[p. 83]

Omtrent de om-trend
F. Jansen

0. Het probleem

Waar begint het lijdend voorwerp in (1)?1

(1) Ze proberen het nu een beetje te stimuleren met geld

De traditionele grammatica heeft er een foefje voor: kijk waar om toegevoegd kan worden. Sommige studenten protesteren tegen het foefje. Zij vinden (1) met om geen acceptabel Nederlands. Wie, net als ik, het woord overvloedig gebruikt, moet kritiek verduren in de vorm van lezers die vragen of ‘U ook al aan de om-ziekte lijdt?’. Om-lijders worden ook gecorrigeerd. Een redacteur van een uitgeverij, zelf afgestudeerd Neerlandicus, schrapte in 1985 het kleine woordje vier maal in een manuscript van mijn hand. De constituent (om)...geld in (1) wordt wel beknopte bijzin of om-zin genoemd. Als zulke bijzinnen te plus een onbepaalde wijs als werkwoordelijk element hebben, zijn er aan het begin ervan drie mogelijkheden:

 

a. er moet om komen te staan:

(2) er is genoeg geld om eten te kopen

b. er mag geen om komen te staan:

(3) Hij zei arm te zijn

c. er mag om komen te staan maar dat hoeft niet. Daarvan is (1) een voorbeeld. Dit derde type (voortaan aangeduid met (om)) komt zoals bekend behalve als inleider van lijdend voorwerpszinnen voor als inleider van beknopte bijzinnen met de functie van onderwerp (4), voorzetselvoorwerp (5), bijvoegelijke bepaling (6) en bijwoordelijke bepaling bij een adjectief (7), en oorzakelijk voorwerp (8):

(4) Maar (om) daar twintig uur in de week aan te besteden lijkt me wat overdreven
(5) Jij bent er constant op uit (om) die mensen zoveel mogelijk uit te zuigen
(6) Je hebt ontzettend weinig mogelijkheden als je een paar kinderen hebt (om) ergens naar toe te gaan
(7) Ze zijn moeilijker (om) te hanteren

[p. 84]

(8) ik was eigenlijk ook van plan (om) te gaan beginnen.2

Op (2) en (3) na komen de zinnen uit het Amsterdamse spreektaalcorpus (Heikens 1978), althans die gespreksfragmenten waarop de tellingen berusten voor het frequentiewoordenboek van de gesproken taal (De Jong 1979). Dit artikel gaat over de voorschriften voor (om) en het gebruik ervan, voornamelijk in dat spreektaalcorpus. Voor het niet-kwantitatieve deel hebben we ook gebruik gemaakt van protocollen van Nijmeegse gesproken taal, die door R. van Hout werden vervaardigd. Welke voorschriften bestaan ervoor? (par. 1) Gedragen sprekers en schrijvers zich naar die voorschriften? (par. 2) Kunnen we andere oorzaken voor deze variatie aanwijzen? (par. 3)

1. Voorschrift en motivering

1.1. Oude en nieuwe voorschriften voor (om)

Laat (om) weg. Dit strenge voorschrift is te vinden in normatieve grammatica's, waarvan Vandeweghe (1972) een overzicht geeft. Ik heb de indruk dat in de eerste helft van de twintigste eeuw het voorschrift op zijn hoogtepunt was. De afkeuring valt te traceren tot het WNT (10, kol 147; 1869) dat de volgende strenge regel uitvaardigde: ‘Om behoort altijd een doel, eene bestemming of eene strekking aan te wijzen, en moet dus bepaald blijven bij de boven behandelde gevallen’. Wat de bron van het WNT is geweest, heb ik niet kunnen terugvinden. Gezaghebbende spraakkunsten zoals Brill (1852: 262-263, 272, 309-311) verbieden om helemaal niet. Hoogstens hebben ze in hun voorbeeldzinnen vooral de omloze variant. Ook de zeventiende eeuwse grammatici staan neutraal tegenover om. Vergelijk bijvoorbeeld de volgende opmerkingen van Van Heule (1625), die elders toch niet voor krasse kritiek en correctie terugschrikt.3

‘De gerundiam Di, worden door het onbepaelde werkwoort uytgedrukt/ als het is tijt om te ontbijten, begeerig om te zien. Merk: Hier worden de woordekens om te, altijt voor het werkwoort gestelt.’

Een bladzijde verder geeft hij voor onderwerpszinnen de varianten om, om te en te op. Het object bij beloven heeft echter alleen te: ‘Hij heeft het belooft te doen.’ Voor de voorgangers van het WNT geldt hetzelfde. Als Weiland (1830) om behandelt, heeft hij een lichte voorkeur voor het weglaten:

‘Dit voegwoord om mag men weglaten als het geene bedoeling of oogwit aanduidt, als ‘ik acht het overtollig om van dit onderwerp meer te spreken’. Men zegge liever: ‘Ik acht het overtollig van dit onderwerp meer te spreken’. Bij het lemma te lijkt hij juist de variant met om als de fundamentele te beschouwen: ‘(Het voegwoord te staat...) tusschen twee werkwoorden die, wanneer men alles voluit schreef door om te aan elkaar zouden worden verbonden maar gemeenlijk slechts te tusschen zich hebben.’

Van Lennep (1865: 185) is de enige die om echt afkeurt. Het is zijns inziens ‘Podding-Nederlands’z.4 Daaronder verstaat hij die variëteit van het Nederlands, waarin een allegaartje van woorden uit de verschillende taalsoorten door elkaar wordt gebruikt. Het is echter moeilijk voorstelbaar dat de deftige

[p. 85]

WNT-redacteuren hun voorschrift uit de Vermakelijke spraakkunst hebben gehaald. Of verwoordt Van Lennep iets, wat voor de officiële grammatici te vanzelfsprekend was?

Toen meer dan 70 jaar later het WNT aan te toe was, werd het voorschrift versoepeld. In 1934 wordt opgemerkt dat om wel bij een beknopte bijzin met de functie van voorzetselvoorwerp kan voorkomen en dat het woordje aan het begin van een bijvoegelijke bepaling gewoner is dan wanneer het een zinsdeel inleidt. Echo's van dit wat genuanceerdere standpunt vinden we terug in de beschrijvende en normatieve grammatica's die Vandeweghe bespreekt. Sommige schrijvers over dit onderwerp keuren om af in heel specifieke constructies. Zo wijzen Talpaert en Buijse (1956: 47) om af aan het begin van een voorzetselvoorwerpzin die voorafgegaan wordt door een voorlopig voorzetselvoorwerp, zoals ervan of ernaar. Daar zijn Van Es en Van Caspel (deel 39: 144) het impliciet mee eens. Zij achten dergelijke constructies voorbehouden aan niet gestileerde of weinig gespannen taal en noemen het effect ervan ‘log’. Damsteegt (1980: 85) keurt om af in beknopte bijzinnen die afhankelijk zijn van zinsneden die zelf al een doel aangeven, zoals met de b edoeling. Hermkens (1972: 41) is alleen gebeten op om in onderwerps- en voorwerpszinnen als die op de eerste plaats in de zin staan. De volgende zin acht hij ongewenst:

(16) Om dat op eigen houtje te doen is onverstandig.

In later jaren gaat het bergafwaarts met het voorschrift. Onze Taal, het blad voor taalverzorgers, gaat al aan het einde van de jaren vijftig om. Nog in 1973 moet de redactie inzenders die om als ‘slokdarmgeluid’ betitelen, verdraagzaamheid voorhouden. Van Eijk (1982) vermeldt het niet. Wat mij meer zegt, is dat Ten Hagen (1979) in zijn rabiate aanval op alles wat slecht (en wat heel normaal) Nederlands is, geen aandacht schenkt aan om. Renkema (1979) eindigt zijn badinerende bespreking met de voorbeeldzin ‘Het lijkt mij niet nodig om aan deze kwestie meer aandacht te besteden’. Een late echo van Weiland dus. De ANS tenslotte doet twee maal een uitspraak over de varianten. ‘In vlot gesproken taalgebruik bestaat er een duidelijke voorkeur voor om te in plaats van te. Het weglaten van om doet gauw schrijftalig aan (Geerts e.a., 1984: 717) en ‘In de geschreven taal wordt om dikwijls weggelaten.’ (p. 790)

1.2. Motieven

In Jansen (1987) wordt als een van de kenmerken van een voorschrift genoemd dat het gemotiveerd wordt. Wat zouden de motieven voor het voorschrift kunnen zijn? Ik zie drie mogelijkheden5:

a. conservatisme. In theorie hebben normatieve grammatici groot respect voor levende taal en de taalverandering die daarvan het gevolg is. Hun praktijk laat echter zien dat hun voorschriften meestal een conserverend karakter hebben (Maureau 1983: 57 e.v.). Het taalgebruik in vroeger tijd is het richtsnoer voor dat van nu. Invoeging van (om) is een geval van taalverandering en die wordt daarom afgekeurd.6

[p. 86]

b. etymologie. In de normatieve grammatica bestaat de neiging de oorspronkelijke betekenis van een woord gelijk te stellen aan de eigenlijke. Deze oorspronkelijke betekenis moet behouden blijven. Het is daarom ongewenst om die aan te vullen of helemaal te veranderen. In principe lijkt me dat idee overigens gezond. Betekenissen kunnen beter niet nodeloos vermeerderd worden, op straffe van misverstanden. In het geval van om redeneert men als volgt: ‘de nietdimensionele betekenis van om als voorzetsel is “beweegreden, strekking, doel”. Dus moet de beknopte bijzin met om een dergelijke betekenis hebben. In alle andere gevallen moet om weg.’ Een fraaie toepassing van het etymologisch beginsel geeft Van Dale (1872: 659), als hij voorschrijft om om te vervangen door van als de beknopte bijzin een verwijdering veronderstelt.

Misschien berust een specifiek voorschrift omtrent om ook op het etymologisch beginsel. Damsteegts voorschrift om om niet te gebruiken na met het doel, kan eveneens uit het etymologisch beginsel afgeleid worden. Niet alleen kan de oorspronkelijke betekenis immers contrasteren met het in de zin bedoelde, die betekenis kan er ook zo volledig mee in overeenstemming zijn, dat het gebruik van om pleonastisch wordt.

c. Schrijven is schrappen. De redenering naar aanleiding van met het doel om heeft als premisse: pleonasmen moeten vermeden worden. De normatieve grammatica eist bondigheid. Overbodige woorden moeten weg. In ons geval redeneert men zo: ‘Om kan weggelaten worden. Daar blijkt al uit dat het overbodig is, als het wel gebruikt wordt. Dus wat weg kan, moet weg.’

Het voorschrift van Talpaert en Buyse en van Van Es en Van Caspel berust eveneens op de bondigheidsnorm. Voorlopige voorzetselvoorwerpen zijn weglaatbaar. Wie in een zin én om én zo'n voorlopig voorzetselvoorwerp plaatst, zondigt dus dubbel. De voorkeur voor bondigheid berust evenzeer als het etymologisch beginsel op het belang van de hoorder. Hoe minder woorden de spreker gebruikt, des te sneller is de ontvanger ingelicht, zodat die zijn voordeel met de boodschap kan doen. Daar komt bij dat het woord tot iemand richten een milde vorm van vrijheidsberoving is. Hoe korter dat gebeurt, des te kleiner de schade aan het ‘negatieve face’ van de hoorder. De tegenstanders van het voorschrift voeren eveneens motieven aan. Zij wijzen erop dat om in spreektaal voortdurend gezegd wordt, waardoor zinnen zonder om ‘stroef’ en ‘stijf’ klinken. De komma (die om zou moeten vervangen) biedt geen soelaas, omdat je die niet uitspreekt. In het voorbijgaan wordt opgemerkt dat ‘ons’ om onze taal zo aardig doet verschillen van het om-loze Duits (Onze Taal 1957, nr. 10). Bovendien leidt het algemene, strenge voorschrift tot (in de ogen van taalverzorgers ongewenste) hypercorrecte weglatingen, zoals in de PTT-slagzin ‘Gun ze de tijd terug te schrijven’ (CAZ in Onze Taal 1974: 46). Ten slotte verduidelijkt om de syntactische structuur van een zin die zonder om dubbelzinnig is:

(9) Hij vroeg (om) haar te opereren
(10) Hij vroeg haar (om) te opereren

[p. 87]

2. Is het voorschrift een norm voor taalgedrag?

In de vorige paragraaf werden de voorschriften omtrent om behandeld. Deze paragraaf gaat over de vraag of het voorschrift om om niet te gebruiken, ook uit het gedrag van de taalgebruikers blijkt. Met andere woorden: is het (externe) voorschrift ook een (geïnternaliseerde) norm? Als dat het geval is, verwachten we dat sprekers en schrijvers in situaties waarin zij veel aandacht voor het eigen taalgebruik hebben, er de voorkeur aan geven om het voorschrift te volgen. Ook zullen personen met een hogere opleiding meer het voorschrift volgen, onder andere omdat ze meer gelegenheid hebben gehad om het te leren. In de volgende secties ga ik na of die verwachtingen uitkomen voor de schrijftaal ten opzichte van de gesproken taal (2.1), stijlverschuivingen en andere monitorverschijnselen (2.2), en uit verschillen tussen sprekers uit een hoge en lage sociale klasse (2.3).

2.1. Geschreven versus gesproken taal

Iemand die schrijft, heeft meer aandacht voor de eigen taal dan iemand die spreekt. Daarom verwachten we dat de frekwentie van om in geschreven taal lager is dan in gesproken taal.

Vandeweghe (1972) heeft een telling verricht in het proza van Nederlandse en Vlaamse schrijvers.7 In tabel 1 vergelijk ik zijn gegevens voor de Nederlandse schrijvers met die van het spreektaalcorpus:

Tabel 1
+om totaal (om)-zinnen percentage
Noordelijke schrijvers 244 568 43%
 
Amsterdamse sprekers 160 199 80%

In de gesproken taal komt 37% meer om voor, bijna een verdubbeling. Schrijvers houden zich waarschijnlijk aan het voorschrift, of liever, medewerkers van hun uitgeverij letten erop. Stroop (1970: 251 e.v.) maakt immers duidelijk hoe gevoelig juist redacteuren en journalisten zijn voor voorschriften ten aanzien van de rode en de groene volgorde in de werkwoordelijke eindgroep. In principe zou het verschil in frekwentie ook verklaard kunnen worden met een beroep op verschillen in productie tussen gesproken en geschreven taal. In spreektaal zijn wel meer woordjes te horen die nooit geschreven worden. Schrijvers kunnen teruglezen wat ze hebben geschreven, maar sprekers hebben niet zo makkelijk toegang tot wat ze eerder hebben gezegd. Daarom lassen ze woordjes in die eerdere constituenten herhalen of hervatten (vergelijk de herhalings- en hervattingsconstructies in Jansen 1981). Als dit verschil in produktie doorslaggevend was, zou in elk type schrijftaal aanzienlijk minder om voorkomen dan in de spreektaal.

Dat is waarschijnlijk niet het geval. In drie zesde klassen van lagere scholen werd het volgende invulexperimentje gehouden. De leerlingen kregen zinnetjes van het volgende type:

[p. 88]

(11) Hij had zin......vakantie te gaan

Op de stippeltjes mochten ze invullen wat ze wilden, zolang het maar een goede Nederlandse zin opleverde. Ze mochten ook niets invullen. De zinnen hebben als aardigheid dat er een afleider in zit. De kinderen moesten behalve het om-probleem ook een ander probleem oplossen, in dit geval een voorzetselprobleempje, namelijk of ze met dan wel op vakantie zouden schrijven. Het idee was, dat dit laatste probleem de aandacht van het om-probleem zou afleiden (zie verder bijlage I). Hier is alleen het globale resultaat van belang. De beginnende schrijvertjes schreven om in 72% van de gevallen; dat is slechts een beetje minder dan in de gesproken taal van het Amsterdamse corpus. Hieruit blijkt mijns inziens dat de om-regel alleen iets is voor gevorderde schrijvers.

2.2. Monitorverschijnselen

Als iemand zorgvuldig wil spreken, zal dat op drie manieren blijken uit zijn taalgebruik:

a. Bij het formuleren van de uiting zal hij die taalvormen kiezen, die stroken met de voorschriften.

b. Wie de voorschriften niet precies kent, zal soms de voorschriften toepassen op taalvormen waarvoor het voorschrift oorspronkelijk niet gold. Met andere woorden, hij zal structurele hypercorrecties produceren.

c. Zo gauw hij merkt dat hij toch een afwijking van de norm heeft geproduceerd, zal hij die te niet willen doen door zichzelf te verbeteren. Deze gevolgen van aandacht voor de eigen spraak worden wel monitorverschijnselen genoemd (Hagen 1981). Ik zal ze in de rest van de paragraaf achtereenvolgens bespreken.

2.2.1. Stijl

Iemand die praat met zijn beste vriend gaat zorgelozer met zijn spraak om, dan wanneer hij een interviewer van een wetenschappelijk bureau te woord moet staan. Op die manier werden de informele en formele spreekstijlen in het Amsterdamse corpus geoperationaliseerd. Als sprekers de om-regel als norm hanteren, zullen ze die in de formele spreekstijl opvolgen. We verwachten dan ook dat om in de formele gedeelten van het Amsterdamse spreektaalcorpus minder frekwent is. Tabel 2 geeft uitsluitsel:

Tabel 2
  +om totaal (om)-zinnen % om
formeel 108 134 81%
informeel 52 65 80%

De percentages spreken duidelijke taal. Er is geen stijlverschuiving, laat staan een verschuiving in de richting van minder om in formele taal. Het is in principe mogelijk dat dit veroorzaakt wordt door het geringe stijlverschil in het Amsterdamse corpus überhaupt. Fonetische variatie is veel gevoeliger voor stijl dan grammatische, en toch vond Schatz (1986: 83) slechts bij twee van de zes fonetische variabelen die ze onderzocht heeft, een statistisch significant (maar vrij klein) verschil.

[p. 89]

2.2.2. Hypercorrecties

Welke normen sprekers hebben, kan blijken uit de structurele hypercorrecties die zij produceren (Hagen 1981: 54 e.v.). In geschreven taal komen ze regelmatig voor, bijvoorbeeld

(12) Omgekeerd zegt de ploegleider over Raas dat hij nog te jong is er zijn eigen ploeg op na te houden. (L. Langebach in NRC Handelsblad 25-7-83)

In Onze Taal (1972, nr. 9) werden hypercorrecties in de zeer formele taal van de radionieuwsdienst gewraakt. In de spreektaalcorpora hebben we de volgende gevallen aangetroffen die op hypercorrectie lijken te wijzen:

(13) Ik ga geen duizend gulden uitgeven alleen af en toe in te snuffelen
(14) ..., dat die een andere attitude heeft dat woord maar te gebruiken
(15) Ze zegt anders loop ik nog wel eens die kant op bijvoorbeeld bij Mol brood te halen
(16) Maar even terug te komen, ik dwaal af
(17) Tuinslang die hadden ze nodig wel eh ver verwarming te vullen

Het probleem met deze gevallen is, dat het weglaten van woordjes zoveel andere oorzaken kan hebben. Onbeklemtoonde functiewoordjes worden bijvoorbeeld vaak ingeslikt. De beknopte bijzin in de volgende zin had door door ingeleid moeten worden:

(18) Die er ook enkel van profiteren in de WW te lopen en zo

Omdat door niet weglaatbaar is, en er dus ook geen voorschriften voor bestaan, is het onzin om in (18) van hypercorrectie te spreken. In dit geval moet er dus van inslikken sprake zijn. In de eerdere gevallen kan dat ook heel goed.

2.2.3. (Zelf)verbetering

Als sprekers het voorschrift als norm hebben, verwachten we dat er gevallen van zelfverbetering zullen voorkomen waarbij de spreker eerst een beknopte bijzin met om produceert en die herhaalt zonder om. In de volgende zin uit het Amsterdamse corpus zien we dat de spreker een beknopte bijzin met om herhaalt zonder om:

(20) Nee ik vind het niet zo eenvoudig om te zeggen maar te zeggen voor iedereen...

Dit unieke geval kunnen we echter net zo goed interpreteren als een gedeeltelijke herhaling van de beknopte bijzin. Ik hecht er dus geen waarde aan. Het omgekeerde, zelfherhaling van een bijzin zonder om door een met om, komt overigens helemaal niet voor. Om heeft met voorzetsels en onderschikkende voegwoorden gemeen, dat het frekwent herhaald wordt als de spreker overduidelijk nog bezig is met de planning van de rest van de beknopte bijzin, bijvoorbeeld:

[p. 90]

(21) dan willen ze toch wel proberen om je om je om je eens een hak te zetten.

Zulke herhalingen kunnen als aanwijzing beschouwd worden dat sprekers zelfs geen kleine bezwaren tegen (om) hebben.

Relevante uitingen zijn in de corpora met een lantaarntje te zoeken. In zulke gevallen heeft het zin om te proberen de feiten experimenteel te ontlokken. Dat hebben we gedaan met een inschikkelijkheidsexperiment (Greenbaum en Quirk 1970). Zulke experimenten berusten op de onwil of onvermogen van een spreker om uitingen te herhalen die hij afkeurt. In onze versie kregen de proefpersonen een zin met een (om)-zin te horen, die al dan niet voorzien van om was. Tegelijk kregen ze de opdracht een eenvoudige wijziging in de zin aan te brengen, bijvoorbeeld deze vragend of ontkennend te maken. Hoewel de opdrachten geen gevolgen voor de beknopte bijzin hadden, stonden de proefpersonen voor de keus om de bijzin in de voorbeeldzin precies te herhalen, of om toe te voegen dan wel weg te laten. Uiteraard waren er in de voorbeeldzinnen evenveel zinnen mèt als zònder om (zie verder bijlage II). Hoewel we de verschillen tussen zelfverbeteringen en dit type ontlokte verbeteringen niet willen bagatelliseren, lijkt het redelijk om te verwachten dat in de formele situatie van het experiment de proefpersonen om meer zullen weglaten. In de volgende tabel staan de resultaten:

Tabel 3
  totaal correct niet-correct
 
  voegt om toe laat om weg
aantal 644 449 121 74
percentage   62% 38%

Als de (om)-zin ‘verbeterd’ weergegeven wordt, voegt men om eerder toe dan dat men het weglaat.

2.3. Hoge versus lage sociaaleconomische klasse

Een spreker uit de hogere sociale klassen heeft meer scholing in de Nederlandse taal gehad dan iemand uit een lagere klasse. De kans is ook groter dat de eerstgenoemde een beroep uitoefent waarin hij geregeld moet schrijven. Iemand uit een lagere sociale klasse heeft korter onderwijs gehad en is oppervlakkiger vertrouwd geraakt met de schrijftaal en de normen daarvan. Daaruit vloeit de verwachting voort dat de hoger geklasseerde sprekers minder om gebruiken.

In tabel 4 staan de resultaten van het onderzoek naar de klassegebondenheid van om, voor alle zekerheid uitgesplitst naar spreekstijl:

Tabel 4
  formeel informeel
hoog 61/75 (81%) 26/32 (81%)
laag 45/57 (79%) 26/33 (79%)

[p. 91]

Ook hier zijn de resultaten duidelijk. Hoger en lager geklasseerde sprekers hebben dezelfde frekwentie voor om.

We zijn nu in staat om de vraag in het kopje van deze paragraaf te beantwoorden. Het voorschrift is geen norm voor spreektaal. Waarschijnlijk kunnen sprekers zelfs niet eens beslissen of ze woordjes als om wel of niet zullen gebruiken. De regel voor (om) geldt wel voor de verzorgde schrijftaal, waarin de schrijver gebruik maakt van voorversies. Daaruit wordt het woordje dan geschrapt.

3. (Om) en de planning van de zin

3.1. Inleiding

De meerderheid van de (om)-zinnen in gesproken taal wordt ingeleid door (om), maar een (om)-zin zonder om is geen zeldzaamheid. Deze variatie kunnen we niet verklaren door aan te nemen dat sprekers zich in wisselende mate aan een norm houden. Waarom bestaat die variatie dan wél? In deze paragraaf bespreek ik twee verklaringen. De eerste gaat uit van de grotere zelfstandigheid van beknopte bijzinnen met om (3.2). De tweede, die de eerste beslist niet tegenspreekt, berust op herinterpretatie van de zinnen met om (3.3).

3.2. Zelfstandigheid

Het is bekend dat sprekers langere zinnen niet in een keer bedenken, maar in stukjes (zie bijvoorbeeld Chafe 1980, 1982). De zin komt tot stand doordat de spreker verder ‘borduurt’ op de stukken die hij al heeft geformuleerd. Een (om)-zin kan zo'n apart geformuleerd zinsstuk zijn, dat relatief zelfstandig is, of slechts een onderdeel van het grotere geheel van de hoofdzin vormen. De hypothese die ik hier zal bespreken, is dat om in het eerste geval, dus bij de meer zelfstandige bijzinnen vrijwel verplicht zal zijn. De spreker heeft behoefte aan een vorm aan het begin van de bijzin, om uit te drukken wat de relatie van dit zelfstandige fragment is, ten opzichte van de fragmenten ervoor en erna. Bij onzelfstandig geformuleerde (om)-zinnen is de relatie van de (om)zin ten opzichte van de inbeddende zin duidelijk, althans voor de spreker zelf. Daarom zal hij om niet of nauwelijks gebruiken.8 Deze hypothese leidt tot de volgende voorspellingen:

1.zinnen die alleen bestaan uit een beknopte bijzin zullen bij voorkeur door om ingeleid worden,
2.Beknopte bijzinnen op de eerste plaats of de laatste plaats in de zin zullen bij voorkeur ingeleid worden door om.
3.Beknopte bijzinnen op de eerste of op de laatste plaats in de zin, waarin in de zin met een verwijswoord verwezen wordt, zullen nog meer dan in 2 ingeleid worden door om.
In de volgende secties zullen we kijken of deze voorspellingen uitkomen.

3.2.1. Zelfstandige om-zinnen

Ondubbelzinnige gevallen van zelfstandige om-zinnen zijn zeldzaam. We

[p. 92]

hebben er zeven aangetroffen en allemaal worden ze door om ingeleid, bijvoorbeeld

(22) Maar om dat nou helemaal gratis te doen!

De eerste hypothese wordt in ieder geval niet ontkracht. Toch valt er iets op af te dingen. Deze (om)-zinnen hebben de pragmatische waarde die Blom (1985) daaraan toekent: een opvatting of consequentie van handelen weer te geven waar de spreker het niet mee eens is. Het merendeel van de zinnen wordt dan ook voorafgegaan door Maar en bevat modale partikels als nou, beide signalen van afkeer. De (om)-zin wordt niet vervolgd met een hoofdzin, omdat de spreker letterlijk geen woorden aan de inhoud van de (om)-zin wil vuil maken. Hij gebruikt een bekende reclamestrategie: schreeuwen door zwijgen. Door zijn evaluatie impliciet te laten maakt hij duidelijk hoe negatief die wel is.

3.2.2. Positie aan de buitenkant van de zin

In tabel 5 staan de frekwenties van de (om)-zinnen met om voor de eerste plaats, de positie achter de voor-pv (dat is de persoonsvorm op de tweede plaats in de hoofdzin) en de laatste plaats (na de werkwoordelijke eindgroep):

Tabel 5
 
eerste plaats na voor-pv laatste plaats
13/15 28/42 108/120
87% 67% 90%

Dezelfde voorkeuren blijken uit het inschikkelijkheidsexperiment. De cijfers in tabel 6 zijn als volgt tot stand gekomen: eerst werd het aantal toevoegingen van om berekend; daar werd het aantal weglatingen van om van afgetrokken. De uitkomst daarvan werd gedeeld door het aantal testzinnen waarin de (om)-zin in een van de drie zinsposities voorkwam.

Tabel 6
 
eerste plaats na voor-pv na ww eindgroep
1 0, 25 2, 75

De hypothese komt aardig uit: alleen na de voor-pv is men er huiverig voor om om toe te voegen.

3.2.3. Verwijswoorden

Als een (om)-zin vooraan staat, kan die al dan niet hervat worden door een verwijswoord. In (23) is de (om)-zin in zijn eentje het eerste zinsdeel. In (24) staan voor de voor-pv vind twee zinsdelen: de (om)-zin en de hervatting ervan door dat. Zo'n constructie wordt wel Links Dislocatie (LD) genoemd.

(23) Maar om nou 1000 piek voor uitte betalen vind ik onjuist
(24) Om die jongen zoveel te laten betalen dat vind ik...

[p. 93]

Naar (om)-zinnen op de laatste plaats kan eveneens worden verwezen met een verwijswoord als 't in (26). Dergelijke Rechts Dislocaties (RD) zijn in spreektaal niet verplicht, zo blijkt uit (25):

(25) Ik zou je aanraden dan niet met het voiture / de auto te gaan
(26) ..., dat ze 't niet meer opvatten als een taak voor een vrouw om voor een gezin te zorgen

In tabel 7 staan de frekwenties van (om)-zinnen met om, met en zonder verwijswoord:

Tabel 7
 
geen verwijswoord wel verwijswoord
 
eerste pl laatste pl tot LD RD tot
5/5 44/53 49/58 8/10 64/67 72/77
100% 83% 85% 80% 95% 94%

In het inschikkelijkheidsexperiment werden alleen RD-constructies aangeboden. De resultaten sluiten mooi bij de andere gegevens aan:

Tabel 8
  na ww eindgroep RD
  2, 75 6, 25

De totalen uit tabel 7 laten zien dat de hypothese aardig uitkomt. Dat succes is echter alleen te danken aan de (om)-zinnen in RD-positie. De (om)-zinnen in LD-positie bieden juist het tegenovergestelde beeld. De oorzaken daarvan kunnen triviaal zijn: ten eerste zijn de gegevens hier buitengewoon schaars, ten tweede slikken veel sprekers het eerste woord van de zin (in dit geval om) in. Een andere verklaring berust op de verbindende functie die om heeft. Omdat om aan het begin van de bijzin staat, kan het alleen maar goed een verband met de hoofdzin leggen als die ervoor staat. Ik denk dat er nog een andere verklaring mogelijk is. Omdat die op herinterpretatie berust, kom ik er pas in de volgende sectie op terug.

3.3. Herinterpretatie

Misschien interpreteren taalgebruikers sommige (om)-zinnen anders dan de standaardontleding suggereert. In (26) is 't voorlopig lijdend voorwerp en om voor een gezin te zorgen het echte lijdend voorwerp. Maar hebben we de zekerheid dat de sprekers impliciet dergelijke zinnen ook zo bekijken? Ik denk het niet. Het is goed voorstelbaar dat ze het verwijswoord als echt lijdend voorwerp zien, en de (om)-zin als bijwoordelijke bepaling van doel (met verplicht om). Dat geldt nog sterker voor de zinnen met een voorlopig onderwerp en de (om)-zin als geëxtraponeerd onderwerp, bijvoorbeeld

[p. 94]

(27) En het is natuurlijk makkelijk om te zeggen van ja...

Zulke zinnen zijn notoire struikelblokken in ontleedcursussen, omdat het verleidelijk is om de om-zin als een bepaling bij makkelijk te beschouwen. Er is geen reden om aan te nemen dat dat niet ook de impliciete opvatting van de sprekers zou kunnen zijn (zie ook Van Es en Van Caspel deel 43, 153). De sterke voorkeur voor om is dan verklaard: als een (om)-zin een bijvoegelijke bepaling of een bijwoordelijke bepaling bij een bijvoegelijk naamwoord is, is om vrijwel verplicht (Vandeweghe 1972:45).

De herinterpretatieverklaring kan mooi dienst doen om het verschil tussen (om)-zinnen in LD- en RD-positie te verklaren, dat we in de vorige sectie constateerden. In het geval van RD staan er constituenten tussen het verwijswoord en de (om)-zin en legt de (om)-zin uit wat er met het verwijswoord bedoeld wordt. Door de afstand tussen verwijswoord en om-zin is het mogelijk om te herinterpreteren. Doordat de om-zin een uitleggende functie heeft, ligt de finale interpretatie voor de hand.

Bij hervattingen van een (om)-zin in een LD-constructie staat het verwijswoord meestal vlak na de om-zin. Het is daar een pure hervatting. Herinterpretatie is daardoor niet voorstelbaar.

Ik denk dat herinterpretatie ook kan verklaren waarom er zo'n verschil in frekwentie van om bestaat, al naar gelang de zinsdeelfunctie van de om-zin. In tabel 9 staan de frekwenties in het spreektaalcorpus:

Tabel 9
 
eerste plaats na voor-pv laatste plaats
 
zonder verw met verw
ond 5/6 -- -- 28/29
lv 6/7 1/7 10/14 16/17
vv 2/2 16/19 18/22 19/20
bepaling   11/16 16/17 1/1

We zien dat het lijdend voorwerp (en in mindere mate het voorzetselvoorwerp) tamelijk vaak zonder om voorkomt, maar dat gebeurt alleen in posities waarin herinterpretatie onmogelijk is. Dezelfde tendens blijkt uit het andere materiaal, de frekwenties die Vandeweghe in de Noordnederlandse schrijftaal vond, het inschikkelijkheidsexperiment en het aanvullingsexperiment.

Tabel 10
 
inschikkelijkh. schrijftaal aanvulling
ond 5, 5 43/134 (32%) 141/142 (99%)
lv -1, 25 16/115 (14%) 35/142 (25%)
vv 6 33/114 (29%) 133/142 (92%)
bep - 152/205 (74%) 106/142 (75%)

Het lijdend voorwerp springt eruit. Opvallend zijn de resultaten bij het aanvulexperiment: de schoolkinderen vulden zo'n 60% minder om in bij lijdende voorwerpen dan bij de andere zinsdelen. In het inschikkelijkheidsexperiment werd alleen bij het lijdend voorwerp meer om weggelaten dan toegevoegd, vandaar de negatieve waarde. Het ging in beide gevallen om

[p. 95]

zinnen zonder voorlopig lijdend voorwerp, waarin herinterpretatie dus niet mogelijk was. We hebben nog gecontroleerd of de lijdende voorwerpen in gesproken taal een stijlverschuiving vertoonden, maar dat bleek niet het geval te zijn.

4. Conclusies

Het optionele om is interessant voor de theorievorming over syntactische variatie. De keus voor om of niets is zo begrensd, dat het voorstelbaar is dat sprekers die keuze kunnen beheersen. Bovendien vonden Kroch en Small (1978) een interpreteerbaar sociolinguïstisch patroon in de deletie van het Engelse that in zinnen als

(28) Sally knows (that) Harry ate the salami

Ons onderzoek is gebaseerd op een beperkt corpus, waardoor de conclusie alleen tentatief kan zijn. Toch luidt die: er is niets dat erop wijst dat sprekers voor om een norm hanteren.

Het onderzoek in de vorige paragraaf maakt duidelijk waarom om die functie ook niet kan vervullen. Voor sprekers is om aantrekkelijk, als de beknopte bijzin zelfstandiger is, een losser verband met de inbeddende zin heeft. Dan is om nodig om een verband met de voorgaande zin tot stand te brengen. Als dat juist is, en de spreker om bij die vele beknopte bijzinnen aan het zinseinde niet kan missen, dan heeft dat ook gevolgen voor om in bijzinnen op andere plaatsen in de hoofdzin. Het zou immers onhandig zijn om om wel als sociale variabele te gebruiken in de (weinige) gevallen dat de bijzin direct achter de voor-pv staat. Dat zou overeenkomen met een norm om rustig de fonetische variant ai of een vies woord te gebruiken, behalve als die klank of dat woord in het lijdend voorwerp voorkomt. Ik denk dan ook dat ons resultaat niet op toeval berust en dat dit type variatie geen sociolinguïstisch patroon kan hebben.9

Waarom kan om bij het schrijven dan wel als sociale variabele fungeren? In de voorgaande alinea is eigenlijk al een oorzaak gegeven. Schrijvers hebben dus zowel syntagmatisch als paradigmatisch meer mogelijkheden dan de spreker. Een schrijver is (net als de taalbeschouwer) heel goed in staat om de hele volzin in ogenschouw te nemen. Daarom kan hij verbanden tussen zinsdelen zien die voor de spreker zelf nog onduidelijk zijn. Een schrijver is ook in staat om de hele zin te vergelijken met een variant zonder om, iets wat sprekers nooit lukt. Als gevolg daarvan kan hij - gesteund door het voorschrift - besluiten dat om niet strikt nodig is. Ik denk dat die overweging pas in tweede instantie gemaakt wordt. De gemiddelde schrijver zal eerder om schrappen dan het woordje niet schrijven. Het voorgaande maakt duidelijk dat een advies voor om in de spreektaal absurd zou zijn. Wat de advisering van de schrijftaal betreft kunnen we twee kanten uit. De kennis van de voorschrijverij leidt ertoe om weg te laten, om voorschriftgevoelige lezers niet voor het hoofd te stoten. Aan de andere kant: waarom zou het spreektaalmotief voor het gebruik van om niet ook voor de schrijftaal kunnen gelden?

[p. 96]

In geschreven taal kan het eveneens geen kwaad woordjes toe te voegen die het verband tussen tamelijk zelfstandige delen aangeven. Daarom ook daar wel om.

[p. 97]

Bibliografie

Blatt, F. (1957) ‘Latin influence on European syntax’. In The classical pattern of modern civilisation: language. Travaux du Cercle Linguistique de Copenhague 11, 33-69.
Blom, A. (1985) ‘Enkele opmerkingen over te en om’. Spektator 14, 170-176.
Brill, W.G. (1852) Nederlandsche Spraakleer. Leer van den volzin (syntaxis). Leiden.
Chafe, W.F. (1980) ‘The deployment of consciousness in the production of a narrative’. In W.L. Chafe (ed.), The pear stories. Norwood, 9-50.
Chafe, W.L. (1982) ‘Integration and involvement in speaking, writing and oral literature. In D. Tannen (ed.), Spoken and written language. Norwood, 35-53.
Dale, J.H. van (1872) Nieuw woordenboek der Nederlandsche Taal.
Damsteegt, B.C. (198010) In de doolhof van het Nederlands I. Culemborg.
Es, G.A. van & P.P.J. van Caspel (1971-1975) Publicaties van het archief voor de Nederlandse syntaxis. Reeks I. Syntaxis van het moderne Nederland.
Eijk, I. van (1982) De Taalhulp. Amsterdam.
Geerts, G. en anderen (1984) Algemene Nederlandse Spraakkunst. Groningen.
Greenbaum, S. & R. Quirk (1970) Elicitation experiments in English: an experimental approach. London.
Hagen, A. (1981) Standaardtaal en dialectsprekende kinderen. Een studie over monitoring van taalgebruik. Muiderberg.
Hagen, N. ten (1979) De verloedering van onze Nederlandse taal. Amsterdam.
Heikens, H. (1978) ‘Een sociolinguïstisch opgebouwd corpus Amsterdamse spreektaal’. Taal en Tongval 30, 46-49.
Hermkens, H.M. (19724) Verzorgd Nederlands. 's-Hertogenbosch.
Heule, C. van (1625) De Nederduytsche Grammatica ofte Spraeckonst. Trivium I, uitgegeven door W.J.H. Caron. Groningen 1953.
Jansen, F. (1981) Syntaktische konstrukties in gesproken taal. Amsterdam.
Jansen, F. (1987) ‘Deelwoordenjammer: een regel van of voor het Nederlands?’ Spektator 16, 394-404.
Jong, E. de (red.) (1979) Spreektaal. Woordfrequenties in gesproken Nederlands. Utrecht.
Kroch, A. en C. Small (1978) ‘Grammatical ideology and its effects on speech’. In D. Sankoff (ed.), Linguistic Variation: Models and Methods. New York etc.
Lennep, J. van (1865) De vermakelijke spraakkunst. Leiden.
Maureau, J.H. (19832) Goed en begrijpelijk schrijven. Een analyse van 40 jaar schrijfadviezen. Muiderberg.
Paardekooper, P.C. z.j.5 Beknopte ABN-syntaksis. Eindhoven.
Renkema, J. (1979) Schrijfwijzer. Handboek voor duidelijk taalgebruik. 's-Gravenhage.
Rooij, J. de (1965) I knew, you knew, he knew. Taal en Tongval 17, 105-123. Herdrukt in Stroop 1983, 231-246.
[p. 98]
Schatz, H.F. (1986) Plat Amsterdams in its social context. Amsterdam.
Stroop, J. (1970) Systeem in gesproken werkwoordsgroepen. Taal en Tongval 22, 128-147. Herdrukt in Stroop, 1983, 247-264.
Stroop, J. (1983) Nederlands dialectonderzoek. Amsterdam.
Talpaert, R. & P. Buyse (1956) Verzorgde schrijftaal. Kortrijk - Heule.
Toorn, M.C. van den (19817)Nederlandse Grammatica. Groningen.
Vandeweghe, W. (1972) Om en rond de (om) te-konstruktie. Studia Germanica Gandensia 13, 37-61.
Weiland, P. (1830) Beknopt Nederduitsch Taalkundig woordenboek. Dordrecht.

Bijlage I

Het aanvullingsexperiment bestond uit de volgende zinnen:

 

1.Het is gezond........voetbal te zitten
2.Hij vergat........zijn moeder bloemen te kopen
3.Hij had zin........vakantie te gaan
4.Het elftal heeft de sterke wil......Cyprus te winnen
5.Hij had er zin in........vakantie te gaan
6.De boef probeerde....de gevangenismuur te ontsnappen
7.Het is leuk........vakantie te gaan
8.De kans......die loterij een prijs te winnen is klein
9.Het is gezond.......turnen te zitten

Drie zesde klassen moesten het aanvullingsexperiment doen: een in Dieren (Gelderland) met 21 leerlingen, een in Nijmegen met 20 leerlingen en een in Huijbergen (Brabant) met 30 leerlingen.

Bijlage II

Het inschikkelijkheidsexperiment bestond uit 24 zinnen, te weten 12 paren van zinnen met en zonder om, die verder dezelfde syntactische structuur hadden. De 23 proefpersonen, allen standaardtaalsprekers uit het oosten van het land, kregen de zinnen stuk voor stuk te horen, direct gevolgd door de opdracht, de zin vragend of ontkennend te maken, dan wel in de voltooide tijd te zetten. Kortheidshalve geef ik van elk zinsdeel twee voorbeelden:

 

1.Om zover in zee te zwemmen is gevaarlijk
2.Het leek Henk verstandig thuis te blijven
3.Iedereen weigerde voortaan belasting te betalen
4Carolien heeft altijd vermeden om de drukke weg te nemen
5.De quizdeelnemers werden ertoe verleid nog een rondje mee te doen
6.De verjaardagsgasten werden overgehaald om nog een gebakje te nemen