[p. 38]

IETS OVER DE AFLEIDING VAN HET WOORD VIERSCHAAR.

door

J.H. van Dale.

 

Door twee van Neêrlands bekwaamste taalkundigen is onlangs bij vernieuwing de afleiding van het woord Vierschaar ter sprake gebragt: door Dr. L.A. te Winkel in het Nieuw Nederl. Taal-Mag., III, No. 3, bl. 161, en door Dr. W.G. Brill in Dr. De Jagers Nieuw Archief, St. 5, bl. 421. Het onderzoek der genoemde taalkenners heeft tot het besluit geleid, ‘dat het eerste bestanddeel van het woord Vierschaar werkelijk niets anders wezen kan, dan het woord vier.’ Dit toch wordt ten sterkste bevestigd door ‘de oude duitsche spreekwijzen: binnen den vier bänken en vor die vier bänke kommen, welk laatste zooveel beteekent, als voor de vierschaar verschijnen.’

De verklaring van het tweede lid der zamenstelling levert meer bezwaar op. Dr. Brill verklaart het als eene wijziging van schoor, d. i. stut, schraag, gelijk schraag dan ook in het hoogduitsch schranne heet. Vierschranne heet dan ook oudtijds regtbank, gelijk reeds door Warnkönig, die vierschaar door en gelijk vierschranne verklaart, in zijne Flandrische Staats- und Rechtsgeschichte bis zum Jahr 1301 is opgemerkt. Zijn wij overtuigd, dat het eerste lid van het woord, vier, een telwoord is, gelijk wij zulks dan ook aan het slot dezer aanteekening door de mededeeling van een stuk uit de 14e eeuw nader hopen te bevestigen, wij aarzelen alsnog de verklaring van schaar door schoor de ware te noemen. In de bescheiden

[p. 39]

en keurbrieven der 14e en 15e eeuw heeft het woord vierschaar, zoo niet altijd, ten minste dikwijls den vorm van vierscarne, en zou dit niet hetzelfde zijn als vierscranne, en door letterwisseling daaruit ontstaan? Uit vierscranne is dan vierscarne, vierscaerne, vierscare gevormd. Wij laten hier uit het Boek met den knoop, onder de Archiven der stad Aardenburg berustende, eene aanhaling volgen, waaruit, o. i., overtuigend blijkt, dat men in de 14e eeuw, toen men de beteekenis en den oorsprong van het woord nog wel gekend zal hebben, het eerste lid vier als een telwoord beschouwde. Eene scranne of scarne moet destijds iets bekends zijn geweest, daar het hier, niet alleen in verbinding met vier, maar ook als een op zich zelven staand woord, substantief, voorkomt.

Aldus luidt de opmerkelijke aanhaling, getrokken uit het hoofdstuk des genoemden boeks, dat ten opschrift draagt:

Hier machmen vinden ghescreven tale ende wedertale ende die v'mete die der tale toebehoren.

 ‘bailiu, wildi dinghen?
 jaíc, Scouteete.

Ic maenne ju heeren, ju scepenen, jof so hoghe anden dach gheghaen is, dat ic vierscarne bannen mach, omme elken meinsche recht ende wet te doene, die te deser viersc'ne commen zal, ende wets ane mi begheren zal; nu seghet daerof recht, N! ic maens hu ende huwen ghesellen. Scepenen. Es die clocke gheluud? C. jaes heere. Scepenen. Zo dinct mi, dat so hoghe anden dach es gheghaen, dat ghi viersc'ne bannen moghet, omme elken mensche recht ende wet te doene, die te deser .IIII. sc'ne commen sal ende rechts ende wets ane hu begheeren sal. Scouteete. Hier so banne ic dese .IIII. sc'ne van mijns heeren weghe van Vlaenderen; dat dese niemene v'terde, v'roupe, noch v'juke; dat niemene en spreke, en zij bi rade ende bi taelmanne, ende dat niemene taelman en worde, en zij bi oorlove; 'tslop vander vierscarne ghebiedic te rumen up die hogheste boete, ende dit es lx û.’