HELSCHE KOUDE.Bij de beoefening der oude Nederl. Letterkunde, nam ik in den beginne, hoe tegenstrijdig het mij ook voorkwam, met volle zekerheid de verklaringen der woorden aan, zoo als die door de uitgevers er aan gegeven werden. Zoo geloofde ik ook, gelijk de uitgevers van den Wapene Martijn verklaarden, dat koude door de Ouden somtijds in de beteekenis van hitte gebezigd werd. Toen ik echter naderhand ondervond, dat men in de verklaringen wel eens mistastte, begon ik wantrouwend te worden, en stelde mij niet meer te vreden door een anders bril, maar begon meer door eigene oogen te zien. Hoe langer hoe twijfelachtiger kwam het mij ook voor, of de uitlegging van het woord helsche coude den toets der waarheid wel zou kunnen doorstaan. Vooreerst vind ik in den Passionaal Wintersf. fo. 87, vo.: Ende hi seide acht punten van d' hellen. Dat was wormen, donckerheden, slagen, coude ende hitte, der duvelen aensien, scande van sonden en geween. Vervolgens in Vondels Lucifer, Bedr. 5, laatste Ton:
Ten slotte in de Litanie voor de Overledenen:
Men zal mij welligt op het laatste punt tegenwerpen dat het vagevuur geen hel is. Hierop gelieve men in aanmerking te nemen, dat eenige van de vroegste Kathol. Godgeleerden reeds van gevoelen waren, dat de pijnen in het vagevuur met die der helle gelijk stonden, met dien verstande, dat de eerste maar tijdelijk zijn. Die voorstelling vindt men duidelijk in 't Leven van St. Christina vs. 951:
Dat daar zoowel ondragelijke koude als hitte heerscht, blijkt aldaar mede uit vs. 1465-1494, waar men leest dat Christina, na den dood van Greve Lodewic;
Ik geloof hiermede genoegzaam bewezen te hebben, dat Maerlant wel degelijk helsche koude bedoeld zal hebben. Q. |