BIJDRAGE OVER DE WOORDEN VEEL EN ER.Veel.In schier alle geschriften, die tegenwoordig uitkomen, vindt men bovenstaand woord als bijvoegelijk naamwoord verbogen; men leest telkens ‘vele gerechten,’ ‘veler meening,’ ‘velerlei,’ enz., terwijl slechts hoogst zeldzaam het onveranderde veel wordt aangetroffen. Men moet daardoor van zelven tot het vermoeden gebracht worden, dat ons schrijvend publiek het kortere en gemakkelijkere veel voor eene taalfout aanziet. Moge dit vermoeden gegrond zijn of niet, een klein plaatsje voor het betoog, dat vele, veler en wat dies meer zij, op zijn zachtst uitgedrukt, onduitsch zijn, alsmede waarom ze dat zijn, zal men een' voorstander van het oude veel wel niet weigeren. Indien we ons op het volk wilden beroepen, zouden we al terstond tegen de adjectievische verbuiging van gemeld woord dit kunnen aanvoeren, dat de spreektaal het als substantief behandelt, dat is met andere woorden, het onveranderd laat, met uitzondering van den genitief veels, die slechts in enkele zegswijzen nog in zwang is; het meervoud velen wordt nooit gebruikt, om later te vermelden redenen. Zoo iemand mocht meenen, dat veel als meervoud kan staan voor vele, na afkapping der e, zij hij indachtig, dat de kenmerkende e van het meervoud der bijvoegelijke naamwoorden niet uitgelaten mag worden, dus nooit ‘goed menschen’ voor ‘goede menschen’ te dulden is. Wanneer veel voor het Mnl. vele staat, dan is dit op zich zelf al een teeken, dat de slot-e in vele niet de e van het meervoud = Goth. ai is, maar een' anderen klinker vervangt. Voorts zouden we de vraag kunnen opperen, waarom blijven genoeg, wat enz. onveranderd, en schrijft men niet ‘genoege gerechten,’ ‘genoeger meening,’ ‘wie al rampen’ voor ‘wat al rampen?’ Staan de gevallen elkander niet volkomen gelijk? We zouden meenen van ja. Doch dit alles zou waarschijnlijk niet de overtuiging wekken, dat het tegen den aard onzer taal aandruischt, veel als een bijv. naamw. te verbuigen. Laten we daarom liever de zaak een weinig dieper ophalen. en de geschiedenis van veel nagaan. In de oudste der ons bekende duitsche talen, in het Gothisch, is filu, ons veel, een als substantief gebruikt adjectief in het onzijdig geslacht. ‘Veel woorden’ drukt men op zijn Gothisch uit door ‘filu vaurde,’ d. i. door het substantievische filu en den meervoud genitief van vaurd. Alle overige duitsche talen volgen dezelfde constructie 1) . Om allen omhaal te vermijden, verwijzen we den lezer op de litteratuur dier talen in Grimms Gr. IV, 760. Alleen bij het Middelnederlandsch willen we een oogenblik langer stilstaan. In het Mnl. wordt vele = goth. filu = mnl. veel (geldersch völe, spr. völle) verbonden met een' genitief van het meervoud, of bij collectieven van het enkelvoud, even als in de Zustertalen. Zie hier voorbeelden. In den Walewein, vs. 1008 leest men:
vs. 2081:
vs. 4535:
vs. 5278:
|
1) Het Oud-noordsch heeft in plaats van het
als substantief gebruikte filu een substantief fiölth
‘veelheid.’
|
|
In den Roman der Lorreinen (Kar. de Gr.), I, 2155:
II, 735 vgg.:
V, 302:
In Wapene Martijn vs. 439:
Collectieve naamwoorden staan bij veel in den genitief van het enkelvoud. Dat zien we uit Walewein, vs. 4769:
vs. 10597:
Rom. der Lorr. II, 931:
Zoo lezen we vs. 1795: So vele scats. En in den Reinaert, vs. 661:
vs. 1593:
Op dezelfde wijze als vele werden en worden ook wat, iets, genoeg, luttel, iemand, dikwijls ook meer, weinig behandeld. Indien hier en daar eene adjectievische verbuiging van vele voorkomt, zal dit wel van de hand der uitgevers afkomstig zijn, zoo is in den Walewein, vs. 2354, naar het handschrift te lezen: ‘Die coninc, die waerd was vele ere(n),’ en niet, zoo als de uitgever wil, veler. In onze hedendaagsche taal is de genitief van het meervoud niet meer
van de overige naamvallen te onderkennen. Dien ten gevolge blijft het voor het oor ongewis, in welken naamval het meervoudige woord bij veel staat. Wordt daarentegen een enkelvoud vereischt, dan is bij mannelijke en onzijdige woorden de genitief duidelijk kenbaar, bijv. in ‘veel wijns,’ ‘veel werks.’ Het is waar dat men gewoonlijk ‘veel wijn,’ ‘veel werk’ zal zeggen, en slechts van bijv. naamwoorden in het onzijdig geslacht de s behoudt, bijv. in ‘veel goeds,’ ‘wat aardigs,’ ‘iets treurigs,’ ‘weinig beters,’ maar dan blijft veel substantievisch. Men mag ‘veel wijn,’ ‘veel werk’ verklaren zooals men goedvindt, dit staat vast, dat veel hier evenmin bijv. naamwoord of bijwoord is, als in ‘een glas wijn,’ ‘een boel werk’ een glas, een boel, bijvoeg. naamw. of bijwoorden zijn. Maar, zal men ons misschien te gemoet voeren, al vatte ook het Mnl. vele als een substantief op, al stemt onze spreektaal ook daarmeê overeen, zijn de sedert een paar eeuwen door achtenswaardige geleerden ingevoerde vormen vele, veler, velen enz. zoo verwerpelijk? We schroomen niet te antwoorden: ja; want naar onze zienswijze heeft niemand recht iets in de volkstaal te veranderen, vóórdat hij kan aantoonen, dat het volksgebruik op eene dwaling steunt. En dit aan te toonen, zou in het bewuste geval, gelooven we, bezwaarlijk gaan. Ook in taalkunde is het oneindig gemakkekelijker nieuwe wetten te maken, dan oude wetten te begrijpen. - In ons geval is het echter niet zoo moeijelijk te begrijpen, waarom het volk van geen adjectief veel wil weten. Het is licht te verklaren, dat het volk ‘goede daden,’
‘witte rozen,’ ‘menige menschen’ zegt, want het zijn
meervouden van ‘eene goede daad,’ ‘eene witte roos,’
‘menig mensch.’ Maar het volk geeft veel niet het kenmerk
van het meervoud, omdat ‘vele menschen’ niet het meervoud van
‘veel mensch’ kan zijn. We kunnen, zonder aan veel eene
qualitatieve beteekenis te hechten, die het in onze taal nooit bezit, dit woord
niet als adjectief verbuigen. Als substantief kan het in den genitief een
s aannemen, bijv. in ‘veels te groot,’ maar meestal
omschrijft men den genitief, even als bij alle andere substantieven. Wilde men van veel een meervoud vormen, dan zou dit volgens een' bekenden regel velen zijn, even als van ‘een arme’ het meervoud ‘armen’ is. Daar ‘veel menschen’ beteekent ‘eene groote hoeveelheid van menschen,’ zou ‘velen menschen’ naar den aard onzer taal kunnen aanduiden ‘groote hoeveelheden, groote groepen menschen,’ doch dit is niet gebruikelijk, hoewel denkbaar. Maar ‘vele menschen’ en dergelijken zijn met den aard onzer taal in strijd, zijn, naar onze misschien zeer gewaagde meening, taalfouten, waarvoor ieder, die het ‘vox populi, vox dei’ indachtig is, zich moet wachten. Der, [e]r.Zeer opmerkenswaardig is het gebruik van den meervoudgenitief van het aanwijzend voornaamwoord, die, dat, namelijk der of na afwerping der d ook er, na telwoorden of woorden, die in het algemeen hoeveelheid aanduiden. Men zal kunnen zeggen: ‘Ik had honderd gulden; veertig heb ik er verloren, dus houd ik er zestig over;’ of ook: ‘Hebt ge boeken voor me? Neen, ik heb er geen;’ of: ‘Waren er (daar) veel menschen? Ja, er (daar) waren er (der) veel.’ In al deze uitdrukkingen, die men naar welgevallen kan vermeerderen, is er of, zoo als men gewoonlijk in den volksmond hoort, der duidelijk de genitief van het meervoud van die, dat, dezelfde genitief, die ook voorkomt in dergelijke. Waarom deze genitief niet alleen als eigenlijke partitieve genitief, maar ook bij veel, weinig, wat, geen, genoeg staat, zal uit het voorgaande opstel geen opheldering behoeven. Daar geen onzer taalkundige leerboeken, zoover ons bekend is, het gebruik van dit der, er vermeldt, zullen we er eenige voorbeelden van bijbrengen en wel uit onze oudere taal, daar een ieder zich die uit onze hedendaagsche zelf kan kiezen. Zoo wordt in den Walewein, vs. 2967 het volgende gezegd:
Zoo men in plaats van het voornaamwoord het zelfst. naamw. herhaalt, krijgt men der rudders voor er. Voorts vs. 5117:
Neem voor dier hét substantif, en ge krijgt: ‘der acoleyen, der violetten, der lelien.’ Zie ook vs. 78:
vs. 1952:
vs. 6582:
vs. 8201:
In den Rom. der Lorr. II, 1018:
In gevallen, waar de genitief van het enkelvoud der collectieve
naamwoorden gevorderd wordt, dus na woorden die een hoeveelheid beteekenen, kon
het Mnl. van die, dat den genitief des, dies, 's gebruiken, den genitief, dien wij nog over hebben in desgelijks, insgelijks. Tot voorbeeld diene Walewein, vs. 866:
vs. 4769:
Ferguut, vs. 860:
Reinaert, vs. 592:
Thans kunnen we in de gekenschetste gevallen het enkelvoud des, dies, 's niet meer gebruiken, behalve in enkele spreekwijzen, als ‘wat dies meer zij.’ We omschrijven dien genitief door het bijwoord daar van, er van. In het voorbijgaan zij opgemerkt, dat het Fransch zoowel het meervoud der, als het enkelvoud des door een bijwoord, door en, zou moeten uitdrukken. Het bovenstaande moge een nieuw bewijs leveren, hoe in den loop der tijden geheel verschillende woorden, als er uit daar, en er uit der, elkander in klank volkomen gelijk kunnen worden. Hoe verder men de geschiedenis der taal nagaat, des te scherper scheiden zich woorden en vormen. Zoo heden ten dage in dezen volzin: ‘er zijn er veel,’ voor ‘daar zijn der veel’ twee woorden uiterlijk niet te onderscheiden zijn, in de taal, die vóór duizend jaar gesproken werd, in het Oud-Saksisch zou het verschil in vorm voor het oor duidelijk genoeg wezen; men zeide toen ‘thar ist thero filo.’ Nog merkbaarder is het verschil in het Gothische: ‘thar ist thizê filu.’ Onder de hedendaagsche duitsche talen maakt het Hoogduitsch nog het meeste verschil, want daar klinkt er als da, en der als deren.
Maastricht. H. Kern. |