[p. 230]

OVER DE UITDRUKKINGEN: MIJNS GELIJKE, UWS GELIJKE, ENZ.

Antwoord op vraag 8: ‘Moet men schrijven mijns gelijke of mijnsgelijke enz.?’

 

Voor dengene, die zich een helder en juist begrip heeft gevormd van hetgeen het wezen van een woord uitmaakt, kan het antwoord op deze vraag niet moeijelijk of twijfelachtig zijn. Weet men, dat aan een woord op zich zelf eene bepaalde voorstelling is verbonden, die in alle gevallen en in alle betrekkingen, waarin het voorkomt, steeds dezelfde is en blijft, dan ziet men in, dat een woord al hetgeen toevallig en veranderlijk is, niet in zijne beteekenis kan opnemen. Een zelfde woord dient wel is waar om voorstellingen en aanschouwingen aan te duiden, die soms van zeer verschillenden aard en onderling door eene menigte van bijzondere kenmerken onderscheiden kunnen zijn, doch de kern van al die voorstellingen, hoe verschillend ook, die kern, welke de eigenlijke beteekenis van het woord uitmaakt, is standvastig en lijdt geene verandering. Een bewoner van de Heeren- of Keizersgracht te Amsterdam stelt zich ongetwijfeld bij de woorden mijn huis wel iets grooters en fraaijers voor dan een daglooner te Staphorst of te Rouwveen; maar het begrip huis is voor ieder altijd hetzelfde. De onderscheidende kenmerken en bijzondere hoedanigheden, die in elke bijzondere voorstelling aangetroffen worden, vloeijen voort òf uit de omstandigheden, waarin de spreker of de hoorder zich bevinden, òf uit het verband, waarin het woord voorkomt, òf uit de verbinding met andere woorden, maar zij behooren niet tot de beteekenis van het woord zelf. - Bezit iemand een fraai

[p. 231]

bruin paard, van zessen klaar, met witte kol, fijne witte pootjes en korten staart, dan zal de koetsier bij de woorden van zijnen heer: Jan, span het paard voor de chais, noodwendig aan het dus beschreven paard denken en het zich min of meer levendig voorstellen; doch hij zal zich een gansch ander beeld voor den geest brengen, indien zijn meester maar een ouden graauwen schimmel met langen staart en grove pooten, half blind, kreupel en stijf in de borst, op stal heeft staan. De oorzaak van dit verschil in de voorstellingen van den koetsier zit blijkbaar niet in de beteekenis van het woord paard, maar in de omstandigheden, waarin hij zich bevindt. Wordt er van Amsterdam gesproken, en zegt iemand dan: In het begin van September des vorigen jaars was de stad in feestgewaad gehuld, dan zal de hoorder zich bij het woord stad niet het algemeene begrip stad voorstellen, maar hij zal aan dat begrip een grooter of kleiner aantal bijzonderheden toevoegen, afhankelijk van de mate van kennis, die hij van Amsterdam bezit. Die toevoegsels zijn het gevolg van het verband, waarin het woord stad hier gebruikt wordt. - Het woord broeder verwekt niets meer dan de voorstelling van een ouderen of jongeren mannelijken persoon, die met een of meer andere personen dezelfde ouders heeft. Die beteekenis heeft het in de zinnen: Die heer is de broeder van A. Die dame huwt met den Heer B, een jongeren broeder van onzen burgemeester. Maar ook hetzelfde, en niets meer, beteekent broeder in de uitdrukkingen uw broeder en die broeder van den burgemeester, dien gij kent, ofschoon ik mij misschien bij de eerste woorden een groot, zwaar en vroolijk man, en bij de laatste een klein, schraal en knorrig persoontje moet voor oogen stellen. Hier wordt het onderscheid veroorzaakt door de bijgevoegde woorden uw en die - van den burgemeester, dien enz. De voorbeelden, die wij aangevoerd hebben, waren alle enkelvoudige woorden, doch het is duidelijk, dat het met zamengestelde niet anders gelegen is.

Maar, indien dan een woord steeds een bepaald en onveranderlijk begrip uitdrukt, en al het toevallige en veranderlijke

[p. 232]

van elders moet komen, zoo is het duidelijk, dat de woorden, die toevallige hoedanigheden of betrekkingen uitdrukken, welke dus niet tot de eigenlijke beteekenis van het woord behooren, ook niet met dat woord tot één zamengesteld woord vereenigd kunnen worden.

De woorden mijns, ons, zijns, haars, huns, uws, welke genitieven zijn van de persoonlijke voornaamwoorden ik, wij, hij, zij, gij, duiden zulke blijkbaar toevallige betrekkingen aan, die niet in de beteekenis van het woord gelijke liggen. Zij verschillen inderdaad niet wezenlijk van de bepalende woorden deze, die, mijn, ons, zijn enz., noch van andere attributieve genitieven, als (de zoon) des buurmans, (de zuster) uwer moeder, (het koninkrijk) der Nederlanden. Even weinig nu als men de woorden uw broeder, zijn boek, dit geschenk, dat gebrek tot één zamengesteld woord zal vereenigen, of pogingen aanwenden om zamengestelde woorden te vinden, die zoon des buurmans, boek uws broeders kunnen uitdrukken, even weinig behooren mijns gelijke, uws gelijke enz. tot zamengestelde woorden vereenigd te worden.

Ten einde misverstand en verkeerde gevolgtrekkingen te voorkomen moet ik nog eene opmerking maken, die ik om den geregelden gang der gedachten niet te storen, tot het laatst bespaard heb, ofschoon zij iets betreft, dat reeds in het begin van dit opstel gezegd is. Ik heb beweerd, dat een woord voor ieder individu steeds dezelfde beteekenis heeft; dit moet met eene noodzakelijke beperking verstaan worden. Een begrip is wel degelijk door den tijd aan verandering onderhevig. Het is immers natuurlijk dat een verstandig mensch, die nadenkt en acht geeft op hetgeen rondom hem is en gebeurt, op zijn veertigste jaar van vele dingen andere en juistere begrippen zal hebben, dan hij op zijn twintigste of op zijn tiende jaar had. Met die verandering en verbetering der begrippen, wordt noodwendig ook de beteekenis der woorden, wat hem betreft, gewijzigd en verbeterd. Zoo zal b. v. iemand, nadat hij de werktuigkunde beoefend heeft, een naauwkeuriger en vollediger begrip hechten aan het woord

[p. 233]

stoommachine, dan hij deed, vóór hij zich op die wetenschap had toegelegd. Wanneer ik derhalve zeg, dat de beteekenis van een woord niet verandert, dan versta ik daardoor alleen, dat zij niet gewijzigd wordt door de omstandigheden, noch door het verband, noch door bepalende woorden, maar dan spreek ik niet van de vermeerdering der kennis van de personen, die het woord bezigen of hooren bezigen, welke natuurlijk van den grootsten invloed moet zijn op de beteekenis, die zij aan de woorden verbinden.

L.A. te Winkel.