VERWEENTHEDE.Antwoord op vraag 3: ‘Welke is de afleiding van het woord verweenthede?’
Verweent had bij onze Ouden de beteekenis van rijk, prachtig, weelderig. Meermalen wordt het naast het eerste gesteld. Beatrijs, vs. 579:
D. Doctrinale, bl. 243:
Van Velthem, fol. 25:
Blommaert, Oudvl. Ged. III. 34:
d. i. om hunne prachtige kleederen. Beatrijs, vs. 406:
d. i. zij leefden in weelde, tot, gelijk er volgt ‘die penninghe verteert waren.’ Lev. van S. Christina, door Bormans, vs. 1374:
d. i. prachtige, aanzienlijke. - Nieuwe Reeks van Werken der Leidsche Maatschappij, III. 154:
d. i. prachtig, weelderig. Dus ook Der Lek. Sp. B. IV. Cap. 5, vs. 16, (de var.):
Dat het woord op zich zelf volstrekt geene ongunstige beteekenis had, blijkt ook daaruit, dat het een titel van hoogachting was voor vereerde personen; Hor. Belg. II. 19:
en lager van het kind zelf:
Hoffman verklaart dit door ‘berühmt;’ 't is voor verheven, heerlijk; gelijk het woord rijk zelf wel bij God gevoegd werd als titel. Zie meer voorbeelden van dien aard bij Fortman, achter zijne Dichtl. Mengelingen, bl. 37 en 38. De aangewezen beteekenis heerscht insgelijks in de afgeleide woorden verweendelic en verweentheit. Maerl. Sp. Hist. II. 203.
Belg. Mus. III. 211:
D. VIII. 96:
Van Velthem, fol. 215:
Le Long verklaart het woord hier door ‘gemaklijk;’ dit kan wel, als men daardoor verstaat wat anders in weelde en gemak heet, in gemeenzamen stijl op zijn gemak, à son aise. Zoo moet de uitdrukking ook begrepen worden in Reinaert de Vos, vs. 1065, waar Willems minder juist aanteekent ‘in luisterlyke houding, met pracht:’
Hor. Belg. IV. p. 25:
d. i. die rijkdom, pracht. Dus ook in
Meijers Leven van Jezus, bl. 25, waar de satan
tot den Zaligmaker zegt: Alle dese verwentheit sal ic di gheven, weltu vallen vore mi ende anebeden mi. Ald. bl. 41: Ghine mogt nit Gode dienen ende der quader verwentheit, d. i. den Mammon. Bl. 81: donlede van der werelt ende de rijkheit ende de verwentheit verdrukken dat saet. En bl. 196: want du in den cleinen ghetrowe hefs ghewest, so salic di setten boven dat grote. com ende ghebruc der verwentheit dyns heren. D. i. heerlijkheid. - Belg. Mus. IX. 173: als men ter reefter comt, soe es die prioer, die custode, die gardiaen, ende die leesmeester, ende andere rike broederen, die rijnten hebben ofte dochteren, diet hem gheven. Dese sijn alle in cameren besiden, ende pleghen haer verweentheit. Ende die arme bruedere gaen te reeftere ende hebben potagie, ii. heringhe, ende dunne bier. D. i. verwaendheid, zegt Willems; kwalijk: 't is weelde, weelderige leefwijs. Zoo ook D. X. 58, in 't verhaal van een schatrijken keizer:
Lager leest men:
Der Leken Spieghel, I. 53:
Dus de variant; de tekst heeft verwaenthede. De zin is blijkbaar: weelde, dartelheid, ijdelheid; zoo ook aldaar bl. 122:
Men bespeurt, dat in de laatst aangevoerde voorbeelden de toepassing
van het woord minder gunstig en aan de beteekenis het denkbeeld verbonden wordt
van de zedelijke gesteldheid, waartoe iemand die in rijkdom of
weelde leeft, alligt geraakt. Nog duidelijker is dit in den Bijbel vs.
1477, 2 Machab. 5: Dus nam anthiochus dusent ende acht hondert talenten wt den tempel. ende hi keerde haestelic weder te anthiochien: ende hem docht van hoveerdien dat hijt lant soude maken datmenre met scepen soude mogen overvaren: ende die zee datmenre overgaen soude overmits die verweentheit sijnre herten. De Statenoverzetting heeft te dezer plaatse, vs. 21: door de hooveerdigheydt sijnes herten, en verweentheit verschijnt alzoo hier in den zin van ons tegenwoordige verwaandheid. Zeer natuurlijk rijst hier de vraag, of ons verwaand en het oude verweent dan niet hetzelfde woord is. Volgens Kiliaan, Ten Kate II. 541), Fortman, t.a.p. en anderen 1) , ja; de Hoogl. De Vries verklaart zich echter tegen die meening (Gloss. op Der Leken Sp.), en zegt: ‘hoezeer ik erken, dat weelde en trots zinverwante woorden zijn, en dat aan verweend meermalen het bijdenkbeeld van hoogmoed verbonden is, zoo komt mij toch de afleiding van het ww. verwanen daarom hoogstonwaarschijnlijk voor, omdat de oudste beteekenis buiten twijfel die van heerlijk was, en de uitdrukkingen verweende Here, verweende Joncfrouwe enz. (van Heiligen gezegd), alle verwantschap met verwanen buitensluiten.’ Deze bedenking is allezins gegrond, als men het gewone gevoelen aankleeft, dat het ww. verwanen van wanen, denken, verbeelden, afkomt, en volgens hetwelk het eerstgemelde dan letterlijk zou beteekenen: te groot of te veel van zich zelven denken, zich te veel inbeelden. Doch ziedaar, waaraan ik zeer twijfel. Het ww. verwanen en zich verwanen is thans verouderd. Huydecoper (Proeve, II. 154) en Fortman, t. a. p. hebben er eenige voorbeelden van bijgebragt uit de 15e en 16e eeuw. Dan het komt ook bij vroegere schrijvers voor. Maerl. Sp. Hist. IV. 75:
|
1) Bilderdijk leert ja
en neen te gelijk; zie zijne Geslachtl. Op waan en
weelde.
|
en nogmaals eenige regels lager:
Ald. bl. 308:
en bl. 339:
Dit verwanen beteekent blijkbaar zich verheffen, zich verhovaardigen; zoo als wij van iemand, die zich hovaardig aanstelt, nog zeggen, dat hij verwaand is, dat hij verwaandheid bezit; en met dit verwanen is naar mijne meening verweend hetzelfde woord. Ik grond die meening niet zoozeer op de omstandigheid, dat, gelijk prof. De Vries deed opmerken, in verschillende Handschriften van hetzelfde rijmwerk verwaent wel met verweent verwisseld wordt: verwaent komt ook elders voor, waar juist niet blijkt, dat het in stede van verweent is gezet, b. v. Lancelot, B. II. vs. vs. 1766:
Hier vindt men 't woord reeds voor fier, trotsch, en dus nagenoeg in zijn tegenwoordige beteekenis. Voor weelderig, dartel, daarentegen leest men het in Der Lek. Sp. B. III. cap. 9, vs. 54:
Het tegendeel daarvan is onverwaent, bij Maerl., Sp. Hist. II 368:
De schrijfwijze van verwaent blijkt derhalve meer te zijn, dan eene willekeurige verandering der afschrijvers. Doch er is meer, en ik kan ten voordeele mijner meening het bewijs leveren, dat in Maerlants taal verweent van het ww. verwanen niet onderscheiden wordt: hij kent werkelijk het epitheton verweent toe aan iemand die zich verwaant. In den Sp. Hist. III. bl. 160 wordt capittel 26 besloten met deze regels:
Het hier bedoelde en in 't volg cap. vermelde voorbeeld van ‘verweende lieden’ is ontleend aan een monnik, die als kluizenaar leefde en door God zeer werd beweldadigd. Doch het gevolg hiervan was:
d. i. hij verhovaardigde en verhief zich zoo op zijne deugd,
dat hij dagelijks wat luijer en trager werd. Hij werd daarover door God bezocht, stond de bezoeking door, en ontving van een engel onder anderen deze vermaning:
Een gelijksoortig geval werd reeds eenige capittels vroeger verhaald. Bl. 156 leest men:
Het betreft weder eenen vromen, doch hoogmoedigen monnik, met wien het erger afliep, en tot wien bl. 158 door de duivelen dus wordt gesproken:
‘Dat verwaent moet’ is: het trotsche
gemoed, en het blijkt ten duidelijkste, dat
Maerlant de uitdrukkingen verweent,
verwaent en verwanen toepast op denzelfden persoon en in deselfde
omstandigheden, zoodat er niet aan te twijfelen is, of deze woorden zijn een en
dezelfde, en het woord verwaand, dat wij nog kennen en gebruiken, is
geen ander woord, dan het boven behandelde verweent der Ouden, doch
alleen in beteekenis daarvan afwijkende. Die afwijking is echter niet vreemd;
zij is veeleer natuurlijk en gewoon. De oudste beteekenis van verweent -
de Hoogl.
De Vries merkte het teregt aan - was buiten
twijfel die van heerlijk, schoon; vervolgens: rijk, weelderig; en, op personen
toegepast, verbond zich als van zelf daarmeê het denkbeeld van
ingenomenheid met zulk een toestand, zelfverheffing, trotschheid. De
zamenstelling met het voorzetsel ver was zeer geschikt, om die
ongunstige beteekenis te doen ontstaan en in zwang te houden. In het woord
weelde ligt oorspronkelijk niets dan geluk en rijkdom opgesloten; doch
zich verweelden, zich verweelderen en zich verweeldigen geven te kennen: zich overmatig aan de weelde overgeven, en slaan tot ondeugd over. Uit het opgemerkte volgt, dat bij de werkww. verwanen en verwenen, waar verwaand en verweend de deelwoorden van zijn, de afleiding van wanen, denken, moet worden opgegeven. Daaruit toch kan onmogelijk de beteekenis van heerlijk zijn voortgevloeid, hoe groote overeenkomst er ook tusschen de woordvormen onderling moge bestaan. Ik meen ook, dat zich hier eene andere afleiding als van zelve aanbiedt. Het oudduitsch kende het bijv. naamw. wahi voor uitstekend, schoon, voortreffelijk, uitmuntend. Zie Graff, Sprachsch. I. 700 en Grimm. Gr. II. 71. Dus in Otfrieds Evangelien, Libr. I. Gap. 5, 84: Arunti gahaz ioh harto filu uuahaz, d. i, haastige en zeer uitstekende boodschap. Cap. 17, 30: Si zaltun seltsani, joh zeihan filu uuahi, d. i. zij verhaalden zeldzame en vele uitmuntende teekenen. Cap. 27, 11: In uuisduame so uuahi, d. i. in wijsheid zoo uitstekend. Cap. 27, 59: Uns zaltun sie ofto uuahaz, joh manag seltsanaz, d. i. zij vertelden ons dikwijls voortreffelijke en zeer zeldzame dingen. Zoo ook bij Willeramus' Paraph. Cantic. Canticor. p. 15: Wahe goltchetenon - machon wir thir, d. i. schoone gouden ketens maken wij u. De kantvertaling luidt: Watte gouden ketenen enz. Junius, in zijne Observationes, p. 41, waarschuwt teregt tegen zulke uitlegging, doch vertaalt zelf: molles catenae aureae, denkende aan ‘weeke vel geboogsaeme goude ketenen.’ Van daar was in het middelhoogd. waehe, sierlijk, schoon, heerlijk, in veelvuldig gebruik; zie Benecke, III. S. 459 u. 460; en wähe, herrlich, bij Kaindl, die Teutsche Spr. aus ihren Wurzen, IV. 461. Ik breng slechts een enkel voorbeeld bij, uit den Wigalois, (Leipz. 1847) S. 23:
Unwaehe was onschoon, leelijk; Barlaam und Josaphat, S. 47:
d. i. men liet haar (de kist) onoogelijk, leelijk zwart. - Van daar wederom het werkw. waehen dat mede voorkomt in den zin van verfraaijen, kunstig uitvoeren, verheerlijken; überwaehen; voor in schoonheid overtreffen; zie Benecke. Mogen deze woorden in de tegenwoordige hoogduitsche taal niet zijn overgegaan: zij zijn in verschillende harer dialecten blijven voortleven. Immers Schmeller (Bayer. Wörterb. IV. 49) heeft wäh, schoon, sierlijk, en unwähe, onschoon; Von Schmid, Schwäb. Wörterb. S. 513, wä,h, goed, schoon, sierlijk gekleed (voorbeelden: der Marschalk wech, wehe leut, die Ritter wech, wer die Königin noch als wä,ch); Tobler (Appenz. Sprachsch. S. 437) wäch, schoon, schoon gekleed, goed, lekker (van spijzen). - Het is te verwachten, dat een woord, in de oudduitsche taal aanwezig, in het middelhoogduitsch zoo druk gebruikt, en nog in verschillende tongvallen aangetroffen, aan het middelnederlandsch niet geheel vreemd zal zijn, en wij vinden dat in ons oude verweend terug, dat in zijne oudste beteekenis geheel met waehe overeenstemt. De vorm ver-wenen, wijst een frequentatief aan van wehen, even als het hoogd. er-wähnen afkomt van het primitief wahen, denken. Geheel onbekend was de frequentatiefvorm ver-wenen bij onze naburen niet. In de navolgende plaats uit Gr. Rudolf, in 1828 door Grimm uitgegeven, aangehaald door Meijer in zijn Lev. v. Jezus, bl. 293, vindt men hem tweemaal:
Het is zoo, in Beneckes Wörterbuch, III. 498, wordt firwenet gebragt tot verwaenet, partic. van verwaenen, gelooven, denken, en alzoo verklaard door ‘der eine gute meinung von sich hat, daher mutig, unverschrocken.’ Ik moet echter tevens doen opmerken, dat Benecke - of zijn collaborator - zelf die uitlegging mistrouwt, want er wordt bijgevoegd: ‘doch vgl. auch ahd. farwanjan desperare.’ Voorts, dat niet één ander voorbeeld van verwaenet in den zin van unversckrocken wordt aangevoerd, en dat niet één der overige plaatsen, van het ww. verwaenen bijgebragt, die beteekenis begunstigt. En eindelijk, dat de woorden firwenet en virwenentlich uit den Rudolf ruim zoo goed kunnen opgevat worden als: schoon, prachtig, heerlijk uitgedost, en derg. en dus in dezelfde beteekenis, die verweent bij ons van ouds eigen was, als dit woord van een held of ridder gebezigd werd. De slotsom van het aangevoerde komt, naar ik meen, hierop neder. Het middelnederl. woord verweent, middelh. firwenet, is het deelw. van verwenen of verwanen, dat afkomt van wehe, waehe, wahe, oudd. wahi, dat schoon, sierlijk, heerlijk, voortreffelijk beteekende, en stemt, wat zijne oudste beteekenis betreft, met die afleiding volkomen overeen. Aan dien zin knoopte zich menigwerf het bijdenkbeeld van dartel, weelderig, en fier. Van daar had het ww. zich verwanen de beteekenis van zich verheffen op iets, en ons thans nog gebruikelijke verwaand voor opgeblazen, trotsch, heeft geen' anderen oorsprong. Het werkw. wanen, voor meenen of denken, is daarvan te onderscheiden. Ik meen ook, dat de afleiding van ons verwaand van het werkw.
wanen, denken of meenen, hoe algemeen ze ook aangenomen zij, niet
opgaat. Men verstaat verwanen, waarvan verwaand het deelw. zijn
zou, als te hoog denken van zich, zich eene ingebeelde waarde toekennen, zich
te veel inbeelden. Doch als men verwanen in dezen zin neemt, is hij die
verwaant niet een verwaande, maar een verwanende; met
andere woorden, men heeft dan te doen met het bedrijvend, en niet met het
lijdend deelwoord. Hij die verdenkt is geen verdacht mensch, maar een verdenkend mensch; die erg denkt, een erg denkende, en geen erg gedachte; die argwaant een argwanende, en geen arggewaande. Even zoo is hij die verwaant, een verwanend en geen verwaand mensch. Heeft men nu nooit anders gezegd dan een verwaand mensch, dan volgt daaruit, dat dit verwaand geen deelwoord kan zijn van verwanen, in den zin van te veel (van zich zelven) denken. Die zwarigheid vervalt, als men ons verwaand, volgens hetgeen ik bijgebragt heb één met het verweent onzer Ouden, niet afleidt van wanen, denken - wat ook, als wij zagen, strijdt met de oudste beteekenis des woords - maar van een adjectief wahe, wehe, dat heerlijk, schoon, beteekent. Dit geeft de frequentative werkwoorden verwanen, verwenen, die beteekenen: heerlijk, schoon zijn; vervolgens trotsch zijn, en de verl. deelwoorden daarvan verwaand en verweend kunnen als adjectiven gebruikt worden. Zoo zegt men verzot voor zot op iets, verzadigd voor zad van iets, enz. Om de historie van het behandelde woord volledig te leveren, moet ik hier nog de opmerking bijvoegen, dat, nevens verwaand, ook verweend tot in de 18o, ja tot in de tegenwoordige eeuw in gebruik is gebleven, doch in beteekenis van verwaand steeds onderscheiden; het laatste alleen in die van opgeblazen, trotsch; het eerste in velerlei zin, nu eens meer dan eens minder gunstig, met eene wankeling, die we reeds in veel vroeger tijdperk bij 't woord bespeurden. Voor heerlijk, luisterrijk, gold het bij Rodenburgh, Hoecx en Cabeljauws, I. 44:
en Poeet. Borstweringh, bl. 294:
Vrouw. Cieraet van St Agnes, bl. 120:
Starter, Friesche Lusthof, bl. 45:
De plaatsen van Spieghel, Hooft 1) , Vondel en Bredero ga ik voorbij, daar zij vermeld staan bij Fortman, t. a. p.; doch ik noem Cats, bij wien verweend dartel, weelderig, beteekent, D. I. fol. 370:
En D. II. fol. 67: ‘Jolinde, schoon verweent en tot da pracht genegen.’Dus ook bij anderen, b. v. Westerbaen, Ged. II. 428, van een jong meisje:
Van der Veens Zinnebeelden, bl. 31:
Lydius, Vrol Uren, bl. 103:
Oudaan, Agrippa, bl. 309: tot blanketsel, tot spel, tot verweentheit, tot wellust. Hier voegt best dartelheid; doch elders bij denz. ziet het woord op de kleederpracht, bl. 305: op verweendheden en prachtigheid verlekkert, door de eergierigheid der optoierijen derzelver beurzen kaal maken. In den laatsten zin hebben ook De Decker, II. 18:
En Ingens Getr. Herderin, bl. 16: |
1) Hoewel 't woord bij dezen driemaal
voorkomt, wordt het artikel in het Woordenboek des Iust. gemist.
|
Krul, Pamp Wer. II. 426, neemt het woord voor liefelijk:
en Fortman volgde dit na, Dichtl. Mengel. bl. 36:
Anders geldt bij onze latere schrijvers de beteekenis van opgeblazen, trotsch, alzoo nabijkomende ann verwaand; b. v. Macquet, Dichtl. Uitsp. III. 161:
en Van Halmael, Rein. en Will. v. Oldenbarn. bl. 47:
Bepaaldelijk in het geval hier van Oranje zou ik van toespassing willen maken, wat Bilderdijk (Aanteekk. op Hooft, III. 45) hoewel uit een taalkundig oogpunt anders min juist, verklaart: ‘verweend is meerder fier dan verwaand, en drukt rechtmatige fierheid, geen opgeblazenheid, uit, schoon dit onderscheid niet altijd betracht is.’
A. d. J. |