IETS OVER HET WERKWOORD KOOPEN.Wat zoudt gij wel zeggen, waarde lezer, indien men eens beweerde,
dat gij als leerling uwen meester of uw schoolboek hadt nagezegd, en, zoo gij
zelf onderwijzer zijt, wederom aan uwe leerlingen in goeden ernst geleerd hadt,
dat alle menschen sterfelijk zijn uitgezonderd alleen de Dom te Utrecht? Gij
zoudt zulks voor onmogelijk, en de bewering voor scherts of den spreker voor
krankzinnig verklaren. En toch, zoo gij nog in den goeden tijd hebt
schoolgegaan, toen men nog iets aan de grammatica deed en het taalkundig
onderwijs nog niet bijna geheel bestond in logisch ontleden en in het leeren,
wanneer een werkwoord eene t aanneemt, en wanneer een verleden deelwoord
op d of t eindigt, dan hebt gij dikwijls iets gezegd, dat in den
grond even ongerijmd is, maar waarvan de dwaasheid alleen niet zoo sterk in het
oog loopt. Hebt gij niet geleerd en dikwijls opgezegd: ‘de
zachtlange o heeft plaats in alle ongelijkvloeijende werkwoorden,
behalve koopen, loopen en stooten’? Welnu, het woord koopen is
evenmin een ongelijkvloeijend werkwoord, als de Domtoren een mensch is. Doch de
schuld ligt niet bij u, maar bij de gebrekkige onderscheiding der werkwoorden
in ongelijkvloeijende, gelijkvloeijende en onregelmatige. Deze verdeeling toch
is even onjuist als de verdeeling van de menschen in mannen, vrouwen en zieken.
Want even als men de menschen èn in gezonden en zieken, èn in mannen en vrouwen verdeelen moet, en de zieken zoowel als de gezonden in mannen en vrouwen te onderscheiden zijn, nagenoeg evenzoo is het met de werkwoorden gelegen. Deze zijn natuurlijk òf regelmatig òf onregelmatig; en gelijk de regelmatige ongelijkvloeijend of gelijkvloeijend zijn, zoo ook de onregelmatige. Komen en houden b. v. zijn in zeker opzigt onregelmatige, maar tevens zijn zij ongelijkvloeijend; daarentegen zijn de onregelmatige koopen en zoeken gelijkvloeijend. Mag ik naar mijne eigene ondervinding oordeelen, dan zijn goede begrippen van gelijkvloeijend en ongelijkvloeijend nog niet zoo algemeen als men wenschen zou, en dan is het niet overtollig, zoo ik hier eene poging doe om die begrippen een weinig te zuiveren en nader te bepalen. Nemen wij Weiland's definitie, die het gemakkelijkst te bevatten is en waarin weinig te veranderen valt. Op blz. 102 zijner Spraakkunst heet het: ‘Ongelijkvloeijende werkwoorden zijn die, welke, in de vervoeging, den wortelklinker veranderen, en in het verleden deelwoord en met een voorgevoegd ge hebben’. De laatste bijzonderheid, het voorvoegen van ge, moet wegblijven. Het voorvoegsel ge toch behoort blijkbaar niet tot de kenmerken der ongelijkvloeijendheid; vooreerst, omdat niet alle verleden deelwoorden van ongelijkvloeijende werkwoorden, b. v. die van bedriegen, vergeven, gedragen, dat voorvoegsel aannemen, en ten andere, omdat vele verleden deelwoorden van gelijkvloeijende evenzeer ge hebben. Minder duidelijk is de bepaling der gelijkvloeijende:
‘Gelijkvloeijende worden, daarentegen, zulke genoemd, welke in al
hunne vervoegingen, aan geene verwisseling van wortelklinker onderworpen zijn,
en in den volmaakt verleden tijd tijd de, of te, en in het
verleden deelwoord d, of t, insgelijks met een voorgevoegd
ge hebben’. De tusschenzin: ‘welke in al hunne vervoegingen
aan geene verwisseling van wortelklinker onderworpen zijn’, is, hoewel
letterlijk genomen waar, overtollig en eene bron van verwarring. De eigenlijke kenmerken der gelijkvloeijendheid zijn: 1. het vormen van den onvolmaakt verleden tijd door aanhechting van de lettergreep de, die soms in te en t overgaat, achter den stam des werkwoords; en 2. het vormen van het verleden deelwoord door aanhechting van d of t. De zoogenoemde wortelklinker wordt wel eens verwisseld, b. v. in brengen, ik bragt, en ondergaat meermalen verkorting of verscherping, d. i. gaat van open in gesloten over, b. v. in zoeken - zocht, koopen - kocht; maar het is de lettergreep de die bewijst, dat het werkwoord tot eene geheel andere soort van woorden behoort dan ongelijkvloeijende. Dat de toch is zelf de onvolmaakt verleden tijd van het werkwoord doen; het is eene verminking van deed, zoodat ik reisde, schreeuwde, haalde, vraagde, lachte oorspronkelijk beteekenden: ik deed eene reis, eenen schreeuw, eenen haal, eene vraag, eenen lach. De onvolmaakt verleden tijden der gelijkvloeijende werkwoorden zijn dus eigenlijk zamengestelde woorden, en dit geeft aan het gansche werkwoord een eigenaardig karakter, hetwelk niet verloren gaat, al verandert de in t, gelijk in bragt, dacht, docht, kocht, zocht, of al verdwijnt het spoorloos gelijk in lei en zei van leide, legde en zeide, zegde. Iedere klasse heeft dus twee kenmerken, die te zoeken zijn in den onvolmaakt verleden tijd en in het verleden deelwoord:
Er blijft nog eene vraag te beantwoorden over: ‘Tot welke
klasse zijn de zoodanige te brengen, die van beide soorten één
kenmerk bezitten?’ Zoo hebben b. v. heeten en weven in den
onvolmaakt verleden tijd heet te en weef-de het kenmerk van
gelijkvloeijende, maar in de verleden deelwoorden geheet-en en
gewev-en het kenmerk der ongelijkvloeijende; waaijen daarentegen
maakt woei en gewaai-d, vragen en jagen maken
vroeg en joeg, gevraag-d en gejaag-d, zijn deze woorden
gelijk- of ongelijkvloeijend te noemen? In zulke gevallen moet de
oorspronkelijke vorm beslissen. Doorgaans zijn dergelijke werkwoorden vroeger ongelijkvloeijend geweest, en het kan voor de spelling en afleiding van belang zijn dit te weten en te erkennen. Alleen bij jagen en vragen heeft het omgekeerde plaats, deze waren oudtijds gelijkvloeijend, doch hebben zich van lieverlede geschikt naar de verbuiging van graven, dragen en varen; al de overige zijn dus voor ongelijkvloeijend te houden. Koopen maakte oudtijds kochte, gekocht; zie b. v. 2 Samuel XXIV, 24: Also kochte David den dorschvloer’. Koopen is dus gelijkvloeijend, maar tevens onregelmatig, omdat het p in ch veranderd en de lange o verkort heeft. Hetzelfde had plaats bij het verouderde verknopen, waarvan verknocht nog is overgebleven. Een bewijs dat aanknopen oudtijds aldus verbogen werd, treft men aan in den Roman van Ferguut, vers 1592 en 93. Er wordt verhaald, dat Ferguut, geene kans ziende om de steile Zwarte Rots te paard te bestijgen, zijn ros aan eenen olijfboom bond:
d. i. ‘Meteen reed hij naar het woud, waar hij eenen olijfboom bemerkte, zoo schoon als er een in de wereld is; de ridders, die het avontuur wilden beproeven, waren gewoon er hunne paarden aan vast te knopen. Ferguut ging er het zijne aan knopen, eer hij daar van daan wilde gaan.’
L.A. te Winkel. |