OVER: DIT DOET IN DEZEN NIETS AF.Antwoord op vraag 5: ‘Waarom schrijft men: dit doet in dezen niets af?’
Daar dezen in de bovenstaande uitdrukking geen substantivum
verzelt, noch terugslaat op een, dat te voren genoemd is, zoo moet het
òf geheel zelfstandig staan en de voorstelling van eene onbepaalde
zelfstandigheid vertegenwoordigen, òf er moet een zelfstandig naamwoord
verzwegen zijn, hetwelk in de gedachte moet aangevuld worden, gelijk b. v. het
woord dag in uitdrukkingen als: Hij komt den vierden [dag]
der volgende maand. Mijns inziens heeft hier het eerste geval plaats, en
is dezen niets anders dan de derde naamval van het aanwijzend voornaamwoord dit, hier gebezigd in eene min of meer onbepaalde beteekenis, die de lezer of hoorder uit het voorafgaande of uit de omstandigheden zelf moet opmaken. Immers men gebruikt de onzijdige voornaamwoorden: het, dit, dat en wat niet altijd en uitsluitend om op zelfstandigheden te wijzen, die door enkelvoudige onzijdige zelfstandige naamwoorden aangeduid kunnen worden, gelijk b. v. in de zinnen: Haal het paard uit den stal. Het staat reeds voor de deur. - Waar is het boek? Het ligt op de schrijftafel. Zet dit in de kast, en geef mij dat. De genoemde voornaamwoorden, alsmede hetgeen, kunnen elk begrip van zelfstandigheid vertegenwoordigen, onverschillig of dit door een mannelijk, vrouwelijk of onzijdig, door een enkelvoudig of meervoudig, of in het geheel niet door een zelfstandig naamwoord uitgedrukt wordt. Ik zal hier eenige voorbeelden bijbrengen, waarin de genoemde voornaamwoorden nu eens één of meer personen, dieren of levenlooze individuen, dan eens stoffen, hoedanigheden, werkingen of betrekkingen aanduiden , al hetwelk dan echter blijkbaar als ééne enkelvoudige zelfstandigheid gedacht en voorgesteld wordt. Met wien stond gij daar te praten? Het was de aannemer van het nieuwe kerkgebouw. - Wie wandelen daar? Ik ken die menschen niet; het zijn vreemdelingen. - Wat is dat voor een hond? Het is een Nieuw-Foundlander. - Wat zijn dat voor paarden? Het zijn Holsteiners. - Wat hebt gij daar voor fraaije boeken? Dit zijn van Lennep's romantische werken, dat zijn Tollens' gedichten, - Dat is katoen, maar dit is zuiver linnen. - Dat is lekkere wijn. - Hoe noemt gij die kleuren? Dat is bister, dit heet sapgroen. - Die fraaije stof kost zes gulden de el. Dat is niet heel duur. - Het is gezond vroeg op te staan. Dat heet ik werken. - Dat zijn maar voorwendsels en uitvlugten. - Dat is onverantwoordelijk gehandeld. - Wat hij het eerst verhaalde kan waar zijn; maar dit is stellig verzonnen. - Hetgeen ik zeg is de zuivere waarheid, het is niet overdreven. - Wat hij ook onderneemt, het gelukt hem altijd. - Noemt gij dat zich vergissen? ik heet het schandelijk liegen. Moeijelijk zou het zijn om zelfstandige naamwoorden uit te denken, die volkomen juist uitdrukten hetgeen in de negen laatste voorbeelden door de voornaamwoorden wordt aangeduid; en uit alle voorbeelden blijkt, dat deze dikwijls dienen moeten om alles, wat slechts als object kan gedacht worden, als eene onbepaalde zelfstandigheid voor te stellen. De onzijdige vorm der voornaamwoorden beteekent dus dikwijls niet veel meer dan het geheel onbepaalde iets, zonder dat daarbij aan soort, getal, hoedanigheid of eenige andere bepaling wordt gedacht. Het is duidelijk, dat in de uitdrukking in questie het woordje dit (dativus: dezen) met zulk eene onbepaalde beteekenis gebezigd wordt. Men zou in sommige gevallen wel is waar kunnen aannemen, dat het substantief geval verzwegen was, zoo dat de uitdrukking eigenlijk zou moeten luiden: dit doet in dezen gevalle niets af. De gevallen laten zich echter denken, dat: in deze omstandigheden, juister gezegd zou zijn, waarom het veel waarschijnlijker is dezen voor den datief van het onbepaalde dit te houden en liever niet noodeloos naar een verzwegen substantief te zoeken.
L.A. t. W. |