[p. 1]

VOORBERICHT.

Indien de waarde eener wetenschap moet geschat worden naar de waarde van het voorwerp harer beschouwing, dan is de taalkunde voorzeker de allernuttigste en belangrijkste. Niet alleen toch is de taal onmisbaar voor de zamenleving en het verkrijgen van de ontwikkeling en beschaving, die de omgang met natuurgenooten oplevert, niet slechts komt de kennis van hetgeen anderen ondervonden en gedacht hebben, en van hetgeen elders en vóór ons is voorgevallen of bestaan heeft ontvangen, alleen door de taal tot ons; maar zij is, wat oneindig meer zegt, de volstrekte voorwaarde voor alle ontwikkeling van den geest en de eenige grondslag van alle mogelijke menschelijke kennis. Reeds elders is door een van ons gewezen op deze onschatbare eigenschap der taal, die meestal geheel voorbijgezien, nooit hoog genoeg op prijs gesteld wordt. Wij herhalen het daar gezegde: ‘Geene ontwikkeling van den geest, geene bepaalde voorstellingen, geene begrippen, geene gedachten, geene kennis, geene wetenschap is zonder de taal mogelijk of slechts denkbaar. Zonder haar konden wij alleen onbepaalde, voorbijgaande aanschouwingen en phantastische droombeelden hebben, maar geene ware, blijvende kennis, die ook maar ten halve dien naam verdienen zou; zonder de taal ware de mensch geen denkend wezen, ware hij geen mensch. Door middel van de taal schept hij zich eene inwendige wereld, die de afspiegeling is der

[p. 2]

werkelijke wereld buiten hem; - en deze bestaat voor hem alleen in zoo verre en alleen zoodanig, als hij haar door middel van de taal in zich heeft opgenomen. Alleen door de taal stelt hij zich hetgeen hij kent en weet voor den geest, en brengt hij dit tot een helder bewustzijn.’

Het verband tusschen onze gedachten en onze uitdrukking daarvan is dan ook zoo innig en onafscheidelijk, dat het vermogen om zaken en voorvallen juist en duidelijk voor te stellen en uiteen te zetten hetzelfde is als eene juiste en heldere kennis van die zaken en voorvallen te bezitten; en dat omgekeerd eene scheeve of duistere uiting onzer gedachten als het zekere blijk moet beschouwd worden, dat onze kennis gebrekkig is en dat wij - ten minste in het oogenblik des sprekens of schrijvens - niet geregeld hebben gedacht. Eene klare en juiste voorstelling van de kracht en beteekenis der woorden en eene naauwkeurige kennis en goede opvatting der taalregels, in één woord grondige kennis van de taal, waarin wij denken en ons uitdrukken, is derhalve niet alleen onmisbaar voor eene duidelijke en onberispelijke uiting onzer gedachten, maar zelfs voor juist en geregeld denken.

Dat alles betreft de taal in het algemeen; doch de moedertaal in het bijzonder heeft nog eene andere, weinig minder belangrijke zijde. Indien hetgeen wij gezegd hebben niet overdreven, maar met de waarheid geheel overeenkomstig is, dan moet eene taal het afdruksel zijn van de eigenaardige ziens- en denkwijze, van de bijzondere wereldbeschouwing van het volk, dat die taal spreekt; en indien de taal het middel is, waardoor die eigenaardige ziens- en denkwijze van de ouders op de kinderen, van het voor- op het nageslacht overgaat, dan moet de moedertaal worden beschouwd als het levensbeginsel der nationaliteit van een volk, als datgene, waaraan deze hare wording en haar voortdurend bestaan verschuldigd is. De moedertaal opbouwen en beschaven is dan hetzelfde als de nationaliteit aankweeken en veredelen; haar geringschatten en verwaarloozen is zich zelven in zijne

[p. 3]

natie minachten, het eigen volksbestaan veronachtzamen en lijdelijk medewerken om het te ondermijnen.

Meer zal wel niet behoeven gezegd te worden om het plan van den Heer Van der Post tot het geven van een nieuw tijdschrift, aan de belangen onzer taal gewijd, te regtvaardigen en te doen toejuichen. Door Z. E. aangezocht om de redactie van dat tijdschrift op ons te nemen, hebben wij gemeend ons aan een zoo nuttig en gewigtig werk niet te mogen onttrekken; en het is hier, dat wij de eer hebben het plan, dat wij zullen volgen, mede te deelen en te ontwikkelen.

De bloei eener wetenschap kan op twee wijzen bevorderd worden: - door de wetenschap zelve op te bouwen, en - door bij te dragen tot de uitbreiding van de kennis dier wetenschap. Het is noodig, dat in beide rigtingen gewerkt worde, en het ware te wenschen, dat voor iedere rigting een afzonderlijk tijdschrift kon bestaan. Voor als nog echter schijnt het raadzaam beide in ons tijdschrift te vereenigen en het zoowel aan de verspreiding van taalkennis als aan de taalwetenschap zelve dienstbaar te maken. De Taalgids zal daarom niet slechts stukken bevatten, waarin, volgens de strenge eischen der wetenschap, de beteekenis, afleiding en geschiedenis van enkele woorden geschetst, de onderlinge verhouding van synoniemen aangetoond en door voorbeelden opgehelderd, spraakkunstige regels bepaald en verklaard, algemeene en bijzondere eigenschappen der taal in het licht gesteld en beschouwd worden; maar wij zullen zorgen, dat elk nummer ook zoodanige opstellen bevat, als onder het bereik vallen van een ieder, ook van hen, die van taalstudie niet hun hoofdwerk maken. Wij wenschen telkens eenige langere of kortere stukken te leveren, waarin de beproefde uitkomsten der wetenschap op eene bevattelijke wijze worden voorgedragen en verklaard; soms zonder streng betoog, wanneer namelijk het volgen van het betoog de kennis van weinig bekende vreemde talen onderstelt of zulk diepzinnig denken vereischt, als geacht mag worden de krachten van ongeoefenden te boven te gaan. Nooit echter hopen wij ons

[p. 4]

doel, de verspreiding van ware en grondige kennis, uit het oog te verliezen.

Daar wij wenschen het tijdschrift zoo nuttig mogelijk te maken, zullen wij trachten inzonderheid bevorderlijk te zijn aan de vorming van onderwijzers, wier taak het immers is bij de natie de grondslagen voor alle taalkennis te leggen, en op wie, ook in dit opzigt, de hoop op eene betere toekomst is gevestigd. Daarom zullen de algemeene taalbegrippen, de zoogenaamde grammatische categoriën, die immers bij het taalonderwijs onophoudelijk worden toegepast, in het bijzonder onze belangstelling gaande houden. Wij zullen de daaromtrent bestaande vooroordeelen, dwalingen en misvattingen aantoonen en bestrijden, en onze pogingen aanwenden om, zoo wij hopen, betere begrippen in de plaats te geven. Ook aan de Logische Analyse en de Stijlleer wenschen wij eene plaats in te ruimen; en vragen, bij den Uitgever of eenen onzer vrachtvrij ingezonden, zullen wij trachten naar ons beste weten te beantwoorden. Insgelijks zullen wij verslag geven van hetgeen in buitenlandsche tijdschriften of andere taalkundige werken voorkomt en middellijk of onmiddellijk op onze taal betrekking heeft; kortom wij zullen alles aanwenden, wat strekken kan om het tijdschrift voor alle beminnaars onzer taal nuttig en aangenaam te maken.

 

A. de Jager.

L.A. te Winkel.