[p. 240]

Boekaankondiging.

Proeven van Woordgronding door G.L. van den Helm. Eerste Stukje. Te Utrecht, bij A.J. van Huffel. 1859 (VIII en 123 bladzz. in gr. 8vo.)

Men heeft wel eens - en nog dezer dagen in de Navorscher - gesproken van ‘het belagchelijke’ van de kunst der woordafleiding. Hoe zonderling deze beschuldiging ook moge schijnen, er bestaat wel eenige reden voor, haar te doen. 'k Twijfel of eenig vak van wetenschap zooveel grond heeft opgeleverd, om met minachting er op neêr te zien, als dat der etymologie. En geen wonder! Is er wel ééne kunst ligter geacht, met meer onbedrevene hand uitgeoefend, en jammerlijker in hare resultaten geweest, dan die der woordafleiding? 't Is inderdaad zonderling, dat zelfs geniën, die op een ander gebied van studie aan de eischen van streng onderzoek en logische redenering zeer goed weten te voldoen, zoodra het de etymologie geldt, zich van die eischen ontslagen rekenen, en losse, ja dikwerf de ongerijmdste invallen als waarheid uitventen, te gevaarlijker naarmate ze vernuftiger schijnen en op beslissender toon worden voorgedragen.

Wie ook zou mogen geacht worden zich met ligtvaardige hand aan de woordgronding onzer taal te hebben gewaagd: zeker niet de heer Van den Helm, wiens Eerste Stukje der Proeve op dat gebied voor mij ligt, en die daarin toont, den aard en den eisch te kennen der wetenschap, waarin hij anderen wil voorlichten.

In een twee-en-twintigtal afdeelingen of hoofdstukken, door eene breede rij van aanteekeningen gevolgd, geeft de Schrijver

[p. 241]

zijne nasporing aangaande den oorsprong der volgende woorden: Aerpel, erpel; Nette; Bies, binze, bent; Huim; Germ; Daauw; Koon; Keest; Erk; Maal; Espink; Priker; Sidderen; Buis; Leeuwerik; Meeheer; Veem; Ederikken; Mathoh; Biest; Waltowahso en Guckahni.

Indien de bedoeling van De Taalgids medebragt, van uitgekomen werken eene beoordeeling in den eigenlijken zin des woords te leveren, ik zou, althans ditmaal, voor die taak hebben moeten terugdeinzen. Een inhoud als die van het stuk des hn. Van den Helm, regel voor regel, of liever woord voor woord, kritisch na te gaan - al ging het niet boven mijne krachten of buiten de grenzen van dit tijdschrift: ikj zou er den tijd niet toe hebben kunnen vinden. De Redacteuren hebben ook in hun Voorberigt alleen toegezegd als verslaggevers, en niet als beoordeelaars, te zullen optreden.

Aan de straks gedane opgave van den inhoud, uit welke de kundige lezer reeds zal bespeurd hebben, dat hier niet bij voorkeur bekende of gemakkelijke woorden zijn nagespoord, voeg ik dus alleen het getuigenis toe, dat de Schrijver, mijns inziens, zich ten volle bekwaam heeft getoond voor de taak, door hem aanvaard. Overal draagt zijn onderzoek de blijken van grondige studie en bondigheid van redenering, waarbij hem een zeldzame en benijdenswaardige rijkdom van hulpmiddelen te stade komt. Tot in de verste schuilhoeken toe worden de woordvormen nagespoord, en tot opheldering van beteekenis of oorsprong aangewend, en, voor zoo ver ik kan oordeelen, de resultaten met vermijding van willekeurige taalregels opgemaakt.

Wat ik onder het lezen opteekende, wil ik den Schrijver mededeelen. Is het niet zeer belangrijk, hij kan er uit zien, dat ik zijne Proeve met belangstelling heb nagegaan.

In het middeln. komt keest (zie bl. 22) voor in de plaats, bij Mone, Uebersicht, S. 293, aangehaald uit het Comb. HS.:

 Nu laet ons leven met blijden gheeste
 ende drinken den wijn al metten keeste.

Bij de vormen, bl. 40 van leeuwerik kan nog gevoegd

[p. 242]

worden leeuwerwerk in Six van Chandeliers Poësy, bl. 52. - Bij die van het werkw. ederikken, bl. 59: edekeren en edeken in Maerlants Rijmbijbel, vs. 5340 en 5341. - En bij die van thameer, bl. 109, de volgende: tameer, Lancelot, B. II. vs. 3359, 5322, 14698. Walewein, vs. 1984, 8783, 10175; te meer, Lanc. III. 378; trameer, Lanc. II. 14124, 19923, 29783 en elders; tavontmeer, Lanc. II. 5352, 7311, 21751, en III. 135.

Bl. 33 gaf mij eene teleurstelling. Het opschrift Sidderen deed mij eene oplossing te gemoet zien, naar welke ik sedert lang haakte. In mijne Proeve over de Werkw. gaf ik bl. 153 eene afleiding van sidderen, die alleen als gissing bij gebrek aan beter gelden mogt, en die de hr. Van den Helm wèl deed, met stilzwijgen voorbij te gaan. Intusschen, in de sedert verloopen 27 jaren is mij nog geene voldoende voorgekomen. Wat de Schrijver mededeelt, doet alleen zien, onder welke verschillende vormen ons werkwoord elders voorkomt, doch het geeft geene afleiding. Nog altijd ontbreekt het primitief van den frequentatiefvorm sidderen, en hoe de beteekenissen grimlagchen en meesmuilen zamenhangen met die, welke wij aan 't woord toekennen, wordt niet opgehelderd. Hetgeen bij den Schrijver voorkomt, is eigenlijk in substantie reeds door Tuinman gegeven, als hij in zijne Fakkel, II. 187, zegt: ‘De aaloude Gothen zeiden titra. Wy hebben de voorste t in s verwisselt.’

Bl. 84 acht de Schrijver neetoor slechts ‘schijnbaar’ eene zamenstelling. Ik hield dit altijd voor zeker, juist niet omdat ik er, zoo als Dr. Halbertsma, Aantt. op Maerl. bl. 287, het naamw. oor in zag met den wortel van het werkw. neten, bij Kil. voor nijden opgeteekend; maar het genoemde oor met het naamw. neet, luisjong. Een neetoor is een kitteloorig mensch, zegt Hoeufft, naar ik meen te regt. Den zoodanigen krieuwelt het achter de ooren, alsof hij er neten had. Met deze opvatting komen ook overeen de bij Weiland vermelde spreekwijzen: dat is een regte netenkam, of netenkop.



[p. 243]

Bl. 108 wordt gevraagd naar de beteekenis van het middeln. malsch, in Serrures Mus. I. 68:

 Doen die voghelen alle horden
 datmense aldus woude morden,
 wordense malsch ende gheluut,
 ende sijn behendecheit quam uut.

In den Ferguut, vs. 106, leest men hetzelfde woord:

 Die jaghers waren herde gemalsch.
 Mallijc blies met sinen horne.

Dr. Halbertsma, in zijn Naoogst, bl. 26, legt dit uit door wakker, onvermoeid, driftig; en die beteekenis past ook vrij wel op de plaats uit Serrure: toen de vogels hoorden, dat men voor had hen te vermoorden, werden zij wakker, ijverig in de weer of op hunne hoede, en de behendigheid van den schutter werd verijdeld. (Is gheluut het middelhoogd. glou, nieuwhd. glau, perspicax, intentus, ingeniosus? vraag ik op mijne beurt in 't voorbijgaan?) Nog eene derde plaats van malsch is mij bekend, die de gegevene verklaring schijnt te staven. Walewein, vs. 2152:

 Wie so hem quam te ghemoeten,
 Walewein quetstene so onsoete
 Metten spere, al sonder vraghen,
 Hine ghenas in viertich daghen.
 Hi deder sulken over hals
 Tumen, die hem herde mals
 Maecte eer dat Walewein quam,
 Die sire comste was wel gram.

D. i. (zoo ik wel versta): Hij (de strijdbare held Walewein) deed menigeen hals over kop tuimelen, die, óór dat Walewein kwam, zich zeer wakker of dapper waande, maar die nu, na hem ontmoet te hebben, toornig of verdrietig was.

Heb ik onbewimpeld mijne hooge ingenomenheid doen blijken met den inhoud van het werk des heeren Van den Helm: ik wil even onbewimpeld de grieve mededeelen, die ik tegen den vorm heb. Dat de Schrijver zich op alle mogelijke beknophtheid in de voordragt toelegt, zal ik hem niet

[p. 244]

euvel duiden, hoewel het niet ontkend mag worden, dat de duidelijkheid daarbij wel eens lijdt; doch dat hij bovendien de nieuwigheid bij ons invoert, het geheele boek met ééne lettersoort te doen drukken, en doorgaans de scheiteekens achterwege te laten, zoodat auteurs, titels en woordvormen u in tal van rijen tot duizelens toe voor de oogen schemeren, meen ik niet onopgemerkt te mogen laten. Verstaanbaarheid voor zijne lezers is in een schrijver mede eene deugd, die hij niet straffeloos verzaakt. In 't belang dus der wetenschap uit ik den wensch, dat de grimmsche schrijf- of druktrant, dien men, zonder nut of noodzaak, schijnt te hebben willen overnemen, - hoewel Grimm zelf zóó ver niet gaat als onze Schrijver - bij ons geen opgang moge maken, en dat de min behagelijke vorm, in welken de Eerste Proeve van den hr. Van den Helm optreedt, niet hinderlijk moge zijn aan de verspreiding en belangstelling, die zij, om den voortreffelijken inhoud, zoo ruimschoots verdient.

 

Rott., Julij 1859.

A. d. J.

Spraakwording, taal en schrift; Nederlandsche spreeken schrijftaal. - Inleidende taalbespiegeling van Joh. van Vloten (met eene bijlage over Prof. Roorda's verhandeling). Zutfen, Willem Thieme. 1859.

De verhandeling van Prof. Roorda (over het onderscheid en de behoorlijke overeenstemming tusschen spreektaal en schrijftaal, inzonderheid in onze moedertaal door T. Roorda. Leeuwarden, G. T. N. Suringar; 1858) heeft op taalkundig gebied vrij wat beweging veroorzaakt. In de Akademie van Wetenschappen voerden de Heeren Prof. de Vries en Prof. Brill het woord om sommige denkbeelden van den Heer R. te bestrijden. De Heer R. gaf ‘na de yerhandelingen over

[p. 245]

dit onderwerp in de Koninklijke Akademie van Wetenschappen’ de door Prof. Van Vloten bedoelde verhandeling uit. De lezers van de Taalgids hebben in No. 1 van dezen jaargang reeds kennis gemaakt met de daarin ontwikkelde theorie omtrent ‘de oorzaak van de onverbuigbaarheid van de stoffelijke bijvoegelijke naamwoorden en de ware aard van de toonlooze e’ en de bedenkingen door den Heer Te Winkel daar tegen ingebracht. Thans wordt de verhandeling weder aangevallen en wel door den Heer v. V. Zoo spoedig kunnen de zaken eene andere wending nemen. Nog weinig jaren geleden werd de opmerking gemaakt, dat, alvorens de denkbeelden van R. voor knapen en meisjes versneden en pasklaar gemaakt mogten worden, men wel eens diende te vragen, wat bevoegde beoordeelaars zeiden van al het nieuwe en vreemde, dat er in voorkomt, en daarop werd geantwoord, dat men in dezen te vergeefs naar bevoegde rechters zoeken zoude. De vier genoemde taalkundigen denken er echter anders over, en de laatstgenoemde, Prof. v. V., spreekt zoo beslissend, dat wij niet kunnen nalaten eenige volzinnen van het Voorbericht af te schrijven: Men heeft te recht de opmerking gemaakt, dat, ‘ook de bespottelijkste stelling, in het rijk der wetenschap, haar nut kan hebben, door namelijk anderen tot eene wederlegging uit te lokken.’ Zulk eene wederlegging mag er zich dan echter niet toe bepalen, het verkeerde dier stelling aan te wijzen; zij moet tevens den juisten aard der besproken zaak zoo klaar mogelijk trachten bloot te leggen. Daarmede toch zal niet alleen gelijke dwaling in 't vervolg voorkomen worden, maar de lezer ook tot het juiste begrip geraken kunnen, van wat hem vroeger wellicht òf nog onbekend was òf in slechts onbestemde trekken voor den geest zweefde. - In de volgende bladzijden wordt dat ten aanzien van de Verhandeling van den Heer Roorda beproefd; eene verhandeling, die zeker, ware zij niet met een zoo gevierden naam onderschreven, en droeg zij, onder dien naam, hare averechtsche voorstellingen niet met zulk eene stoute zekerheid voor, slechts met een billijk hoofdschudden zou ontvangen en al aanstonds ter zij gelegd zijn.



[p. 246]

Men ziet, Prof. v. V. steekt niet, zoo als men 't noemt, onder stoelen of banken, hoe hij over de verhandeling denkt, en de taak, die hij op zich nam, is waarlijk niet gering. Van zijn standpunt gezien, ontbreekt het niet aan gelegenheid om 't verkeerde van stellingen aan te wijzen en den juisten aard van besproken zaken bloot te leggen. Men zou wellicht bij de eerste inzage denken, dat de 192 bladzijden van dit werk worden gewijd aan eene bestrijding, met de noodige hatelijkheden doorspekt; het Voorbericht zou misschien die verwachting voedsel geven, doch het tegendeel is waar! De redenering gaat rustig haren gang, en vervolgt haren weg zonder zich te bekommeren over hetgeen achter en naast haar voorvalt. De Heer v. V. wijkt, zeker tot genoegen van elken lezer, van zijn programma af, of liever hij keert de orde daarvan om. Eerst wordt de juiste aard der besproken zaken zelfstandig aangetoond en dan het verkeerde der stellingen aangewezen; naar ons inzien eene uitmuntende methode, waarbij de wetenschap altijd winnen moet, aan welken kant 't gelijk wezen moge. 't Is waar, bestrijding van den Heer R. was niet het eenige doel van den Heer v. V., meer nog was het ‘eene voorbereidende inleiding voor alle hoogere taalstudy.’ Na eene opdracht aan Prof. Dr. A. Rutgers en Dr. L.A. te Winkel handelt de schrijver over denken en spreken, spraak en taal, spreektaal en schrijftaal, terwijl eene bijlage over Prof. R. verhandeling het werk besluit. Zonder een oordeel (ons doel is eene eenvoudige aankondiging) over het werk van den Heer v. V. uit te spreken, meenen wij, dat het in hooge mate de belangstelling verdient van allen, die op de kennis en veredeling onzer moedertaal prijs stellen. Wij hopen dat het veel gelezen, en, 't zij men bedenkingen heeft tegen sommige punten, 't zij men wenscht uit te breiden, wat slechts kon worden aangestipt, in dit Tijdschrift meermalen ter spraak gebracht moge worden.

Julij 1859.

D.