[p. 5]

OVER DE NATUUR DER WOORDEN.

Elke zonde brengt hare eigene natuurlijke straf mede; dit is waar in het zedelijke en niet minder waar in het verstandelijke. En gelijk op het gebied der zedelijkheid de straf geëvenredigd is aan de zwaarte der overtreding, zoo ook op het gebied der waarheid. Hoe algemeener een verkeerd begrip en eene valsche grondstelling zijn, des te schadelijker is de invloed, dien zij op het verstand oefenen, des te grooter zijn de hinderpalen, die zij aan het verkrijgen van ware kennis in den weg leggen. De gevolgen van eenen misstap, begaan bij het binnentreden van het gebouw eener wetenschap, zijn niet te berekenen; zij zijn gelijk aan onkruid, gezaaid in eenen vruchtbaren akker, dat welig opschiet en bijna niet weder is uit te roeijen.

Elke wetenschap heeft hare eigene stof, die zij beschouwt, en waarvan zij de eigenschappen, krachten en werkingen of het gebruik leert kennen. Zoo zijn de planten de voorwerpen van beschouwing voor de plantenkunde, de getallen die voor de rekenkunde, de uitgebreidheden die voor de meetkunde; en even zoo maakt de spraakkunst de woorden en zinnen tot voorwerpen van hare bespiegeling. Vormt men zich nu van het begin af aan van die dingen verkeerde of onvolledige begrippen, of brengt men die reeds van te voren mede en legt men ze niet geheel af om ze voor betere voorstellingen te verruilen, het kan niet missen, of alle volgende beschouwingen

[p. 6]

zullen insgelijks in grootere of geringere mate verkeerd en gebrekkig zijn. Behaalt het gezond verstand later ook al somtijds de zege over de dwaling, gelukt het ons in het vervolg wel eens het verkeerde begrip ter zijde te schuiven en voor het oogenblik nagenoeg onschadelijk te maken, onze kennis zou natuurlijk altijd beter, ons inzigt zou helderder zijn, indien wij van eene juiste voorstelling waren uitgegaan. De Spraakkunst heeft derhalve vóór alles uit te maken, juist te bepalen en duidelijk uiteen te zetten, wat Woorden en Zinnen zijn. Met het onderzoek naar de natuur der Woorden zullen wij ons in dit vertoog bezig houden, omdat de kennis van de natuur der Zinnen daaruit moet worden ontleend, en omdat alles, wat verder in de gansche Spraakkunst over woorden en zinnen kan gezegd en geleerd worden, daarop moet gegrond wezen, daaruit zijne verklaring en rechtvaardiging moet ontvangen.

Wel niets schijnt gemakkelijker te kennen dan de natuur der woorden. Wij behoeven ze immers niet uit verre oorden te ontbieden, we hebben ze steeds bij de hand en kunnen ze ieder oogenblik tot voorwerpen van ons onderzoek maken; ja, wat meer zegt, wij brengen ze zelven voort, zijn er de makers van, en wat kan men beter en grondiger kennen dan hetgeen men zelf maakt? Geen wonder dan, dat de oude spraakkunstschrijvers het niet eens der moeite waardig hebben geacht een oogenblik over de natuur der woorden te denken, veel minder ze tot een voorwerp van ernstig onderzoek te maken. Noemen zij ze al, het is slechts in het voorbijgaan en ten einde eene geschikte aanleiding te hebben om met de beschouwing der letters te beginnen: ‘de taal’, heet het, ‘bestaat uit woorden, en de woorden zijn zamen- gesteld uit letters.’ Doorgaans komen zij later op de woorden terug, en dan is een woord voor hen ‘eene zamenstelling of vereeniging van letters.’ Dat deze wijze van zich de zaak voor te stellen dwaas is en tot niets goeds kan leiden, zal men inzien, zoodra men begrijpt, dat men niet eer over letters gedacht heeft, voor men behoefte gevoelde om het gedachte

[p. 7]

en gesprokene tegen de vergetelheid te bewaren door het in blijvende, zigtbare teekens of karakters op te teekenen. Eerst toen merkte men op, dat de duizenden woordklanken zich in een betrekkelijk klein getal (in onze taal thans 31) van telkens wederkerende bestanddeelen laten oplossen, en dat men slechts voor elk dezer weinige bestanddeelen een zigtbaar teeken had uit te denken om alle woordklanken voor het gezigt als het ware te kunnen afbeelden. Beide, zoowel de bestanddeelen der klanken als de zigtbare teekens, noemde men letters; en men beging hierbij den misslag, dat men dé letterklanken niet behoorlijk van de letterteekens onderscheidde, een verzuim, dat tot veel misverstand en verwarring aanleiding heeft gegeven. Eerst toen, en niet vóór er woorden waren, had men eenig begrip van letterklanken, en bestonden er letterteekens. Vergeet men dezen gang van zaken niet, dan ziet men in, dat men noodwendig eerst moet weten, wat woorden zijn, voor men kan begrijpen, wat letters zijn; gelijk men eerst moet weten, wat een mensch is, voor men zich eene goede voorstelling van zijne handen of voeten, van zijne longen of hersenen kan vormen. Ook zal men wel niemand een duidelijk begrip van een mensch geven, door hem te zeggen, dat hij eene vereeniging of zamenvoeging is van een hoofd, eenen romp, armen en beenen. Bedoelde spraakkunstenaars gingen dus uit van iets onbekends (woorden), vormden zich daaruit eene natuurlijk duistere voorstelling (letters), en bedienden zich van deze weder om tot het begrip van het eerste onbekende (woorden) te komen. Dit is duizelend in eenen kring ronddraaijen, waarbij men geen enkelen stap voorwaarts doet. Dat zij inderdaad de moeite niet hebben genomen om zich een helder denkbeeld van een woord te vormen, blijkt uit het onbepaalde begrip, dat zij hebben van eene letter. Nu eens is het iets hoorbaars, een klank, dan iets zigtbaars, een karakter of geschreven teeken; en de begrippen van letterklank en letterteeken worden door hen onophoudelijk verwisseld en onverschillig door elkander gebruikt, alsof ze volkomen hetzelfde

[p. 8]

waren. Wat begrip moet men wel van een woord hebben, indien men er niets anders van weet te zeggen, dan dat het eene vereeniging, of ook wel eene ‘verzameling’ is van zulke onbekende dingen, als letters zijn? Moet dan niet noodwendig alles, wat later van de woorden geleerd wordt, de duidelijke blijken van deze schromelijke onachtzaamheid en begripsverwarring dragen? Zullen niet alle bepalingen van de soorten der woorden of zoogenoemde rededeelen, indien al niet geheel verkeerd en verward, dan toch minder juist en duidelijk moeten zijn, dan zij konden en moesten wezen? Dwaling baart niets dan dwalingen; het kroost gelijkt op de moeder. Eene ezelin werpt slechts ezels; en al vermengt zij zich met een edeler dier, het veulen is en blijft slechts een koppige muilezel, die nimmer een edel ros wordt. Dwaling, al paart zij met waarheid, brengt nimmer zuivere waarheid voort.

Eerst in den jongsten tijd is men begonnen het gewigt der vragen: wat is taal? wat zijn woorden? te beseffen en ernstig naar de antwoorden te zoeken. Sommige in de laatste jaren te onzent uitgekomene taalkundige werken geven dan ook eenige resultaten van dit onderzoek op: ‘Een woord is een klank, die een begrip uitdrukt’; ‘Een woord is de uitdrukking eener gedachte’; ‘Een woord is de voorstelling van een denkbeeld of van de betrekking, die twee of meer denkbeelden op elkander hebben’; ‘Een woord is een door de spraakorganen gevormde (gearticuleerde) klank (als het eenlettergrepig is), of zamenstelling van zulke klanken (als het meerlettergrepig is), waaraan een zin of beteekenis gehecht wordt.’ In den loop van ons onderzoek zal blijken, dat de laatst vermelde definitie, die door den Hoogleeraar Roorda opgegeven wordt, den palm wegdraagt, en dat er slechts eene nadere bepaling van hetgeen men door ‘den zin of de beteekenis’ der woorden te verstaan heeft, aan toegevoegd moet worden. De overige definities zijn alle nog min of meer besmet met den zuurdeesem der oudere taalbeschouwing, die in de taal niets anders zag dan het geschiktste middel ter mededeeling der gedachten.

[p. 9]

Uit al de aangehaalde bepalingen te zamengenomen blijkt echter, dat een woord naar gelang het één- of meerlettergrepig is, één spraakgeluid is of eene opeenvolging van spraakgeluiden, waarbij iets gedacht wordt. Een woord heeft dus eene uitwendige, eene zinnelijke zijde, die voor het gehoor waarneembaar is, en ook eene inwendige, die niet onder het bereik der zinnen valt en daarin bestaat, dat er eene werking van het denkvermogen mede gepaard gaat. Wij moeten bij ieder dezer zijden wat stilstaan om ze nader te bezien, dewijl zij ons veel kunnen leeren, dat bij de beschouwing van, en het spreken over woorden verdient behartigd te worden.

Een woord is dan vooreerst een geluid, d. i. eene trillende of golvende beweging der lucht, sterk genoeg om in ons oor eene trilling van het trommelvlies te veroorzaken en zoo onze gehoorzenuwen aan te doen. Een woord is dus slechts eene voorbijgaande werking, niet iets zelfstandigs, blijvends, ligchamelijks; waaruit volgt, dat wij ons bij het spreken over woorden voor de ongerijmdheid te wachten hebben, dat wij er hoedanigheden of werkingen aan toe schrijven, welke alleen ware, ligchamelijke, zelfstandigheden kunnen bezitten of te weeg brengen.

Niet elk geluid, waarbij men iets denkt is een woord. Aan het geroffel eener trom, het geluid eener trompet, het lossen van het geschut, het luiden der storm- of brandklok verbindt men ook gedachten; het zijn kennisgevingen en waarschuwingen, of het is noodgeschrei; maar het zijn geene woorden. Alleen luchttrillingen, door den mensch met zijne spraakwerktuigen veroorzaakt en, zoo als men het noemt, gearticuleerd, worden met den naam van woorden bestempeld. Wat articuleeren is, zullen wij wellicht bij eene andere gelegenheid nader onderzoeken, voor het oogenblik zij het genoeg aan te merken, dat de mond en strot daarbij bepaalde standen aannemen, en dat de tong en lippen daarbij bepaalde bewegingen verrichten; waaruit volgt, dat zelfs niet eens alle geluiden, door den mensch met zijne spraakwerktuigen

[p. 10]

voortgebragt, woorden kunnen heeten. Kreten van smart of aangename verrassing, van droefheid of vreugde, van afgrijzen of bewondering, zijn geene woorden, zoo zij slechts dat gevoel te kennen geven en niet gearticuleerd zijn.

Bezien wij thans de woorden van de andere zijde, die ons tot meer en veel belangrijker opmerkingen aanleiding zal geven. Bij een woord moet iets gedacht worden : eerst door den zamenhang van een gearticuleerden klank of spraakgeluid met eene werking van het denkvermogen wordt het spraakgeluid een woord. Weet iemand aan een gehoord woord geene voorstelling of gedachte te verbinden, dan is het voor hem niets meer dan een spraakgeluid, geen eigenlijk gezegd woord. Hij mag uit de wijze, waarop hij het geluid tusschen andere woorden hoort bezigen, vermoeden dat het ook een woord is, het wordt dit voor hem in waarheid eerst dan, wanneer hij er de beteekenis van leert kennen. Een woord goed verstaan is er de rechte beteekenis aan weten te hechten. Deze eigenschap der woorden wijst ons naar binnen in de diepte van onzen geest om daar, zoo mogelijk, te bespieden en na te gaan, wat er bij het uitspreken en hooren van een woord voorvalt. Daar hebben alsdan werkingen plaats, waarvan wij wel is waar de natuur niet volkomen kunnen doorgronden, even weinig als de natuur van onzen geest zelven, maar wij moeten in allen gevalle trachten er zooveel van te leeren kennen, als wij ter bereiking van ons doel volstrekt weten moeten. Laten wij derhalve niet vragen, wat die werkingen eigenlijk wel zijn, maar zien wij, hoe ze ontstaan, en geven wij vooral acht op de verschillen, die wij er in kunnen opmerken. Met andere woorden, zoeken wij ons duidelijk te maken, waarin het onderscheid bestaat tusschen aanschouwingen, voorstellingen, begrippen en gedachten, want zóóveel verschillende soorten van werkingen van onzen geest gaan met het uitspreken en hooren der woorden gepaard. De boven aangehaalde bepalingen spreken ieder afzonderlijk van begrippen, gedachten en denkbeelden, hetgeen den ongeoefende kan doen denken, dat

[p. 11]

deze woorden volkomen of nagenoeg hetzelfde beteekenen, terwijl juist alleen eene naauwkeurige onderscheiding der werkingen van onzen geest ons in staat kan stellen om de natuur der woorden goed te begrijpen en de gewigtige diensten, die zij den mensch bewijzen, te leeren kennen en naar waarde te schatten. Bij dat onderzoek echter zullen wij de genoemde woorden moeten bezigen in beteekenissen, wel niet strijdig met die, welke men er in het gewone leven aan hecht, maar wij zullen deze beteekenissen deels ruimer, deels enger moeten stellen, dan men pleegt te doen. Wij zijn wel volstrekt gedwongen om daarbij eenigzins van het gewone spraakgebruik af te wijken. Daar men in het dagelijksch gesprek niet gewoon is zoo diep in zijnen geest in te dringen en zulke fijne en strenge onderscheidingen te maken, als wij voor ons doel behoeven, zoo ontbreekt het de taal aan bewoordingen, die juist hetzelfde, niets meer en ook niets minder beteekenen, dan wij hebben uit te drukken. Trouwens zulke, altijd min of meer willekeurige uitbreidingen of beperkingen van de beteekenis der woorden, die men als kunsttermen wil bezigen, zijn in alle wetenschappen zoo noodzakelijk en ook zoo zeer in gebruik, dat wij voor de onze geene verschooning zullen vragen. Maar komen wij ter zake en dalen wij moedig af in de diepte van onzen geest, al zou ook bij die afdaling het hoofd ons wat duizelen en zeer doen; de paarlen, die op den bodem te vinden zijn, kunnen onze moeite honderdvoudig beloonen. Gelooven wij het getuigenis van hen, die gewoon zijn zich in zich zelven terug te trekken en de gangen van hunnen geest te bespieden; zij allen verzekeren, dat ook bij dat werk het begin het moeijelijkste is, dat ook daarbij oefening vaardigheid geeft, en dat het na eenige volharding niet slechts eene zeer vruchtbare, maar ook eene hoogst aangename bezigheid wordt de werkingen van zijnen eigenen geest gade te slaan. Vergeten wij vooral niet, dat, zoo wij voor de moeijelijkheden terug deinzen, de ware natuur van het woord en van alles, wat daarop rust en daaruit voortvloeit, zich voor eeuwig voor ons verborgen

[p. 12]

houdt, en dat Spraakkunst en Stijlleer zich dan ook nimmer in het ware daglicht aan ons vertoonen zullen. Beginnen wij met te zien, en vooral bij ons zelven waar te nemen, wat aanschouwingen zijn.

Door aanschouwing verstaan wij de gezamenlijke indrukken, die de waarneming van iets buiten of binnen ons in onze ziel verwekt. Zoo maken b. v. het gezigt, de reuk en de smaak eener spijs en het genoegen of de walging, die het eten daarvan te weeg brengt, te zamen genomen de aanschouwing van die spijs uit. Derhalve, wanneer de afzonderlijke indrukken, die onze zinnen van eenig voorwerp ontvangen, tot ons bewustzijn komen en door onze ziel tot eene eenheid verbonden worden, dan hebben wij eene aanschouwing van datgene, hetwelk die indrukken veroorzaakt.

Uit het gezegde volgt vooreerst, dat wij de woorden aanschouwen en aanschouwing hier in eene veel ruimere beteekenis nemen dan in het dagelijksche leven. Wij aanschouwen niet alleen hetgeen wij met onze oogen zien, maar ook hetgeen wij hooren, voelen, ruiken en smaken. Wij hebben dus ook aanschouwingen van muziek en, wat vooral niet te vergeten is, van woorden, zoowel van gesprokene als van geschrevene woorden.

Wanneer eene aanschouwing niet al te vlugtig voorbijgaat, vooral, wanneer zij bij herhaling plaats grijpt, dan laat zij eenen min of meer duidelijken afdruk in de ziel na, en dan verkrijgt deze ten gevolge der haar ingeschapene terugroepende verbeeldingskracht het vermogen om, ook wanneer het voorwerp niet tegenwoordig is, dien afdruk min of meer getrouw naar willekeur te hernieuwen, vast te houden en op haar gemak te beschouwen; zij aanschouwt dan eene vroegere aanschouwing; zij heeft dan de aanschouwing van eene aanschouwing. Eene aanschouwing van eene aanschouwing noemt men voorstelling. Men heeft derhalve voorstellingen van afwezige dingen, die men eenmaal aanschouwd heeft; b. v. van een gebouw, dat men gezien, van een muziekstuk, dat men gehoord, van eenen maaltijd, dien men bijgewoond heeft. Vooral moet

[p. 13]

men niet voorbijzien, dat men ook eene voorstelling heeft van een woord, en dat het zich vertegenwoordigen of voorstellen van zulk een spraakgeluid juist datgene is, hetwelk men gewoon is te noemen: een woord zacht bij zich zelven uitspreken.

Wanneer twee aanschouwingen te gelijker tijd of kort na elkander tot ons bewustzijn komen, dan verbinden zij zich onderling zoodanig, dat zij het vermogen erlangen om elkander wederzijds te voorschijn te roepen, zoodat, wanneer eene der beide aanschouwingen, door welke oorzaak dan ook, in onze ziel hernieuwd wordt, de andere zich terstond en als van zelve als voorstelling in ons opdoet. Komen wij b. v. op eene plaats, waar wij iets buitengewoons hebben zien gebeuren, terstond herinneren wij ons het voorgevallene; zien wij eenen bekende, dan denken wij al lichtelijk aan het een of ander, dat wij hem hebben zien doen of hooren zeggen. Wat hier van aanschouwingen gezegd is, geldt natuurlijk evenzeer van voorstellingen, begrippen en gedachten, en de hier beschrevene wijze, waarop de eene aanschouwing, voorstelling of gedachte de andere opwekt, is eene der wetten van de gedachtenopvolging.

Wanneer men eene aanschouwing van iets heeft en daarbij te gelijker tijd door anderen steeds hetzelfde woord hoort uitspreken, dan verbindt de ziel, volgens de zoo even beschrevene wet der gedachtenopvolging, de aanschouwing van dat iets en de aanschouwing van het gehoorde spraakgeluid met elkander, en het spraakgeluid wordt dan de benaming of uitdrukking van, d. i. het woord voor die aanschouwing. De aanschouwing van het voorwerp kan zich dan doorgaans niet hernieuwen, zonder dat men zich het woord herinnert; en omgekeerd verkrijgt het woord het vermogen om de voorstelling of aanschouwing der aanschouwing van het voorwerp te veroorzaken.

Wanneer wij uit eene aanschouwing of voorstelling al datgene verwijderen, wat niet eigenlijk gezegd tot het voorgestelde behoort, namelijk alle toevallige omstandigheden en de betrekking tot, of den zamenhang met andere dingen, inzonderheid

[p. 14]

den aangenamen of onaangenamen indruk, dien het op ons maakt, zoodat wij in de voorstelling alleen datgene overhouden, wat het wezen van het voorgestelde uitmaakt, dan verkrijgen wij een begrip. Zoo verkrijgen wij b. v. het begrip van rood door uit de aanschouwing of uit de voorstelling van eene roode roos of van een rood lint de voorstelling van de roos zelve of van het lint weg te denken; en op dezelfde wijze vormen wij ons begrippen van warmte, blijdschap, wijsheid, wasdom, schande enz. - Een begrip is derhalve de zuivere voorstelling van hetgene het wezen van iets uitmaakt.

Een soortbegrip wordt verkregen, wanneer wij uit verschillende voorstellingen van dingen van dezelfde soort al datgene verwijderen, wat het eene ding van het andere onderscheidt, zoodat in de voorstelling alleen overblijft, wat aan al die voorstellingen gemeen is. Op deze wijze vormen wij ons de soortbegrippen van een mensch, dier, huis, tafel enz.; en het is duidelijk, dat zoodanige soortbegrippen wederom niets anders zijn dan de voorstellingen van hetgeen het wezen van een mensch, dier, huis, tafel enz. uitmaakt. Dikwerf wordt door het woord begrip alleen een soortbegrip verstaan, doch blijkbaar ten onregte, daar men zich ook begrippen vormt van dingen, die eenig zijn in hunne soort.

Begrippen zijn derhalve gezuiverde voorstellingen, die niets anders bevatten dan hetgeen het wezen van iets uitmaakt, en die zich telkens op dezelfde wijze herhalen in elke aanschouwing of voorstelling, die men heeft; doch alsdan altijd vermengd en vermeerderd met eene menigte bijzonderheden en kenmerken, die aan het aanschouwde of voorgestelde voorwerp in het bijzonder eigen zijn. Zoo bestaat b. v. de aanschouwing of voorstelling van eenen bepaalden boom altijd uit de zuivere voorstelling van het begrip boom, vermeerderd met de voorstelling van de hem in het bijzonder eigene kleur, vorm, dikte, hoogte enz.

Uit hetgeen wij gezegd hebben blijkt, dat het vormen van begrippen eene bewerking is, waaraan de geest de aanschouwingen

[p. 15]

en voorstellingen onderwerpt; en het is duidelijk, dat het wel gelukken daarvan vooreerst afhangt van de deugdelijkheid der stof, die bewerkt wordt, en vervolgens van de meer of minder geschikte wijze, waarop de geest te werk gaat en de stof behandelt.

Deugen de aanschouwingen of voorstellingen niet, zijn zij onvolledig uithoofde van de onvolmaaktheid onzer zintuigen, of wel uit gebrek aan belangstelling en opmerkzaamheid, het noodwendig gevolg zal zijn, dat het begrip, hetwelk wij uit die aanschouwingen opmaken, onvolledig wordt. Wie de kleine oogen der mollen voorbijziet of niet naauwkeurig genoeg beschouwt, die zal zich met Plinius een verkeerd begrip van den mol maken, als van een dier, dat blind is.

Maar ook ten andere is het niet minder duidelijk, dat de bewerking der aanschouwingen en voorstellingen niet altijd wel gelukt. Het onderkennen van het toevallige en overtollige, dat uit de aanschouwingen moet verwijderd worden, en van het wezenlijke, dat moet behouden blijven, vereischt dikwijls eene mate van scherpzinnigheid, als niet alle menschen bezitten. Wie b. v. met de oude grammatici van oordeel is, dat de plaats, waar sommige woorden zich in den zin bevinden, tot het wezen dier woorden behoort, die maakt zich noodwendig verkeerde begrippen van lidwoorden en voorzetsels, als van woorden, die, onder andere kenmerken, ook dit bezitten, dat zij vóór de zelfstandige naamwoorden geplaatst worden.

Uit het aangevoerde volgt, dat niet alle menschen van dezelfde zaak hetzelfde begrip hebben, en dat er onjuiste, onzuivere, en gebrekkige begrippen zijn, evenzeer als juiste, zuivere en volledige. Intusschen ieder mensch vormt zich begrippen, van welken aard dan ook, en de begrippen, die hij zich gevormd heeft, maken voor hem in het bijzonder datgene uit, wat men door de beteekenis der woorden te verstaan heeft. Het is voornamelijk aan de onvolkomenheid der begrippen toe te schrijven, dat niet alle menschen aan hetzelfde woord dezelfde beteekenis hechten, en dat zij elkander dikwijls niet begrijpen.



[p. 16]

De werkingen van den geest, aan de woorden verbonden, bestaan wel in den regel in voorstellingen en begrippen, maar er zijn ook woorden, die eene volledige gedachte uitdrukken. Wij hebben dus ook nog na te gaan, wat gedachten zijn.

Wanneer wij uit eene aanschouwing of voorstelling een of meer kenmerken of bijzonderheden afzonderen, ons afzonderlijk voorstellen en ons duidelijk bewust worden, dat zij tot de aanschouwing of voorstelling behooren, dan vormen wij eene gedachte. Wanneer wij b. v. een fraai, nieuw, groot schip snel zien zeilen, of ons een zoodanig schip zeilend voorstellen, zoo kunnen wij op een of meer kenmerken in die gansche aanschouwing of voorstelling bijzonder onze aandacht vestigen, ze als het ware van de voorstelling afscheiden, ons afzonderlijk voorstellen en daarna weder met de voorstelling verbinden. Wij hebben dan eene volledige gedachte, die in woorden uitgedrukt, aldus luidt: dat groote, fraaije, nieuwe schip zeilt snel, of dat snel zeilende schip is groot, of nog nieuw, of zeer fraai enz. - Maar men kan in eene aanschouwing of voorstelling ook de afwezigheid van eene hoedanigheid of werking opmerken, zich dat afwezige te gelijk met de aanschouwing voorstellen en zich van dat gemis duidelijk bewust worden. Men heeft dan eene negatieve gedachte en scheidt de beide voorstellingen: dat groote, fraaije, nieuwe schip ligt niet vast, of is niet sterk. Eene gedachte bestaat derhalve uit drie werkingen of verrichtingen van den geest: de geest heeft eene aanschouwing of voorstelling, die men gewoon is het onderwerp te noemen; - de geest stelt zich een gedeelte dier aanschouwing of voorstelling, of wel eene hoedanigheid of werking, die niet in de aanschouwing ligt, afzonderlijk voor, - en eindelijk, de geest erkent in het eerste geval, dat de beide voorstellingen verbonden, in het tweede, dat zij gescheiden zijn.

De zoogenoemde imperatieven of gebiedende wijzen zijn woorden, waaraan gansche gedachten verbonden zijn, b. v. aan luister. De geest heeft dan eene aanschouwing van eenen tegenwoordigen persoon en vermist in die aanschouwing de

[p. 17]

voorstelling luisteren. Daar hij intusschen verlangt, dat zij in zijne aanschouwing zal voorkomen, en meent zulks door zijn spreken te kunnen bewerken, zoo zegt hij: luister. Aan dit woord is derhalve al het noodige verbonden, dat tot eene volledige gedachte behoort. - Ook vocatieven, als: vriend! jongetje, jongetje! liefje! schurk! en alle tusschenwerpsels, die geene klanknabootsingen zijn, als: o, wee, ach, ja, neen enz. kunnen als uitdrukkingen van gansche gedachten aangemerkt worden. Ofschoon de gedachte daarbij nog wel niet, of ten minste onvolkomen, in hare deelen opgelost is, zoo zal men toch in elk voorkomend geval eenen zin kunnen bedenken, die juist uitdrukt, wat men door die aan- en uitroepingen wil te verstaan geven.

Uit al het verhandelde is dan gebleken, dat een woord een spraakgeluid is of eene vereeniging van spraakgeluiden, die òf met eene aanschouwing, òf met eene voorstelling, d. i. eene aanschouwing van eene aanschouwing of een begrip, òf met eene geheele gedachte gepaard gaat. Zien wij thans welk gebruik wij van de woorden maken, welke onwaardeerbare diensten zij ons bewijzen.

Wanneer wij eene voorstelling krijgen, hetzij door onmiddellijke aanschouwing van iets tegenwoordigs, hetzij die voorstelling iets afwezigs betreft en slechts door de eene of andere aanleiding als van zelve in onzen geest opkomt, dan herinneren wij ons meestal terstond het daarbij behoorende woord, stellen ons dien klank voor of spreken hem luide uit; en zoo wij dan verder over die voorstelling nadenken, dan bekleedt de voorstelling van het woord in iedere gedachte, die wij vormen, de plaats der voorstelling zelve. Komt die voorstelling in onze gedachten voor in verschillende betrekkingen, waarvan het onderscheid door ons duidelijk gevoeld wordt, dan bekomt het woord ook eenen min of meer anderen vorm, - of er komen andere afzonderlijke woorden in onzen geest op, welke aan de voorstelling dier betrekkingen verbonden zijn, - of het woord treedt in de gedachte op eene bestemde plaats, - of wel, het wordt met eene bijzondere stembuiging uitgesproken.

[p. 18]

Kortom wij worden ons geene bijzonderheid in onze gedachten duidelijk bewust, die niet terstond òf door afzonderlijke woorden, òf door eenen bijzonderen vorm, òf door de plaatsing der woorden, òf door den toon vertegenwoordigd of aangeduid wordt; zoodat men met volle recht zeggen kan: wat in de taal niet is uitgedrukt, dat wordt ook niet helder gedacht. Men werpe mij hier niet tegen, dat er in de taal vormen zijn, die zeer verschillende betrekkingen uitdrukken, b. v. de eerste naamval, die behalve als vorm voor het onderwerp en het gezegde, ook nog als vocatief dient om aan te spreken; en de tweede naamval, die de zeer verschillende betrekkingen van bezitter, oorzaak, lijdelijk voorwerp der werking, metaphysisch subject en andere uitdrukt. Men verlieze niet uit het oog, dat niet wij, die door het aanleeren van vreemde talen ons verstand hebben gescherpt, maar dat het gros der natie de taal gevormd heeft, toen dit nog op een laag standpunt van ontwikkeling stond en niet zoo streng onderscheidde, als wij thans kunnen doen. In de betrekkingen, waarin wij nu een hemelsbreed verschil opmerken, zag men òf geen onderscheid, òf men achtte niet noodig dit uit te drukken, dewijl men zonder dat zijn doel bereikte. Zulks is b. v. het geval bij den tweeden naamval, wanneer deze als attributieve genitief gebruikt wordt. Het doel is dan een ander zelfstandig naamwoord te bepalen, en dit wordt volkomen bereikt door eene betrekking van den genoemden persoon of de genoemde zaak tot eenen anderen bekenden persoon of eene andere bekende zaak aan te duiden, zonder dat men juist noodig heeft den aard der betrekking tevens naauwkeurig op te geven. De attributieve genitivus is eenvoudig de uitdrukking van het bijeenbehooren van twee dingen, en niets meer.

Ten andere vergete men vooral niet, dat de taal vroeger in vergelijking met thans veel meer onderscheidene vormen bezat, die door den tijd òf geheel zijn afgesleten, òf aan andere gelijk geworden zijn, en dat wij, hetzij door den toon, hetzij door de rangschikking der woorden, hetzij des noods

[p. 19]

door omschrijving het gemis dier vormen onschadelijk maken. Zoo blijkt b. v. het onderscheid tusschen den nominativus en den vocativus duidelijk genoeg uit den toon, waarop men dezen laatsten uitspreekt, en uit het gemis aan allen zamenhang met andere woorden. Nog altijd blijft het eene waarheid, dat geene voorstelling, geene bijzonderheid in eene voorstelling, geene betrekking van de eene voorstelling op de andere duidelijk wordt gedacht, of zij vindt op eenigerlei wijze in den volzin haren weerklank; en dit is zoo volstrekt noodzakelijk, dat wij bij het achterblijven der aanduiding, zeker kunnen zijn, dat zij òf aan onze aandacht ontsnapt en niet tot ons bewustzijn gekomen is, òf dat wij de vermelding ter bereiking van ons doel niet noodig hebben. Wij kunnen dan ook niet eigenlijk gezegd denken zonder woorden, ten minste niet zonder teekens te bezigen, waarmede wij ons onze voorstellingen vertegenwoordigen. Wat zou er wel van ons denken komen, indien wij, b. v. over eene stoommachine, eenen veldslag of eene staatsregeling willende nadenken, ons telkens al de deelen van het zoo zamengestelde werktuig, of de tallooze verrichtingen en bewegingen van den veldheer en zijne onderhebbenden, of den vorst, zijne ministers en onderbeambten ieder in hunne verschillende werkkringen in alle bijzonderheden moesten voorstellen, en deze langwijlige voorstellingen zoo dikwijls moesten herhalen, als zij het eene of andere lid eener gedachte uitmaakten. Voorwaar, indien zulks al mogelijk ware, de vlugste denker met het getrouwste geheugen zou het in zijn gansche leven niet ver brengen; van onze kennis, die wij immers voor het grootste gedeelte door eigen nadenken verkrijgen, zou niet veel komen; en aan een stelselmatig weten, aan eigenlijk gezegde wetenschappen, viel wel in het geheel niet te denken. Altijd heeft de geest zinnelijke teekens noodig, waaronder hij zich de voorstellingen vertegenwoordigt, en die bij het denken de plaats der voorstellingen vervangen. Woorden nu zijn de eigenaardigste teekens voor onze voorstellingen en gedachten. Daarom brengen wij ons bij het denken in den regel alleen woorden

[p. 20]

voor den geest, en slechts zelden eigenlijke voorstellingen; en wanneer wij over eene voorstelling hebben na te denken, dan werken wij haar in onzen geest wel nader uit en brengen wij ons hare bijzonderheden en kenmerken te binnen, doch al wederom niet die kenmerken zelve, maar de woorden, waarmede ze uitgedrukt worden. Alleen bij voorstellingen, die ons nagenoeg geheel nieuw zijn, en waarmede wij ons nog niet gemeenzaam hebben gemaakt, gebeurt het somtijds, dat wij ons niet met de woorden kunnen vergenoegen, maar genoodzaakt zijn onze verbeeldingskracht te hulp te roepen, teneinde in staat te wezen om de aanschouwing zelve zoo levendig mogelijk te hernieuwen en er in op te zoeken, wat wij voor ons doel behoeven.

Zoo gewigtig, zoo onwaardeerbaar dan is de dienst, die de woorden ons bewijzen, dat wij zonder die teekens onmogelijk geregeld en met eenig goed gevolg zouden kunnen denken. Eerst op eenen vrij hoogen trap van ontwikkeling kunnen wij bij ons denken somtijds voor een gedeelte de woorden ontberen; maar dan moeten zigtbare teekens noodwendig de plaats vervullen. Zulks geschiedt b. v. in de wiskunde. Zoo ziet de geoefende wiskundige in de formule

 

terstond een getal, dat den vierden term in eene evenredigheid uitmaakt, ook zonder de formule eerst onder bewoordingen te brengen; doch het is duidelijk, dat hij het zonder woorden nooit zoo ver zou hebben kunnen brengen.

Uit het aangevoerde blijkt de ongerijmdheid van het gevoelen, dat de taal of de woorden het gereedschap, de middelen of werktuigen zouden zijn, opzettelijk uitgedacht om onze gedachten aan anderen mede te deelen. Zonder woorden kan men niet denken; hoe zou men, zonder eerst de onontbeerlijke middelen voor het denken te bezitten, de middelen door denken hebben kunnen uitvinden? De taal is dan ook geene menschelijke uitvinding; zij is ons met het leven, het gevoel en de ademhaling gegeven en een noodwendig uitvloeisel van de gansche inrichting van ons wezen. Wij spreken, wij bezigen

[p. 21]

de woorden wel is waar ook om aan anderen te kennen te geven, wat wij denken; doch wij doen zulks alleen, omdat de woorden zich zelve als de geschiktste middelen daartoe aanbieden. Dit vooral bewijst de hooge voortreffelijkheid der spraak, dat zij te gelijk twee groote behoeften vervult, dat zij ons in staat stelt om te denken en om het gedachte mede te deelen. Zoo zijn wij dan als van zelven gekomen op de tweede, weinig minder belangrijke dienst, die de woorden ons bewijzen, namelijk de uitdrukking en mededeeling der gedachten, die wij thans te beschouwen hebben.

Veroorzaakt eene aanschouwing of voorstelling, volgens de boven beschrevene wet der gedachtenopvolging, bij den denker de voorstelling en bij den spreker het uitspreken van het daarbij behoorende woord, zoo heeft bij den hoorder volgens dezelfde wet het omgekeerde plaats. Het hooren van die gearticuleerde klanken of het zien der schrifttrekken wekt bij den hoorder of lezer terstond die voorstelling op, die hij voor zich aan het woord pleegt te verbinden; en zulks geschiedt des te gemakkelijker, omdat ook bij hem, even als bij den denker en spreker, het woord in den regel de plaats der voorstelling zelve bekleedt. Vergenoegt hij zich echter niet met het woord, zoo is hij toch in de gelegenheid gesteld om zich de gansche voorstelling, hetzij eene aanschouwing van eene aanschouwing, hetzij een begrip, voor den geest te brengen, en zoo doende dezelfde of nagenoeg dezelfde voorstelling te krijgen, als de spreker heeft.

De aldus bij den hoorder verwekte voorstelling zal eene aanschouwing van eene aanschouwing zijn, wanneer het woord op een voorwerp betrekking heeft, dat hij zelf vroeger heeft aanschouwd; en de juistheid en levendigheid zijner voorstelling zal dan grootendeels afhangen van de naauwkeurigheid, waarmede hij vroeger heeft waargenomen. Doch betreft het gehoorde woord een voorwerp, dat de hoorder nooit te voren aanschouwd heeft, dan verwekt het natuurlijk bij hem niets meer dan een begrip, hetwelk slechts door bijvoeging van verschillende andere woorden tot eene min of meer levendige

[p. 22]

aanschouwing kan uitgewerkt worden. Het is niet onvermakelijk na te gaan, hoe elk woord in het bijzonder daaraan het zijne toebrengt.

Zondert men de eigennamen uit, dan is aan elk woord op zich zelf alleen de voorstelling van een begrip verbonden. Een gemeen zelfstandig naamwoord teekent dus als het ware in den geest des hoorders slechts eene schets, die uit bloote omtrekken bestaat en niets meer voorstelt dan de gezamenlijke kenmerken, die noodwendig tot het wezen van het voorgestelde behooren. Elk bijvoegelijk naamwoord echter, dat het zelfstandig naamwoord verzelt, teekent in die schets de eene of andere bijzonderheid, voegt er eenen trek aan toe, brengt licht of schaduw aan, geeft kleur aan de teekening. De bijvoegelijke voornaamwoorden en voorzetsels stellen het beeld in betrekking tot andere beelden; en eindelijk het werkwoord stort er leven in, bezielt het, vertoont het in volle werking. Zoo ontstaat als door betoovering voor den geest des hoorders een levendig tafereel, dat dikwijls in staat is om de liefelijkste aandoeningen, de hevigste smart, de vreeselijkste hartstogten te veroorzaken.

 

Uit het behandelde laten zich verscheidene voor de taalbeschouwing, het taalonderwijs en de stijlleer zeer belangrijke gevolgen afleiden; wij zullen ons echter voor het oogenblik slechts tot eenige weinige bepalen, die wij bij wijze van voorbeelden zullen vermelden.

Uit de natuur van het woord volgt vooreerst, dat een woord onmiddellijk slechts betrekking heeft op eene voorstelling, op eene werking in den geest, en alleen middellijk op een voorwerp buiten ons; een woord stelt niet eene zelfstandigheid, hoedanigheid, werking of betrekking voor, maar blootelijk de voorstelling daarvan, en niets meer. Het toepassen van de voorstelling op iets werkelijks buiten of ook wel binnen ons wordt geheel aan den hoorder of lezer zelven overgelaten. Bij elk woord, dat wij uiten, bij elken volzin, dien wij tot een ander richten, heeft men dus vier verschillende dingen te onderscheiden:

[p. 23]

1. het voorwerp, dat genoemd wordt; 2. de voorstelling van dat voorwerp in den geest des sprekers; 3. het woord, door den spreker geuit en door den hoorder vernomen; en 4. de voorstelling, die de hoorder daarop in zijnen geest vormt en op het bedoelde voorwerp toepast. Hoe vreemd en paradox het beweren ook moge klinken, dat een woord met het voorwerp eigenlijk niets te maken heeft, men zal er de waarheid van inzien, wanneer men opmerkt, dat de beteekenis van een woord dikwijls in het geheel niet overeenstemt met de natuur van het voorwerp, maar altijd met den vorm, waaronder de geest zich het voorwerp voorstelt. Het onderscheid tusschen zelfstandigheid en hoedanigheid, tusschen iets, dat op zich zelf bestaat, en iets, dat niet op zich zelf bestaan kan, maar slechts in of aan iets anders kan gevonden worden, is zoo groot, dat wij er ons niet bij behoeven op te houden. Even zoo en om die reden wordt ook het onderscheid tusschen een zelfstandig naamwoord, eene benaming van eene zelfstandigheid, en een bijvoegelijk naamwoord, eene benaming van eene hoedanigheid, door iedereen duidelijk genoeg gevoeld. En nogtans, in weerwil van deze verschillen, bezigt men niet zelden zelfst. naamwoorden, als zwaarte, duurte, kleur, hitte, wijsheid, om hoedanigheden aan te duiden. Blijkbaar geschiedt zulks in die gevallen, waarin men eene hoedanigheid als het ware uit de zelfstandigheid, waarin zij zich bevindt, uitneemt, afzondert en als iets, dat ook op zich zelf bestaat, beschouwt. Gebruikt de spreker een zelfst. naamw. ter aanduiding eener hoedanigheid, dan stelt hij zich die hoedanigheid als eene zelfstandigheid voor, en wil hij, dat ook de hoorder zulks doen zal. Hieruit blijkt intusschen ten duidelijkste, dat het zelfst. naamw. eigenlijk slechts op de voorstelling betrekking heeft en niet op het voorgestelde, dat immers van eene geheel andere natuur is dan de voorstelling. - Werkwoorden zijn de woorden, die aan de werkingen der dingen doen denken, en evenwel drukken sommige zelfst. naamwoorden, als loop, beleg, wandeling, werkingen uit; en men bezigt deze woorden telkens, wanneer men de werking

[p. 24]

in zijne gedachten van de werkende zelfstandigheid afzondert en zich insgelijks als eene zelfstandigheid voorstelt. - Andere zelfst. naamwoorden, als volk, bosch, kudde maken, dat men, in strijd met de werkelijkheid, eene veelheid als eene eenheid aanmerkt. - Bij sommige bijv. naamwoorden heeft een dergelijke strijd tusschen werkelijkheid en voorstelling plaats. Eene hoedanigheid is iets, dat aan of in eene zelfstandigheid gevonden wordt, en evenwel zijn er bijv. naamwoorden, als laat, voormalig, gindsch, afwezig, die betrekkingen, d. i. dingen, die niet in eene zelfstandigheid liggen, als ware hoedanigheden voorstellen.

Het aangevoerde zal, achten wij, meer dan toereikende zijn om den lezer te overtuigen, dat een woord eigenlijk slechts eene voorstelling vertegenwoordigt; maar eene andere vraag is, of dit in leerboeken en bij het onderwijs behoorlijk d. i. zoo veel doenlijk, in acht genomen wordt. Het antwoord make men zelf op, wanneer men somtijds het zelfstandig naamwoord met de zelfstandigheid ziet verwarren en bij het vertoonen van een boek of potlood op de vraag: ‘Wat heb ik hier’? hoort antwoorden: ‘Een zelfstandig naamwoord, meester’. Verwart men het ding met het woord, welk begrip heeft men dan van een woord? en wat zal men dan van de voorstelling weten? Intusschen moet men den gewonen onderwijzer hierover niet te hard vallen; dergelijke onverklaarbare begripsverwarringen overkomen wel wijsgeren van professie, van wie men zulks zeker wel het minst verwachten zou. Zoo leest men in eene ‘Handleiding tot het onderwijs in de zinsontleding bij het lager onderwijs’ dat ‘een volledige zin’, d. i. eene reeks van woorden, ‘uit twee hoofddeelen bestaat, een onderwerp’ (d. i. dus één of meer woorden), ‘daarover gesproken of daar iets van gezegd wordt enz.’ Volgens deze definitie zouden de woorden: ‘onrijpe druiven’, niet de druiven zelve, ‘zuur moeten smaken’. Men zegge niet, dat dit alles er niet zoo juist op aan komt, dat men alles zoo precies niet behoeft te nemen, dat men toch wel begrijpt, wat bedoeld wordt; het verwarren van dingen, die wezenlijk zeer

[p. 25]

van elkander verschillen, heeft den nadeeligsten invloed op de ontwikkeling van het denkvermogen, het maakt warhoofden en is mede eene oorzaak van een verwarden en duisteren stijl. Men kan de jeugd niet te veel gewennen aan streng onderscheiden en logisch juist denken.

Hetgeen wij aangaande de natuur der woorden geleerd hebben, strekt ter verklaring en beoordeeling van verschillende uitdrukkingen, die men gewoon is ten opzigte van de woorden te bezigen. Men zegt, dat een woord dit of dat beteekent, uitdrukt, te kennen of te verstaan geeft, vermeldt, aanduidt. Al deze bewoordingen zijn min of meer figuurlijke uitdrukkingen, die blijkbaar niets anders beteekenen dan: dit of dat woord heeft het vermogen om bij den hoorder deze of die voorstelling te verwekken. Zij hebben dus haren grond in de vroeger algemeen heerschende zienswijze, volgens welke de woorden middelen zouden zijn, uitgevonden om onze gedachten aan anderen mede te deelen. Zij geven derhalve de woorden slechts van ééne, en wel van hunne minder belangrijke zijde te beschouwen; aan hunne hoofdeigenschap, dat zij plaatsvervangers of vertegenwoordigers zijn van de voorstellingen, wordt daarbij niet gedacht. Klaarblijkelijk zou het beter zijn te zeggen: dit of dat woord vertegenwoordigt deze of die voorstelling; want dan zinspeelt men op de dienst, die de woorden zoowel aan den denker en spreker als aan den hoorder bewijzen. Daar deze uitdrukking echter te lang en te omslagtig is om in alle gevallen gebruikt te worden, zoo zal men wel altijd genoodzaakt blijven nu en dan de boven opgenoemde kortere bewoordingen te bezigen. Intusschen loopt het in het oog, dat zulke figuurlijke uitdrukkingen niet geschikt zijn om de ware gesteldheid der zaak te doen kennen, en dat men wel zal doen, zoo veel men kan, de eigenlijke uitdrukking te bezigen. In het algemeen zijn figuurlijke bewoordingen en vergelijkingen in de wetenschappen zoo veel mogelijk te vermijden; en in bepalingen of definities behoorden zij nooit voor te komen, dewijl zij, zoo ze al geene denkbeelden aanbrengen, die niet tot de zaak behooren, en dus niet rechtstreeks

[p. 26]

schade doen, altijd toch de oorzaak zijn, dat men de eigenlijke uitdrukking niet bezigt, die alleen geschikt is om de zaak in hare ware natuur voor te stellen.

De boven aangehaalde uitdrukkingen hebben alle nog eenen gezonden zin, zijn onschuldig te noemen; maar men hoort en ziet er bezigen, die de schromelijkste begripsverwarring verraden en daarom ten sterkste zijn af te keuren. Wat zal men b. v. zeggen van levende ‘letters, die op zich zelve een geluid geven’? van ligchamelijk werkende ‘naamwoorden, die eene zelfstandigheid tot voorwerp hebben’? van denkende en sprekende ‘zelfst. naamww., die aan iemand eene werking of eigenschap toekennen’? van gedienstige ‘werkwoorden, die eene werking tot den werkenden persoon terugvoeren’? van fabuleuze ‘werkwoorden, die een bedrijf beteekenen, waarvan het lijdende voorwerp [ligchamelijk] in het werkwoord ligt opgesloten, b. v. visschen’? Welken verstandigen zin kan men aan zulke uitdrukkingen hechten? Niemand zou er dan ook iets van kunnen begrijpen, indien niet de voorbeelden te hulp kwamen, of liever, in weerwil van de definitie, het gansche werk verrichtten. Indien voorbeelden alleen het begrip moeten aanbrengen, dan late men nog liever dien onzin geheel achterwege. Intusschen ben ik geenszins van gevoelen, dat men bepalingen ontberen kan. Wij hebben boven gezien, hoe wij ons uit aanschouwingen en voorstellingen begrippen vormen, wat de geest daarbij te doen heeft, en hoe deze daarbij falen kan. Passen wij dit hier toe. De voorbeelden moeten de voorstellingen leveren, en de definitie moet den geest bij de bewerking der voorstellingen besturen. Deze moet hem opnoemen, wat hij in het begrip behouden moet, op dat het volledig worde, en bij gevolg ook zijdelings aantoonen, wat hij uit de voorstellingen te verwijderen heeft om een geheel zuiver begrip over te houden.

Nog een aantal andere nuttige wenken en leeringen zouden wij uit het beschouwde kunnen trekken; intusschen zal hetgeen wij bijgebragt hebben reeds genoeg zijn om den lezer het hooge belang eener juiste kennis van de natuur der woorden

[p. 27]

te doen beseffen en hem te overtuigen, dat die kennis den grondslag uitmaakt niet alleen van de Spraakkunst en Stijlleer, maar eigenlijk ook van de Onderwijskunst.

L.A. te Winkel.