands heeft eerder betrekking op de vraag of de term conjunctiereductie juist is; anders gezegd: wat zijn precies de syntactische voorwaarden waaronder reductie optreedt. Wellicht kunnen we meer......dan in (6) nog tot de ‘reeksvormers’ rekenen:

(6) Ik identificeer me niet per definitie meer met vrouwen- dan met mannenrollen (Trouw 29.9.1983)

[p. 473]

maar in de volgende zin, die parallel is aan de in voetnoot 17 van mijn eerdere artikel genoemde Duitse zin Sie ersetzten Ofen - durch Zentralheizung,:

(7) Na een paar jaar verruilde hij de dagblad - voor de weekbladjournalistiek (Trouw 20.10.1983)

komt wel reductie, maar geen nevenschikking voor.