[p. 384]

Mannelijke mannen, literatuur en feminisme
Pamela Pattynama

In Nederland wordt het literair-feministische debat voornamelijk onder vrouwen gevoerd. Mannelijke academici die op de hoogte zijn van de ontwikkelingen binnen de feministische literatuurwetenschappen zijn op een hand te tellen. Vrouwenstudies lijkt zich, onbedreigd door mannelijke interventie een vrijplaats te hebben veroverd. Veroverd? De Oostenrijkse schrijfster Elfriede Jellinek zegt cynisch:

‘Feminisme heeft ertoe geleid dat we nu als vrouwen helemaal onder elkaar zijn, alsof het de mannen heeft bevrijd van de verantwoordelijkheid zich intellectueel met vrouwen bezig te houden.’

Volgens haar is er geen sprake van een verovering door vrouwen maar geven mannen tijdelijk en vrijwillig bepaalde ruimtes prijs. Hun afzijdigheid zou slechts betekenen dat ze met andere dingen bezig zijn die op dit moment een hogere prioriteit hebben.

 

In het Anglo-Amerikaanse veld doet het ‘mannenprobleem’ zich sinds kort anders voor dan in Nederland. Mannen zijn rond de women's studies departments gaan drentelen, hebben zich het feministisch gedachtengoed eigen gemaakt en lijken erop gebrand zich als ‘een soort feminist’ te afficheren. Verschillende prominente literatuurwetenschappers hebben er blijk van gegeven het intellectuele belang te erkennen van literaire vrouwenstudies. Wayne Booth was de eerste die publiekelijk interpretatie met feminisme in verband bracht. Robert Scholes relateerde semiotiek aan feminisme, Jonathan Culler paste feministische theorieën toe om deconstructie down to earth te brengen en Terry Eagleton heeft zelfs laten weten feministische kritiek als het ideale paradigma voor revolutionaire kritiek te beschouwen.1 Wat betekent die ommezwaai in houding? Past hier gejuich om een feministische overwinning of zijn mannen (weer) uit op kolonisatie? Zijn het bondgenoten of is er sprake van een geraffineerde machtsovername en zijn ‘zij’ bezig ‘ons’ zelfs op eigen terrein te ontwapenen?

 

Mijn wantrouwen komt voort uit een besef van de historie. Van oudsher spelen mannen elkaar immers de bal toe om hun positie te beschermen. Welke vorm deze mannencultuur in het literaire bedrijf aan kan nemen toont Maaike Meijer in haar proefschrift De lust tot lezen.2

Zij betitelt naar aanleiding van een Witz van Oversteegen, literatuurcritici als manziek. ‘De werkelijke gedaante van de literaire cultuur is de homosociale cultuur waar mannen jagen op andere mannen.’ Meijer stelt deze

[p. 385]

diagnose in haar kritiek op het Merlyn-discours en de ‘vorm of vent’ kwestie. In deze discussies ging het uitsluitend om mannen die elkaar bekritiseerden teneinde de onderlinge rangorde vast te stellen. Zij maskeerden hun voorkeur voor mannen onder algemeenheid en sekseneutraliteit en sloten op representatief niveau vrouwelijke subjecten buiten de literaire cultuur. Op discursief niveau speelde het vrouwelijke wel degelijk een rol: het werd als teken van inferieuriteit aangevoerd om de hiërarchie in mannelijkheid te bewaken en de man die gediskwalificeerd werd kreeg vrouwelijke eigenschappen toegedicht.

De ‘manziekte’ waart nog steeds rond in de literaire instituties. Nog steeds is de onderlinge rivaliteit van mannen - de ‘vent of ventje’ kwestie - de inzet in het spel om literaire prestige en macht. Hier en in Amerika. En om te anticiperen op wat ons wellicht in Nederland te wachten staat herhaal ik mijn vraag: waarom voelen gerennomeerde wetenschappers als Culler, Eagleton en Scholes zich aangetrokken tot het feminisme? Als het werkelijk gaat om mannelijke rivaliteit, dan zou het antwoord op de vraag moeten zijn dat ze met feministische literatuurwetenschap blijkbaar als vent kunnen scoren. Was will der Mann?

 

Een rechtstreeks antwoord op díe vraag moet ik schuldig blijven. Maar mijns inziens moet de aantrekkingskracht van feministische literatuurwetenschap gezocht worden in haar visionaire politiek. Een politieke visie die niet heeft geleid tot het zich verkwanselen aan een monolithisch dogma. Integendeel, literaire vrouwenstudies is niet beperkt gebleven tot het simpelweg decoderen van seksuele, raciale en klassengebonden ideologieën in literatuur. Evenmin wil zij uitsluitend vrouwelijke tradities vestigen. Er is een veel meeromvattend doel: voor alles houdt academisch feminisme een ethiek in die er op uit is om kennisstrukturen te veranderen en daarmee ook de sociale instituties waarin kennis tot kennis gecodificeerd wordt. Zij beoogt de algemeen aanvaarde ‘literaire’ hiërarchie te deconstrueren en vanzelfsprekende waardeoordelen kritisch te onderzoeken. Ze houdt zich bezig met taal, met het ‘onbewuste’ van literaire teksten en met de ideologische constructie van het subject.

Deconstructivistische en psychoanalytische inzichten belemmeren de hedendaagse onderzoeker om nog langer uit te gaan van een compleet, stabiel en bewust identiteitsconcept. Elk essentialisme lijkt onbruikbaar om de postmoderne multiculturele en thuisloze beleving te benaderen. Feministische onderzoeksters nu hebben opmerkelijke bijdragen geleverd aan de literaire theorie door de vraagstukken rond het lezend subject te bezien vanuit de seksuele differentie. Door de nadrukkelijke inzet van hun subjectiviteit en belangenbetrokkenheid bij het (her)lezen zijn zij tot interpretaties gekomen die in het Anglo-Amerikaanse veld het vroegere dédain lieten verdwijnen. Feministische literatuurkritiek wordt, in tegenstelling tot de inertie van andere stromingen inspirerend, vitaal en vernieuwend bevonden. Het is een van de toonaangevende literatuurtheorieën geworden waar geen enkele sophisticated onderzoeker die zijn status wil verhogen in de mannencultuur van het literaire bedrijf meer omheen kan.

[p. 386]

Het mannelijk (en vrouwelijk) engagement met vrouwenstudies is dus enerzijds te begrijpen als exploratie van een inspirerend werkterrein en is als zodanig te verwelkomen. Ánders wordt het wanneer de ambitieuze onderzoeker feministische theorie als interessant scoreverhogend gebied wil aanwenden om te stijgen in aanzien hetgeen, paradoxaal genoeg, in de ‘manzieke’ hiërarchie van het literaire bedrijf betekent dat hij erop uit is zijn status als man te verhogen. Voor deze mannelijke man schuilt er echter een addertje onder het aanlokkelijke gras.

Ter illustratie refereer ik aan Shoshana Felmans briljante analyse van La fille aux yeux d'or van Honoré de Balzac.3 Felmans leeswijze van het realisme in Balzacs novelle toont aan hoe ‘eng’ het vrouwelijke is (voor mannen), omdat het écht anders is. Eng in de freudiaanse zin van unheimlich.

‘What is perhaps most uncanny about the uncanny is that it is not the opposite of what is canny, but rather, that which uncannily subverts the opposition between ‘canny’ and ‘uncanny’, between ‘heimlich’ and ‘unheimlich’ In the same way, feminity as real otherness, in Balsac's text, is uncanny in that it is not the opposite of masculinity, but that which subverts the very opposition of masculinity and feminity.

Het feministisch perspectief, als ‘het andere’ beoogt de tekstuele concepten ‘vrouwelijkheid’ en ‘mannelijkheid’ open te breken en de conventionele sekseoppositie te ondermijnen. Het is ‘anders’, niet omdat het de andere pool vertegenwoordigt in de oppositie vrouwelijk-mannelijk maar omdat het de grens overschrijdt die de categorie vrouwelijkheid onderscheidt van de categorie mannelijkheid. De man die de vernieuwende feministische theorie wil gebruiken om te stijgen in aanzien zal verstrikt raken in deze paradox: Wie zich als vent wil bewijzen zal zijn subjectiviteit en belangenbetrokkenheid moeten inzetten. De man zal om man te zijn zijn eigen mannelijkheid ondermijnen.