[p. 198]

Elegisch naschrift
F. Jansen

1. (Deelwoorden) jammer

U heeft zojuist ‘Deelwoordenjammer en grammaticaspijt’ van J.G. Kooij gelezen. Misschien heeft u eveneens de steen des aanstoots, Jansen (1987), gelezen. Dat laatste artikel was bedoeld als aanzet tot een beargumenteerd taaladvies. Taaladvisering is een onderdeel van de normatieve stilistiek, die op haar beurt weer een onderdeel is van taalbeheersing. Het advies betrof het gebruik van zinnen als (1), waarin een bepaling met een tegenwoordig deelwoord als kern voorop staat. Behalve uit een tegenwoordig deelwoord kan de kern bestaan uit een voltooid deelwoord, een nominalisering, te plus onbepaalde wijs of een bijvoegelijk naamwoord.

(1) Vrolijk kampliedjes zingend werden de aardappelen geschild

Zinnen als (1) worden wel geschreven, maar door veel taalgebruikers onaanvaardbaar geacht, omdat ze menen dat in (1) alleen de aardappelen kunnen zingen. Zij hanteren de volgende regel:

(2) Een zin met een vooropgeplaatste bepaling is alleen acceptabel als die bepaling betrokken kan worden op het onderwerp van de zin.

Wat voor status heeft (2)? Is het een constitutieve regel of een sociale regel (een voorschrift of een norm)?

Eerst bekeek ik wat beschrijvende en voorschrijvende grammatica's over het probleem zeggen. Grammatici van diverse pluimage blijken dan over een en dezelfde constructie verrassend verschillend te oordelen. Vervolgens behandelde ik vier verschijnselen die wijzen op sociale regels:

a als de beregelde taalvormen abrupt in de publieke belangstelling komen;
b als een regel ontleend wordt aan een andere, gezaghebbende, cultuurtaal;
c als een regel gemotiveerd wordt;
d als de regel alleen overschreden wordt in schrijftaal.

Die diagnostische aanwijzingen leidden niet tot een ondubbelzinnig oordeel. Mijn voorlopige conclusie luidde: sommige subregels van (2) zijn constitutief, andere sociaal. Ik liet me niet uit waar de grens tussen die twee soorten subregels ligt, omdat eerst het probleem opgelost moest worden of taalgebruikers de gewraakte zinnen goedkeuren omdat andere grammaticale eigenschappen van de zin hun beoordeling verduisteren.

[p. 199]

2. (Grammatica) spijt

K maakt bezwaar tegen vrijwel alles in mijn stukje. Sommige aanmerkingen zijn terecht, veel opmerkingen zijn bruikbaar voor een taaladvies. Natuurlijk gaat dit naschrift voornamelijk over de punten waarop ik met hem van mening verschil. Voordat ik op enkele aanmerkingen inga, verstout ik me iets te zeggen over K's toornige toon, die hem heeft belet om zorgvuldig te lezen en te argumenteren. Zo doorspekt hij zijn betoog met ‘hoor je dan’, ‘is een andere klacht’ en ander idioom uit de conversatiezaal. Hij zegt niet wie hij hoort en wie er klaagt. Van de context gaat de suggestie uit, dat ik hem de opinies influisterde, die hij vervolgens zo elegant bestrijdt. Ik wijs die truc uit de EHBO-trommel voor wanhopige Propia Cures-polemisten af.

Laat ik snel overgaan naar een echte fout mijnerzijds: ik laat alleen impliciet blijken het verschil tussen bepalingen met een deelwoord als kern en bepalingen met andere soorten kernen te kennen. Tien bladzijden tot mijn beschikking hebbend dacht ik - ten onrechte - te kunnen bezuinigen op een beschrijving van de subregels. Die kun je immers zo aardig nalezen in Hermkens en Veering. Dat spijt me, niet het minst omdat K dan niet zoveel had hoeven zeggen wat reeds herhaald is en we deze bizarre discussie wellicht niet hadden hoeven voeren. De tweedeling waartoe K besluit in (i) van par. 5 heeft dan ook mijn volledige instemming. Misschien is K het dan met me eens dat taalverzorgers die bepalingen zonder verplichte controle ook onder mijn regel (2) laten vallen, regel (2) als een voorschrift hanteren.

K schuift me al op de eerste bladzijde in de schoenen: ‘Het is geen regel, het is een voorschrift’. Dat staat zo nergens in mijn stukje. Een echte stroman dus (Van Eemeren en anderen 1987: 50 e.v.).

De hoofdmoot van K's stuk is een beschrijving van enkele eigenschappen van subjects- en objectscontrole. Zijn bedoeling is tweeledig: aantonen dat verplichte controle door het subject wel bestaat en de vruchtbaarheid bewijzen van de strategie eerst alle grammaticale aspecten van de regel uit te pluizen, voordat je het onderzoek verlegt naar andere aspecten. Voor K is die strategie zo duidelijk superieur dat er geen argumenten voor hoeven te worden gegeven. Ik had ze graag gehoord. Immers, als je merkt dat taalgebruikers over dezelfde zin systematisch verschillend oordelen, lijkt het me wreed om dialectologen, sociolinguïsten en taalbeheersers het recht te ontzeggen daar onderzoek naar te doen. K doet denken aan mijn visboer die adviseert eerst de vis te kiezen en de rest van het diner daaromheen samen te stellen. Mijn slager denkt daar anders over.

Bovendien vrees ik dat we langer op het einde van K's grammaticale onderzoek moeten wachten dan hijzelf denkt. Het goede daarvan (verschil in controleregels hangt af van het type kern van de bepaling) is niet nieuw; het nieuwe is vaak niet goed. Zo schrijft K de acceptabiliteit van sommige zinnen met objects-controle toe aan het feit dat de controleur slechts in schijn een object is, omdat het zinsdeel ook een subjectsrol vervult in een deelzin. In (3) is het hek alleen object. In (4) is het hek behalve object ook onderwerp bij groen. K's theorie voorspelt dat (6) beter is dan (5). (De sterretjes weerspiegelen mijn oordeel.)

(3) Piet verft het hek

[p. 200]

(4) Piet verft het hek groen
(5) Opgelapt verft Piet het hek
(6) *Opgelapt verft Piet het hek groen

Ze zijn even ongrammaticaal. Het helpt ook niet als we K's regel op andere soorten bepalingen van gesteldheid loslaten:

(7) *Doorlezend stemde het artikel Piet treurig
(8) *Nog binnendruppelend heette de directeur de genodigden welkom
(9) *Lekker zittend liep hij zijn schoenen scheef
(10) *Blakend van gezondheid had de boer een pony in de wei lopen

Vergelijk met de laatste:

(11) *Blakend van gezondheid had de boer een pony

Ook dit probleem kan K ongetwijfeld in de toekomst met behulp van nieuwe exercities oplossen. Het ontgaat me echter waarom ik daarop zou moeten wachten met andersoortig onderzoek.

3. (Argumentatie) treurnis

Over naar de resterende argumenten. In de taalbeheersing wordt verschil gemaakt tussen vergissingen en fouten (zie bijvoorbeeld Schuurs 1986). Als de taalgebruiker - eventueel op uitnodiging - zelf de afwijking kan opsporen en verbeteren, is die afwijking waarschijnlijk een vergissing. Lukt hem dat niet, dan heeft hij andere regels dan die welke voor het ABN worden aangenomen, en maakt hij een fout. Dat verschil ontgaat K vanaf zijn derde zin tot en met zijn laatste alinea. Daarom kan ik het volkomen eens zijn met ‘de stelling dat een vergissing die vaak voorkomt dus geen vergissing is, lijkt mij socio-logica’ en staande houden dat we wel de status van een regel moeten onderzoeken als er frekwent fouten tegen gemaakt worden. In tegenstelling tot vorig jaar kan ik nu aantonen dat zinnen van het type (1) geen vergissingen, maar fouten zijn Jansen, in voorbereiding).

K stelt impliciet voor het onderscheid tussen sociale en constitutieve regels op een wel heel directe manier te benaderen: gewoon kijken wat de onderzoeker zelf van de zinnen vindt. Uit zijn noot 3 maak ik op dat hij een zin volgens de constitutieve regels van het Nederlands gebouwd acht, als hij die zin goed vindt. De opvatting heeft de charme van de eenvoud. Het ontgaat mijn opponent dat zelfrapportage als onderzoeksstrategie nou net ongeschikt is om uit te maken of een oordeel op een constitutieve regel dan wel een norm berust. K maakt zich schuldig aan het argumentum ad verecundiam (Van Eemeren en anderen 1987: 112). K voelt wel nattigheid. Daarom maakt hij zich er met een jantje-van-leiden van af door te beweren: ‘ik heb nooit gemerkt dat de mijne (nl

[p. 201]

oordelen) strenger zijn dan die van anderen’. Voor alles is er een eerste keer. Slechts een voorbeeld: uit het experiment van Jansen (in voorb.) blijkt dat ongeveer de helft van de studenten Nederlands in Leiden zin (12) (K's voorbeeld (9)) niet alleen goed vindt, maar zelfs desgevraagd de afwijking niet kan vinden:

(12) ??Lachend werd er doorgepraat

K's strategie geeft alleen inzicht in zijn allerindividueelste opinies. De standaardtaal is echter veeleer een sociale constructie: een verzameling regels van diverse aard van de groep taalgebruikers die menen dat ze standaardtaal spreken. Daar moet de onderzoeksmethode op afgestemd worden (zie Jansen, ms).

Mijn artikel ging over de fundering van een taaladvies. Alles wat K daartoe bijdraagt, is welkom. Alles wat van taaladvisering afleidt, moet ik aan anderen overlaten. K lijkt op een schaatsende postbode. Als taalkundige bewonder ik zijn capriolen en vind ik de wakken waarin hij rolt al helemaal interessant. Als taalbeheerser wil ik vooral mijn brieven snel en droog in de bus krijgen.

Bibliografie

Eemeren, F.H. van, R. Grootendorst en T. Kruiger, 1987. Argumentatieleer 2. Drogredenen. Groningen.
Jansen, F., 1987. ‘Deelwoordenjammer: een regel van of voor het Nederlands?’ Spektator 16, 394-404.
Jansen, F., ms, ‘Methodes voor normatief stilistisch onderzoek’.
Jansen, F., in voorbereiding, ‘Wie is er bang voor deelwoordenjammer?’
Kooij, J.G., 1988. ‘Deelwoordenjammer en grammaticaspijt’. Spektator 17.
Schuurs, U.R.I., (1986). ‘Het herkennen van grammaticale fouten’. Toegepaste Taalwetenschap in Artikelen 26, 103-117.