IETS OVER DEN UITGANG IG.

Antwoord op vraag 10: ‘Zijn de uitdrukkingen regtlijnige driehoeksmeting, aardrijkskundig woordenboek en dergelijke goed te keuren?’

 

Ten Kate beweerde - wat na hem door alle taalkenners bevestigd is - dat de uitgang ig afstamt van het mesogothische werkw. aigan, hebben, waarvan ook ons eigen. De gemelde uitgang beteekent dus een hebben, een bezit, van hetgeen het woord aanduidt, waaraan hij gehecht is. Haastig is alzoo haast hebbende; nuttig, nut hebbende; matig, maat hebbende; hongerig, honger hebbende, enz.

Het denkbeeld van hebben of bézitten moet intusschen niet altijd zoo letterlijk worden opgevat, maar ondergaat in het gebruik wel eenige wijziging. Waterig bij voorb. zegt men niet van eenig voorwerp, wanneer het werkelijk water is of bevat, maar wanneer het den toestand van water nadert; een bloedig gevecht is niet een gevecht, dat bloed heeft of bezit, maar waarbij veel bloed vloeit; een wellustig lied, niet een lied dat wellust bezit, maar dat tot wellust prikkelt. Achter de wortels van werkwoorden geplaatst, geeft de uitgang een neiging of overhelling te kennen tot datgéen, wat de wortel uitdrukt. Iemand is droomig, slaperig, stootig, woelig, als hij neiging heeft tot droomen, slapen, stooten, woelen.



[p. 237]

Hoedanig echter de wijziging ook moge zijn, die de beteekenis des uitgangs ondergaat: in het algemeen blijft het waar, dat hij de zelfstandigheid of hoedanigheid, met welke hij verbonden wordt, meer of minder, op de eene of de andere wijze, eigent aan het voorwerp, dat omschreven wordt. Het denkbeeld van onderlinge betrekking, van aanhoorigheid, blijft steeds doorstralen.

Na het gezegde zal het niet moeijelijk zijn te weten, wat regtlijnige driehoeksmeting of een aardrijkskundig woordenboek is. Het eerste is de meting van een driehoek, die de eigenschap heeft van uit regte lijnen te bestaan; korter: die drie regte lijnen tot zijden heeft. Het tweede, een woordenboek, dat tot het gebied der aardrijkskunde betrekking heeft. Zoo is een wiskunstig voorstel een voorstel, aan de wiskunst ontleend of daartoe behoorende; eene regelmatige figuur, eene figuur naar zekere regelmaat getrokken; eene toevallige overeenkomst, eene overeenkomst, die door toeval is ontstaan of waaraan een toeval is verbonden. Het moge waar zijn, dat het gebruik van den uitgang oorspronkelijk zoo ruim niet werd toegepast, en dat zijne beteekenis niet dan langzamerhand uitbreiding of wijziging heeft ondergaan: het is tevens waar, dat zulk een verschijnsel in eene levende taal zeer gewoon is, en dat ig dit met andere uitgangen gemeen heeft, bij sommige van welke met der tijd de aanwending zoo veelvuldig en velerlei is geworden, dat de primitive zin bijna geheel verloren is gegaan; iets, wat van den uitgang ig nog geenszins gezegd kan worden. Het begrip van eigen, van aanhoorigheid, van onderlinge betrekking, is daarbij nog altijd kenbaar.

Bilderdijk streed derhalve tegen windmolens, toen hij zich in zijne Verklarende Geslachtlijst, art. professor, dus uitliet: ‘Wat is een Aardrijkskundige ligging van een land, een Staatkundige party, een Godsdienstige vervolging, een Kruidkundige tuin, een Ontleedkundig kabinet, en al zulke domkoppery in menigte; die van de volstrektste botheid in denken en spreken getuigen, en die men duldt!’ - Sommige der hier aangevoerde uitdrukkingen zouden vermeden kunnen worden. Voor

[p. 238]

staatkundige partij, godsdienstige vervolging, kruidkundige tuin, ontleedkundig kabinet, kan korter en welligt beter gezegd worden: staatspartij, godsdienstvervolging, kruidtuin, ontleedkabinet. Doch onder de hier zoo scherp veroordeelde uitdrukkingen is er niet één een zier slechter dan b. v. taal- en dichtkundige verscheidenheden, wat Bilderdijk niet versmaad heeft, als titel op acht Deelen zijner werken te plaatsen; of dan ‘de oordeelkundige aanteekeningen van den naarstigen F. van Lelyveld,’ zoo als ik in eene zijner Voorredenen lees, en dan honderd andere voorbeelden, die uit zijne geschriften waren op te zamelen, en die bewijzen, dat hij anderen voor domkoppen schold om iets, waar hij zelf niet vrij van was, of liever, waar hij evenmin als ieder ander buiten kon.

A. d. J.