[p. 302]

Een repliek: het cryptogram vergroot
Ton Anbeek

Lukkenaer probeert in zijn artikel twee dingen te doen: hij herstelt de chronologie van een aantal door mij gebruikte citaten (die overigens al bijna gemeenplaatsen geworden zijn in de Nijhoff-Forschung) en hij plaatst ze in hun context. Waar die citaten zich langzamerhand hebben losgezongen, haalt hij de melodie weg.

Het resultaat vind ik (het oordeel wordt aan het eind nadrukkelijk aan de lezers overgelaten) niet wereldschokkend. De verschillen in interpretatie zijn terug te voeren op drie factoren:

1. semantische nuances. Zo kant L. zich tegen de drie stellingen die ik uit de Chasalle/Constant van Wessem-recensie distilleer. Wanneer ik concludeer: ‘poëzie staat los van de maker’, verbetert L.: ‘nee, er is in poëzie slechts geen plaats voor het gevoel van de dichter.’ Mijn formulering is scherper, omdat ik de afbraak van de romantische obsessie (‘poëzie is gevoelsuitstorting’) wilde onderstrepen. Ik geef toe dat daarbij Nijhoffs beroemde metafoor van het Perzische tapijt op de achtergrond meezong. Wanneer ik concludeer: ‘poëzie staat los van de werkelijkheid.’ corrigeert L.: ‘nee, zij dient alleen niet ter spiegeling van een bestaande realiteit.’ Ook hier: het ging mij om de doorbraak van de autonomie-these, die gewoonlijk tegenover het mimetische uitgangspunt wordt gesteld.

2. Een poëtica (Utrechtse dissertaties zijn altijd herkenbaar aan het feit dat dit woord zonder puntjes is gespeld) wordt natuurlijk vrijwel altijd in oppositie tot een bestaande opvatting geformuleerd. Het vormt een wapen in een literatuurpolitieke strijd. Dus oefent de aanleiding invloed uit op de wijze van formuleren. Niettemin zijn zulke formuleringen m.i. isoleerbaar wanneer ze een obsessie van de dichter herkenbaar maken. Het is verhelderend wanneer L. op het eind van zijn beschouwing over Nijhoffs Verwey-kritiek laat zien dat de barings-metafoor (het ‘meer en wonderlijker voortbrengen...van een ding...een vrucht’) in die tekst een reactie is op het eerder geponeerde dorre ‘masculinisme’ van Verwey. Toch verandert dat verder niets aan een van de pregnantste en vroegste formuleringen van de autonomie-these (‘een vrucht...los van ons geraakt’) in onze literatuur.

Men kan discussiëren over L's interpretatie van het citaat uit de Wijdeveldrecensie. Hij meent dat de aanduiding ‘als een waardeloos instrument’ verwijst naar de specifieke dichter Wijdeveld. Anderen lezen hierin: élke dichter verdwijnt (hoort te verdwijnen) uit zijn product. De tekst laat beide lezingen toe.

[p. 303]

Dit brengt mij op het laatste, meest waardevolle aspect van L's kritiek.

3. Opnieuw blijkt hoe lastig Nijhoffs uitspraken te interpreteren zijn. L. wijst daar ook op aan het eind van ‘“Richtingen” en “Scholen”’. Waar hij parodie denkt te lezen, zie ik bevlogenheid. Het meest problematisch blijft in dat opzicht Nijhoffs recensie van Marsmans debuut.

Daarin onderscheidt hij drie ontwikkelingsfasen van het woord. De kwestie is: wil Nijhoff door het derde stadium heenbreken naar de tweede-laag - zoals ik meen - of wil hij terug naar het vroegste stadium, zoals L. beweert? Dat eerste stadium is volgens Nijhoff voorstelbaar ‘als een kreet, als een ontlading van een emotionele stroom, zo groot en zo diep als de ether zelf.’ Het ligt eraan waar men de nadruk op legt bij het lezen van die merkwaardige recensie. Het eerste stadium is in mijn interpretatie hoogstens aanwezig als ‘de herinnering aan dit woord’ of als ‘een verbeeldingsheimwee.’ Ik geef toe dat bij mijn lezing een rol speelt dat Nijhoffs verspraktijk veel meer overeenkomt met wat hij over het tweede stadium zegt. Er is in die poëzie weinig dat de gedachte aan een oerkreet oproept. Het oerstadium acht ik dan ook alleen als vaag aanduidbaar verloren gebied aanwezig.

De recensie is zeker niet aanduidig, omdat Nijhoffs formuleringen ambigu blijven. Daar ligt m.i. een verdienste van L's stuk. Door te wijzen op andere interpretatiemogelijkheden heeft L. nog eens dat ene kenmerk van Nijhoff, de mens en de dichter, onderstreept: zijn ongrijpbaarheid.

 

Adres van auteur:

Ton Anbeek, Vakgroep Nederlands RUL, Postbus 9515, 2300 RA Leiden