diagnose in haar kritiek op het Merlyn-discours en de ‘vorm of vent’ kwestie. In deze discussies ging het uitsluitend om mannen die elkaar bekritiseerden teneinde de onderlinge rangorde vast te stellen. Zij maskeerden hun voorkeur voor mannen onder algemeenheid en sekseneutraliteit en sloten op representatief niveau vrouwelijke subjecten buiten de literaire cultuur. Op discursief niveau speelde het vrouwelijke wel degelijk een rol: het werd als teken van inferieuriteit aangevoerd om de hiërarchie in mannelijkheid te bewaken en de man die gediskwalificeerd werd kreeg vrouwelijke eigenschappen toegedicht.
De ‘manziekte’ waart nog steeds rond in de literaire instituties. Nog steeds is de onderlinge rivaliteit van mannen - de ‘vent of ventje’ kwestie - de inzet in het spel om literaire prestige en macht. Hier en in Amerika. En om te anticiperen op wat ons wellicht in Nederland te wachten staat herhaal ik mijn vraag: waarom voelen gerennomeerde wetenschappers als Culler, Eagleton en Scholes zich aangetrokken tot het feminisme? Als het werkelijk gaat om mannelijke rivaliteit, dan zou het antwoord op de vraag moeten zijn dat ze met feministische literatuurwetenschap blijkbaar als vent kunnen scoren. Was will der Mann?
Een rechtstreeks antwoord op díe vraag moet ik schuldig blijven. Maar mijns inziens moet de aantrekkingskracht van feministische literatuurwetenschap gezocht worden in haar visionaire politiek. Een politieke visie die niet heeft geleid tot het zich verkwanselen aan een monolithisch dogma. Integendeel, literaire vrouwenstudies is niet beperkt gebleven tot het simpelweg decoderen van seksuele, raciale en klassengebonden ideologieën in literatuur. Evenmin wil zij uitsluitend vrouwelijke tradities vestigen. Er is een veel meeromvattend doel: voor alles houdt academisch feminisme een ethiek in die er op uit is om kennisstrukturen te veranderen en daarmee ook de sociale instituties waarin kennis tot kennis gecodificeerd wordt. Zij beoogt de algemeen aanvaarde ‘literaire’ hiërarchie te deconstrueren en vanzelfsprekende waardeoordelen kritisch te onderzoeken. Ze houdt zich bezig met taal, met het ‘onbewuste’ van literaire teksten en met de ideologische constructie van het subject.
Deconstructivistische en psychoanalytische inzichten belemmeren de hedendaagse onderzoeker om nog langer uit te gaan van een compleet, stabiel en bewust identiteitsconcept. Elk essentialisme lijkt onbruikbaar om de postmoderne multiculturele en thuisloze beleving te benaderen. Feministische onderzoeksters nu hebben opmerkelijke bijdragen geleverd aan de literaire theorie door de vraagstukken rond het lezend subject te bezien vanuit de seksuele differentie. Door de nadrukkelijke inzet van hun subjectiviteit en belangenbetrokkenheid bij het (her)lezen zijn zij tot interpretaties gekomen die in het Anglo-Amerikaanse veld het vroegere dédain lieten verdwijnen. Feministische literatuurkritiek wordt, in tegenstelling tot de inertie van andere stromingen inspirerend, vitaal en vernieuwend bevonden. Het is een van de toonaangevende literatuurtheorieën geworden waar geen enkele sophisticated onderzoeker die zijn status wil verhogen in de mannencultuur van het literaire bedrijf meer omheen kan.