OVER DE CAUSATIEVE WERKWOORDEN.Antwoord op vraag 6: ‘Dr. Brill, Dr. Te Winkel en a. schrijven zoogen (causatief van zuigen). Dr. Te Winkel verklaart die spelling in het woordenlijstje van de Nederl. spelling enz. door säugen. Heeft de stam zoog dan niets te maken met den stam zog?’ Zie bladz. 90.
Het Nederlandsch bezit, evenals andere talen van den Indo-Germaanschen stam, eenige werkwoorden, die te kennen geven, dat het subject de oorzaak is, dat het object eene werking verricht, gelijk b. v. drenken, hetwelk beteekent veroorzaken, dat een ander drinkt. Zoodanige werkwoorden heeten causativa of factitiva; in het Nederlandsch kan men ze gevoegelijk oorzakelijke werkwoorden noemen. Zij onderstellen natuurlijk het bestaan van een ander werkwoord, hetwelk de veroorzaakte werking uitdrukt, en waarvan zij door afleiding gevormd zijn; dit grondwoord noemt men wel eens bij tegenstelling immediativum. Zoo onderstelt b. v. het causativum drenken noodwendig het vroegere bestaan van het immediativum drinken, niet alleen omdat het daarvan is afgeleid, maar ook omdat het begrip drinken in het begrip drenken = laten drinken ligt opgesloten. Daar de kennis van de wijze, waarop de causativa van de immediativa gevormd zijn, de spelling van sommige der laatste moet beslissen en ook buitendien niet onbelangrijk is, zoo zal ik naar aanleiding van de ingezondene vraag betrekkelijk de spelling van het werkwoord zoogen het een en ander aangaande onze causativa in het midden brengen.
Behalve het boven reeds genoemde drenken bezit onze taal nog
zestien kennelijke causatieven, namelijk beeten, (ge)neren,
kwellen, leeren, leggen, leiden, neigen, sprengen (sprenkelen), steigen,
vellen, voeren, wekken, wenden, zenden, zetten en zoogen. Misschien
zouden er nog eenige bij te voegen zijn; daar echter hunne causatieve
beteekenis aan eenige bedenking onderhevig is, zullen wij ze thans liever met
stilzwijgen voorbijgaan. De opgenoemde woorden behooren, dewijl zij afgeleid
zijn, tot de zwakke of gelijkvloeijende verbuiging, met uitzondering alleen van
zenden, hetwelk echter voorheen werkelijk zwak was en eerst later door
verloop sterk of ongelijkvloeijend is geworden. De grondwoorden daarentegen,
waarvan zij zijn afgeleid, zijn, of waren althans voorheen, alle
ongelijkvloeijend. Daar nu het wezen der ongelijkvloeijende werkwoorden
hoofdzakelijk daarin bestaat, dat de zoogenoemde wortelklinker in de verbuiging verwisseling of wijziging ondergaat, zoo zullen wij bij ons onderzoek hoofdzakelijk moeten navorschen, welke der twee, drie of vier wortelklinkers van het grondwoord in het afgeleide woord is overgegaan, dewijl de spelling van het afgeleide woord natuurlijk daarvan afhangt. Zoo heeft b. v. het werkwoord zuigen, ik zóóg, wij zogen, gezogen, drie wortelklinkers: de tweeklank ui in den tegenwoordigen tijd; de scherpe opene o in het enkelvoud van den onvolmaakt verleden tijd der aantoonende wijs, ik zoog en hij zoog; en de zachte opene o in het meervoud van dienzelfden tijd der aantoonende wijs, in den ganschen onvolmaakt verleden tijd der aanvoegende wijs en in het verleden deelwoord: wij zogen, gij zoogt, zij zogen, ik zoge enz., gezogen; de voorname vraag zal dus zijn, met welken dezer drie klanken is zoogen gevormd? Moesten wij het antwoord op deze en alle dergelijke vragen in onze eigene taal in haren tegenwoordigen toestand zoeken, wij zouden tot weinig bevredigende uitkomsten geraken. Gelukkig echter staat ons het Gothisch met zijne zoo duidelijk kenbare vormen ter zijde om ons overtuigend te leeren, hoe het Germaansch veertien eeuwen geleden bij de vorming der causativa te werk ging; en ons onderzoek zal vervolgens de duidelijke blijken opleveren, dat onze causativa volgens dezelfde wetten gevormd zijn. Ten einde die wetten op te sporen zullen wij van het veertigtal bekende gothische causativa hier eenige opgeven en vergelijken met de immediativa, waarvan zij zijn afgeleid:
De uitgeschrevene voorbeelden leeren ten eerste, dat al de causativa: rannjan, tandjan, thanjan, satjan, ôgjan, sôthjan, gaisjan, raisjan, drausjan, lausjan, in den infinitivus op -jan uitgaan en dus tot de zoogenoemde eerste zwakke verbuiging behooren, wier kenmerk daarin bestaat, dat de stammen op i eindigen: ranni, tandi, thani, sati, ôgi, sôthi, gaisi, raisi, drausi, lausi. Deze i gaat voor eenen klinker in j over of versmelt er mede, zoodat ranni-an, tandi-a, sati-is, ôgi-am, ôgi-is, raisi-ith overgaan in rannjan, tandja, satjis, ôgjam, ôgeis, raiseith. In den verledenen tijd en in het verledene deelwoord echter treedt de i weder te voorschijn: rannida, tandidês, satiths, ôgiths. Ten tweede zien wij, dat de klinkers of tweeklanken, die in de
causativa voorkomen, namelijk a, ô, ai en au,
dezelfde zijn als die van het enkelvoud van den verleden tijd der aantoonende
wijs van de immediativa, zoo als blijkt uit de vergelijking van rannjan
met rann, praeteritum van rinnan, ôgjan met ôg, praeterit. van agan enz. Gaan wij thans na, in hoeverre onze causativa blijken geven, dat zij volgens dezelfde twee wetten gevormd zijn. Wij hebben boven reeds aangemerkt, dat de nederlandsche causativa zwak verbogen worden; dit is dus in overeenstemming met de gothische. De i van den stam is wel is waar bij ons verdwenen, doch niet zonder, in sommige woorden althans, duidelijke sporen van haar vroeger aanwezen achter gelaten te hebben. Wanneer wij namelijk in aanmerking nemen, dat eene i in den uitgang gewoonlijk de oorzaak is, dat eene a in de stamlettergreep in e overgaat, dan kunnen wij juist uit het vroegere aanzijn eener i in den uitgang verklaren, waarom wij in generen, kwellen, leggen, sprengen, vellen, wekken, wenden en zetten eene e en niet eene a hooren. Ook is aan die verdwenen i toe te schrijven, dat in kwellen en wekken de medeklinker verdubbeld en de wortelklinker gesloten is, in tegenstelling van de enkelvoudige medeklinkers en de opene klinkers in hunne grondwoorden kwelen en waken. Ten einde aan te toonen, dat ook de tweede wet bij ons en gegolden heeft en dat onze oorzakelijke werkwoorden, evenzeer als de gothische, den klinker of tweeklank van het enkelvoud van den onvolmaakt verleden tijd der aantoonende wijs hebben, zullen wij onze causativa één voor één in oogenschouw nemen en met hunne immediativa vergelijken. Voor het gemak zullen wij daarbij de orde in acht nemen, welke Dr. Brill in zijne Spraakleer bij de behandeling der sterke werkwoorden gevolgd heeft. Tevens zullen wij ter meerdere duidelijkheid ook de vormen opgeven, die beide werkwoorden in het Gothisch òf werkelijk vertoonen òf moesten vertoonen, indien zij in de gothische fragmenten voorkwamen. Ofschoon de gothische vorm van een werkwoord door vergelijking met het Oud Hoogduitsch of Angelsaksisch telkens met volkomene zekerbeid is op te maken, zoo zullen wij nogtans de woorden, die niet werkelijk voorkomen door een sterretje kenmerken. Iste KLASSE.Voor zoo verre wij weten, bezit onze taal slechts één waar causativum, hetwelk van een sterk werkwoord der eerste klasse gevormd is, namelijk:
Het sterke werkwoord kwelen is thans verouderd en moet vooral niet verward worden met het nog gebruikelijke kweelen, dat uit kwedelen is zamengetrokken en zingen beteekent. Het hier bedoelde kwelen beteekende pijn lijden, verdriet hebben, gekweld worden. Kiliaan verklaart quelen, quenen, quijnen door languere, gemere, languore tabescere, en quelende door languens, languidus. Dat het woord die beteekenis had en dat het sterk verbogen werd, blijkt onder andere uit de twee plaatsen, die wij hier zullen aanhalen. De eerste is uit het gedicht Vanden levene ons Heren. De dichter laat, vers 4822, Christus in den ‘doemsdag’ tot de veroordeelden aan zijne linkerhand de volgende woorden zeggen:
‘Gaat haastig in de bittere pijn en woont daarin voor altijd; gaat tot den draak in de hel, waarin gij altijd smart zult lijden.’ De tweede plaats ontleenen wij uit het Spel van Lantsloot van Denemerken ende die scone Sandrijn, door Dr. Hoffmann von Fallersleben uitgegeven in de Horae Belgicae, P. V. Reinout zegt daar, vers 709 en volg., van Lantsloot sprekende, tot Sandrijn, die door dezen zwaar beleedigd is:
‘O schoone Sandrijn, gij moet zijnen toestand in aanmer king nemen en zijn zwaar ongeluk: sedert heeft hij nooit een oogenblik gehad, dat hij niet kwal (zich niet kwelde). Edele vrouw, sedert hij u moest missen, heeft hij altoos gekwolen (zich gekweld) en in groote droefheid geleefd.’ - Van denzelfden wortel komt het zelfstandig naamwoord kwaal, hetwelk den klinker van het meervoud van den onvolmaakt verleden tijd heeft, Kwellen is dus zoo veel als smart of pijn doen lijden, verdriet veroorzaken. Waarom kwellen eene e heeft, en niet eene a, hebben wij boven gezien; het is de uitwerking van de i of j van den uitgang jan. Dat nu die e werkelijk uit a, de vocaal van het imperfectum, ontstaan is, lijdt geenen twijfel. Had kwellen oorspronkelijk eene i gehad, die i zou ongetwijfeld gebleven zijn, omdat de letter greep gesloten is, en de i slechts in opene lettergrepen in e pleegt over te gaan; men vergelijke bid-den met gebe-den, lig-gen met gele-gen, zit-ten met geze-ten, gift met ge-ven, zif-ten met ze-ven, nicht met ne-ve, schip met sche-pen enz. IIde KLASSE.De sterke werkwoorden der 2de klasse hebben in het Nieuw Nederlandsch eene verandering ondergaan, die men hier volstrekt niet moet voorbij zien. De onvolmaakt verleden tijd namelijk heeft thans in het enkelvoud even als in het meervoud eene o, b. v. ik bond, hij bond; doch oudtijds luidde deze tijd aldus: ic bant, du bants, hi bant, wi bonden, ghi bondt, si bonden. Daar nu onze causatieven reeds van voor lang dagteekenen, zoo moeten wij bij de afleiding den middelnederladschen, niet den nieuweren vorm in vergelijking brengen. De causatieven, die van werkwoorden dezer klasse afstammen, zijn de volgende:
Bij drenken hebben wij niets bijzonders aan te merken, dan dat de lezer bedacht zij om de gothische g, wanneer zij voor eene andere g, voor eene k of eene q komt, naar grieksche wijs als n uit te spreken, en dat de woorden dragkjan, drigkan, spraggjan en spriggan dus moeten gelezen worden, alsof er drankjan, drinkan, sprangjan en springan stond. Bij de overige woorden zullen wij echter een oogenblik langer moeten stilstaan. De causatieve beteekenis van wenden is boven alle bedenking verheven; immers het roer, den steven wenden, zich wenden is blijkbaar veroorzaken, dat het roer, de steven draait of zich wendt, dat men zelf draait; minder in het oog loopend echter is de immediatieve zin van winden, daar dit woord thans alleen transitief wordt gebruikt. Intusschen blijkt de oorspronkelijke intransitieve beteekenis uit het verouderde winde, bij Kiliaan: ‘katerol (katrol), trochlea et ergata’ en ‘windel, poleye, trochlea’; een katrol toch is een ding, dat zich draait. Duidelijker nog blijkt de oorspronkelijke beteekenis uit het Oud Hoogduitsch, waarin wintan onder andere rotare, d. i. zich draaijen, en ook terugkeren beteekent, zie Graff Sprachschatz, I, bl. 746 en 747. Zoo zegt Otfried I, XXII, 52, van Josef en Maria, toen zij op hunnen terugtogt van Jeruzalem naar Nazareth den twaalfjarigen Jezus bij het reisgezelschap niet vonden:
d. i.: ‘zij keerden haastig terug met grooten angst.’ En IV, XXXIV, 37, leest men na de vermelding van de wonderen, die bij het sterven van Christus voorvielen, van de huiswaartskerende scharen:
d. i.: De lieden keerden na deze erbarmelijke daad spoedig met groote droefheid naar huis.’ Dat sprengen hier in den zin van sprenkelen, d. i. eenig vocht in druppels laten springen, en niet in de algemeene beteekenis van het hoogduitsche sprengen genomen is, behoeft naauwelijks Vermelding. Boven reeds hebben wij aangemerkt, dat zenden door verloop en ten onregte sterk verbogen wordt, en dat het oudtijds naar behooren gelijkvloeijend was. Wij zullen hier een paar voorbeelden aanvoeren ten bewijze, dat het praeteritum vroeger werkelijk door achtervoeging van de gevormd werd, en dat het verleden deelwoord op d, niet op en eindigde. In Der Leken Spieghel B. II, cap. 36, vers 185 on volg. verhaalt Boendale, dat de vrouw Pilatus haren man eenen bode zond om hem te zeggen, dat hij Christus niet moest veroordeelen.
‘Terstond hierop zond Pilatus' vrouw, vrouwe Publica, tot Pilatus eenen bode, die zeide, dat zij hem liet aanzeggen, dat hij zich volstrekt niet moest inlaten met Jesus' dood.’ In hetzelfde Tweede Boec, Hoofdstuk VI, hetwelk handelt van Gabriels zending tot Maria, heet het vers 32:
‘Hij, Gods Zoon, zond vooraf den allereerbiedwaardigsten bode, die ooit van God gezonden was, om de boodschap behoorlijk te doen: het was de engel Gabriel.’ De causatieve beteekenis van zenden = doen gaan, doen reizen blijkt duidelijk uit de beteekenis van het stamwoord, dat in het Oud-Hoogduitsch sindon luidde en gaan of reizen beteekende, alsmede uit sind (weg), samansindo en gasindo (reisgenoot). IIIde KLASSE.De causativa, die van werkwoorden der 3de klasse afstammen, zijn:
Bij leggen en zetten valt niets aan te merken, dan dat de beteekenis van zetten eenigzins is gewijzigd en gelijk is aan doen staan, niet aan doen zitten. Generen echter zal ons langer moeten bezig houden, daar de vorm verklaring, en de causatieve beteekenis nadere aanwijzing behoeft. Beginnen wij met den vorm. Onze r is tweederlei: oorspronkelijk, of uit s ontstaan. Tot de laatste soort behooren de r's in vroor van vriezen, verloor van verliezen; verkoren van verkiezen; wij waren, meervoud van ik was; leeren van goth. laisjan; hooren van goth. hausjan; oor van goth. auso; en de r's in alle comparatieven. De verandering van s in r is derhalve een gewoon verschijnsel en het verschil tusschen de r in generen en de z in genezen levert dus geen bezwaar op tegen de identiteit van generen en ganasjan, en dus ook niet tegen de verwantschap van generen en genezen, welke straks blijken zal. De causatieve beteekenis van generen, het nieuwhoogd.
nähren, loopt eerst dan duidelijk in het oog, als men de
verschillende beteekenissen, die ganasjan en ganisan oudtijds hadden, met elkander vergelijkt. Wanneer men in aanmerking neemt, dat de neus, het orgaan der ademhaling, noodwendig aandeel heeft in de uitspraak der n, dat sanskr. nâsâ (neus), latijn nasus (neus), hoogd. Nase, het nederl. neus en niesen ten minste uiterlijk met nisan, nezen verwant schijnen te zijn, dan wordt het hoogst waarschijnlijk, dat nisan oorspronkelijk ademhalen heeft beteekend; en daar het ademhalen een bewijs van leven is, zoo zal leven de tweede beteekenis zijn geweest. In oudhoogduitsche glossen op de Boeken der Koningen en op dat van Judith treft men inderdaad ganesan aan, als vertaling van het latijn respirare (ademhalen) en van vivere (leven). Doch reeds bij Ulfila is de gewone beteekenis van ganisan, gered, behouden, verlost worden en die van ganasjan redden, behouden, verlossen, d. i. veroorzaken, dat men gered, behouden, verlost worde. Daarom staat het gothische nasjands gelijk met ons Heiland, verlosser, redder. De oudhoogduitsche overzetter van Isidori Hispalensis Epistola ad sororem de Christi nativitate vertaalt zelfs den naam Jezus door nerrendo = goth. nasjands, Cap. IV. § 6: ‘De quo Dominus Jesus Christus propria voce testatur: Spiritus Domini super me.’ ‘Umbi dhen druhtin nerrendo Christ sineru selbis stimmu urchundida, dhuo ir quhad: Druhtines gheist ist ubar mir.’ Genezen had oudtijds ook bij ons de beteekenis van behouden blijven, ontkomen, verlost worden. Zoo leest men b. v. in den Roman van Heinric ende Margriete van Limborch, B. I, vers 264, waar Heinric verhaalt, hoe een beer zijn paard heeft verscheurd:
‘Gisteren avond kwam op mij af een beer, die mijn paard
verscheurde; toen werd mijn rouw en leed zwaardeer dan het te voren was; dat ik zelf aan het dier ontkwam, dat was wonder.’ Wat verderop wordt verhaald, hoe Margriete door het spreken van haar gebed uit de magt van vele duivelen verlost wordt, waarop zij tot haren reisgenoot zegt:
‘Was God onze wacht niet geweest, wij waren nooit behouden gebleven.’ De tegenwoordige beteekenis van genezen = aan eene ziekte ontkomen is dus slechts eene bijzondere opvatting van behouden worden, in het leven blijven, waarop de beteekenis van zich generen = zich onderhouden, zich in het leven behouden, volkomen past. IVde KLASSE.Tot de 4de klasse behoort alleen:
Ofschoon de gothische overblijfselen geen voorbeeld opleveren, dat het bestaan van fôrjan bewijst, zoo is de deugdelijkheid van den vorm toch genoegzaam gewaarborgd door verscheidene andere werkwoorden, die op dezelfde wijs gevormd zijn; als ôgjan van agan, sôkjan van sakan, sôthjan van sathan, bôtjan van batan. - Wat de causatieve beteekenis van voeren betreft, zij is ruimer dan die, welke varen in den tegenwoordigen toestand der taal heeft, doch juist daardoor is zij meer in overeenstemming met de vroegere vrij onbepaalde beteekenis van varen, dat ook voor gaan en rijden, te paard en in rijtuig, werd gebruikt. Vde KLASSE.Van werkwoorden der 5de klasse zijn gevormd:
Leiden = doen gaan is het causativum van lijden in zijne oorspronkelijke beteekenis: gaan, die nog overgebleven is in verleden, hoogd. vergangen; verleden jaar, vergangenes Jahr; alsmede in overlijden = [in eene andere wereld] overgaan. In die oorspronkelijke beteekenis vindt men lijden gebezigd onder andere in Het leven van Jezus, Cap. 86: ‘Op enen saterdach so ghevil, dat Jhs ende sine yongren leden dor coren, dat stont op een velt.’ ‘Op eenen sabbath geschiedde het, dat Jesus en zijne jongeren gingen door koren dat stond op een veld’; en cap. 98: ‘In somen staden es ghescreuen, dat die berch ontploec ende makde hem stat dore te liden’. ‘Op sommige plaatsen is geschreven, dat de berg openging en hem plaats maakte om door te gaan.’ Hoewel er in de beteekenissen van nijgen en neigen eene schromelijke verwarring is ontstaan, zoo is de oorspronkelijke verhouding van beide woorden toch niet te miskennen. Nijgen = zich buigen, overhellen, is steeds instransitief en regeerde oudtijds steeds den dativus; neigen is eigenlijk doen nijgen, doen buigen, en indien het thans ook intransitief wordt gebezigd, zoo is zulks eeniglijk daaraan toe te schrijven, dat nijgen, behalve het deelwoord genegen, zijne beteekenis geheel tot die van buigen uit eerbied of beleefdheid heeft beperkt. Steigen is thans buiten gebruik. Dat het evenwel bestaan heeft, blijkt uit zijn derivaat steiger, d. toestel, die doet stijgen. Kiliaan geeft steigen ook op, doch onderscheidt het niet behoorlijk van stijgen; hij houdt namelijk steghen, steeghen, steyghen, steygheren en stijghen voor woorden van dezelfde beteekenis: adscendere en elevare. Intusschen is het bij hem blijkbaar causatief in de uitdrukking het water steyghen, d. i. het water opstuwen om het te doen stijgen. Leeren is alleen causatief in de beteekenis van kennis
of vaardigheid mededeelen, niet in die van kennis of
vaardigheid opdoen, en wanneer wij het thans in de laatste beteekenis bezigen, dan heeft hier wederom dezelfde verwarring van begrippen plaats, die wij bij neigen en steigen hebben opgemerkt. Het immediativum van leeren, hetwelk aan het gothische leisan beantwoordt en in het Nederl. lijzen zou moeten luiden, is bij ons onbekend, en geen wonder, daar leisan reeds in het Gothisch niet dikwijls meer gebruikt werd. Het komt ten minste in de overblijfselen der bijbelvertaling slechts eenmaal voor, te weten Phil. 4. 12: ‘lais jah haunjan mik, lais ja ufarassu haban’ ‘οιδα και ταπεινουσθαι, οιδα και περισσευειν’ ‘Ende ick weet vernedert te worden; ick weet oock overvloet te hebben.’ Lais, dat volstrekt een verleden tijd moet zijn, dient dus ter vertaling van οιδα, ik weet; het moet derhalve zooveel als ik heb geleerd, ik ben te weten gekomen hebben beteekend, en onderstelt noodwendig een werkwoord leisan, lais, lisum, lisans, leeren kennen, waarvan regelmatig niet alleen laisjan, maar ook list en listig kunnen afgeleid worden. Beeten is thans geheel buiten gebruik, ofschoon het oudtijds vol leven was en in zeer verschillende, doch verwante beteekenissen gebezigd werd. Het beteekende eigenlijk laten bijten, zoowel met het doel om te eten als om te vangen en te dooden. Vandaar de twee hoofdbeteekenissen van beeten: 1) van zijn paard of ezel stijgen om die dieren te laten bijten, eten; en 2) met valken jagen, valken en sperwers laten bijten. De eerste hoofdbeteekenis ging over in die van afstijgen in het algemeen, neerdalen, neerlaten, zich neerzetten, zich ter rust begeven, ondergaan (van sterren). Ik zou van dit woord, als geheel verouderd, geene melding gemaakt hebben, indien wij in den scheepsterm beeting of beetings geen afleidsel bezaten, dat zeker nog lang in gebruik zal blijven. Mr. Van Lennep verklaart dit woord in zijn Zeemans-Woordeboek, blz. 26, aldus: ‘beting, z. n. v. of Betings mv. - Naam van
twee sterke staanders, door een zwaren balk verbonden, of soort van galg voor
den fokkemast geplaatst en dienende om 't ankertouw of ketting aan vast te leggen, 't Woord beteekent aflating, van het oude beeten (afdalen).’ VIde KLASSE.Slechts één werkwoord is met zekerheid af te leiden van een immediativum der 6de klasse, namelijk:
Hoewel saugjan noch siugan in het Gothisch niet werkelijk voorkomen, zoo zijn die vormen wederom volkomen gewaarborgd door andere werkwoorden van denzelfden vorm als drausjan van driusan, en door het Oud Hoogduitsch, dat zoowel saugjan als sûgan, soug, sugun weet aan te wijzen. VIIde KLASSE.Van de werkwoorden der 7de klasse zijn gevormd:
Waken, dat thans gelijkvloeijend is, werd oudtijds sterk verbogen, blijkens de volgende plaats uit den Roman van Walewein:
De woorden vellen en wekken vertoonen de a van den tegenwoordigen tijd, door de werking der i of j in e veranderd. Zij hebben dus niet gelijk de andere causatieven de vocaal ie van het enkelvoud van den verleden tijd, en zulks kan niet bevreemden, wanneer men in aanmerking neemt, dat de werkwoorden dezer klasse oorspronkelijk den klinker niet verwisselden, maar zoogenoemd reduplicerend waren, zoo dat de verleden tijd van fallan (vallen), indien het in het Gothisch bestond, faifall, faifallum zou luiden. De vocaal ie kan dus niet geacht worden aanwezig te zijn geweest, toen de causativa gevormd zijn. Wanneer wij op het behandelde eenen blik terugwerpen, dan vinden wij in al de causativa, behalve in de twee laatstgemelde, den klinker of tweeklank van het enkelvoud van den onvolmaakt verleden tijd der aantoonende wijs van het grondwerkwoord. Toonen wij dit nog met weinige woorden aan. De e van de verba der 2de klasse: drenken, wenden, sprengen en zenden, kan vooreerst niet ontstaan zijn uit de o, oorspronkelijk u, van het meervoud van den onvolmaakt verleden tijd of van het verleden deelwoord. Deze o of u (oe) zou u hebben opgeleverd, zoo als men ziet bij hullen (huljan), van helen, hal, halen, geholen (hilan, hal, hulum, hulans). De e moet dus ontstaan zijn of uit de i van het praesens of uit de a van het praeteritum. Het eerste kan ook niet plaats hebben, want er bestaat geene oorzaak, die de i in e zou hebben kunnen veranderen. De j of i toch van den uitgang jan kan wel den overgang van a in e veroorzaken, maar zou juist het behoud dar i hebben moeten bewerken; er blijft dus niets anders over dan de e uit de a van het praeteritum te verklaren. De e der causativa van de 3de klasse, leggen en zetten, kan niet verklaard worden uit de lange opene â van lagen, zaten, daar eene verandering van zulk eene a in e, voor zoo verre ik weet, zonder voorbeeld is; die werkwoorden zouden dan lagen en zaten moeten luiden. Wij hebben dus wederom te kiezen tusschen de i van liggen en zitten en de a van lag en zat, en dan geldt volstrekt hetzelfde dat wij bij drenken, wenden en zenden gezegd hebben. Dat men generen, en niet generren zegt is aan de werking der r toe te schrijven, wier invloed op eenen voorafgaanden klinker zeer groot is. Dat voeren de vocaal van het praeteritum van varen, voer,
gevaren heeft, behoeft evenmin aangetoond te worden, als dat leiden,
neigen en steigen die van het enkelvoud van het praeteritum van
lijden, nijgen en stijgen vertoonen. Uit de verwante talen weet
men, dat het praeteritum oudtijds in het enkelvoud ai en in het meervoud
i had, terwijl ai in ei of wel in de scherpe ee, doch i in de zachte e is overgegaan. Dat wij leeren, en niet leiren zeggen, komt weder van de r, die geenen tweeklank voor zich duldt. Eindelijk, dat de o in zoogen uit den oorspronkelijken tweeklank van het enkelvoud au of ou ontstaan is en niet uit de u van het meervoud, wordt bewezen door de oud en nieuwhoogduitsche werkwoorden saugjan, säugen en saufjan, säufen, die van sugan, saug, sugun en sufan, sauf, sufun zijn gevormd. Daar nu de tweeklank au, ou eene scherpe lange of opene o heeft opgeleverd, terwijl de zachte uit u ontstaan is, zoo is de spelling van zoogen met de scherpe o de eenige ware, die trouwens reeds door Kiliaan en door Ten Kate, Aenleiding enz., D. I, blz. 309, werd voorgestaan. Ook de zoogenoemde staten-overzetting des bijbels heeft soogen; vergelijk Matth. XXIV: 19; Marc. XIII: 17 en Luc. XXI: 23: ‘wee den bevruchten en den soogenden vrouwen in die dagen’ en Matth. XXI: 16: ‘Uyt den mondt der jonge kinderen ende der soogelingen hebt gij u lof toebereyt.’ |