[p. 407]

Clio en Melpomene herbeschouwd
Over de theorieën van Johan Huizinga en André Jolles
Antoine Bodar

Wat hij [Huizinga] aan Jolles dankt, zal wegens het persoonlijke van de omgang misschien niet gemakkelijk te bepalen zijn, maar dat Jolles' letterkundige vormenleer op Huizinga's morphologie der geschiedenis heeft gewerkt, is zeker.1

Johan Huizinga (1872-1945) en André Jolles (1874-1946) zijn meer dan vijfendertig jaar met elkaar bevriend geweest. In 1896 is hun vriendschap ontloken, in 1933 afgebroken.2 Huizinga promoveert in de philologie, maar vestigt zijn naam in de geschiedenis. Jolles promoveert in de philosophie, maar vestigt zijn naam in de literatuur. Beiden zijn dienaren van de Muzen. De eerste van één, de strengste. De tweede van vele, nu eens deze dan eens gene. Beiden hebben over hun vak getheoretiseerd en delen daaromtrent een morphologische opvatting. Huizinga's bepaling van geschiedenis en Jolles' bepaling van memorabile raken elkaar. Een vergelijking tussen deze beide begrippen wordt hier beproefd.

I

Bernard Shaw's Saint Joan doet Huizinga in 1925 de vraag stellen, of de figuur Jeanne d'Arc zich wel leent voor een theaterstuk. De literaire bewerking van haar geschiedenis is eigenlijk nooit gelukt. Ook het succes van het treurspel uit 1923 komt niet zo zeer voort uit Shaw's talent als wel uit het historische onderwerp zelf. Dank zij wie leeft de figuur Jeanne d'Arc bovenal? Niet dank zij een literator, maar dank zij een historicus. Jules Michelet.

Moet men niet aannemen, dat zich in het onderwerp zelf iets verzet tegen letterkundige behandeling, in het bijzonder tegen dramatiseering? Er zijn onderwerpen, die hun hoogste uiting vinden in het epos: Troje, andere die eerst bloeien in het drama. Er zijn er ook, wier innigste en onverbrekelijk karakter in den historischen kenvorm zelf besloten ligt. Waar de hoogste aandoeningen van het tragische: het mede lijden en de katharsis aan het geschiedverhaal zelve als zoodanig verbonden zijn.3

Huizinga publiceert deze overwegingen in De Gids, waarop Jolles in een open brief reageert. In hoeverre zijn de vormen, die men in de letterkunde onderscheidt, reeds gegeven in de historie, vraagt hij zich af. Heeft niet de historie als het ware zelf een gedaante die overeenkomt met wat men in de literatuur eenvoudige vormen noemt? Jolles betoogt dat de geschiedenis van Jeanne d'Arc de vorm kan aannemen van een memorabile, van een legende, van een mythe. Dit is afhankelijk van de gedachtengang, die

[p. 408]

automatisch een bepaalde eenvoudige vorm aanneemt. De vorm, waaraan Jolles zelf de voorkeur geeft, is de mythe. De vorm, die de Katholieke Kerk kiest, is de legende. De vorm, waarin Michelet de onderhavige geschiedenis giet, is het memorabile. Het getuigt van Michelet's grootheid dat hij in staat is geweest overal in de historie het memorabile te geven.4

Het beeld van een historische figuur - en dit gaat in de hoogste mate op voor Jeanne d'Arc -, zo had Huizinga vastgesteld, vormt zich in de geest schijnbaar zonder bewust logische functie, als een gezicht op iets wat men tevoren niet of onduidelijk zag. De overtuiging, dat het gevormde beeld waarde heeft, ontstaat uit het gevoel dat de verschillende, op zich zelf onsamenhangende gegevens samenstemmen, kloppen.5 In zijn reactie omschrijft Jolles het memorabile als een geestelijke occupatie die zich richt op het concrete en op grond daarvan een vorm schept: ‘[Feiten] worden weliswaar ieder op zich meegedeeld, maar onze occupatie met het concrete vindt een verbinding, die tegelijkertijd tegenstellend, vergelijkend, toelichtend en verklarend is, die maakt, dat zij als het ware op elkaar slaan en te zamen iets opleveren, wat wij een “pointe” zouden kunnen noemen.’ Wat Huizinga het kloppen van het beeld noemt, is voor Jolles hetzelfde als het memorabile. Behoort het voorts niet tot de aard en de opgaven van het historische zintuig òf letterkunde te scheppen door middel van kunstvormen - bij voorbeeld het drama - òf geschiedkunde te scheppen door middel van eenvoudige vormen - bij voorbeeld het memorabile?6 Deze brief van Jolles beantwoordt Huizinga op zijn beurt. Bij de werking van het historische zintuig denkt hij niet in de eerste plaats aan de weergeving van het verleden maar aan de apperceptie van het verleden, bij het historische beeld van een stuk verleden niet in de eerste plaats aan één bepaalde beschrijving maar aan de onomschreven voorstelling die in het bewustzijn van een hele generatie leeft. Op de détails van deze voorstelling kan Jolles naar Huizinga's inzicht de onderscheiding van het memorabile toepassen, niet op het geheel.7

‘Laat Clio een enkele maal in eeuwen vóór Melpomene gaan’, had Huizinga verzucht met betrekking tot Jeanne d'Arc.8 ‘Ik heb er niets tegen’, had Jolles daarop gerepliceerd, ‘maar ik zou gaarne willen weten of niet Clio een soort van Melpomene op haar eigen houtje is’. Is niet de ‘historie’ zelf een ‘dichter’ ‘die weliswaar geen kunstvorm kent, maar die de eenvoudige vormen niet missen kan?’ De historische gegevens zelf zijn willekeurig of toevallig en onsamenhangend; hoogstens vertonen zij een tendentie in de richting van de eenvoudige, letterkundige vormen. ‘Zoodra echter onze geestelijke occupatie ons tot een letterkundigen vorm gedwongen heeft, slorpt die vorm telkens die gegevens op zijn eigen wijze op. In hem zijn zij niet meer willekeurig of toevallig; door hem staan zij in samenhang. Zij vinden hier een beteekenis, die echter in betrekking tot den betreffenden vorm telkens anders is.’9 ‘Spreek toch niet naar den geest van een verlitteratuurd geslacht, dat om de feitelijke waarheid niet maalt’, had Huizinga geantwoord. ‘Erken met mij (ik weet dat gij het doet) de geestelijke occupatie van het willen weten hoe de dingen werkelijk gebeurd zijn.’ Men kan één bepaald samenhangend, historisch beeld delen, terwijl dit toch uit volstrekt verschillende elementen is opgebouwd. De eenvoudige, letterkundige vorm kan volstrekt uitblijven.

[p. 409]
Den lezer, die u niet kent, zou het kunnen schijnen, alsof gij bij Clio in den winkel kwaamt met de vraag: wilt u mij Jeanne d'Arc eens laten zien in verschillende desseins? en de Muze antwoordt u: o zeker, ik heb haar als memorabile en als legende en als mythe....Mij ziet Clio ontzaglijk streng aan en vraagt bijna dreigend: gelooft gij in wat ik u te bieden heb? En ik antwoord bevend: als ik dat niet deed, zou ik niet tot u komen; geef mij.10

In deze discussie betoont Huizinga zich als de historicus die denkt vanuit de practijk, Jolles als de literator die denkt vanuit de theorie. Huizinga's geestelijke occupatie van het willen weten hoe de dingen werkelijk gebeurd zijn staat tegenover Jolles' geestelijke occupatie van het willen weten wat de dingen werkelijk zijn.11 Huizinga richt zich op het beeld dat de historicus zich van een stuk verleden kan vormen, Jolles richt zich op de vorm die het historische verslag kan aannemen. In zekere zin kiezen zij tegenovergestelde uitgangspunten: Huizinga de bezigheid van de historicus die voorafgaat aan het schrijven, Jolles die welke het resultaat is van het schrijven. Over het geschiedverhaal laat Huizinga zich niet uit. Het is - zo zou men kunnen concluderen - zijns inziens eenvoudigweg de neerslag van het gevormde beeld. Jolies daarentegen meent dat het onmogelijk is een historische gebeurtenis anders dan in een eenvoudige, letterkundige vorm weer te geven en stelt zich voorts de Kantiaanse vraag, hoe men in staat is uit een dergelijke vorm zo iets als een historische werkelijkheid te herkennen.12 De ingrediënten, waarmee Huizinga zijn historische beeld vormt, zijn die welke volgens Jolles leiden tot het memorabile. ‘Wat ons verbindt en de grondslag van ons gemeenschappelijk werk is, zou men als morphologie en hermeneutiek van de kultuurhistorie kunnen definieeren’, zo meent Jolles in een persoonlijke brief aan Huizinga van 19 juli 1923, twee jaar vóór de polemiek in De Gids.13 Onuitgesproken moeten beiden het er steeds over eens zijn geweest dat de keuze van de bestanddelen, waaruit het historische beeld wordt samengevoegd, bepalend, richting gevend is voor de aard en de vorm van de geschiedenis als schriftelijk verslag.

 

Over het beeld heeft Huizinga eenmaal eerder, in zijn inaugurale rede te Groningen op 4 november 1905, getheoretiseerd. Het artistieke moment, aldus Huizinga toen, treedt in werking vanaf het ogenblik dat dé eerste historische voorstelling, het eerste historische beeld zich vormt. Dat is de factor die de geschiedbeoefening met de kunst gemeen heeft.

Lang voor dat de geschiedschrijver aan 't stellen gaat, lang voor dat de dichter zijn geest in maat en rijm spant, werkt de innerlijke aanleg, die hen verbindt; het ligt niet in den vorm van voortbrenging maar in de wijze van conceptie en in de aandoening. In het scheppen ziet men de verwantschap van hun werken niet meer in haar oorspronkelijke zuiverheid; daar treedt de geheel afwijkende doelvoorstelling scheidend tusschenbeiden. [...] In beide gevallen, bij het kunstwerk en bij het geschiedverhaal, zal de lezer worden opgewekt, zich door zijn verbeeldingskracht een stuk leven aanschouwelijk voor te stellen, zóó dat de inhoud der voorstelling de grenzen van de precise woordbeteekenis van het gelezene wijd te buiten gaat. Hier echter is het de plicht van den geschiedschrijver, door een bijzondere combinatie van woordbeteekenissen de fantazie van den lezer zoo te leiden, dat hij hem de speelruimte voor subjectieve variatie van de beelden, die hij voor hem wil reproduceeren, zoo klein mogelijk maakt.
[p. 410]

De aesthetische geschiedbeschouwing wordt in toom gehouden door de ethische plicht van de geschiedschrijver. ‘Eerst wanneer wij de verbeeldingskracht bewust aandrijven, zoodat zij de grens der historische fantazie overschrijdend kunstscheppende fantazie wordt, kunnen er elementen in de voorstelling worden ingevoerd, die het beeld tot schade der historische waarheid zouden kunnen vervormen.’ Niettemin is de aanschouwelijkheid een suggestief middel van de geschiedbeoefening, een hoofdvoorwaarde van de historische begripsvorming. Hoe schept de historicus nu een historisch beeld? Huizinga's antwoord op deze vraag wijkt niet af van hetgeen hij twintig jaar later, in 1925, hieromtrent meedeelt. In 1905 noemt hij het beeld een aanschouwelijk voorstellingscomplex. Uit de veelvuldigheid van het gegevene moet men datgene uitzoeken en verzamelen ‘wat het totstandkomen van dat complex voor ons begrijpelijk maakt’.14 Evenmin als in 1925 spreekt Huizinga in 1905 over het geschiedverhaal, tenzij in discussie met Ernst Bernheim. In zijn Lebrbuch der historischen Methode und der Geschichtsphilosophie scheidt Bernheim de kunst strikt van de geschiedenis. Het begrip ‘kunst’ hanteert hij naar Huizinga's mening evenwel te academisch en te formeel. Het historische beeld laat hij buiten beschouwing en beperkt zich tot het schriftelijke verslag. Dit rekent Bernheim tot de kunst, wanneer men bewust streeft naar schone vorm in de uitdrukking en stylering in de ordening - met het oogmerk aesthetisch te stichten. Huizinga wil de geschiedenis geenszins tot de kunst rekenen, maar haar evenmin geheel van de kunst uitsluiten. ‘Voor het diepe levensbegrip, dat onze geest in zijn volheid tracht te omvademen, dreigt dat oude woord kunst te eng te worden.’15

Wat leert Huizinga's verhandeling van 1905 in relatie tot de gedachtenwisseling met Jolles van 1925? Enerzijds beschouwt hij het oproepen van het historische beeld, dat plaats heeft in de geest van de historicus nog voordat deze tot het schrijven overgaat, als een artistieke bezigheid die de geschiedenis deelt met de kunst. Anderzijds benadrukt hij het onderscheid tussen deze beide: de fantasie van de kunstenaar is vrij, die van de historicus gebonden ‘aan het materiaal, aan de kritiek en aan den plicht om waarheid te geven’.16 Deze gebondenheid gaat niet alleen op voor het zich vormende en gevormde beeld in het hoofd van de schrijver maar ook voor het gevormde beeld als resultaat op papier. De historicus moet ervoor zorgen dat hij in zijn verhaal de lezer strikt stuurt en diens verbeelding beteugelt. Jolles noemt de geestelijke activiteit van de historicus, die zich het beeld vormt, de geestelijke occupatie die leidt tot het memorabile. Het gevormde beeld op papier noemt Jolles het memorabile. Wat Huizinga het aesthetische bestanddeel van geschiedkundige voorstellingen noemt, wat dus in zijn ogen geschiedenis met kunst gemeen heeft, wijst Jolles toe aan het terrein van de eenvoudige vormen. Dit ter onderscheiding van de kunst zelf - de kunstvormen in de literatuur, waartoe hij de literaire genres rekent.

 

In tegenstelling tot Huizinga, die feitelijk meent dat het theoretiseren slechts afhoudt van het eigenlijke werk van de historicus en die - naar eigen zeggen - steeds min of meer toevallig hiermee in aanraking is gekomen,17 heeft Jolles altijd getheoretiseerd maar veeleer associatief dan systematisch. Over

[p. 411]

veel zaken theoretiseert hij als het ware terloops. Zo ook ten aanzien van het beeld. In 1924 schrijvend over de literatuurhistoricus Gerrit Kalff prijst hij diens chronologisch inzicht en gevoel voor eenheid, diens gerichtheid op synthese en diens vinding van een vorm, waardoor het onderling verband van de literatuur en haar tijd is uitgedrukt. In dit kader van de literatuurgeschiedenis legt Jolles uit hoe volgens hem het historische beeld onstaat. Men neemt met stipte nauwgezetheid alle feiten in een tijdsgewricht waar, men rangschikt niet op de wijze van een droge inventaris maar beleeft mee en laat de delen in hun natuurlijk verband tot een figuur stollen, men geeft die figuur zo eerlijk en zo mooi mogelijk weer.18

In zijn inaugurale rede van 1905 benadrukt Huizinga dat de historische kennis altijd ontstaat door min of meer willekeurige associatie van denkbeelden. Deze beelden worden in de kunst van de tijd gespiegeld of er door beschenen. ‘De historicus moet, terwijl hij het verleden zelf naspeurt in al zijn uitingen, ter verhooging van de aanschouwelijkheid de kunst van het verleden zien, de letterkunde lezen. Doch hij moet evengoed de natuur in gaan, en over weiden en heuvelen wandelen, totdat hij in het verleden ook de zon kan zien schijnen.’19 In zijn voorwoord tot Herfsttij der Middeleeuwen vermeldt Huizinga dat het uitgangspunt van het werk is geweest ‘de behoefte, om de kunst der Van Eyck's en hun volgers beter te verstaan, ze te begrijpen in haar samenhang met het gansche leven van den tijd’. Elders in dit boek stelt hij vast dat men vooral uit de beeldende kunst de aanschouwing van het verleden put. De beeldende kunst laat een helderder beeld na van een tijd dan het woord van dichters en geschiedschrijvers. Het beeld is serener geworden sedert men zich meer van het lezen naar het kijken heeft gewend. Het historische zintuig is immers steeds visueler geworden.20 Met het primaat, dat Huizinga toekent aan het gezicht, is Jolles het niet eens. Het historische beeld kan evenzeer door het gehoor worden opgeroepen. ‘Het is een fout van onze kultuurhistorische methode’, aldus Jolles in 1921, ‘dat wij zoowel ten opzichte van tijden als van personen te zeer optisch en te weinig akoustisch te werk gaan’. Niet dat men te veel schilderijen ziet en te weinig boeken leest. Neen. Ook wanneer men een boek leest, stijgt eigenlijk alleen een zichtbaar beeld op. Gebrek aan kennis en belangstelling voor metrum en muziekgeschiedenis is hieraan schuldig.21 ‘De grondtrek van den laat-middeleeuwschen geest is zijn overmatig visueel karakter’, constateert Huizinga in Herfsttij der Middeleeuwen.22 Deze zin aanhalend in een opstel van 1923 over de samenhang van lyriek en muziek voegt Jolles toe: ‘- een gevaarlijke bewering voor een tijd, die ons van de ars nova tot Okeghem, Obrecht en Josquin en verder naar Lassus en Palestrina voert - gevaarlijk omdat zij tot misverstand aanleiding kan geven’.23

 

Meer dan over het beeld hebben beiden, Huizinga en Jolles, geschreven over de vorm. De vorm van de geschiedenis, de vorm van de literatuur, de vorm van de cultuur. Huizinga publiceert hieromtrent als belangrijkste geschriften Cultuurhistorische Verkenningen in 1929, dat teruggaat tot een rede in 1926, en Homo Ludens in 1938, dat teruggaat tot een rede in 1933, - Jolles Einfache Formen in 1930, dat het resultaat is van een reeks opstellen

[p. 412]

tussen 1920 en 1928 maar waarvan de probleemstelling voor het eerst concreet is geformuleerd in een rede van 1924.24 Terwijl beiden zich sedert de tweede helft van de jaren twintig uitvoerig met de vormleer bezighouden, zijn hiervan bij Jolles sporen in vroeger werk terug te vinden. Reeds in 1895 naar aanleiding van Italiaanse wandschilderkunst, in 1897 naar aanleiding van Folklore, in 1906 naar aanleiding van Vitruvius' schoonheidsleer komt zijn vormbegrip als (prae-) structuralistisch, organisch, Goetheaans naar voren.25 In 1920, in de inleiding tot de Duitse vertaling van Boccaccio's Decamerone, noemt hij de vorm ‘eine dauerhafte Umordnung der Natur’ en uit zijn verbazing over ‘die geschlossene Eigenheit des einmal Geordneten, die Selbständigkeit einer Form’. ‘Sie entsteht aus unsrem Sieg, wir haben sie gewissermassen beabsichtigt, aber kaum entstanden, liegt sie unabhängig vor uns, scheint ihr eigenes Leben zu leben, ist wie ein Wachstum mit eigenen Gesetzen’.26 In de inleiding tot zijn boek Bezieling en Vorm van 1924 en in die tot Einfache Formen brengt Jolles vervolgens Goethe zelf in het geding en citeert hem instemmend: ‘Kein Mensch will begreifen, dass die höchste und einzige Operation der Natur und Kunst die Gestaltung sei [...]’27 ‘Der Deutsche hat für den Komplex des Daseins eines wirklichen Wesens das Wort Gestalt. Er abstrahiert bei diesem Ausdruck von dem Beweglichen, er nimmt an, dass ein Zusammengehöriges festgestellt, abgeschlossen und in seinem Charakter fixiert sei’.28

II

Alvorens nu Jolles' begrip ‘memorabile’ nader te vergelijken met Huizinga's geschiedtheorie wordt eerst kort uiteengezet, wat Jolles verstaat onder eenvoudige vormen en hoe deze tot stand komen.29 De gebeurtenissen, die zich in het leven voordoen, worden door de mensen op een bepaalde wijze opgevat - afhankelijk van de geestelijke gerichtheid, de geestelijke occupatie van de onderscheiden individuen. Jolles neemt aan dat het aantal beschouwingswijzen, het aantal geestelijke occupaties, beperkt is en dat elke gerichtheid afzonderlijk automatisch een bepaalde vorm kiest die in zichzelf besloten, bondig is.30 Zo onderscheidt hij negen eenvoudige vormen - legende, sage, mythe, raadsel, spreuk, casus, memorabile, sprookje, grap - die potentieel voor handen zijn en zich actueel kunnen voordoen.31 Voorts gaat hij ervan uit dat bij elke eenvoudige vorm een voorwerp hoort waarin de geestelijke occupatie zich concretiseert.32 Zo hoort bij het memorabile als potentiële, eenvoudige vorm de geestelijke occupatie met het concrete die leidt tot het memorabile als actuele, eenvoudige vorm en zich hecht aan het document als voorwerp.33

Jolles introduceert het memorabile in 1924 en polemiseert erover met Huizinga in 1925.34 In het boek van 1930 bedient hij zich net als in de discussie met Huizinga van de moord op Willem van Oranje in 1584 als voorbeeld voor het memorabile en voegt wezenlijk alleen de passage over het voorwerp - het document - toe aan zijn betoog van vijf jaar tevoren.35 Nadrukkelijk stipuleert hij nu geen geschiedwetenschap of geschiedphilosophie te bedrijven maar taal- en literatuurwetenschap. ‘[W] ir beobachten einen sprachlich-litterarischen Vorgang, wir sehen, wir das unentwegt und

[p. 413]

unaufhaltbar fortschreitende Geschehen sich an bestimmten Stellen verdichtet, erhärtet, wie das rinnende Geschehen an solchen Stellen gerinnt, und wie es dort, wo es erhärtet, wo es geronnen ist, von der Sprache ergriffen wird, litterarische Form bekommt.’ Deze vorm blijkt door Staffelung. ‘Alle Einzelheiten des Geschehens, die doch zum Geschehen gehören, mit dem Geschehen fortlaufen, fortrinnen müssen, wenden sich hier plötzlich anderswohin, richten sich auf etwas, was ihnen übergeordnet ist und was steht; in ihrer Beiordnung heben sie einzeln und in ihrer Gesamtheit erklärend, erörternd, vergleichend und gegenüberstellend diese Uebergeordnete hervor. Indem die beigeordneten Einzelheiten das Uebergeordnete erfüllen, aber ihrerseits von ihm erfüllt werden, wird das Ganze eine Form, die im Stehen den Sinn des fortschreitenden Geschehens trägt’. En zich niettemin beroepend op de geschiedphilosophische uitspraak ‘Geschichte wird erst dann, wenn in einer nach einem Wertgeschichtspunkt geordneten Zeitreihe das Geschehnis den Charakter des Ereignisses erhält’, levert Jolles naar eigen inzicht het bewijs dat aldus het begrip ‘geschiedenis’ onmiddellijk voert tot de eenvoudige vorm ‘memorabile’.36 Ter toelichting van het feitelijke als geestelijke occupatie wijst Jolles op het Latijnse verbum concrescere. In het concrete wordt ‘nicht nur die übergeordnete Tatsächlichkeit, auf die sich die gesonderten Tatsachen sinnreich beziehen, sondern auch alles Einzelne in seiner Beziehung und durch seine Bezogenheit konkret’. Doordat het feitelijke concreet wordt, wordt het geloofwaardig. Zonder toelichting maakt Jolles gewag van het document als het voorwerp waarin de gehele werkzaamheid van deze eenvoudige vorm ‘zu äusserster Tatsächlichkeit zusammengewachsen’ is.37

Als conclusie van Jolles' betoog over het memorabile doet de vraag zich opnieuw voor of dit niet hetzelfde is als de constituering èn het verslag - voor Jolles een enkel proces - van het historische beeld. De persoon in quaestie (de historicus) is gericht op iets concreets in het verleden, waartoe hij zich toegang verschaft door documenten in de ruimste zin des woords. Zijn beeld wordt samengevoegd, verdicht zich zodanig dat het geheel meer is dan de som van de afzonderlijke delen. De delen richten zich naar elkaar en naar het geheel, zoals ook het geheel wordt bepaald door de samenstellende delen. Dit beeld is een organisch geheel, een Gestalt, een vorm waarvan het uiterlijk wordt bepaald door het innerlijk, een totaal waaraan niets mag worden toegevoegd of afgedaan tenzij ten nadele. Een structuur in de traditie van Vitruvius en Alberti, Goethe en Saussure.

Dit beeld, zo zou men alvast in Huizinga's gedachtengang kunnen antwoorden, is reeds te bondig, meer bepaald dan geassocieerd, meer kunst dan geschiedenis - in weerwil van Jolles' stelling dat het memorabile een eenvoudige vorm, geen kunstvorm is, in de bewoording beweeglijk, veranderlijk, schematisch, niet hecht, eenmalig, bijzonder.38

 

Onder de Nederlandse historici van de twintigste eeuw is er geen wiens werk meer gerekend wordt tot de literatuur dan Huizinga. Geen is er ook die zich zo heeft verzet tegen de literator die geschiedenis schrijft. In Cultuurhistorische Verkenningen veroordeelt Huizinga de historische bellettrie, de populaire geschiedschrijving. Tot literatuur rekent hij het histo-

[p. 414]

rische drama en de historische roman, tot historische bellettrie het ‘stichtelijk-historische genre’ en de ‘vie romancée’. In het eerste geval wordt alleen de stof uit de geschiedenis geput en blijft het oogmerk literatuur, in het tweede wordt geschiedenis gepretendeerd - met één voorbehoud: ‘nu ja, niet de geschiedenis van de heeren vakgeleerden, een veel betere...’. Waarin verschilt naar Huizinga's mening het werk van de historische bellettrist van dat van de historicus? Het verschil ligt in de geestelijke occupatie, waaruit het werk gesproten is. De ingeving, die elk oordeel doet vellen, mag slechts gedragen worden door een volstrekte overtuiging: zo móet het geweest zijn.39 Terwijl Huizinga ten aanzien van de geschiedenis spreekt over de behoefte waarheid te geven, verwacht Jolles ten aanzien van het memorabile geloofwaardigheid.40 Beiden formuleren naar hun wetenschappelijke traditie. Jolles naar die van de Aristotelische waarschijnlijkheid, Huizinga naar die van de Rankeaanse werkelijkheid.

Hoe iets in zijn werk is gegaan, moet - aldus Huizinga - reeds bepaald zijn door een voorstelling van zekere historische en logische eenheid, die men nader zoekt te omlijnen. ‘De geest kiest uit de overlevering zekere elementen, die hij tezamen formeert tot een beeld van een historische samenhang, die zelf in het verleden, zooals het geleefd werd, nog niet gerealiseerd was’.41 Naar Huizinga's inzicht is er in het historisch beseffen een zeer gewichtig element, dat hij aanduidt met historische sensatie.

Dit niet geheel herleidbare contact met het verleden is een ingaan in een sfeer, het is een der vele vormen van buiten zich zelf treden, van het beleven van waarheid, die den mensch gegeven zijn. Het is geen kunstgenot, geen religieuze aandoening, geen natuurhuivering, geen metaphysisch erkennen, en toch een figuur uit deze rei. Het object van deze sensatie zijn niet menschenfiguren in hun individueele gestalte, niet menschenlevens of menschelijke gedachten, die men meent te ontwaren. Het is nauwelijks beeld te noemen, wat de geest hier vormt of ondergaat. Voorzoover het vorm aanneemt, blijft deze samengesteld en vaag: een ‘Ahnung’, evengoed van straten en huizen en velden, van klanken en van kleuren als van bewegende en bewogen menschen. Dit contact met het verleden, dat begeleid wordt door een volstrekte overtuiging van echtheid, waarheid, kan gewekt worden door een regel uit een oorkonde of een kroniek, door een prent, een paar klanken uit een oud lied. [...] Inderdaad blijft deze sensatie, visie, contact, ‘Ahnung’ beperkt tot oogenblikken van bijzondere geestelijke helderheid, van een opeens doordringen van den geest.42

Twee aspecten van de geschiedenis, onlosmakelijk met elkaar verbonden, stipuleert Huizinga vervolgens: de zin of functie enerzijds, de vorm anderzijds. De zin van de historie wordt gekend door het zien van vormen, waarin zich het verleden voor onze geest samenvoegt. ‘Geschiedenis is het duiden van zin, dien het verleden voor ons heeft. In haar karakter van zin-duiding ligt dat van vormgeving reeds opgesloten. [...] Geschiedenis spreekt altijd in de begrippen vorm en functie’. Huizinga erkent de taak van de geschiedenis als die van een ‘morphologie van het menschelijk verleden’.43

Jolles erkent de taak van de literatuurwetenschap als die van een ‘Morphologie der Einfachen Formen’.44 De vormleer van Huizinga heeft naast het aspect van de vorm dat van de geestelijke occupatie. Zijn de onder-

[p. 415]

scheiden aspecten van beide morphologieën onder één noemer te brengen? Vorm wil de historicus geven aan iets wat functie heeft. Zijn geest richt zich - volgens Jolles' leer van het memorabile - op het concrete aan de hand van het document. Zijn geest richt zich - volgens Huizinga's geschiedtheorie - op het willen weten hoe iets werkelijk gebeurd is, wat voor hem zin of functie heeft aan de hand van het document. Is het feitelijke als geestelijke occupatie een andere dan het willen weten hoe iets werkelijk gebeurd is? Neen. Ook al volstaat Jolles met geloofwaardigheid, terwijl Huizinga waarheid eist, toch is het historische beeld slechts waar en derhalve geloofwaardig als het ‘klopt’. Eenvoudige vormen - dus ook het memorabile - doen zich voor in het ‘gewone leven’, meent Jolles.45 Ten aanzien van het historische kenvermogen merkt Huizinga op dat de vormgeving zich dikwijls reeds in het ‘gewone leven’ heeft voltrokken - buiten elke historische occupatie om. ‘In het feit, dat de historie werkt met het materiaal der spontane gedachte, ligt haar onverbrekelijk verband met het leven zelf’.46 In het jaar, waarin Cultuurhistorische Verkenningen verschijnt, geeft Huizinga in een rede een definitie van het begrip geschiedenis, waartoe hij als uitgangspunt de vraag kiest wat de constante vorm en functie van de geschiedenis als cultuurverschijnsel is. Geschiedenis is jegens het verleden altijd een vormgeving. Het is altijd een vatten en duiden van zin die men zoekt in het verleden. ‘Is Geschiedenis als geesteswerkzaamheid een Vormgeving, dan kunnen wij zeggen, dat zij als product een Vorm is’. Een geestelijke vorm om de wereld in te verstaan, ‘De geestelijke occupatie, die aan den vorm Geschiedenis ten grondslag ligt, is die, dat men den zin wil verstaan van wat vroeger gebeurd is. De geest wordt geoccupeerd, bezeten door het verleden’. De wijze, waarop de geschiedenis zich tegenover het verleden stelt, is een ‘zich rekenschap geven’. Wie geeft zich rekenschap en waarvan, vraagt Huizinga zich af. Rekenschap geeft zich een cultuur, ‘in zooverre dit woord het bruikbaarste is om aan te duiden dien samenhang van inzicht en vormgeving, die ons bepaalde menschelijke groepen in ruimte en tijd als de eenheden in de wereld van den geest doet zien’. Een cultuur geeft zich rekenschap van haar verleden voorzover deze voor haar verstaanbaar is. ‘Het wezen van een cultuur is, dat alles wat haar geest begrijpt, een deel van haar zelve wordt’. Aldus komt Huizinga tot de definitie: ‘Geschiedenis is de geestelijke vorm, waarin een cultuur zich rekenschap geeft van haar verleden’.47

Wat biedt de vergelijking van deze definitie van het begrip geschiedenis met die van het begrip memorabile? Huizinga noemt geschiedenis een geestelijke vorm. Door deze benaming wil hij het wezen van het verschijnsel geschiedenis weergeven, afzien van de vraag in hoeverre geschiedenis van doen heeft met kunst, en ontkomen aan de scheiding tussen geschiedvorsing en geschiedschrijving - met andere woorden aan de scheiding tussen de vorm potentieel (het beeld in het hoofd van de historicus) en de vorm actueel (het beeld als verslag op papier). Zowel de potentiële als de actuele vorm zijn evenwel onderscheidbare bestanddelen van Huizinga's begrip ‘geestelijke vorm’, op dezelfde wijze als de potentiële en de actuele vorm dat zijn van Jolles' begrip ‘eenvoudige vorm’ en - algemeen geformuleerd - als de vormende vorm en de gevormde vorm van het begrip ‘vorm’.48

[p. 416]

Ten aanzien van de geestelijke occupatie, de stuwende kracht in de geest waardoor de potentiële vorm ontstaat, legt Jolles het accent op het aesthetische - concentratie op het concrete ten gevolge waarvan de vorm sich gestaltet, Huizinga op het ethische - concentratie op het zich rekenschap geven ten gevolge waarvan de vorm sich gestaltet. Het betreft accenten, geen tegenstellingen: in de gerichtheid op het concrete is het ethische evenzeer gegeven als in de gerichtheid op het zich rekenschap geven het aesthetische. Het ethische element bij Jolles schuilt reeds in de occupatie met het concrete, het feitelijke. Het aesthetische element bij Huizinga schuilt niet alleen in zijn uitspraken over de evocatie van het historische beeld en in zijn eigen vormgeving in geschrift, maar ook in het door hem gepropageerde spelelement van de cultuur - ook al ontzegt hij aan de geschiedenis, in tegenstelling tot de literatuur, elk spelelement. Geschiedenis immers maakt als geestelijke vorm deel uit van de cultuur en het is de cultuur die zich rekenschap geeft. ‘Elke cultuur brengt haar eigen vorm van Geschiedenis voort, en moet dat doen. De aard der cultuur bepaalt, wat voor haar Geschiedenis zal zijn, en hoe deze zal zijn’.49

Ook in Cultuurhistorische Verkenningen maakt Huizinga gewag van de geschiedenis als ‘het orgaan waarmee de cultuur zich rekenschap geeft van haar verleden’ en noemt in dat kader Jolles' leer van de eenvoudige vormen die zijn gedachtengang heeft gestuurd.

In iedere beschaving leven zekere beelden van vroegere werkelijkheid, die de gemeenschap, welke die beschaving draagt, aangaan, ter harte gaan. Die beelden nemen essentieel verschillende vormen aan, zonder dat dit hun gemeenschappelijk karakter opheft, van voor de cultuur, die ze voortbrengt ‘historie’ te zijn. Al naar den aard der beschaving, die de beelden van haar verleden behoeft, en van de geestelijke ingesteldheid waaruit zij geschapen worden, nemen zij den vorm aan van den Mythus, de Sage, de Legende, de Kroniek, van Gesta, van het historische Volkslied. Voor de cultuur, waarin deze vormen ontstaan, de cultuur, die zij dienen, beteekenen alle tot zekere hoogte het ‘waar gebeurde’. Zij vervullen niet alleen een levensbehoefte, maar ook een waarheidsbehoefte.50

Huizinga noemt dus vormen van (vroegere) geschiedschrijving en stelt tegenover deze vast dat de wetensvorm van de moderne beschaving ten aanzien van het verleden die van de kritische wetenschap is. De vorm memorabile noemt hij niet. Wellicht op grond van de discussie van 1925. Wellicht omdat deze vorm niet ter zake is in tegenstelling tot de wel genoemde die hij alle tot het verleden rekent. In dit opzicht zou men Huizinga's standpunt als historisch kunnen aanduiden - hij denkt vanuit de westerse cultuurkring, Jolles' standpunt cultureel anthropologisch - hij houdt rekening met de verschillende stadia in de onderscheiden cultuurkringen. Jolles immers meent dat eenvoudige vormen zich nog steeds kunnen actualiseren.51

 

Huizinga waardeert Jolles' Einfache Formen - ‘auch wenn ich mich nicht in allen Teilen seiner Lehre anschliesse’. Jolles staat gereserveerd tegenover Huizinga's Cultuurhistorische Verkenningen - ‘Ik heb er zeer veel tegen in te brengen’. Beiden hebben de bezwaren jegens elkanders theorieën

[p. 417]

op deze wijze aangeduid. Nauwkeuriger aangegeven hebben zij deze niet. ‘Ik heb [...] geprobeerd mijn bezwaren tegen je geschiedenisdefinitie op te schrijven. Maar het werd een artikel’. Aldus Jolles in een brief aan Huizinga op 23 october 1929. ‘En waarom zouden wij, jij en ik, artikelen tegen elkaar schrijven’.52

In het voorafgaande zijn de theorieën van Huizinga en Jolles met elkaar vergeleken. Overeenkomsten zijn geconstateerd, verschillen vastgesteld. Niet is de vraag beantwoord, in hoeverre er sprake is van wederzijdse beïnvloeding of slechts van parallellie in gedachtengang.53 Wederzijdse bedenkingen, die het onderscheid tussen beider theorieën zouden kunnen markeren, moeten ten slotte teruggevoerd worden tot het verschil in uitgangspunt: Jolles' persoonlijke geestelijke occupatie is de literatuur, die van Huizinga de geschiedenis. Terwijl Huizinga weliswaar erkent dat literatuur net als geschiedenis een kenvorm van de cultuur is, ligt naar zijn mening de waarde van haar product in de representatieve of symbolische werking, niet in de overheersende occupatie van ‘echtheid’.54 Is dit niet het onderscheid dat reeds Aristoteles in de Poetica heeft gemaakt: geschiedenis richt zich op het werkelijke en bijzondere, literatuur op het mogelijke en algemene?55 Het is juist het terrein tussen geschiedenis als wetenschap en literatuur als kunst dat Jolles aan de eenvoudige vorm memorabile toewijst. Memorabile als vrucht van de beide Muzen, van Kleio en Melpomene gezamenlijk.