[p. 40]

EEN BIERVLIETENAAR MAG TWEEMAAL ZIJN MES TREKKEN.

door

J.H. van Dale.

 

Onder de spreekwoorden, welke het bijzonder eigendom zijn van 't Westelijk deel van Zeeuwsch Vlaanderen, verdient het bovengenoemde, voor zoo verre ons bekend is, nergens nog opgenomen of verklaard, eene eerste plaats. Hoe 't gebruikt wordt, blijkt uit het volgende. Is men ergens te gast, en wordt ons eenige spijs of drank voorgezet, dan kan men, na er behoorlijk gebruik van gemaakt, zijn mes neêrgelegd en bedankt te hebben, bij eene herhaalde uitnoodiging gevoegelijk zijn mes weder opnemen en den maaltijd hervatten, met het gezegde: een Biervlietenaar mag tweemaal zijn mes trekken, wel te weten, zoo men te Biervliet t' huis hoort. Is dit het geval niet, en bedankt men, ook bij eene tweede of dringende uitnoodiging, dan geschiedt dit wel met de woorden. Ik ben geen Biervlietenaar. - Naar men wil, heeft dit spreekwoord een' historischen oorsprong. 't Is bekend, hoe dikwijls Vlaanderen in vroeger eeuw door binnenlandschen krijg geteisterd werd, en de Gentenaren daarin immer eene hoofdrol speelden. In October 1384 beproefde Francis Ackerman, Ruwaard te Gend, zich van Biervliet meester te maken, doch zijne pogingen leden schipbreuk. Omstreeks de helft des volgenden jaars herhaalde hij, door eene Engelsche vloot te water gesteund, den aanval, edoch met gelijken ongunstigen uitslag. Ten tweeden male gespten de Biervlietenaars het zwaard

[p. 41]

aan ter verdediging der besprongene veste: de Engelschen moesten wijken; de Gentenaars het beleg opbreken. 't Is in deze beide, kort opeenvolgende afweringen van een' zelfden vijand, dat wij den oorsprong van het spreekwoord zouden zoeken. Dat de Biervlietenaars overigens kloeke lieden waren, bewijst het aandeel dat zij hadden in de verovering van Konstantinopel, onder graaf Boudewijn van Vlaanderen, en de moed waarmede zij in 1488 niet alleen het beleg van Maximiliaan van Oostenrijk doorstonden, maar hem zelfs bij zijn' aftogt vervolgden en drie schepen met krijgsvolk op hem veroverden.

 

S., 20 Nov. 1858.

 

De Redactie doet de vraag, of het spreekwoord: ‘Een Biervlietenaar mag tweemaal zijn mes trekken’ misschien opgehelderd wordt door de opmerking, dat de Zeeuwen het werkwoord mogen in de dubbele beteekenis van mogen en moeten gebruiken. De Biervlietenaars mogten (moesten) eens tweemaal hun mes trekken en daarom mogen (mogen) zij het nog doen (?).

Met het ww. mogen heeft in Zeeland hetzelfde plaats, wat men door het gansche land met moeten heeft zien gebeuren. Eerst had het de beteekenis van kunnen (physieke mogelijkheid), daarna die van mogen (moreele mogelijkheid) en thans heeft het uitsluitend die van noodzakelijkheid.