[p. 228]

Waar is het werkwoord?
deel III: het Nederlands
Hans Bennis

1. Het voorafgaande*

In het voorafgaande (Spektator 23, 3 deel I, Spektator 24, 2 deel II) hebben we gezien dat recente ontwikkelingen binnen de Generatieve Grammatica een gewijzigd perspectief opleveren. Chomsky's Minimalistische Programma en Kayne's Antisymmetrie leiden ertoe dat talen geacht worden een identieke onderliggende structuur te hebben. Iedere taal heeft functionele projecties, ook al is er weinig of geen empirische evidentie voor, en alle talen hebben een Specifier-Hoofd-Complement volgorde, zowel in het lexicale als in het functionele domein. Volgordeverschillen tussen en binnen talen worden gezien als het al dan niet verplaatsen van een lexicaal hoofd of een woordgroep naar een functionele projectie voordat uitspelling plaats vindt.

1.1 Verb Second

Zoals in de vorige twee delen reeds besproken, leidt het minimalistische, asymmetrische kader tot een nogal gewijzigde visie op de plaats van het werkwoord in het Nederlands. Hoewel de plaats van het finiete werkwoord in talen als het Engels en het Frans in tegenstelling tot tien jaar geleden veel aandacht krijgt, leidt dit niet onmiddellijk tot meer inzicht in de benadering van V-plaatsing in het Nederlands. Als we ons richten op de plaats van de persoonsvorm in de hoofdzin, dan zouden we kunnen zeggen dat V-verplaatsing optreedt voor Spell-Out op grond van een sterk kenmerk in C. Als dit kenmerk T(ense) zou zijn, of Agr(eement), dan leidt Verb Second tot een neutralisatie van het sterke kenmerk. Zou verplaatsing achterwege blijven, dan is de zin ongrammaticaal vanwege de aanwezigheid van een sterk, en dus zichtbaar, kenmerk op het niveau van PF.

Het probleem dat nu echter ontstaat, is dat het noodzakelijk lijkt te zijn om de sterkte van het kenmerk in C afhankelijk te maken van de status van de CP; is de CP een hoofdzin dan treedt V2 op, en dus moet C sterk zijn, maar is CP een bijzin, dan blijft V2 achterwege. Als we de redenering langs deze lijn willen voort zetten, dan moeten we aannemen dat het sterke kenmerk in C zwak wordt in bijzinnen, zodat de relevante kenmerken van V (Agr, T) op LF kunnen worden gecontroleerd en overte verplaatsing uitblijft. De vraag is dan: hoe

[p. 229]

wordt een sterk kenmerk zwak? of anders geformuleerd: wat bepaalt de sterkte van een functioneel kenmerk? Gegeven de bestaande complementaire distributie tussen voegwoord en V2 (Den Besten 1977), ligt het voor de hand om het relevante sterke kenmerk in C in bijzinnen te laten neutraliseren door insertie van een voegwoord. Is er een voegwoord aanwezig, dan is het kenmerk onzichtbaar op PF, en kan het werkwoord na Spell-Out naar C worden verplaatst om zijn kenmerken te controleren. Is er geen voegwoord aanwezig, dan moet het werkwoord voor Spell-Out naar C.

Hoewel dit een simpele oplossing lijkt, zijn er toch nog wel een aantal problemen. Het eerste probleem is dat we niet zonder meer een sterk kenmerk van het type T of AgrS in C kunnen localiseren. Uit de discussie over het Engels en het Frans blijkt dat AgrS en T functionele categorieën zijn, die een eigen projectie kennen, en dat AgrS en T beiden gedomineerd worden door C, zoals blijkt uit de standaardstructuur in (1)

illustratie

Om de plaats van het finiete werkwoord op een correcte manier te kunnen verantwoorden binnen het minimalistische programma moeten we dus op zoek naar een kenmerk in C dat sterk is, dat geneutraliseerd kan worden door een voegwoord of een finiet werkwoord, en dat ongelijk is aan AgrS of T. Wat voor kenmerk dat is, is niet onmiddellijk duidelijk. Gegeven het principe van Hebzucht (‘Greed’) moet dat een kenmerk zijn dat zowel bij finiete werkwoorden als bij voegwoorden een rol speelt. Dat finiete werkwoorden en voegwoorden Tense-kenmerken hebben is onproblematisch. Het ligt ook voor de hand om aan

[p. 230]

te nemen dat beide hoofden het kenmerk AgrS dragen. Voor de persoonsvorm is dat evident, maar ook van voegwoorden is bekend dat zij in allerlei dialecten van het Nederlands en het Duits agreement met het subject vertonen (zie bijv. Bennis & Haegeman 1984, Bayer 1984).1 Buiten Tense en Agreement zijn er geen evidente kenmerken die in aanmerking komen om de plaats van V in het Nederlands (en het Duits) af te dwingen.

1.2 Het Nederlands als een VO-taal-I

Een tweede belangrijke kwestie voor het Nederlands betreft de plaats van de werkwoorden die niet door V2 naar C zijn verplaatst. Als het Nederlands een OV-taal is, dan is de plaats van NP-objecten en resultatieve bepalingen voor het werkwoord probleemloos. Zoals bekend leidt de OV-aanname tot het postuleren van regels die hoofden of woordgroepen in bepaalde situaties naar een positie rechts van V brengen, zoals Extrapositie, Verb Raising en PP-over-V. De algemene structuur in (1) leidt er echter toe dat het Nederlands een VO-taal is. Voor NP-objecten lijkt dit onproblematisch: NP worde in de overte syntaxis (voor Spell-Out) over V heen verplaatst. Aangezien NP toch naar [SPEC, AgrOP] moet op LF, kunnen we aannemen dat het verschil tussen OV-talen en VO-talen ligt in het moment waarop deze verplaatsing optreedt: voor of na Spell-Out. De postverbale positie van CP-objecten in het Nederlands is ook geen probleem. CP-objecten vertonen geen agreement en hebben geen Casus; ze hoeven dus niet naar [SPEC, AgrOP]. Ze blijven op hun basispositie staan. Problematischer ligt het bij resultatieve werkwoordsbepalingen, partikels en postposities. Zoals blijkt uit (2) staan alle elementen van de zg. werkwoordelijke uitloop verplicht links van het werkwoord in de bijzinsvolgorde.

(2) a. ...dat Jan zijn schoenen scheef loopt
  *...dat Jan zijn schoenen loopt scheef
  *...dat Jan loopt zijn schoenen scheef
b. ...dat Jan weg loopt
  *...dat Jan loopt weg
c. ...dat Jan de berg op loopt
  *...dat Jan de berg loopt op
  *...dat Jan loopt de berg op

De structuur in (1) geeft aan dat de onderliggende positie van deze complementen rechts van V is. Er is dus kennelijk ook een verplaatsing nodig van deze elementen. Op welke manier en waarom dat gebeurt, is onduidelijk.

Andere problemen ontstaan met betrekking tot de volgorde in het middenveld. Een bekend en veel besproken verschijnsel is het feit dat de volgorde van het middenveld in het Nederlands nogal vrij is. We zien dat in (3).

(3) a. ...dat Jan gisteren in de tuin zijn huiswerk maakte
b. ...dat Jan gisteren zijn huiswerk in de tuin maakte
c. ...dat Jan zijn huiswerk gisteren in de tuin maakte

[p. 231]

De gebruikelijke analyse hiervoor (cf. Bennis & Hoekstra 1984) is dat de onderliggende structuur overeenkomt met (3a) en dat (3b) en (3c) daarvan zijn afgeleid door verplaatsing van zijn huiswerk naar links. Deze verplaatsing (Scrambling) heeft behalve A'-eigenschappen (o.a. vanwege parasitaire gaten), ook eigenschappen van A-verplaatsing vanwege binding in zinnen als (4b) (cf. Vanden Wyngaerd 1989). Als we aannemen dat Scrambling in eerste instantie verplaatsing is naar [SPEC, AgrOP], A-verplaatsing dus, dan volgt het A-karakter.

(4) a. ...dat Jani in zijni/*j eigen tuin iedereenj uitschold
b. ...dat Jani iedereenj in zijni/j eigen tuin uitschold

Echter, deze redenering gaat niet langer op als reeds in (3a) en (4a) het object over V heen naar [SPEC, AgrOP] wordt verplaatst. Onduidelijk is dan welke A-verplaatsing optreedt om (3b) en (4b) af te leiden.

Een derde probleem met een onderliggende VO-structuur zijn de verschijnselen die we aantreffen bij Verb Raising constructies. Uitgaande van een OV-analyse geven Verb Raising constructies al aanleiding tot veel problemen, maar het lijkt er op dat deze problemen alleen maar ingewikkelder worden als we uitgaan van VO. Ik zal een voorbeeld geven. Als we uitgaan van een onderliggende VO-structuur als in (5a) of (6a), dan krijgen we de ‘Verb Raising’-structuur (5b of 6b) door alles behalve V uit de ingebedde zin naar de matrix zin te verplaatsen.

(5) a. ...dat Jan wil [lezen een boek]
b. ...dat Jan een boeki wil [lezen ti]
c. ...dat Jan een boek lezen wil
(6) a. ...dat Jan ziet [mij lezen een boek]
b. ...dat Jan miji een boekj ziet [ti lezen tj]
c. *...dat Jan mij ziet een boek lezen

De eerste vraag is natuurlijk: waarom wordt er eigenlijk verplaatst? Voor de hand ligt te stellen dat in (5b/6b) er geen AgrOP in de infinitiefzin aanwezig is (het gaat dan om kale VP-complementen), zodat het ingebedde object naar [SPEC, AgrOP] in de matrixzin moet worden verplaatst. Als dat de reden is, dan moet de matrixzin in (6b) twee AgrOP's hebben, in tegenspraak met de structuur in (1). Uitgaande van de gedachte dat structuur vrijelijk kan worden gegenereerd is de vraag op welke manier een AgrO in de matrixzin een naamvalskenmerk verwerft. Een ongelimiteerde toevoeging van naamvaltoekennende AgrO's vormt een serieuze bedreiging voor de Casustheorie.

Voor het Engels wordt voor ECM constructies als (6) aangenomen dat het subject van het complement casus krijgt in [SPEC, AgrOP] van de matrixzin, en het object van het complement in [SPEC, AgrOP] van het complement, dat dus minimaal een AgrOP moet zijn. Deze redenering voorspelt ten onrechte dat

[p. 232]

we in het (standaard) Nederlands (met overte verplaatsing naar [SPEC, AgrOP]) de volgorde in (6c) zouden moeten hebben.

Een ander probleem met de zinnen in (5) is dat de volgorde in (5c) ook grammaticaal is. De VO-analyse voorspelt dan dat we (5c) afleiden van (5b) door hoofdverplaatsing (VR). lezen wil is dus een V-cluster, terwijl wil lezen dat niet is. Uit Evers (1975) is bekend dat VR-clusters bepaalde clustereigenschappen hebben (bijv. ten aanzien van nominalisatie, gapping en het IPP-effect). Voor zover we die eigenschappen in (5) terug vinden, is het nooit zo dat (5c) deze eigenschappen wel heeft en (5b) niet. Zo is bijvoorbeeld de nominalisatie met de volgorde van (5b) (het willen lezen van een boek) beter dan die van (5c) (?het lezen willen van een boek).

Een laatste probleem dat ik hier zou willen noemen betreft extractie uit PP. Een bekend verschijnsel is dat PP's zowel preverbaal als postverbaal kunnen voorkomen, maar dat extractie uit PP uitsluitend voorkomt vanuit een preverbale positie. We zien dit in (7)-(8).

(7) a. ...dat Jan niet meer op een overwinning rekent
b. ...dat Jan niet meer rekent op een overwinning
(8) a. Daari heeft Jan niet meer [op ti] gerekend
b. *Daari heeft Jan niet meer gerekend [op ti]

De standaard (OV-)redenering is hier dat PP-over-V de PP naar een adjunctpositie aan de rechterkant van V brengt, zodat de PP een eiland voor extractie wordt. In een VO-benadering zou de PP in de b-voorbeelden in onderliggende positie staan. Het is dan onduidelijk waarom extractie onmogelijk is vanuit onderliggende positie (8b), en juist wel goed is na adjunctie (8a).2

 

Het is evident dat een VO-analyse van het Nederlands stuit op een flinke hoeveelheid problemen. Ongetwijfeld is het mogelijk om deze problemen uit de weg te ruimen. De vraag is echter of dat niet ten koste gaat van de descriptieve adequaatheid van de beschrijving van het Nederlands. Aanhangers van een strikte VO-benadering maken op mij nogal eens een gereformeerde indruk, in die zin dat empirische generalisaties ondergeschikt gemaakt worden aan het uniforme theoretische ideaal. Voor mensen met een meer oecumenische generatieve inslag hangt de waarde van een theorie af van de inzichten die deze theorie oplevert. Omdat het Nederlands zowel hoofdinitiële (NP) als hoofdfinale constituenten (VP) lijkt te hebben, is het een uitstekend terrein voor een godsdienstoorlog. Zou de analyse van het Nederlands binnen het uniforme Spec-Hoofd-Compl kader in alle andere opzichten gelijkwaardig zijn aan een analyse die geen eisen stelt aan de onderliggende volgorde, dan zou asymmetrie in het voordeel zijn, vanwege de grotere theoretische restrictiviteit. Hoewel Zwart in zijn dissertatie een moedige poging waagt om de strijd inderdaad in het voordeel van het asymmetrische minimalisme te beslechten, is het voorlopig nog niet zover dat we de standaard OV-analyse van het Nederlands kunnen vergeten.

[p. 233]

2. Dutch Syntax3

De dissertatie van Jan Wouter Zwart, Dutch Syntax; A Minimalist Approach, bestaat uit twee centrale delen. Het ene deel (‘Chapter III’, 197 p.) betreft de positie en de eigenschappen van de functionele hoofden in het verbale domein. Dit gedetailleerd uitgewerkte deel beslaat meer dan de helft van het boek. Het andere deel (‘Chapter IV’, 70 p.) gaat over de OV/VO-kwestie, en is nogal schetsmatig. Ik zal hieronder deze twee delen afzonderlijk bespreken.

2.1 Het Functionele Systeem van het Nederlands

Veelal wordt aangenomen dat INFL/I4 in het Nederlands volgt op de VP. De structuur is dan als in (9).



illustratie

In het Government and Binding (GB; Chomsky 1981) kader was het gebruikelijk om aan te nemen dat I in finiete zinnen de kenmerken voor Tense en Agreement bevatte. Verplaatsing van een niet-gespecificeerde V naar I [+ fin] leidde tot een vervoegd werkwoord aan het eind van de zin. Zoals uiteengezet in deel 1 wordt binnen het minimalistische kader het werkwoord volledig opgetuigd in de structuur geïnserteerd. De reden hiervoor is voornamelijk dat dit een analyse van het Engels mogelijk maakt zonder verplaatsing naar beneden (‘affix-hopping’ o.i.d.). Gegeven deze redenering kan het optreden van een vervoegd werkwoord aan het eind van de (bij)zin simpelweg de onderliggende positie van V weergeven. Verplaatsing van V naar I kan dan plaats vinden na Spell-Out. In dat geval valt er weinig te zeggen over de positie van I ten opzichte van VP.

2.1.1 T en te

Een centrale vraag die Zwart zich stelt in Ch. III is of er enige evidentie is voor de aanwezigheid van functionele projecties ter rechterzijde van VP. Zou dat zo zijn, dan zou dat een probleem vormen voor de gedachte dat een hoofd altijd voorafgaat aan zijn complement. De keerzijde van deze vraag is of er enige evidentie is voor de aanwezigheid van functionele projecties ter linkerzijde van VP. Zou dat zo zijn, dan ondersteunt dat de gedachte dat functionele projecties hoofd-initieel zijn.

De belangrijkste evidentie voor een functioneel hoofd ter rechterzijde van VP komt van het woordje te. Als te in I (eigenlijk T) staat, dan levert de structuur in (9) een simpele verantwoording op van de feiten. We hoeven slechts V naar I/T

[p. 234]

te verplaatsen om te+infinitief te krijgen. Als I/T links van VP staat, dan is dat niet zo simpel. Ervan uit gaande dat te in T staat, en dat T aan AgrO woorafgaat (zie de structuur in (1)), levert de verplaatsing van V naar te op dat we verwachten dat in infinitiefzinnen te+V voorafgaat aan het NP-object in [SPEC, AgrO] (als in *...om te lezen een boek). Een ingewikkelde en slecht gemotiveerde reddingsoperatie is nodig om hier uitkomst te brengen. Laat staan dat er een simpel antwoord is op de vraag waarom VP-adverbia als niet aan te+infinitief moeten voorafgaan.5

We verwachten dus dat Zwart beredeneert dat te een prefix is. Prefixen worden aangehecht voor lexicale insertie in de structuur, en dus is te+V in geen enkel opzicht anders dan een finiet werkwoord. Tot mijn verbazing kiest Zwart deze oplossing niet. Hij beargumenteert zelfs expliciet dat te niet een prefix is. Hij doet dat op basis van vier argumenten die naar mijn mening alle vier ondeugdelijk zijn (p. 103-105), terwijl hij de argumenten voor een prefix-status van te (te en V zijn onscheidbaar, te gedraagt zich als participiaal ge- ten opzichte van scheidbaar samengestelde werkwoorden etc.) niet bespreekt. Hij blijft aldus zitten met het bovengenoemde probleem ten aanzien van de positie van te ten opzichte van VP. Het enige wat hij hier over te zeggen heeft, is dat volgens hem te geen infinitief markeerder is, want dat is -en al. Ook hier ben ik het niet met hem eens. De verschillen in distributie tussen niet finiete groepen met en zonder te (p. 99-103) laten zien dat een onderscheid tussen geen T-projectie (geen te) en een niet-finiete T-projectie (wel te) gerechtvaardigd is. Maar zelfs al zou hij op dit punt gelijk hebben, dan blijven we zitten met de vraag wat te dan wel is, en wat de onderliggende positie van te is. Zwart laat dit geheel open ‘for further study’ (p. 105).

Aangezien de argumenten tegen (9) nogal krachteloos zijn, en er geen argumenten worden aangedragen voor een onderliggende positie van te links van VP, valt een evaluatie voorlopig uit in het voordeel van (9), vooral ook omdat de aanname van te links van VP aanleiding geeft tot een aantal complexe problemen (hoe komen te en V adjacent? waarom moet een NP-object voor te+infinitief? waarom moeten adverbia voor te + infinitief?).

2.1.2 Clitics

Zwart toont vervolgens aan dat er zich in het Nederlands functionele projecties links van VP ophouden. Hij doet dit door eerst te laten zien dat het Nederlands, en vooral dialecten van het Nederlands, clitics heeft. De argumenten voor een clitic-status van pronomina als um zijn niet nieuw, maar wel op een overzichtelijke manier bijeen gebracht.

Aangezien vrij algemeen (vooral in literatuur over Romaanse talen) wordt aangenomen dat clitics de plaats innemen van hoofden van functionele projecties, is de positie van clitics van belang om te laten zien dat er functionele projecties zijn links van VP. Zwart duikt vervolgens in een zeer gedetailleerde discussie over clitische pronomina in het West-Vlaams. Duidelijk wordt dat er inderdaad functionele projecties moeten zijn ter linkerzijde van VP in het West-Vlaams.

[p. 235]

Zwart concludeert uit deze discussie dat alle functionele projecties in het V-domein links van VP staan, en dus hoofd-initieel zijn. Hoewel dit stuk een knappe analyse geeft van de zeer complexe data van het West-Vlaams, heb ik op z'n minst drie problemen met de gepresenteerde analyse:

a) Zwart baseert de hoofd-initiële status van functionele projecties in het Nederlands vrijwel uitsluitend op het West-Vlaams. De vraag is echter of we de conclusies voor het West-Vlaams direct kunnen transporteren naar het Nederlands. Het verbale systeem van het West-Vlaams wijkt op zoveel punten af van het standaard Nederlands (bijv. ook de beschikbaarheid van Verb Projection Raising (Haegeman & Van Riemsdijk 1986)) dat het nog maar de vraag is of een analyse van het West-Vlaams meer zegt over de positie van functionele projecties in het Nederlands, dan een analyse van bijvoorbeeld het IJslands. En als het Nederlands structureel gelijk zou zijn aan het West-Vlaams, waarom heeft het Nederlands dan niet dezelfde clitic-verschijnselen?

b) Kayne beredeneert dat het een gevolg is van het LCA dat (hoofd-)adjunctie moet plaats vinden aan de linkerkant (zie deel II). Zwart maakt cruciaal gebruik van Kaynes LCA, maar ten aanzien van clitics stelt hij vast dat ze kunnen adjugeren aan de rechter-kant. Hiermee ondermijnt hij het LCA. Zwart signaleert dat, maar hij komt niet verder dan te stellen dat het een onderwerp is ‘that has to be left for further research’ (p. 157).

c) Hoewel hij laat zien dat het West-Vlaams, en laten we voor het gemak ook zeggen het Nederlands, functionele projecties kent ter linkerzijde van VP, volgt daaruit geenszins dat alle functionele projecties links van VP staan. Bijvoorbeeld de redenering ten aanzien van de positie van T is nogal dubieus. De West-Vlaamse feiten laten zich alleen goed analyseren als we aannemen dat zich minimaal drie functionele projecties bevinden rechts van C en links van VP. AgrS en AgrO vormen de basispositie voor resp. subject- en object-clitics. Tussen deze twee in heeft het West-Vlaams nog een derde functionele projectie nodig. Zwart stelt dan dat dit TP moet zijn, en dat dus TP hoofd-initieel is in het West-Vlaams (en ook in het Nederlands, waar een dergelijke derde positie in het geheel niet nodig is). Echter, een oppervlakkige blik in recente literatuur toont ons een overvloed aan functionele projecties in het verbale domein, zoals AspectP, MoodP, NegP en FocusP. De noodzakelijke derde functionele projectie hoeft dus absoluut niet TP te zijn, en dus is er nog steeds geen dwingende reden om aan te nemen dat T niet rechts van VP staat.

Bovendien is, zoals Den Dikken (1995) laat zien, het verhaal over de cliticposities in het West-Vlaams enigszins inconsistent aangezien de theorie over Verb Second (zie 2.1.3) het aantal clitic-posities in hoofdzinnen in feite weer terugbrengt tot één.

 

Mijn conclusie is dat Zwart aantoont dat er clitics zijn in het Nederlands, en dat er functionele projecties (met name AgrS en AgrO) zijn ter linkerzijde van VP. Zijn eigen conclusie - ‘functional projections in Dutch are head initial’ (p. 158) - vind ik echter iets te optimistisch.

[p. 236]

2.1.3 Voegwoord Agreement en V-plaatsing

Extra evidentie voor de aanwezigheid van functionele projecties ter linkerzijde van VP haalt Zwart uit zijn analyse van V2 in het Nederlands. Hij grijpt daarbij terug op een analyse die voorgesteld is door Travis (1984), waarin de positie van de persoonsvorm in hoofdzinnen niet altijd dezelfde (C) is.

Er bestaat in het Nederlands een opvallende asymmetrie tussen subject-initiële en niet-subject-initiële hoofdzinnen. Ten eerste zien we dat zwakke subject pronomina wel in de eerste positie in hoofdzinnen kunnen voorkomen (10a), maar niet-subject-pronomina niet (10b).

(10) a. Zij/Ze heeft me gezien
b. Mij/*Me heeft ze gezien

Ten tweede zien we dat de vorm van het werkwoord verschilt, afhankelijk van of het subject voorafgaat aan (11a) of volgt op (11b,c) de persoonsvorm in de hoofdzin.

(11) a. Je loopt nooit hard
b. Loop je nooit hard?
c. Met gymschoenen loop je harder

Interessant zijn in dit kader de feiten uit Van Haeringen (1958) van het Oost-Nederlands die Zwart uitgebreid bespreekt. Een voorbeeld zien we in (12).

(12) a. Wij speul-t/*speul-e
b. Waar *speul-t/speul-e wij

Deze zg ‘double agreement dialects’ zijn in dit kader vooral interessant als ze een relatie vertonen met het verschijnsel ‘voegwoord agreement’. Veel besproken is het feit dat verscheidene varianten van het Nederlands, het Fries en het Duits het verschijnsel van voegwoord agreement kennen. Een voorbeeld uit het Zuid-Hollands wordt gegeven in (13), en van het Oost-Nederlands in (14).

(13) a. ...dat ik kom
b. ...datte we komme
(14) ...datte wij speult

Als we (12) en (14) vergelijken dan zien we dat de vorm van de agreement op de persoonsvorm in niet-subject-initiële hoofdzinnen (-e; 12b) overeenkomt met die op het voegwoord in bijzinnen. Dit volgt direct als we aannemen dat V2 moet worden opgevat als V-naar-C. De agreement in C wordt dan of aan het voegwoord, of aan de persoonsvorm toegekend. Echter, dan ontstaat er een probleem voor subject-initiële hoofdzinnen (12a), aangezien die dezelfde vorm van agreement vertonen als de persoonsvorm in de bijzin in (14). We moeten

[p. 237]

dan aannemen dat V2 de persoonsvorm in (12a) niet naar C heeft verplaatst. We krijgen dan voor de le persoon meervoud in het Oost-Nederlands de volgende situatie:

(15) -e agreement: in C werkwoord (12b) / voegwoord (14)
  -t agreement: niet in C werkwoord (12a) / (14)

De presentatie van dit probleem en de verklaring daarvan in het minimalisatische kader vormen de kern van dit proefschrift (p. 159-294).

 

Gegeven het feit dat het voegwoord in gevallen als (13) en (14) kenmerken van subject agreement draagt, stelt Zwart voor om voegwoord agreement op te vatten als het gevolg van een verplaatsing van subject agreement (AgrS) naar de voegwoordpositie (C). De vraag vanuit een minimalistisch standpunt is nu echter: waarom wordt AgrS verplaatst?

 

Om Zwart's voorstel uit te leggen moet ik even iets technischer worden. Een hoofd als AgrS is het hoofd van een verbale projectie (functionele projectie in het verbale domein), maar heeft nominale eigenschappen (agreement voor persoon, geslacht en getal). Laten we in navolging van Chomsky (1993) stellen dat een hoofd als AgrS zowel V-kenmerken als N-kenmerken heeft. De V-kenmerken worden gecontroleerd door V-verplaatsing (afhankelijk van de sterkte van het kenmerk voor of na Spell-Out), de N-kenmerken door verplaatsing van het subject naar [SPEC, AgrSP] (voor of na Spell-Out). Cruciaal in de analyse van Zwart zijn de aannames in (16).

(16) a. de N-kenmerken van AgrS zijn sterk
b. de N-kenmerken van AgrS zijn ontoegankelijk

(16a) zorgt ervoor dat het subject voor Spell-Out naar [SPEC, AgrSP] moet, zodat het sterke kenmerk van AgrS geëlimineerd kan worden en onzichtbaar is op het niveau van PF. (16b) gooit echter roet in het eten. Door de ontoegankelijkheid van de N-kenmerken in AgrS kan er geen kenmerk worden geëlimineerd voordat de ontoegankelijkheid is opgeheven. Daartoe stelt hij de strategieën in (17) voor.

(17) a. AgrS-naar-C maakt de N-kenmerken van AgrS toegankelijk
b. V-naar-AgrS maakt de N-kenmerken van AgrS toegankelijk

Je zou kunnen zeggen dat het kenmerk in AgrS pas toegankelijk wordt wanneer AgrS van een lexicale basis wordt voorzien. Of preciezer: de N-kenmerken van AgrS worden pas toegankelijk als AgrS een lexicaal element bevat dat gespecificeerd is voor Tense, i.e. V of C. Dit kan gebeuren door AgrS te verplaatsen naar de (lexikale) C-positie of door het finiete werkwoord naar AgrS te verplaatsen. (17) kan dan ook vervangen worden door (18).

[p. 238]

(18) De N-kenmerken van AgrS zijn alleen toegankelijk als de V-kenmerken van AgrS zijn geëlimineerd (Zwart 240:38)

Als de V-kenmerken van AgrS verdwenen zijn, kunnen de sterke N-kenmerken onder agreement met [SPEC,AgrSP] worden geëlimineerd. Laten we eens kijken naar het relevante stukje structuur:

illustratie

In (19) moet het sterke N-kenmerk [+X] in AgrS voor Spell-Out worden geëlimineerd. Dat vindt plaats via agreement met het subject in [SPEC, AgrSP]. Om dat mogelijk te maken, moet het kenmerk [+X] eerst toegankelijk zijn. Dat wil zeggen dat de V-kenmerken van AgrS moeten verdwijnen. Daartoe beschikken we over drie strategieën:

 

a)V gaat naar AgrS
b)AgrS gaat naar C + V gaat naar C
c)AgrS gaat naar C + C bevat een voegwoord

 

Het V-kenmerk van AgrS is zwak, en dus mag/moet het werkwoord verplaatsen naar AgrS na Spell-Out, gegeven principe P, Procrastinate (zie deel I). Dit is het geval wanneer er een complementeerder in C aanwezig is. Is er geen complementeerder dan leidt het uitstellen van V-verplaatsing tot na Spell-Out tot ongrammaticaliteit aangezien de sterke N-kenmerken van AgrS niet kunnen worden verwijderd, en dus zichtbaar zijn op PF. Hoewel V wat betreft de eliminatie van V-kenmerken niet voor Spell-Out naar AgrS hoeft, dwingt (18) zichtbare V-verplaatsing af wanneer er geen lexicale C is.

2.1.4 WhP en TopP

Ondanks de relatieve complexiteit van het zojuist beschreven systeem, is het nog lang niet duidelijk dat Zwart's analyse ook inderdaad de correcte voorspellingen doet. Er zijn drie problemen:

[p. 239]

A) in bijzinnen zouden de N-kenmerken ook toegankelijk gemaakt kunnen worden door V-naar-AgrS (ipv AgrS-naar-C). Dat levert zinnen op als in (20).

(20) *Ik denk dat Jan leest liever een roman

B) in hoofdzinnen met topicalisatie of wh-verplaatsing zouden de N-kenmerken ook toegankelijk kunnen worden gemaakt door V-naar-AgrS (ipv AgrSnaar-C + V-naar-C). Dit zou zinnen als (21) opleveren.

(21) *Die roman Jan leest liever

C) in hoofdzinnen zonder topicalisatie of wh-verplaatsing zouden de N-kenmerken ook toegankelijk kunnen worden gemaakt door AgrS-naar-C + V-naar-C (ipv V-naar-AgrS). Dat leidt tot mededelende hoofdzinnen als in (22).

(22) *Leest Jan liever een roman

Probleem A lost Zwart op door aan te nemen dat V-verplaatsing een zg. ‘last resort’ strategie is: een strategie die alleen optreedt wanneer er geen alternatieven voor handen zijn. De reden dat V-verplaatsing een last-resort strategie is, heeft te maken met de aanname dat de V-kenmerken in het Nederlands zwak zijn, zodat V-verplaatsing zou moeten optreden na Spell-Out (Procrastinate).

 

Voor de problemen B en C heeft Zwart nog een extra aanname nodig. Zwart beargumenteert dat CP moet worden opgesplitst in WhP voor vraagzinnen en TopP voor zinnen met Topicalisatie (zie ook Hoekstra & Zwart 1994). De voorgestelde structuur van de hoofdzin is als in (23).



illustratie

In mededelende, subject-initiële hoofdzinnen zijn WhP en TopP afwezig, en dus kan (22) niet worden afgeleid. Vervolgens neemt Zwart aan dat When Top net als AgrS sterke N-kenmerken hebben die worden geëlimineerd via Hoofd-Specifier-Agreement met een vooropgeplaatste constitutent (via Wh-verplaatsing of Topicalisatie). Eveneens net als bij AgrS neemt Zwart aan dat de (sterke) N-kenmerken van Wh en Top ontoegankelijk zijn.6 Het werkwoord (of een voegwoord in ingebedde wh-zinnen) dient er dus aan te pas te komen om Wh of

[p. 240]

Top toegankelijk te maken, waarna de sterke N-kenmerken kunnen worden verwijderd. De ongrammaticaliteit van (21) is nu een gevolg van het feit dat de sterke N-kenmerken van Top niet voor Spell-Out zijn geëlimineerd.

 

Er valt echter wel het een en ander aan te merken op de gevolgde redenering. Ten eerste is het theoretisch niet erg aantrekkelijk om Wh-verplaatsing en Topicalisatie weer uit elkaar halen. We gaan dan terug naar de situatie voor ‘On Wh-movement’ (Chomsky 1977), waarin ieder verschijnsel zijn eigen regel had. Ook de complementariteit van wh-verplaatsing en topicalisatie lijkt dan weer een probleem.7 Verder ontgaat het mij hoe deze wijziging iets zegt over ‘gewone’ bijzinnen. Het voegwoord dat staat nu in Top. Dat betekent dat het verschijnsel topicalisatie los staat van de aanwezigheid van een TopP; er is immers weinig reden om aan te nemen dat bijzinnen per definitie een bijzininterne topicalisatie bevatten. Het lijkt er dus op dat Top in hoofdzinnen (sterke) N-kenmerken bevat, terwijl Top in bijzinnen geen N-kenmerken bevat. Hoe Zwart dat voor elkaar wil krijgen, anders dan door stipulatie, is mij onduidelijk.8 Ik vrees dat deze analyse regelrecht afstevent op de introductie van de categorie BijzinP, waarmee de toch al aangeschoten autonomie van woordgroepen voorgoed het loodje heeft gelegd.

 

Naar mijn oordeel bevat het centrale hoofdstuk 3 van Dutch Syntax goede extra argumenten voor de hypothese van Travis (1984) dat V-verplaatsing in Nederlandse hoofdzinnen niet een uniform verschijnsel is, maar dat onderscheid gemaakt moet worden tussen subject-initiële en topic/wh-initiële hoofdzinnen. Vooral de feiten ten aanzien van de ‘double agreement dialects’ en verbogen voegwoorden zijn in dat opzicht van belang. Minder overtuigd ben ik door a) de technische uitwerking van de door Zwart gekozen verantwoording; b) de stelling dat alle functionele projecties hoofd-initieel zijn; en c) het voorstel om CP te splitsen in WhP en TopP.

2.2 Het Nederlands als een VO-taal-II

In hoofdstuk 4 Dutch as an SVO language begeeft Zwart zich meer dan in hoofdstuk 3 op glad ijs. Er lijkt weinig empirische evidentie te zijn die ons er toe zou brengen om het Nederlands als een VO-taal te beschouwen.9 Het belangrijkste argument dat Zwart inbrengt als ondersteuning van de VO-hypothese is dat extractie uit postverbale CP's mogelijk is, maar niet in de aanwezigheid van een voorlopig object het (zie ook Bennis 1986).

(24) a. Wat betreurt Jan dat Piet t gezegd heeft
b. *Wat betreurt Jan het dat Piet t gezegd heeft

Het contrast in (24) kan verantwoord worden door aan te nemen dat de ingebedde zin in argumentpositie staat in (24a), maar niet in (24b). Dit zou er op wijzen dat de postverbale positie van de CP de onderliggende positie is, en pleit dus

[p. 241]

voor een VO-analyse in het geval het object de categoriale status van CP heeft.

 

Het betoog van Zwart wordt verder volledig bepaald door de conceptuele gedachte dat het VO-karakter van een taal een eigenschap van de Universele Grammatica is (Kayne 1994). Zijn argumentatie bevat twee belangrijke aspecten. Ten eerste probeert hij aan te tonen dat argumenten voor een OV-volgorde van het Nederlands niet doorslaggevend zijn. Ten tweede tracht hij te laten zien dat er een analyse mogelijk is uitgaande van een VO-volgorde. Hij wil daarmee aantonen dat op observationeel en descriptief niveau de VO-analyse gelijkwaardig is aan de OV-analyse. Een beslissing voor de VO-analyse kan dan worden genomen op basis van de mate waarin deze analyse verklarend adequaat is.

2.2.1 De positie van NP-objecten

Zoals hierboven betoogd (1.2), kan de preverbale positie van een NP-object afgeleid worden door aan te nemen dat de verplaatsing van NP naar [SPEC, AgrOP] plaats vindt voor Spell-Out op grond van een sterk kenmerk in AgrO. Hieruit volgt dat alle NP-objecten worden verplaatst en dat er dus eigenlijk maar één object positie is. Hoewel dit de uniforme preverbale positie van NP-objecten verantwoordt, creëert dit problemen ten aanzien van de nogal vrije volgorde in het middenveld, zoals eerder gedemonstreerd in (3).

(3) a. ...dat Jan gisteren in de tuin zijn huiswerk maakte
b. ...dat Jan gisteren zijn huiswerk in de tuin maakte
c. ...dat Jan zijn huiswerk gisteren in de tuin maakte

Gegeven het feit dat NP-objecten altijd naar [SPEC, AgrOP] moeten, en dat een optionele regel als Scrambling niet past in het minimalistische kader, neemt Zwart aan dat het object in (3) telkens in dezelfde positie ([SPEC, AgrOP]) staat. Dit impliceert ten eerste dat de volgorde variatie in het middenveld niet wordt veroorzaakt door een optionele verplaatsingsregel (Scrambling), maar door aanhechting van adverbiale bepalingen op verschillende plaatsen in de structuur (boven en onder AgrOP). Ten tweede impliceert dit dat het object altijd een A-positie inneemt. Op beide punten valt het een en ander aan te merken.

De gedachte dat adverbia een relatief vaste positie innemen ten opzichte van werkwoorden en NP's is nu juist een belangrijke reden geweest voor het aannemen van functionele projecties als Agr en T (zie deel 1). Als Zwart gelijk heeft, moeten we bijvoorbeeld aannemen dat Negatie in het Nederlands zowel boven als onder AgrOP aangehecht kan zijn, gegeven de variatie van niet/nooit ten opzichte van het object in (25).

(25) a. ...dat Jan niet iedereen kent a' ...dat Jan nooit iets zegt
b. ...dat Jan die mensen niet kent b' ...dat Jan dat nooit zegt

[p. 242]

Daarmee ondergraaft hij de initiële motivatie (Pollock 1989) voor splitsing van I in T en Agr. Bovendien is hij verplicht volgorderestricties bij de ordening van adverbia te verantwoorden via niet-structurele principes. Een voorbeeld van een dergelijke volgorderestrictie treffen we aan in (26).

(26) a. ...dat Jan vaak slordig werkt
b. *...dat Jan slordig vaak werkt

Als we nu een object toevoegen, dan zien we dat het object op elke positie tussen het subject en het werkwoord kan komen te staan:

(27) a. ...dat Jan vaak slordig zijn huiswerk maakt
b. ...dat Jan vaak zijn huiswerk slordig maakt
c. ...dat Jan zijn huiswerk vaak slordig maakt

In Zwart's analyse kunnen de adverbia vaak en slordig worden aangehecht voor en achter het object in [SPEC, AgrOP]. Als dat zo is, is het volstrekt onduidelijk hoe we kunnen verantwoorden dat (26b) ongrammaticaal is, anders dan via een oninteressante output conditie die stelt dat adverbia van het type vaak vooraf moeten gaan aan adverbia van het type slordig. Binnen de theorie waarin het object via scrambling wordt verplaatst, kan de positie van adverbia constant worden gehouden. We kunnen ons voorstellen dat tijd-/frequentiebepalingen altijd moeten worden aangehecht aan TP vanwege het feit dat ze betrekking hebben op de door T uitgedrukte tijd, terwijl predikaatsbepalingen als slordig uitsluitend betrekking hebben op de kale propositie (de VP) en dus een adjunct zouden kunnen zijn bij VP. Hierdoor moet vaak noodzakelijkerwijs en op structurele gronden voorafgaan aan slordig, en verantwoorden we dus de feiten in (25)-(27) op een simpele en elegante wijze.

 

Ook de gedachte dat het object zich altijd in een A-positie bevindt ([SPEC, AgrOP]), is niet probleemloos. Een bekend argument voor een mogelijke A'-positie van het object is het feit dat objecten het antecedent kunnen zijn voor parasitaire gaten (cf. Bennis & Hoekstra 1984). Zoals uitgebreid aangetoond in de literatuur over parasitaire gaten, dient het antecedent voor een dergelijk gat zich in een A'-positie te bevinden. Dit verantwoordt het contrast tussen (28a) en (28b,c)

(28) a. Gisteren heeft Jan dat boek [zonder e/ut in te kijken] in de kast gezet
b. Gisteren heeft Jan [zonder *e/ut in te kijken] dat boek in de kast gezet
c. Gisteren werd dat boek door Jan [zonder *e/ut in te kijken] in de kast gezet

Zwart probeert dit probleem voor zijn theorie weg te werken door te stellen dat e in (28a) eigenlijk geen parasitaire gat is, maar wat anders. Dit op basis van zeer minimale, en uiterst discutabele evidentie (pp 309-313). Wat er dan anders is, en waarom, blijft geheel onduidelijk.

[p. 243]

Een andere reden om de variëteit in het middenveld in (3) te relateren aan verplaatsing van het object via Scrambling, is dat de verschillende posities van het object corresponderen met verschillende interpretaties. De positie die adjacent is aan het werkwoord is het meest geschikt voor indefiniete NP's; de positie links van adverbiale bepalingen is vooral geschikt voor definiete NP's. Het duidelijkst kunnen we dat zien in extreme gevallen: zwakke pronomina als de meest prominente vertegenwoordigers van definiete NP's, en het indefiniete wat als de meest expliciete vertegenwoordiger van indefiniete NP's (zie Postma 1994, 1995, Bennis 1995).

(29) a. Jan heeft ut/*wat altijd gedaan
b. Jan heeft altijd *ut/wat gedaan

De feiten in (29) zijn goed te verantwoorden via een verplaatsingsoperatie als Scrambling. Zwart bespreekt enigszins vergelijkbare feiten en komt dan tot een nogal onbevredigende verantwoording in termen van intonatie en lineaire output condities.

2.2.2 De positie van secundaire predikaten

Een duidelijk probleem voor de VO-analyse van het Nederlands betreft de positie van Small Clause predikaten. De relevante feiten zijn in paragraaf 1.2 aan de orde gesteld, en worden hier herhaald.

(2) a. ...dat Jan zijn schoenen scheef loopt
  *...dat Jan zijn schoenen loopt scheef
  *...dat Jan loopt zijn schoenen scheef
b. ...dat Jan weg loopt
  *...dat Jan loopt weg
c. ...dat Jan de berg op loopt
  *...dat Jan de berg loopt op
  *...dat Jan loopt de berg op

Zwart beweert dat de positie van resp. scheef, weg, en de berg op niet de onderliggende positie weergeeft, maar dat deze elementen verplaatst zijn naar een functionele projectie links van de VP. Deze projectie noemt hij Predicate Phrase (PredP). De aanname van PredP lijkt noodzakelijk om de VO-hypothese te redden.10 In (2) worden de predikaten scheef, weg, en de berg op verplaatst naar [SPEC, PredP] en gaat het werkwoord naar het hoofd Pred, zodat adjacentie van secundair predikaat en werkwoord is gegarandeerd.

De vraag is dan natuurlijk: is er enige evidentie voor een dergelijke Predprojectie. Zwart meent van wel. Hij stelt dat met name P-stranding een argument oplevert voor PredP. Het gaat om die gevallen waarin een gestrand voorzetsel (maar niet een PP) zich kan bevinden tussen het SC-predikaat en het werkwoord, als in (30).

[p. 244]

(30) a. *...dat Jan de TV uit met de afstandsbediening zet
b. ?...de afstandsbediening waar Jan de TV uit mee zet

Zwarts theorie over P-stranding komt er op neer dat het R-pronomen pas de PP uit mag als P eerst de PP heeft verlaten. De verplaatsing van P is nodig om het eilandkarakter van PP ongedaan te maken. P verplaatst naar een hoger gelegen functioneel hoofd, en dat is in (30b) het werkwoord in Pred. De ongrammaticaliteit van (30a) volgt uit het verschil tussen XP-verplaatsing en hoofdverplaatsing: er is geen XP-positie beschikbaar tussen de specifier en het hoofd van PredP. Met dit verhaal verklaart hij tegelijkertijd waarom gestrande voorzetsels links van V moeten voorkomen, want alle functionele hoofden waar P aan kan adjugeren staan links van VP. Deze redenering overtuigt mij echter niet echt. Ten eerste berust de redenering cruciaal op de gedachte dat alle functionele projecties links van VP staan; zou T bijvoorbeeld rechts van VP staan, dan zou mee in (30b) net zo goed links geadjugeerd kunnen zijn aan het finiete werkwoord in T, en dan hebben we geen PredP nodig; de feiten in (30) vormen dus geen onafhankelijke evidentie voor PredP. Ten tweede is zijn analyse van Pstranding wel in staat de positie van P te verantwoorden, maar niet de positie van het R-pronomen in een zinnen als (31).

(31) a. ...dat Jan daar een boek over schrijft
b. ...dat Jan een boek daar over schrijft
c. ...dat Jan een boek schrijft daar over
d. *...dat Jan een boek over schrijft daar

Het is mij niet duidelijk waarom (31d) ongrammaticaal is, tenzij we aannemen dat P-adjunctie uitsluitend optreedt wanneer R-extractie optreedt. Hoe we dat moeten rijmen met Chomsky's principe van hebzucht (Greed; zie deel I) blijft onbesproken. Maar zelfs als we dat aannemen vormt het paradima in (31) een probleem. Waarom zou er überhaupt R-verplaatsing optreden? Is de landingsplaats van R-verplaatsing een functionele projectie RP? Zo ja, waar bevindt deze RP zich: boven AgrOP (31a), tussen AgrOP en PredP (31b) of tussen PredP en VP (31c)? Zo nee, is R-verplaatsing in tegenspraak met het minimalisme een optionele regel? en wat is de landingsplaats? Van de evidentie voor PredP blijft bij nadere beschouwing niet erg veel over.

Het grappige van de hier gevolgde redenering is tegelijkertijd dat er nu geen enkele reden meer lijkt te zijn om het Nederlands als een SVO-taal op te vatten. Het werkwoord verplaatst naar Pred. Of het werkwoord oorspronkelijk voor of na het object is gegenereerd is niet meer uit te maken. Met uitzondering van CP-objecten en postverbale PP-objecten zijn alle constituenten uit VP verplaatst naar hogerliggende functionele projecties. De vraag of het Nederlands een SOV-taal of een SVO-taal is, is dan niet meer een beantwoordbare, en dus ook niet meer een relevante vraag.

[p. 245]

2.2.3 Verb Raising

Zoals besproken in paragraaf 1.2 betreft een ander evident probleem voor de VO-analyse van het Nederlands het verschijnsel Verb Raising. Zwart bespreekt dit uitermate complexe en veelzijdige onderwerp in iets meer dan tien pagina's (333-347). Dit hoofdstuk is een duidelijk voorbeeld van haast en onzorgvuldigheid. Zwart stelt dat de OV-analyse niet leidt tot een simpele oplossing, en dus dat de VO-analyse de voorkeur verdient. Hoe die VO-analyse werkt blijft onduidelijk, wat de voordelen zijn ook. Ik zal mij hier beperken tot een enkele illustratie van mijn bezwaren:

 

a) In de meeste analyses over Verb Raising speelt het IPP-effect (heeft willen komen ipv heeft gewild komen) een belangrijke rol. Dit effect blijft geheel buiten de beschouwing, terwijl het onduidelijk is hoe dit effect verantwoord kan worden in Zwart's VO-systeem.

b) Bijna ironisch is zijn theoretische bezwaar tegen de OV-analyse, nl. dat in die analyse Verb Raising rechts adjunctie moet zijn, in tegenspraak tot Kayne's LCA (zie deel II). Zoals hierboven uiteengezet, stoort Zwart zich zelf niet aan het gebod op links adjunctie wanneer het de adjunctie van clitics betreft.

c) Een ander grappig punt is dat Zwart Nederlanders die zowel de verbale cluster gekust heeft als de cluster heeft gekust grammaticaal vinden - dit geldt volgens mij voor alle sprekers van het (standaard) Nederlands - beschouwt als bilinguaal. Het bijzondere hiervan is ook dat Zwart op andere plaatsen in zijn dissertatie niet schroomt om feiten uit ver van de standaard verwijderde dialecten als het West-Vlaams aan te voeren als evidentie voor de structuur van het standaard Nederlands.

d) De stelling op pagina 343 ‘If the VO-hypothesis is correct, the theoretical apparatus needed to derive these four constructions (extraposition, verb raising, the third construction, and Verb Projection Raising) is completely superfluous. Notice that under the traditional OV-hypothesis each of these construction types can only be derived by resorting to suspect operations’ wordt in de verste verte niet waargemaakt.

 

Naar mijn smaak is Zwart er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat het Nederlands een SVO-taal zou zijn.

2.3 Conclusie

In zijn dissertatie, Dutch Syntax; a minimalist approach (RUG, 1993), past Jan Wouter Zwart de eerder besproken theorieën van Chomsky en Kayne toe op het Nederlands. Zoals ik heb uiteengezet, leidt dit direct tot een vrij groot aantal afwijkingen van het standaardbeeld van het Nederlands, vooral ten aanzien van het werkwoord. Tot op zekere hoogte is het resultaat voorspelbaar: men neme Chomky en Kayne; roer ze goed door elkaar; voeg er vervolgens het Nederlands aan toe en zet het mengsel op het vuur; laat dit geheel enige tijd borrelen; maak het gerecht af met een aantal eetlepels Zwart en serveer Dutch Syntax zo heet mogelijk.

[p. 246]

Deze voorspelbaarheid neemt niet weg dat dit een interessant en bruikbaar boek is. Het heeft dan ook niet voor niets twee prijzen gewonnen.11 De bruikbaarheid schuilt vooral in het feit dat het boek ook gezien kan worden als een gevorderde inleiding voor neerlandici in het minimalistische, asymmetrische kader. Op een heldere, maar geenszins populistische manier worden de verschillende ingrediënten besproken en wordt het resultaat vergeleken met bestaande, niet-minimalistische analyses van het Nederlands.

Daarnaast heeft hij een grote hoeveelheid relevante feiten van het standaard Nederlands en van Nederlandse dialecten op een overzichtelijke manier gerangschikt en van een knappe theoretische interpretatie voorzien.

Het interessante aspect van dit boek ligt met name in het feit dat nog voor Chomsky en Kayne hun theorie officieel hadden gepubliceerd, de combinatie Chomsky/Kayne werd toegepast op het Nederlands, een taal die op het eerste gezicht nogal wat problemen oplevert voor de theorie. Hoewel de materie uitermate complex is, is Zwart er in geslaagd om duidelijk te maken waar de relevante problemen liggen en op welke manier er naar een oplossing gezocht zou kunnen worden.12

Of het resultaat uiteindelijk ook lekker is, is natuurlijk een kwestie van smaak. Voedzaam is het zeker. Met zorg toebereid meestal ook. Dat het op verschillende punten nog wat onrijp aandoet, is een logisch gevolg van het feit dat de basisingrediënten zelf ook nog nauwelijks hun waarde hebben kunnen bewijzen. Voorlopig moet ik echter stellen dat mijn voorkeur niet uitgaat naar deze nouvelle cuisine. Ik houd het nog op meer traditionele bereidingswijzen van het Nederlands, maar misschien is dat van mijn kant een kwestie van wennen, en van zijn kant een kwestie van verfijning.

[p. 247]

Bibliografie

Barbiers, S. 1995. The syntax of interpretation. HIL-dissertations 14.
Bayer, J. 1984. ‘COMP in Bavarian Syntax’, in: The Linguistic Review 3, p. 209-274.
Bennis, H. 1986. Gaps and Dummies. Dordrecht: Foris Publications.
[p. 248]
Bennis, H. 1994. ‘Waar is het werkwoord? Deel I: het minimalistische kader’, in: Spektator 23 (1994), afl. 3, p. 171-190.
Bennis, H. 1995a. ‘Waar is het werkwoord? Deel II: Antisymmetrie’, in: Spektator 24 (1995), afl. 2, p.130-146.
Bennis, H. 1995b. ‘The Meaning of Structure: The wat voor-construction revisited’, in M. den Dikken & K. Hengeveld (eds) Linguistics in The Netherlands 1995. Amsterdam: John Benjamins.
Bennis, H. & L. Haegeman 1984. ‘On the status of Agreement and Relative Clauses in West-Flemish’, in W. de Geest and Y. Putseys (eds) Sentential Complementation. Dordrecht: Foris Publications, p. 33-52.
Bennis, H. & T. Hoekstra 1984. ‘Gaps and Parasitic Gaps’, in: The Linguistic Review 4, p. 29-87.
Besten, H. den 1977. On the interaction of root transformations and lexical deletive rules. Ms., Universiteit van Amsterdam. [Published in Den Besten 1989, Studies in West Germanic syntax. Diss. Katholieke Universiteit Brabant.]
Chomsky, N. 1977. ‘On Wh-Movement’, in P. Culicover, T. Wasow & A. Akmajian (eds) Formal Syntax. New York: Academic Press, p. 71-132.
Chomsky, N. 1981. Lectures on Government and Binding. Dordrecht: Foris Publications.
Chomsky, N. 1993. ‘A minimalist program for linguistic theory’, in K. Hale & S.J. Keyser (eds), The view from Building 20. Cambridge (MA): MIT-Press, p. 1-52.
Dikken, M. den 1995. ‘A review of J.-W. Zwart Dutch Syntax: Functional heads and their movement’, in: Glot International 1:3, p. 11-13.
Evers, A. 1975. The Transformational Cycle in Dutch and German. Bloomington: IULC.
Gärtner, H.-M. & M. Steinbach 1994. ‘Economy, Verb Second and the SVO-SOV distinction’, in: Working Papers in Scandinavian Syntax 53, p. 1-59.
Haegeman, L. & H. van Riemsdijk 1986. ‘Verb Projection Raising, Scope and the Typology of rules affecting verbs’, in: Linguistic Inquiry 17, p. 417-466.
Haeringen, G.B. van 1958. ‘Vervoegde voegwoorden in het Oosten’, in G.B. van Haeringen (1979) Gramarie. Utrecht: HES
Hoekstra, E. & J.W. Zwart 1994. ‘De structuur van de CP. Functionele Projecties voor Topics en Vraagwoorden in het Nederlands’, in: Spektator 23 (1994), afl. 3, p. 191-212.
Kayne, R. 1994. ‘The Antisymmetry of Syntax’. Cambridge (MA): M1T Press.
Koster, J. 1978. ‘Why Subject Sentences don't exist’, in S.J. Keyser (ed.) Recent Transformational Studies in European Languages. Cambridge (MA): MIT Press.
Neeleman, A. 1994. Complex Predicates. Utrecht: diss OTS.
Pollock, J.-Y. 1989. ‘Verb Movement, Universal Grammar, and the structure of IP’, in: Linguistic Inquiry 20, p. 365-424.
Postma, G. 1994. ‘The indefinite reading of WH’, in R. Bok-Bennema & C. Cremers (eds) Linguistics in the Netherlands 1994. Amsterdam: John Benjamins.
Postma, G. 1995. Zero Semantics; A Study of the Syntactic Construction of Quantificational Meaning. Leiden: diss. HIL.
Travis, L. 1984. Parameters and effects of word order variation. Diss. MIT.
Vanden Wyngaerd, G. 1989. ‘Raising to Object as an A-movement rule’ in: MIT Working Papers in Linguistics 11, p. 256-271.
Zwart, J.-W. 1993. Dutch Syntax. Groningen Dissertations in Linguistics 10.
Zwart, J.-W. 1994. ‘The minimalist program and Germanic syntax. A reply to Gärtner and Steinbach’, in: Working Papers in Scandinavian Syntax 54, p. 1-35.
Zwart, J.-W. 1995. ‘Zinsstructuur en Woordvolgorde in de Syntaxis van het Nederlands’, in Spektator 24 (1995), afl. 2, p. 120-129.

 

Vakgroep Nederlandse Taal- en Letterkunde RUL

Postbus 9515

2300 RA Leiden