[p. 217]

IETS OVER HET ACHTERVOEGSEL AADJE.

Het achtervoegsel aadje is, vooral in de laatste jaren, voor velen een steen des aanstoots geweest. Men ergerde zich over eene spelling, die buiten alle verhouding schijnt te staan met den klank, welke bij eene goede uitspraak in woorden als kijvaadje, stellaadje, vrijaadje gehoord wordt. Inzonderheid wist men geene rekenschap te geven van de d, die men als volstrekt overtollig en ongemotiveerd beschouwde. Daarom sloeg men voor om in het vervolg kijvazje, stellazje, vrijazje te schrijven. Die spelling heb ik door sommigen zeer hooren prijzen, omdat zij - wat zeker niet te ontkennen is - werkelijk nader bij den klank komt, dien men voorstellen wil. Het komt mij intusschen voor, dat zij om verschillende redenen niet zoo onbepaald is aan te bevelen. Vooreerst is het denkbeeld niet nieuw, en is de uitvoering reeds te vergeefs beproefd. De beroemde tooneelspeler Adam Karelsz van Germez, die in het midden der zeventiende eeuw bloeide en door zijne tijdgenooten hoog vereerd en met Roscius vergeleken werd, spelde zijnen naam met zj: Zjermez; ook vertaalde hij uit het Fransch een drama van Rotrou, hetwelk hij Klaagende Kleazjenor en Doolende Doristee betitelde; doch het voorbeeld van den hoog geachten man vond geene navolging. Misschien moet dit voor een gedeelte worden toegeschreven aan den vreemden en onbehagelijken vorm, dien de met zj gespelde woorden vertoonen; maar de hoofdoorzaak is zeker wel, dat de klank der fransche g slechts gebrekkig door zj voorgesteld wordt. Die klank toch is, even

[p. 218]

zeer als die van de fransche ch, een ondeelbaar spraakgeluid, dat niet in twee bestanddeelen, z en j, kan opgelost en dus ook niet door eene verbinding van twee letters kan voorgesteld worden. Het gebrek zou dus door de spelling met zj niet weggenomen zijn; men zou slechts iets verkeerds wegwerpen om er iets verkeerds voor in de plaats te stellen. Buitendien geloof ik, dat de uitspraak bij dien ruil eer verliezen dan winnen zou. De onkundige toch, die vrijaadje geschreven vindt, zal vrijaad-je lezen, tot dat hij van een ander de ware uitspraak hoort, die hij des te eerder zuiver zal nabootsen, naarmate hij minder verwend is, doordien er geheel geene overeenkomst tusschen die spelling en de uitspraak van vrijaadje bestaat. Schrijft men daarentegen vrijazje, dan is er gevaar, dat hij zal beginnen met vrijas-je of vrijaas-je te zeggen, welke ondragelijke uitspraak, eenmaal aangewend, moeijelijk zal af te leggen zijn, juist omdat zij zoo na aan de ware grenst, dat het onderscheid voor vele harde ooren en stramme tongen bezwaarlijk te vatten is. Het komt mij daarom voor, dat men beter doet met de oude spelling te behouden; en misschien kan de kennis van den oorsprong van het achtervoegsel aadje ten gevolge hebben, dat sommigen er zich eenigermate mede verzoenen.

 

Het achtervoegsel aadje verraadt zijne vreemde herkomst niet alleen door de onhollandsche uitspraak, maar ook daardoor, dat het den klemtoon van de stamlettergreep aftrekt en op zich overbrengt. Het is waarschijnlijk tijdens de Bourgondische regering tegelijk met eene menigte fransche woorden in de taal binnen gedrongen, en werd vroeger op verschillende wijzen geschreven. In de geschriften der Rederijkers, die van fransche woorden en vormen overvloeijen, vindt men b. v. personaedgien en personagien; stellage en stellagie; stagie, stage en staedgie. Kiliaan spelt boschagie, pagie, kijvagie, stagie, stellagie, logie; maar ook stellaedsie, quellaedsie, loodse. De d voor de g en s bewijst, dat ook de alleenstaande g in al zulke woorden toen een zamengestelden

[p. 219]

klank voorstelde, dien men in het hedendaagsche Fransch door dj of dg zou uitdrukken. Zulks was geheel in overeenstemming met de toenmalige uitspraak der Franschen, die de g oudtijds op dezelfde wijs uitbragten als de Italianen nu nog hunne g voor e en i, en als de Engelschen de g in gender, gentle. In den mond van minder beschaafden werd die klank tot ds, gelijk onze kindermeiden thans nog de hedendaagsche g van George, Angélique, en de j van Jules en Jeannette in z veranderen en van Zorsje, Anzelieke, Zuultje en Zannetje spreken. In loods, loodse, van loge (lees: lo-dge) is die uitspraak ook in de beschaafde kringen doorgedrongen en de heerschende geworden.

Dat men in het Fransch voorheen eene d in den uitgang age liet hooren, zal wel niet verwonderen, wanneer men in aanmerking neemt, dat hij meest uit -aticus ontstaan is, b. v. sauvage uit silvaticus, volage uit volaticus, ombrage uit umbraticum, voyage uit viaticum. Die t-klank verdween natuurlijk niet plotseling en op eens, maar verweekte eerst tot d, die in page, van het grieksche paidion, reeds aanwezig was. Het Provençaalsch schreef, of schrijft misschien nog, salvatge, volatge, ramatge, damnatge (zie Diez, Grammatik der Roman. Sprachen, II, 252). Geheel in overeenstemming met de g sprak men toen de ch uit, alsof er tch geschreven stond, waaraan toe te schrijven is, dat woorden, die toen uit het Fransch zijn overgenomen, met ts uitgesproken en geschreven worden, b. v. koets van couche, flits van flêhe, rots van roche, toorts van torche.

Men ziet dus, de oudfransche g vertegenwoordigde, evenals de italiaansche en engelsche eenen zamengestelden klank, waarmede de schrijfwijze dg gedeeltelijk zeer goed overeenstemde. Aan de g echter moest men toen evenzeer eenen onnederlandschen klank geven als thans aan de j, namelijk denzelfden, dien g thans heeft in genie, ingenieur, gelei, diligence, horloge, asperge, manége, collége. Daar wij nu toch in sommige gevallen genoodzaakt zijn om aan de g eene vreemde uitspraak te verbinden, zou de spelling age zeker de rationeelste zijn.

L.A. te Winkel.