SPROKKELS,
|
1) Opgenomen in de N. Reeks der Werken van de
Maatschappij van Nederl. Letterkunde te Leiden, D. VII, St. 2.
|
|
van een vischhoeker zijn, en op andere plaatsen bij Berkhey zoude gover, een doek, huif of kleedingstuk te kennen geven. Het gevoelen van Bilderdijk, die in zijne Verklar. Gesl. lijst, op de w.w. gover, keuvel en kuif, het woord gover door kap, hoed of sluijer, als verwant met het Engelsch cover, verklaart, komt hem minder aannemelijk voor. Niet zonder schroom wagen wij het, om van onzen taalkundigen vriend te verschillen. De meening van Bilderdijk schijnt ons gegrond, en zij wordt met de plaatsen van Berkhey, door Dr. De Jager aangehaald, bevestigd. Duidelijk is het, dunkt ons, dat Berkhey door goverzeil niets anders verstaat dan het bovenste zeil, gewoonlijk topzeil genaamd. Een kundig en bevaren Zee-Officier bevestigt dit, en beweert, dat goverzeil dus nimmer eene verbastering kan zijn van het woord schoverzeil, thans verouderd, waarvoor nu bij het zeewezen het woord grootzeil wordt gebruikt. Voorzeker is goverzeil niet door Berkhey uitgedacht. In zijne werken komen vele oude woorden voor. Hij gebruikt dit woord op twee plaatsen, en gover op twee andere, alle door Dr. De Jager aangewezen. Wij laten die hier volgen: 1. Uit het HS. der Lijkgedachtenis, Couplet 215.
2. Zeetriumph, II, 294.
3. Uit het HS. van Berkhey door Bilderdijk medegedeeld in de Krekelzangen, II, 212.
4. In de ernstige en boertige vertellingen mijner jeugd, bl. 24.
Uit de derde plaats is het zeer duidelijk, dat gover door Berkhey voor muts, kap of hoed is genomen. Immers tot op onzen tijd wordt de lamfer van den hoed afhangende, als teeken van rouw gedragen bij begrafenissen, alsmede door de aansprekers bij de bekendmaking van het overlijden. De opvatting van Bilderdijk en zijne vergelijking met het Engelsch cover schijnt juist, en onze taalkenners zullen het woord wel bij onze ouden aantreffen; ook de verzekering van Bilderdijk waarborgt ons, dat het bij hen voorkomt. Er blijft nog overig, hoe de uitdrukking in de Zeetriumph:
moet worden begrepen. Ook hier over hebben wij niet te vergeefs onzen Zee-Officier geraadpleegd, die het dekken der zeilen door het topzeil aldus voldoende opheldert: ‘wil men stil liggen met handzaam weder, dan neemt men de onderzeilen en de brandzeilen weg, en brast een der marszeilen tegen, waardoor dit (vooral, als men het andere tegenhaalt) het andere dekt. De Engelschen noemen topzeilen, wat wij marszeilen heeten. Ook wij geven op schooners en andere vaartuigen, die geene eigenlijke marszeilen voeren noch marsen hebben, den naam van topzeilen. Men drijft dikwijls eene rivier af alleen met het topzeil, doch in zee niet dan als bijliggende of lenzende.’ 5.Paardje.Op alle de Noord-Hollandsche kaasmarkten korten de kooplieden aan de
boeren bij de betaling, voor elken stapel, te Hoorn dertig en elders
vijfentwintig centen, waarvoor de verkooper eenige verversching, als koffij,
bier, wijn of sterken drank, kan eischen. Op de graanmarkt is dit mede
gebruikelijk. Deze korting draagt den naam van het paardje, en is,
volgens de overlevering, reeds sedert onheugelijken tijd in zwang. Zij moest
strekken ten voordeele des kasteleins of des winkeliers, in wier huizen de
betaling geschiedde, omdat de verkooper dikwijls uit eigen beweging geen vertering maakte. Deze korting wordt nimmer betwist, ook dan niet, als de koopman te zijnen huize betaalt. Maar wat beteekent nu de zonderlinge naam van paardje? Ook hier kan het Woordenboek van Kiliaan opheldering geven. Men leest aldaar v. peerdeken: ‘peerdeken, peerdken. vetus. sicamb. j. anderhalven stuyver, twee blancken: numus sic dictus ab effigie equitis.’ Het paardje was dus een oud muntstuk, waarop een ruiter te paard was afgebeeld, even als onze gouden rijders van den ruiter den naam ontleenden. Het geldstuk verdween, maar de korting bleef, doch werd in den loop der tijden verhoogd. Onlangs vonden wij in het Glossarium op Bredero van den Heer Oudemans het woord paartje verklaard, als: ‘eene zekere biermaat, de helft van een vaan, een mengel.’ Nu komt bij ons het vermoeden op, dat die biermaat in oude tijden anderhalven stuiver kostte, en dus hare benaming van dit kleine geldstuk bekwam. Voor de korting heeft de boer van het bierdrinkend voorgeslacht, toen koffij en sterke drank nog niet in zwang waren, eene maat bier genomen. Wij wagen eene soortgelijke gissing ten aanzien van het woord vaan, dat meer bekend is. Het beteekent, volgens den Heer Oudemans in v., eene maat voor drank, meestal voor bier, waarschijnlijk gelijk staande met twee pint. Het is niet onmogelijk, dat deze maat, even als het paardje, den naam van een muntstuk ontleende, waarop eene vaan of vaandel voorkwam. Mijn geachte vriend Van der Chijs, hier over door mij geraadpleegd, meldde mij, dat op vele oude munten, inzonderheid van Vlaanderen en Henegouwen, een ruiter is te zien met eene lans, aan welke eene vaan is gehecht. Deze stukken hadden den naam van grooten met den ruiter, of cavaliers. Het kwam hem niet onwaarschijnlijk voor, dat zulke geldstukken in de volkstaal vaan of vaantje konden heeten, zooals bij Bredero namen van geldstukken voorkomen, hem van elders onbekend. Evenwel onze gissing over dit woord blijft onzeker, zoolang het als
geldstuk niet bij een onzer oude schrijvers wordt gevonden. De afleiding van Bilderdijk wijst op een anderen oorsprong, dan hierover mogen taalkundigen beslissen 1) . |
1) [Ter bevestiging van de verklaring, hier
door den heer
Pan gegeven, moge de volgende aanteekening
strekken, uit den Holl. Spectator van
Van Effen, bij zijn 91e vertoog
gevoegd: ‘Hoewel ik niet van zins ben den Spectator door Aenteekeningen
op te helderen, vinde ik hier echter een uitdrukking, die in alle Provincien
onzer Nederlanden, zelfs in verscheiden steden en daeraen palende Dorpen en
Landstreken onverstaenbaer, ten minsten zeer dubbelzinnig zyn moet. Hy spreekt
van een paertje te houden, dat is een weddenschap te willen aengaen
om een paertje. Door dit paertje moet men geenszins verstaen, dat de
Boer, die hier de weddenschap voorstelde, wedden wilde om een jong of klein
Paerd, welk voorstel met de vasthoudendheid van Boeren, onder malkander,
ongetwyfelt geen aengang kon vinden. Maer de Boer, die hier onderstelt word,
spreekt, gelyk Boeren in Rhynland gewoon zyn te spreken van een kannetje
Biers, dat één Mingelen of twee Pintjes, by gevolg een
paar pintjes houd, en wil derhalve een weddenschap aengaen, die Boeren
begelden kunnen. Myn geheugen zegt, dat in andere streken van Zuidholland de
uitdrukking van een paertje, in den genoemden zin, mede plaats heeft;
maer in Amsterdam, en in meer andere steden, kan ik my niet erinneren dat zy my
is voorgekomen.’ -
A. D. J.]
|