[p. 396]

Aankondiging en bespreking

Letterkunde

Paul Verhuyck en Corine Kisling.

Het mandement van Bacchus, Antwerpse kroegentocht in 1580. Antwerpen etc.: De Vries Brouwers, 1987. 125 p. Ill. ƒ75, -

Enige jaren geleden ontdekte Herman Pleij Het mandement van Bacchus uit 1580, dat hij vervolgens zonder commentaar als bijlage bij zijn proefschrift publiceerde. Nu hebben Paul Verhuyck en Corine Kisling zich uitvoerig met dit spotmanden ent beziggehouden en dit heeft geresulteerd in een fraai boek op groot formaat met de titel Het mandement van Bacchus, Antwerpse kroegentocht in 1580. In de tekst roept Bacchus als heerser over bieren en wijnen enige personen op om zich in zijn gerechtshoven (de kroegen!) te vervoegen vanwege een rechtszitting. Ogenschijnlijk een smakelijk boek over een smakelijk onderwerp, maar dat valt tegen. Op pagina 101 zeggen de auteurs zelf: ‘Wat zuipt men, waar wordt er gezopen en wie zuipt? Tot hiertoe hebben we ons alleen met deze vragen beziggehouden.’ Inderdaad, afgezien van een korte inleiding, een translitteratie, een vertaling in modern Nederlands en een slechte facsimile van de tekst (welke afmetingen heeft het boek in werkelijkheid?) bestaat het boek tot dan toe uitsluitend uit de opsomming en beschrijving van 32 wijnen, 30 bieren, 92 (!) kroegen en 16 personen. In principe wordt van elke wijn- en biersoort verteld waar hij vandaan komt en hoe de kwaliteit en het prijsniveau was. Nuttige en zinnige informatie dus, die als het even kan gelardeerd met een min of meer toepasselijke illustratie en een poëtische verwijzing uit de literatuur naar de specifieke bier- of wijnsoort. Duidelijk wordt wel dat Bacchus in navolging van een echte wereldlijke vorst hierarchisch te werk gaat. De opsomming van de wijnen en bieren begint steeds met de beste en duurste soorten. Vervolgens wordt de lezer meegesleurd door het Antwerpen van 1580, waarvan het stratenplan nog slechts een geringe overeenkomst vertoont met het huidige. Weliswaar snoeten schetsmatige tekeningen verduidelijken waar het café ligt dat Bacchus nu noemt, maar omdat een overzichtsplattegrond ontbreekt, is het spoor moeilijk te volgen. Ook dit gedeelte is weer overvloedig geïllustreerd.

De editeurs hebben hun best gedaan en de bijgevoegde literatuurlijst getuigt daar op in drukwekkende wijze van. Gezien de inhoud van de tekst is het volstrekt juist dat zoveel aandacht wordt besteed aan wijnen, bieren en kroegen, maar de niet aflatende opsomming eist teveel van de lezer die een prettig leesbaar boek over een interessant onderwerp verwacht. Een verwachting die wordt gewekt door de titel en de uitvoering van het boek. Naast een rijke bron voor historici die geïnteresseerd zijn in bieren en wijnen als aanwijzingen voor de handelsrelaties van Antwerpen is de teksteditie ook voor neerlandici en cultuurhistorici waardevol. Hoewel het mandement in een literaire traditie staat en alle tekenen van een genre vertoont, komt het zelden voor dat de afstand tussen ons en gewone mensen in Antwerpen in 1580 zo klein wordt (lijkt te worden). De editeurs proberen de tekst begrijpelijk te maken voor lezers van nu en de tekst te plaatsen in de maatschappelijke werkelijkheid van 1580. De aanleiding tot het schrijven van het mandement zijn reële misdragingen tijdens het carnaval geweest. De editeurs laten ons zien wie zich op welke manier misdragen hebben en wie daarvan het slachtoffer zijn geworden en hoe iemand door middel van een komische voordracht de nog levende onlustgevoelens probeert te laten oplossen. Dit is niet gemakkelijk want Het mandement van Bacchus is geschreven voor een kring van insiders. De editeurs proberen de lezers ook tot die groep te laten toetreden en dit moet een lofwaardig streven worden genoemd.

Jammer is alleen dat die poging aan de summiere kant blijft en totaal overschaduwd wordt door de opsomming van bieren, wijnen en kroegen, die meer dan 70% van de effectieve ruimte inneemt.

 

P.J.A. Franssen

(Med. NWO, Vakgr. Hist. Lettk. UvA)

[p. 397]
Sibilla. Een zestiende-eeuwse Karelroman in proza, voor het eerst uitgegeven en van commentaar voorzien door B. Besamusca, W. Kuiper en R. Resoort. Muiderberg: Dick Coutinho, 1988. 102 p. Ill. (Populaire Literatuur: een reeks teksten uit de late middeleeuwen, 5).

Schippers' gesubsidieerde toneelhonden mogen dan de wereldpers hebben gehaald, dramageschiedenis hebben ze niet gemaakt. Die prestatie is wèl geleverd door een reeks van honden die beurtelings de titelrol vertolkten in Le chien de Montargis en daarmee tussen 1814 en 1835 volle zalen trokken in Parijs. In dit ‘mélodrame historique’, dat in 1814 eveneens in Covent Garden en drie jaar later in Weimar (tot hevige verontwaardiging van Goethe, die zich terugtrok als artistiek direkteur) werd opgevoerd, had de auteur, Guilbert de Pixerécourt, zonder het te weten gebruik gemaakt van enkele tot de verbeelding sprekende episoden uit de Sibilla-geschiedenis.1 Het gedeelte van het Sibilla-verhaal waarin de bewuste hond op de voorgrond treedt was in Frankrijk reeds aan het einde van de 14de eeuw recycled tot (pseudo-)historische anecdote en circuleerde sindsdien eeuwen lang in allerlei geschriften als een sterk staaltje van hondentrouw. Dat niemand van de anecdotevertellers2 zelfs maar de overeenkomst opmerkte met het, oorspronkelijke, Sibilla-verhaalgedeelte zegt iets over de (on)bekendheid van dat verhaal in m.n. de 15de en 16de eeuw.3 Eenzelfde beeld vertoont de Nederlandse Sibilla-overlevering: na de enig bekende druk van Willem Vorsterman (Antwerpen, ca. 1538), die dan nu opnieuw is uitgegeven, valt voor zeer lange tijd de bekende diepe stilte. Mede vanwege die onbekendheid geef ik eerst een korte parafrase van de Middelnederlandse prozaroman.

Een mismaakte dwerg ziet kans opgenomen te worden in het gevolg van Karel de Grote en raakt geheel in de ban van Karels vrouw, koningin Sibilla. Na een eerste afgeslagen aanval op haar eerbaarheid belandt hij door middel van een list toch in bed naast de nietsvermoedende, want slapende, koningin maar weet deze doelrijpe kans niet te benutten: hij valt in slaap. Als de koning het slapende paar in zijn bed aantreft, is zijn reaktie voorspelbaar: opgehitst door zijn eeuwig intrigerende tegenstanders, dit keer o.l.v. de doortrapte Macharis, verwijst hij koningin en dwerg naar de brandstapel. Maar alleen de laatste wordt daadwerkelijk terechtgesteld; omdat Sibilla naar haar zeggen een kind van Karel verwacht, wordt haar straf omgezet in verbanning. Nu meent Macharis zijn kans schoon te zien: hij reist de verstoten koningin, die begeleid door Auberijn van Mondiser het rijk verlaat, achterna om haar te verkrachten. Hij doodt Auberijn, maar Sibilla ontkomt. Terwijl Auberijns hond bij het lijk van zijn baas de wacht houdt, vervolgt zij alleen haar weg totdat zij de boer Baroquel ontmoet, die zich haar lot aantrekt en belooft haar naar haar vader, de keizer van Constantinopel, te zullen brengen. - Na een dodenwake van vier dagen (en niet van drie dagen, zoals de inleiding op p. 8 vermeldt; zie ook de opmerking op p. 33) wordt Auberijns hond door honger teruggedreven naar het koninklijk paleis te Parijs, alwaar hij de nodige opschudding en argwaan verwekt door Macharis fel aan te vallen. De volgende dag vertoont het dier zich opnieuw aan het hof en leidt vandaar Karel en zijn rijksgroten regelrecht naar de plaats waar de vermoorde Auberijn ligt. De toedracht is nu duidelijk en men besluit tot een gerechtelijke tweekamp tussen Macharis en de hond van Auberijn. Het is dit duel - de uitslag ervan laat zich raden - dat het spectaculaire hoogtepunt moet hebben gevormd van Le chien de Montargis. - Al met al heeft de treurige geschiedenis van Sibilla nog maar net een aanvang genomen en is de lezer van de prozaroman al over de helft heen. De rest van het verhaal omvat dan ook in hoofdzaak twee episoden: de geboorte en jeugd van Sibilla's zoon, Loys, in Hongarije (zeer beknopt) en de terugreis van Sibilla met haar zoon (inmiddels een jonge man) en Baroquel van Rome en Constantinopel naar Frankrijk, waar zij tenslotte door Karel volledig wordt gerehabiliteerd.

Wij mogen de editeurs dankbaar zijn dat zij hun hart hebben verloren aan Sibilla en mede daarom besloten tot publicatie, zoals zij bekennen in de eerste van de vijf inleidende paragrafen die aan de eigenlijke tekst-editie voorafgaan. Want - en dat is de serieuzere rechtvaardiging van deze uitgave - Sibilla is van alle Middelnederlandse Karelromans de minst bekende en mogelijk zelfs na ca. 1538 nimmer herdrukt. De beantwoording van de

[p. 398]

vraag naar de oorzaken van deze onbekendheid moet dan ook beginnen bij het begin: ontsluiting van de tekst zelf. In de vier overige paragrafen van de inleiding wordt achtereenvolgens aandacht geschonken aan: de filiatie van de verschillende Sibilla-versies [2]; de houding van het middeleeuwse publiek tegenover verhalen met als ‘historisch’ voorgestelde stof (chanson de geste, prozaroman) [3]; de impliciete en expliciete verwijzingen in middeleeuwse literatuur (in het bijzonder Sibilla) naar min of meer prototypische uitspraken of gebeurtenissen in de bijbel [4]; de door de Nederlandse bewerker toegepaste bewerkingstechniek, de strekking, het vermoedelijke lezerspubliek en de karakteristieke leestekst-kenmerken van Sibilla en, tenslotte, het minimale sukses van Vorstermans druk en de mogelijke oorzaak daarvan [5]. Er worden in het korte bestek van deze inleiding derhalve heel wat kanten van de tekst belicht en dat gebeurt bovendien op een heldere, prettig leesbare manier, waarbij de hoofdzaken goed worden onderscheiden van de bijzaken, hinderlijk vakjargon wordt vermeden en de lezer zowel wordt geïnformeerd als nieuwsgierig gemaakt. Kortom: popularisatie naar de beste tradities.

Bij alle waardering voor deze inleiding blijven er - zoals altijd - bepaalde wensen over, zijn er redeneringen en beweringen waarmee men niet zonder meer zou durven instemmen. Ik noem een paar punten. In de 2de paragraaf worden de afwijkingen tussen de diverse Westeuropese Sibilla-versies vooral beschreven als verschillen op het niveau van de verhaalde geschiedenis. Maar die opgesomde verschillen leiden niet tot een globale karakterisering van de afzonderlijke versies, zolang de lezer ze niet onder een duidelijke noemer kan brengen. Er zal, eenvoudig gezegd, toch wel enig systeem zitten in de ingrepen die bijvoorbeeld de auteur van de Macaire-versie zich veroorlooft? (Vereenvoudiging? Vgl. het verwijderen van tweede-plan figuren als de meesterdief Guiomar en de kluizenaar-oom! Rationalisering? Het gedrag van de antagonist Macaire (Macharis) en dat van zijn instrument: de dwerg, lijkt begrijpelijker en minder vanuit de traditie gemotiveerd; de onhandige konstruktie van de Hongaarse interim-periode wordt weggeretoucheerd). Overigens had in de literatuuropgave bij deze paragraaf Reinhold Köhler meer recht gedaan mogen worden; hij wees immers als eerste (in 1871) het Spaanse volksboek Hystoria de la reyna Sevilla aan als grondtekst van de Nederlandse prozaroman.

De Sibilla-geschiedenis speelt zich onmiskenbaar af in het verleden, op min of meer bekende plaatsen en rond meer of minder bekende historische personages. De verteller gebruikt tweemaal de traditionele formule (r. 3: ‘Men leest...’; r. 337; ‘De historie seyt...’) waarmee men zich op een oudere (geschreven) bron beroept. Dit alles hebben de editeurs waarschijnlijk op het oog met hun wat stevig aangezette mededeling (p. 9) dat in Sibilla de autenticiteit van het verhaalde is benadrukt (vgl. ook p. 39). In aansluiting hierop menen zij, dat het grote publiek (met uitzondering van de ‘geleerden’; p. 25) het verhaal ‘als geschiedenis’ zal hebben opgevat; aanwijzingen hiervoor ontlenen zij aan uitspraken van Erasmus, Vives en Van Winghe, die zich bezorgd maakten over de schadelijke invloed van ‘ydele ende loghenachtighe hystorien (...) sonder eenich fundament der waerheyt’ (p. 25). Men kan zich echter afvragen of dergelijke ontboezemingen niet met de nodige omzichtigheid gehanteerd moeten worden: opvoeders en moralisten zijn niet zelden beroepshalve geneigd bepaalde gevaren en de ontvankelijkheid daarvoor van hun zorgenkinderen te overdrijven. De in veel opzichten manke maar voor de hand liggende vergelijking dringt zich op met waarschuwingen tegen de tegenwoordige roddelpers: wie zou die als even zovele aanwijzingen beschouwen, dat al die mooie onzin door de lezers serieus wordt genomen?

In de laatste twee paragrafen van de inleiding proberen de editeurs - zeer terecht - mogelijke religieuze (m.n. bijbelse) implicaties van Sibilla op het spoor te komen. Die poging voeren zij naar mijn smaak net iets te ver door; dat Baroquel zonder afscheid te nemen van zijn gezin met Sibilla op weg gaat naar Constantinopel, kan weliswaar een reminiscentie bevatten aan Lucas 9:61-62, resp. 1 Kon. 19:19-21 (te bewijzen valt hier weinig), de circumstantial evidence lijkt echter niet al te sterk. (Terzijde: Elisa is de in 2 Kon. 2:23-25 voor ‘kaalkop’ uitgescholden profeet (‘[H]eliseus’ in de vulgaat-vertaling) en wilde dus zeker niet van ‘haar’ ouders af-

[p. 399]

scheid nemen, zoals de editeurs veronderstellen op p. 32). Eenzelfde soort relativering past naar mijn mening ten aanzien van de beweerde ‘religieuze strekking van het verhaal’ (p. 8). ‘Bij een aantal gebeurtenissen uit het verhaal geeft de auteur namelijk expliciet aan dat Gods hand verantwoordelijk was voor een bepaalde afloop’ (p. 32). ‘De Historie van Sibilla is een verhaal waarin men gedemonstreerd zag dat onrecht door toedoen van God wordt hersteld; vrijwel alles in de bewerking is aan deze belerende intentie ondergeschikt gemaakt’ (p. 36). Deze uitspraken zouden bijna doen vergeten dat Sibilla toch in eerste instantie een onderhoudend verhaal is, waarin uiteindelijk - tot ieders tevredenheid - het goede zegeviert, dankzij God natuurlijk. Ik kan niet beoordelen of in Sibilla het geloof in Gods providentiële ingrijpen verhoudingsgewijs méér aan de dag treedt dan in het Spaanse voorbeeld. Wel heb ik een tiental plaatsen in de Nederlandse prozaroman genoteerd4, waar méér dan terloops getuigenis wordt afgelegd van dat geloof: tweemaal door de verteller (r. 224-5; 979-80) en acht keer door sprekende personages (hetgeen primair de exemplarische vroomheid van deze personages illustreert). En hoewel dit alles de goede verstaander een solide verklaring aanreikt voor de goede afloop van het verhaal, betwijfel ik toch of de geschiedenis van Sibilla op grond van dit tiental uitspraken, naar de bedoeling van de bewerker, herleid kan worden tot een demonstratie van Gods almachtige voorzienigheid.

Nog een enkel woord over de eigenlijke teksteditie tot slot. Op een gering aantal onnauwkeurigheden, c.q. drukfouten, na5, biedt de uitgave een correcte en goed verzorgde tekst. De plaatsing van de houtsneden (ik mis een vermelding van hun oorspronkelijke formaat) wordt wat wonderlijk verantwoord (p. 10: ‘zo veel mogelijk...dus steeds’); de woordverklaring is uitstekend, zij het een enkele keer meer leukig dan adequaat. De tekst wordt gevolgd door commentariërende aantekeningen, die sommige plaatsen van een beknopte kultuurhistorische toelichting voorzien en nuttig zijn vanwege hun verwijzingen naar Karelromans en andere (ook secundaire) literatuur. Een beredeneerde literatuuropgave, bibliografie en (deels verklarende) lijst van eigennamen besluiten het aantrekkelijk ogende boekje. Het oordeel van Alberic de Trois-Fontaines (‘Lucri gratia ita composita’ = ‘uit winstbejag is het zó in elkaar gezet’) is er hoogstwaarschijnlijk minder op toepasbaar dan op het door Alberic bedoelde Chanson de Sebile; het is desondanks te hopen dat de uitgever de reeks ‘Populaire Literatuur’ nog een poosje op dit niveau zal laten voortbestaan.

 

F.J.H. de Bree

[p. 400]

Mededelingen

Corpusgebaseerde Woordanalyse. (VWF-programma VULET 88/9. Jaarboek 1987-88. Onder red. van K.H. van Reenen-Stein. P.Th. van Reenen, A. Dees. Amsterdam: Vakgroep Taalkunde V.U. 1988. 148 p.

Dit jaarboek, de derde in de reeks jaarboeken van dit VF-programma, bevat in de eerste plaats een aantal doorgaans korte artikelen over het lopend onderzoek, te weten: B.P.F. Al, ‘Op zoek naar synoniemen’; P. Bogaards ‘Het gebruik van woordenboeken door studenten Frans’; G. Booij, ‘De representatie van Nederlandse diftongen en glijklanken’; H. Demeersseman, ‘Semi-automatische codering van Middelnederlands: tekstformats en woordvormtransformatie’; T. Greidanus, ‘Vijf Franse frekwentielijsten nader bekeken’: B. de Haar, ‘Keppelse superscripten’; O. Huber, ‘Het kodeerprogramma L.I.M.A.’; D. de Jong, ‘De toepassingsdomeinen van liaison’; R. Landheer, ‘Ideologismen in de taal en in de lexicografie’; J. van Marle, ‘Nogmaals paradigmatiek versus syntagmatiek’; W. Martin, ‘Corpora voor woordenboeken’; P.Th. van Reenen, ‘Bijbelvertalen in de derde wereld, Pidgin en Limbum in Kameroen’; K.H. van Reenen-Stein, ‘Ne weil passer sanz paier men winage’; L. Schosler, ‘Deux paradoxes de la variation en ancien francais’; L. Sekac, ‘De taal van Marie de France’, J. Szirmai, ‘Het “genre grammatical” van het gesubstantiveerde kleuradjectief in het Oudfrans’; E. Talstra, ‘Tussen taal en tekst’. Het jaarboek wordt afgesloten met een overzicht van de publikaties van de participanten in 1987, van de twee gehouden workshops, en van lopende projekten van het programma. Het jaarboek is, zolang de voorraad strekt gratis verkrijgbaar bij het secretariaat van de vakgroep Taalkunde, V.U., postbus 7161, 1007 MC Amsterdam, tel. 020-5483086.

Wie en wat in de neerlandistiek.

Onlangs is de 9e uitgave verschenen van Wie en wat in de neerlandistiek in Nederland en België, onontbeerlijk voor diegenen, die personen, instellingen e.d. zoeken op het gebied van de neerlandistiek. Voor het eerst is in de lijst een alfabetisch trefwoorden register per specialisme, zodat de medewerkers die zich met een bepaald specialisme bezighouden gemakkelijker kunnen worden gevonden. Het boekje is te bestellen door ƒ6, - te storten op girorekening 3314917 ten name van de IVN, Den Haag.

Jaarboek van het INL

Onlangs is verschenen het Jaarboek van de Stichting Instituut voor Nederlandse Lexicologie, overzicht van het jaar 1987. Naast het gebruikelijke overzicht van de activiteiten van het INL bevat dit jaarboek ook drie artikelen: A. Moerdijk, ‘Lexicaal-semantische vormingspatronen voor samenstellingen’, M.C. van den Toorn, ‘Neoklassiek en postmodern. Een morfo-lexicografische verkenning’, Th.P.F. Wortel, ‘Knuttel en het Woordenboek’. Het adres van de Stichting INL is: postbus 9515, 2300 RA Leiden.

De teksteditie. Theorie en praktijk

De Contactgroep 19de eeuw. - Dr. F.A. Snellaertcomité organiseert op woensdag 8 november 1989 een colloquium over ‘De teksteditie. Theorie en praktijk’. Het colloquium heeft plaats in het Erasmushuis te Leuven (Faculteit Letteren & Wijshegeerte. Blijde-Inkomststraat 21, 3000 Leuven).

 

Programma

10.00 u. Ontvangst en koffie
10.30 u. Opening
10.40 u. M. De Smedt (K.U. Leuven): De problematiek van de teksteditie in internationaal perspectief.
11.30 u. H.T.M. van Vliet (Bureau Basisvoorziening Tekstedities - Den Haag): Editietechniek als specialisme binnen de literatuurwetenschap. Over wetenschappelijke uitgaven en leesedities.
12.15 u. Lunch

[p. 401]

14.00 u. A. Deprez (R.U. Gent): Het editeren van brieven. De visie van een literair-historicus.
14.40 u. G.J. Hooykaas (R.U. Utrecht): Het editeren van brieven (J.R. Thorbecke en anderen). De visie van een historicus.
15.20 u. Koffie
15.50 u. M. Mathijsen (Univ. Amsterdam): Druktechnieken en hun gevolgen voor het editeren.
16.30 u. Discussie
17.00 u. Einde

Belangstellenden kunnen zich inschrijven (voor 15 oktober) bij de secretaris van de Contactgroep, Dr. M. De Smedt, Pastoor Dergentstraat 5, 3222 Gelrode (Aarschot). De deelname aan het colloquium is gratis.

Silhouet-Reeks: achttiende-eeuwse tekstedities

Bij uitgeverij Ordeman in Rotterdam verschijnt in mei van dit jaar een nieuwe serie tekstedities, onder de naam Silhouet-reeks. Deze reeks, een initiatief van enkele Neerlandici afkomstig van de Universiteit van Amsterdam, bevat bijzondere maar tot nu toe onbekende Nederlandse teksten uit de achttiende eeuw.

De serie wil in de eerste plaats een beeld geven van de veelzijdige literaire produktie uit die tijd. Humoristische poëzie, een filosofische roman waarin het gedachtengoed van Spinoza is verwerkt, satiren op de vrijmetselarij (waaronder een toneelstuk over een maçonnieke schertsbegrafenis) en een ‘autobiografie’ van een Hottentot worden onder andere in de Silhouet-reeks heruitgegeven.

De geselecteerde teksten zijn toegankelijk voor een breed publiek. Ze worden voorzien van een inleiding en verklarende aantekeningen. De vormgeving is in handen van de Rotterdamse kunstenaar René Stoute.

Als eerste deel van de Silhouet-reeks verschijnt een bundel parodistische gedichten over de slaap, onder de titel Proeve van slaapdichten. De bundel, geschreven door de Duits-Nederlandse dichter O.C.F. Hoffham (1744-1799), werd voor het eerst gedrukt in 1784. Jacqueline de Man verzorgde inleidig en commentaar bij deze verzameling light verse.

In het najaar van 1989 komt het tweede deel van de serie uit: de filosofische roman Het leven van Philopater (1691) en het Vervolg van het leven van Philopater (1697), beide van de Amsterdamse ‘bijna-predikant’ Johannes Duijkerius. De roman werd verboden en uiteindelijk verbrand (!) in de raadskamer van het stadhuis in Rotterdam (zie: Literatuur 89/1, pp. 22-29). Deze Spinozistische tekst wordt bezorgd door Gerardine Maréchal.

De redactie houdt zich aanbevolen voor suggesties. Inlichtingen bij Jacqueline de Man (tel. 020-125342).

 

Namens de redactie: Jacqueline de Man

Persbericht

Prins Bernhard Fonds laat biografieën schrijven

 

Amsterdam, 6 december. Het Prins Bernhard Fonds heeft opdracht gegeven tot de produktie van een serie van tien biografieën. Het cultuurfonds stelt hiervoor een bedrag van ƒ300.000, -- beschikbaar. Het Prins Bernhard Fonds heeft hiertoe besloten om dit genre van wetenschappelijke geschiedschrijving te stimuleren.

 

Het Prins Bernhard Fonds streeft er naar dat de biografieën niet alleen wetenschappelijk verantwoord zijn maar evenzeer door kwalitatief hoogstaande auteurs worden geschreven. Wil in Nederland het biografische genre aanslaan en tot een traditie leiden dan zal zowel aandacht moeten worden besteed aan het opmerkelijke van de beschreven persoon als aan de kwaliteit van de auteur.

 

De redactieraad bestaat uit:

 

Dr. Marita Mathijsen, Dr. F.R. Ankersmit, Prof. Dr. K. van Berkel, Prof. Dr. E.K. Grootes, de heer K.L. Poll, Prof. Dr. K. van het Reve, Prof. Dr. I. Schöffer.

 

De redactieraad heeft reeds een aantal biografieën geselecteerd, onder andere over J. Presser, J. van Vloten, L.E.J. Brouwer, Willem V. Voor de biografieën zijn bij de redactieraad auteurs bekend.

[p. 402]

Graag komt de redactieraad ook in contact met andere auteurs die momenteel werkzaam zijn aan een biografie. Deze auteurs kunnen een eerste hoofdstuk en een synopsis van de volgende hoofdstukken aan de redactieraad voorleggen.

 

Voor nadere informatie:

Mr. F.T. Procée

Prins Bernhard Fonds

Postbus 19750

1000 GT AMSTERDAM

tel. 020-230951