HET BETREKKELIJK VOORN. W. DAT.

Antwoord op vraag 2: ‘Hoe is de uitdrukking te verklaren: Beatrijs, vs. 258: Hets u vrient, dat ghy siet? Zie pag. 47.’

 

Dr. Jonckbloet zegt ter aangeh. pl.: ‘Dikwijls volgt op een mannelijk zelfstandig naamwoord bij onze ouden het betrekkelijk voornaamwoord in het onzijdig geslacht, b. v. Maerlant, Leven van St. Frans. HS. Vs. 257:

 Hi voer daer hem te zine stoet;
 Enen ridder, datti gemoet,
 Edel, arem, qualike gecleet, enz.

Hetzelfde is reeds opgemerkt door Huydecoper, Proeve

[p. 128]

van T. en D. I. bl. 234 en 303. Vergelijk ook Reizius, Belga Graecissans, pag. 317 (de nominum constructione).’

De opheldering van dit gebruik geeft Dr. Brill, in zijne Spraakleer, pag. 741. Volgens dezen is dat ghi siet een substantieve zin ter verklaring van het determinatieve het. De uitdrukking zegt eigenlijk dat, wat gij ziet, is uw vriend.

E.