BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER NOORDHOLLANDSCHE VOLKSTAAL.(TWEEDE GEDEELTE).Langen, geven. In dien zin treft men het ook aan in Noosemans Lichte Klaartje, 1650, A. 3, vo.: Ick souje bijloo, tot een vereeringh, een hoet met een nieuwe mantel langen. 't Lemiere van den dag, morgenschemering. Lemiere in den zin van luchtgat of opening in 't vizier eens helms komt voor Karel de Gr. 2, vs. 324:
Lestent, onlangs, laatst. Aldus Vlaerd. Reder-b. D. 3, vo.:
Warenar, Bedr. 2, T. 1:
Z. v. Oudemans op Bred. Lezen, bidden (ook uit het hoofd). Reeds vroeg treft men dit woord in dien zin aan, t. w. Beatrijs, vs. 210:
en later bij Bred., Kl. v. d. Meul. G. 3, vo.:
Lijkewel, evenwel. Hoe hiet hij lijkewel? Bij de Ouden komt het menigmaal voor, o. a. Bred., Rodd. en Alph. Toegift:
en J.H. Krul, Kl. v. drooge Goosen, 1727, A. 8, vo.:
Loi, lui. Ook bij Kiliaen. Loilak, luiaard, luiwammes. Loof, moede. Loof worden trans. een tegenzin (ergens in) krijgen, vervelen. Dat kissebissen word ik loof. Ook bij Hooft en Bred. ontmoet men het in de eerste beteekenis, t. w. Ned. Hist., blz. 821: De burghers al loof des belegs, van toen zy 't begosten te voelen, beweezen niet alleen kleene hulp aan de soldaaten, maar ontholpen hen met letsel zoo in't bekoomen der lijftocht als anderzins. En Moortje, H. 2, vo.: Och vaer, rust wat; ick ben soo loof, ick magher niet meer teugen. Loofheid, vermoeijenis. Ook bij Hooft, Ned. Hist., blz. 469: d'Avila bood hun eenighe verversching, om zich te verquikken van de loofheit. Looven, gelooven. Aldus vindt men het ook in de Blijspelen van Bredero. Z. Oudemans ald. Louter, zuiver, enkel. 't Is louter vergissing. Louw, luw. Louwen, luwen, luw worden, baten, helpen. In de Kl. v. d.
Uyterse Juffers leest men blz. 7: Ba dat lout weer een beetjen, sey
den Reyger, en hy school achter een bies. In den Seghelijn, fo. K. 2, ro. komt louwe voor in de beteekenis van hulp. Luchthuis, tuinhuis, koepel. Luikes (zich) houden, zich stil houden. Dus Fokke, Hoekje v. d. Haard, 3de dr., II. 271: alsje niet meer van den oorlog weet, mag je je wel dood luikes houden. Lukraak, bijkans, bijna. Reeds vroeg is dit woord bekend geweest. Men vindt het in de oude Ned. Spr., uitg. door Pr. Meyer, alwaar blz. 35: Luckeraeck botter in dassche. Z. v. Oudemans op Bred. Luttik, weinig. Wat lijket luttik metje. Dit woord treft men aan bij V. d. Schueren, Kil. en in de Ged. van Hildeg., alwaar fo. 6, v. a :
en fo. 40, r. b.: hi was die gheen diet luttic achte. Z. v. Gl. Minn. Loep en V. Hass. op Kil. Magerlijk, schraal. Maerl., Sp. Hist. II. blz. 294, vs. 9:
Manshoofd, man; van het mannelijk geslacht. Zoo leest men in de Reimchr. v. Fland., vs. 6061:
en Vondel, Adam in Ball., Bedr. 5:
't Manvolk, de mannen. Mattekeesje, drankfleschje met biezen omvlochten. Meissen, meid, meisje. Ald. in Matth. An., Dl. III. blz. 505 en Kil. Mem, moeder. Migchelen, wemelen, krielen. Mijt, Grafelijk muntje, zesde gedeelte van een duit, voor de zeventiende eeuw in de Nederlanden gangbaar. In de spreekwijze: 't Is niette mijt, het is geen duit waard, het is niets. Dikwijls komt zij voor in de schriften der Ouden, en al zeer vroeg. Zie Dr. De Jagers Lat. Verscheid., bl. 70-74. Misselijk, vreemd, zonderling, raar, leelijk, bespottelijk. Wat is hij misselijk toegetakeld. Wat ziet hij er misselijk uit. Je bent een misselijk pot eten. Zeer oud is dit woord; de vroegste schrijvers hebben het reeds en in vele beteekenissen gebezigd: 1o. Gemengd, onderscheiden, verschillend, velerlei, allerlei. Lancelot, 3, vs. 6565:
Sp. Hist. III. blz. 139, vs. 25:
St. Franc. Prol., vs. 77:
en Natuurk. v. 't Geheelal, vs. 725:
2o. Op verschillende wijzen. St. Margrieten (B. Mus. I. blz. 282), vs. 165:
3o. Wisselvallig, onzeker, twijfelachtig. Reinaert, vs. 1391:
Ald. vs. 4120:
Oude Ned. Spr., uitg. d. Pr. Meyer, blz. 6:
Spiegh., Bijspr. Alm., Sept. 1:
Visscher, Sinnep. Sch. 1, no. 4:
en Warenar, Bedr. 3, Toon. 1:
4o. Onbestendig, voorbijgaande. D. Buysero, Amphitr. blz. 18:
en Bred., Stomme Ridd., bl. 43:
5o. Gevallig, toevallig. Maerl. Sp. Hist. I. 186:
J. de Brune d. J., Jok en Ernst, I. blz. 98: doe van daagh niet, waar van het mergen misselik te laat zou wezen om berouw t' hebben. Ald. blz. 187: Gelieft te gedogen, dat ik u eerst, hier of daar in, te passe ben gekomen, en dan zal ik uw beleeftheid misselik aannemen. En blz. 202: hoewel 'er misselik iemant zou mogen wezen, die zoodanig een verdragh aanging. 7o. Gebeurlijk, eventueel. St. Amand, I. 2336:
8o. Verkeerd. Reinardiana (B. Mus. VI. blz. 414), vs. 99:
d. i. dat kon wel verkeerd of slecht afloopen. 9o. Zonderling, raar, wonderlijk, vreemd. Minn. Loep, 1, vs. 2683:
Oude Ned. Spr., uitg. d. Pr. Meijer, bl. 29: Mislick waer een koe een haese vangt. en Sp. Bijsp. Alm., Nov. 1: Misselik is wonderlik. 10o. Luimig, wonderlijk, grillig, knorrig, spijtig. O. Ned. Spr., uitg. d. Meijer, blz. 12: Tgeluck is rondt of mislick. Minn. Loep, 1, 1240:
Vergelijk Dr. De Jagers Taalk. Mag. IV. blz. 350 355; Gl. M. Loep en Oudemans op Bred. Mittien, terstond. Aldus Hildeg., fo. 19, v. b.:
Modden, morsen. Moddig, morsig, vuil. Modde is vuil, drek. Z. v. d. sch., Teuth. Muijeren, redden, redderen, herstellen, in orde brengen. Alzoo in Warenar, Bedr. 1, T. 5:
Naalden, zij behooren tot het hoofdsieraad der vrouwen, worden gedeeltelijk onder den kap gestoken en rusten van onderen op de pooten of boeken van het oorijzer. Neerwaardan, naar beneden. Neusdoek, halsdoek, treft men o. a. aan in Bred. Griane, blz. 59: Om dat mijn wijf huir Nuesdoecken maackt met lommestickjes. J. v. Paffenrode, Hopm. Ulr., Bedr. 2, T. 3:
en J.H. krul, Kl. v. drooge Goosen, B. 3, ro.:
Nieuwlings, kortelings, onlangs. Nieuwelinghe vindt men in den Roman v. d. Roos, vs. 1124:
Nieuwlicks leest men St. Bijb. Judith, 4, 4: ende beschickten kooren tot voorraet van den krijgh, overmits hare velden nieuwlicks afgemaeyt waren. Nok, hik. Kil. en Bred., Boert. Lied-b., blz. 67, b.:
Nokken, hikken, Kil. In de beteekenis van snikken komt het voor bij Colijn v. Rijssele, Sp. der Minnen, fo. 31, b.:
Hooft, Tacitus, blz. 394: schuddende zijn' borst en aanschijn van 't nokken. En Bred. Griane, blz. 2:
Nurk, norskop, steiloor. 't Is een nurk van een vent. z. v. Tuinm. Spreekw., Dl. I. blz. 217. Nuw, nu doen ('t zel mij), 't zal mij verwonderen, bevreemden. Het doet of geeft mij nuw te weten, ik ben nieuwsgierig, of verlangend te weten. Z. V. Oudem. op Bred. Nuw van ophooren, bevreemden. Daer hoor ik nuw van op, daar sta ik van te kijken. Okzaal, ook zingzolder, plaats voor de zangers in de roomsche kerk. Ommekantje brood, sneedje. Ongans, ziek, krank, in de mat, niet wel. Kiliaen. Onklaar, hetzelfde. In de beteekenis van, niet in orde, defekt, beschadigd, komt het voor bij Visscher, Quicken, Sch. 6, 53:
Ontschieten, uit de gedachte, buiten de rekening gaan. Z. Tuinm. Fakkel, Dl. II. i. v. ontstentenis. Verders komt het bij de oudste schrijvers voor, doch in andere beteekenissen, als: 1o. Ontgaan, ontkomen, ontvlugten. Sp. Hist. I. blz. 206, vs. 41:
Reimchr. v. Fland, vs. 7876:
en Velth. 2, Cap. 48:
2o. Ontwijken, zich verschuilen voor. Sp. Hist. I. blz. 157, vs. 5:
3o. Ontglippen. Lancelot, 3, vs. 13011:
4o. Ontwaken, wakker worden. St. Franc. vs. 1628:
5o. Aanbreken. Lancelot 3, vs. 17395:
Onzoet, onaangenaam. Wat is het weer onzoet! In
dien zin treft men het aan in het 10le. Deel van Hoffm., Hor. Belg., blz. 125, coupl. 3:
Grimb. Oorlog, II. 2437:
en in een Brief van Spieghel aan Dr. P. Paauw: De al te groote gewoonte der zonden maakt ons den weg der deugden rouw en onzoet. Oomzegger, - zegster, neef, nicht. Oorijzer, zilveren of gouden plaat, waarover de kap gehecht is. Ootje, grootmoeder. Opperdan, opwaarts, naar de hoogte, of naar boven. B. v. Ga je meê opperdan? Trek wat opperdan. Opredderen, opruimen, z. v. Dr. De Jagers Proev. ov. de Werkw. i. v. Redderen. Oproden, hetzelfde. In de beteekenis van uitroeijen, ontwortelen komt het voor in de Gest. Rom, cap. 83: Daer quam een vroem starck groot beer die quam in desen hof ende verderfde die bomen scoerdesen ende bracse ende roodse op. Opzudderen, opsnerken, (het eten) opstoven. Ota, grootvader. Overschoer, andersom. Aldus in 't Constth. Juw. Ddd. 2, vo.: Het sal u noch wel gelucken, ick meen over schoer. Paander, platte wijde ronde mand. Palmetazie, bloedverwantschap. Planteit, gestadig, bestendig. In dien zin lezen wij het in den Vlaerd. Rederijk-b. fo. R. 3, vo.:
In de beteekenis van overvloed en overvloedig was het reeds bij de oudste schrijvers in gebruik, o. a. Walew., vs. 4627:
Ald. vs. 11004:
Sp. Hist. II. 80, vs. 9:
Z. v. Gl. Lek. Sp. Ploeteren, (in 't water) morsen, plassen, of flodderen. Elders vindt men: Plateren of pleteren en plaeijeren: zie De Jagers Proeve over de Werkw. bl. 144. Plok, aandeel, buit. Aldus in Hoofts Warenar, Bedr. 1, T. 3.:
Plokpenning, trekgeld bij een verkooping. Plompverloren, geheel bedolven, geheel en al. Aldus in Fokkes Hoek v. d. Haard, 3de dr., Dl. II. blz. 307: Emma was daardoor zoo gealtereerd, dat ze de handen los liet, en Eginhart rolde plompverloren in de sneeuw. Plutsen, beslaan, mengen. Plutspot, beslagpot. Prutteljagt, nesterijen, vodden, voddenkraam, prullen. Pruetel wordt in deze beteekenis gebezigd in de Spelen van Sinne. Antw. 1562. Aaa. 4, ro.:
Reek, hark. Ook bij Kil. i. v. Reke. Reeschap (Kil. reedschap). In de beteekenis van
werktuig komt het voor in den Pass. Winterst. 1505, fo. 2,
ro.: der heiligen lichamen waren gods vaten christ' tempel ende
bussen met geesteliker salue godlike fonteijne ende een reescap daer die heylighe gheest doer wracht. Hooft bezigt het in de beteekenis van toebereidselen of aanstalte. N. Hist. 278: als hy nu reedschap maakte om de stadt te beuken. Regtevoort, thans, nu, tegenwoordig, komt bij de Ouden meermalen voor, o. a. in de Brab. Yeest, 6, vs. 639:
O. N. Spr., uitg. d. Pr. Meijer, blz. 26: Hy solde rechteuoort wel ouer een huys springen. En Noosemans Klaartje, B. 4, vo.:
Roeijen (uit) gaan, een vrouw bij de verlossing behulpzaam zijn. Rooi (om de) van, ongeveer. Rooi (het houdt geen), het is onbehoorlijk, het gaat buiten den regel, het raakt kant noch wal, kent paal noch perk. Aldus J. v. Paffenrode, Hopm. Ulrich, Bedr. 2, T. 1: als ik gaende ben, soo en hout mijn gramschap geen rooy. Z. v. Oudem. op Bred. Rooijen, redderen, gedaan krijgen, er mede te regt komen, koersen. ‘Dus kan een zwierende en laveerende dronkaard de straat naauwelijks rooijen.’ Z. Tuinm., Spreekw. 2. Rooijen (hem) aan iemand, vindt men in de beteekenis van (iets) op een ander schuiven, het aan hem overlaten, in Lancelot, vs. 30758:
Ruig weer, ruw, onstuimig weêr. Aldus Bred., Kl. v. d. Meulen., F. 3, ro.: Wat hettet van daegh ien ruychweer eweest. Z. v. Oudemans op Bred. Schieten, overvallen, betrappen. Vondel gebruikt het voor overvallen, overkomen, Poezij, II. 5:
Schokkéren, smalen, schimpen. Schooijen, bedelen. Voor gaan, loopen werd het bij de Ouden veel gebezigd, o. a. Reder. v. d. Lischbloem v. Mechelen. Antw. 1562, J. 3, vo.:
Ald. M. 3, ro.: ‘Met redene moet ik mertwaert schoyen.’Hooft, Ned. Hist., blz. 364: Voort schooid hy wakker naa den Landtvooght toe. Augustijnkin, in het Archief, uitgeg. door den Heer Buddingh, vs. 384:
Z. v. het Woord.-b. van het Inst. en van den Heer Oudem. op Br. Schotel, broodschieter. Te Rotterdam zegt men paal. Kil. Pael, ouen-pael. Schots, ruw, plomp, onvriendelijk. Komt in de oude blijspelen menigmaal voor, o. a. in Fokkens Kl. v. d. Ital. Schoorsteenv., A. 2, vo.: Wel als men heur maar wat schots bejegent, ze gaander voort op pruilen. Z. v. Oudem. op Bred. Schroken, een huid of korst krijgen, rimpelen door droogte. Schuilewinkje spelen, schuilhoekje spelen. Wink is een verkorting van winkel, d. i. hoek, (bij ons nog overig in winkelhaak). Dit woord werd door de Ouden veelvuldig gebezigd. Ten bewijze strekke Sp. Hist. II. blz. 243, vs. 7:
Reinaert, Bijl. 4, vs. 14:
|
1) Van daar scharminkel, spotnaam
voor een lang mager mensch.
|
Pass. Somerst., fo. 171, vo.: Des and' daechs quam hi weder ende schuilde in een winkel. Coornh., Dl. III. fo. 508, vo.:
Vondel, Maeghdebr., blz. 53:
En Bred, Moortje, blz. 71. Voorts beteekent het 1o. oogholte. Hooft, Baëto, Bedr. 4, Toon. 3; Vond., Hersch. 13, 810 en Greenwood, Poëzij, blz. 15. 2o. (vestingb.) uit- of inspringende hoek. Hooft, N. Hist. blz. 12. Achterwinkel is schuilhoek, achterhoek, sluiphoek. Hooft, Baëto, Bedr. 3, Toon. 3:
In winkelen en hoeken, in hoeken en gaten, A. Bijns, B. 2, Ref. 10; Bred. Roddr. en Alph., blz. 9; Vondel, Ovid. Hersch. 5, 749, en L. Bake, Uitbr. van Sal. Hoogl., zang 3. Z. v. Huyd. Proeve, Dl. I. bl. 131-35. Schuttel, schotel. Aldus Gest. Rom. fo. 95, ro.: si eten in een scuttel. Selschip, gezelschap. Zoo leest men ook bij Bred. Griane, D. 4, ro.:
en Sp. Brabander, F. 3, ro.:
Sikkepitje, weinigje, beetje. Geen sikkepitje zel je hebben, niets krijg je. |
1) Trans. (iem.) zijn deelneming of leed
betuigen bij eenig ongeval.
|
|
Slaei, groote houten hamer. Slijferen, walsen. Z. v. Dr. De Jagers Proeve, i. v. Slifferen. Slijmgast, gematigd, bezadigd mensch, flegmaticus. In den Patriotschen tijd werden te Amsterdam zij met dien naam bestempeld, die zich voor geen der beide partijen wilden verklaren. Slijmgezel vindt men Reder. v. d. Lischbl. van Mechelen, 1562, M. 2, vo.:
Slokkerd (een goede), een eenvoudig, goedaardig mensch, een goede sul; un bon homme. Hooft, Warenar, Bedr. 1, Toon. 4:
Smakken, vallen. Dus Tiisken v. d. Schilden, A. 2, ro.:
Snaar, schoonzuster. In de beteekenis van schoonmoeder en schoondochter komt het ook bij de Ouden voor, o. a. Gest. Rom., cap. 15 en D. de Potter, Getr. Hard., Bedr. 5:
Z. v. Oudem. op Bred. Snee, sneeuw. Z. Gloss. Lek. sp. Sneeg, snugger, schrander. Snikheet, zeer warm; dus Tacit. 214. Snouwen of snuwen, sneeuwen. Stiek, post of vast werk op een fabriek. Hij heeft een stiek als blokmaalder (eerste knecht op een oliemolen) gekregen. Stijf, ruim. 't Is stijf drie uren. Zoo vindt men ook in Hoofts Ned. Hist., bl. 827: Haare hoopen … quaamen … stijf twee mijlen van Gent leegheren. Stik, stuk, boterham. Aldus Moortje, blz. 63: Als wy tot jouwent te gast waren, je vaar sneet gien stiefvaars sticken. Stikkeweegs, eind wegs. Ald. in Bred. Griane, blz. 30:
Nog bij Wagenaar stuk wegs, Vad. Hist. III. 14: Die van binnen vervolgden hen een stuk wegs. Ald. bl. 337: een hoop Engelschen, een stuk wegs Landwaards ingetrokken zynde. Zie voorts Dr. De Jagers Lat. Verscheid., bl. 363. Stuiten, roemen. Er valt niet veel op te stuiten. Stuitje, endelkorstje (van een brood). Taat, vader. Teerst, tierst dat, zoodra als. Zeer oud is dit woord; de vroegste schrijvers hebben het gebruikt, o. a. Sp. Hist., III. blz. 172, vs. 16:
Ald. blz. 253, vs. 115:
en Lancelot, II. vs. 28404 en 49274. Tentig (mal), overdreven net, zindelijk. Tentig komt in de beteekenis van net, zindelijk, keurig, in de blijspelen van vroegeren tijd hier en daar voor; een paar voorbeelden tot staving. Bred., Griane, H. 2, vo.:
Symen zonder soeticheit, D. 2, vo.: ‘Jae het alder tentichste wijf weet op ongs huysraet niet te segghen.’ En Kl. v. d. Pasquilm., bl. 13: Men moet (volgens de leer van Broer Cnelis) hedendaegs so tentich niet leven. Hier beteekent het naauwgezet. Zoo vindt men ook tentery voor netheid, zindelijkheid. L. Zasy, Borgh. Huys-h., Hand. 2, Uytk. 2: Sijn vrouw van tentery en hoovaerdigheyt stinckt. Tijen (imperf. teeg), gaan. Komt bij de vroegere
schrijvers dikwijls voor, inzonderheid in de Blijspelen. Vlaerd. Reder-b., D.
1, vo.: Sy loefden na 't landt toe, ick dat ziende, teegh
aan 't vluchten. Hooft, War., Bedr. 1, 4: Nu tij ick
weêr na huis, want mijn hart is er al. S. Coster, Tiisken van der Schilden, B. 2, ro.: Ik tij nae den baes. Noosemans Klaartje, A. 4, vo.: En nou sou ick wel na schoppen ienoogh tyen, maar die verdrinckt al sijn verstant. Z. v. Oudemans op Bredero. Tis (in de), in de war, in den knoop. Het garen is in de tis. Toekomen, geschieden, gebeuren, zich toedragen. Hoe komt dat toe? wat is er de oorzaak van? Z. v. Oudem. op Bred. Toekoomst, in de beteekenis van toedragt, geschiedenis, omstandigheden, bezigt Hooft het, Ned. Hist., blz. 235: Zij …. vraaght hem de toekoomst der veroovering af. Toemaken, vuil, morsig maken. Wat hebje je kleeren toegemaakt! En in de beteekenis van gereed maken, ontmoeten wij het in het spel van Tiisken van der Schilden, B. 4, vo.:
Toevallen, meê of in de hand vallen. Uis, ons. Kiliaen: 't uysent, bij ons, ten onzent. Aldus in Bred., Griane. Zie Oudemans. Valdeur, ophaalbrug. Te Oostzaandam in gebruik. Vanen, vaanden, vanden, zieken bezoeken. In die beteekenis treft men het reeds bij de oudste schrijvers aan, o. a. Lancelot, 3, 9025:
Reinaert, vs. 6576:
In die van zijn opwachting bij iemand maken vindt men het Velth., 5, cap. 2:
En Hooft, Ned. Hist., blz. 1174: Gedurende het beleg van
Sluis ging de Oudtveldheer Norrits den Algemeinen Landtvooght in Zeelandt vanden. Z. v. Clign. Bijdr., blz. 137 en Oudemans op Bred. Varen ('t zal hem), 't zal hem tegenvallen. Veel, vedel, viool. Voor de veel gaan, gaan dansen. Vondel bezigt ook dit woord Poëzy, I. blz. 107:
Vedel komt van vedelen, dat men ontmoet in de beteekenis van streelen, strijken, Reinaert, vs. 5732:
Verders ontmoet men het voor: op de viool of eenig ander strijkinstrument spelen. Verk. Martijn, 1, vs. 12:
En Velth., 3, cap. 34:
Veerenoeg, ver genoeg. Tiisken v. d. Schilden, C. 1, vo.: ‘'t Is nou veerenoech, ick heb de muys al int valletjen.’Verbruijen, verknoeijen, doorbrengen, verkwisten. Aldus in Noosemans Kl. v. Krijn Onverstandt, Uytk. 1:
Verdacht, voorbereid. Ik was er niet op verdacht. Verdoen, verbruiken. Aldus Matth. An., Dl. I. blz. 391: De eerste Echanson doet de cost van den wine, die men verdoet in 't Logyst van den Prince. Vergaan, gaan, afloopen, ten einde komen, 't Zal hem er nog na vergaan, het vergaat hem slecht, het loopt slecht met hem af. In dien zin treft men het o. a. ook aan, Caerl. en Eleg. vs. 1246:
Walewein, vs. 684:
Sp. Hist. IV. blz. 406, vs. 46:
en Bred. Moortje blz. 58:
Z. v. Oudem. op Bred. Voorts werd het door de Ouden in onderscheidene beteekenissen gebezigd, t. w. 1o. Voorbijgaan, verstrijken, een einde nemen, overgaan, ophouden. Sp. Hist. IV. blz. 163, vs. 39:
Vlaerd. Red. b. fo. Ggg. vo.:
en Bred. Jerol. blz. 38:
Z. v. Oudem. op Bred. 2o. Zich toedragen, gebeuren, geschieden. Sp. Hist. IV. blz. 432, vs. 49:
3o Verdwijnen, verduisteren. Sp. Hist. I. blz. 327, vs. 19:
Velth. 2, Cap. 21:
Lev. v. Jez. Cap. 230: omtrent den middaghe so verghinc de sonne ende al de werelt was in demsternessen. Pass. Somerst. fo. 161 vo.: die sonne plach alleen te v' gaen, daer die sonne ende mane v' gaderen dats in die nyeuwe mane. En lager: en ter. vi. vren v' ginc die sonne, en die dach v' wandelde ind nacht so dz men die sterren aen den hemel sach. Z. v. Clarisse op de Natuerk. v. 't Geheelal. Vandaar vergang of vergane, verduistering, Br. Thomas ald. aang. 4o. Verachteren, achteruitgaan. Sp. Hist. I. blz. 466, vs. 87:
5o. Omkomen, sneuvelen. Z. Gl. Lek. sp. en Oudem. op Bred. Zoo treft men ook het subst. vergang aan voor gang, loop. Bred. Jerol. blz. 49: 't Is werelts vergang. En in de beteekenis van ophouden, einde, Dietsche Lucid. (Blomm. Oud. Vl. Ged. Dl. III.) vs. 614:
Vergangen jaar, verleden jaar. Z. v. v. Hasselt op Kil. Verkladden, verknoeijen, vermorsen. Zoo leest men in de Kl. v. d. Pasquilm. voor den Duyvel, blz. 19:
Verkneukelen (zich), zich inwendig verblijden, zich innig goed doen, welligt een verbastering van verneukelen, dat men o. a aantreft in Bred. Rodd. en Alph. blz. 7:
Z. v. Dr. De Jagers Proeve, blz. 56 en 75. Verknollen, verknoeijen. Aldus Noosemans Klaartje A. 4, ro.:
en L. Zasij, Borghel. Huys-houdingh, Uytk. 3, B. 2, ro.:
Verlakken, foppen, bedotten. Aldus Reder. v. Sout Leeuwen, Antw. 1562 fo. Ll. 4, r.:
Wat hooger vindt men ald. fo. Ll. 1, v. in dezelfde beteekenis versnurcken: Wij sullen de mensche noch wel versnurcken. Voorts beteekent het: heimelijk overvallen, verschalken, verstrikken en komt o. a. voor Gest. Rom. Cap. 83: Daer quam een vroem starck groot beer die quam in desen hof …. als dat Jonathans ghewaer wert, soe verlacte hi den beer ende sloech hem sijn rechter oor af. Visscher, Jamm. No. 7: 't Geluckt wel den slapenden vyandt te verlacken. en Hoofts Ged. (uitg. Bild) Dl. II. blz. 38. Z. v. Oudemans op Bred. Vermaning. Aldus worden de kerken der Doopsgezinden aan de Zaan genoemd. Vermolsemd, vermolmd, verteerd, vergaan. In dien zin door Bred. gebezigd. Z. het woord bij den heer Oudemans. Verorberen, gebruiken, opeten. Verschieten, schrikken, ontroeren, ontstellen. Zeer oud is dit woord; men vindt het reeds bij de vroegste schrijvers, o. a. Maerl. Sp. Hist. IV. blz. 122, vs. 5:
Seghelijn, c. 1, ro.:
A. Bijns Ref. B. 2, bl. 34:
Reder. v. Sout Leeuwen, Antw. 1562, Mm. 3, vo.:
en Vondel, Poezij, I. blz. 123:
In een trans. beteekenis vindt men het in Bred. Moortje, blz. 41:
Z. v. Oudem. op Bred. Vijzel, dommekracht. Vlerken, wild, woest, onbesuid heen en weêr loopen. Die kinderen vlerken langs de straat. Vleugelen, binden, knevelen, boeijen, de handen op den rug binden. Kil en V. Hass. Ook leest men het in Bred. Moortje, blz. 66:
Vlienen, vliegen. Vlijen, gelegen komen, schikken, passen, voegen, dienen. 't Vlijt me heden niet. Dat vlijt wel, dat dient wel, dat is wel noodzakelijk. In de beteekenis van voegen, schikken ontmoet men het in Hoofts Ged. (uitg. Bilderd.) I. blz. 88:
en Bred. Schijnh. Bedr. 1, T. 4:
Vlook, holachtig. Aldus Vondels Poezy, I. blz. 166.
Volewijk. Een plaats bij Buiksloot, waar de kinderen (naar het volkssprookje) aan de boomen groeijen en van daar afgehaald worden. Dit woord komt reeds voor in Bred. Griane, Bedr. 4: Bouwen. Ick sel segghen, dat ick dit kindt al moerlijckelienigh (moederziel alleen) uyt de Voolewijck ghehaalt heb. Z. v. Oudem. op Bred. Volk, familie. Hij is nog van me volk. Ik heb volk te wasschip. Voordoen, uitstallen, te koop stellen. Goed voorgedaan is half verkocht. Voortdoen vindt men in die beteekenis in: Bred. Moortje, blz. 17: Wat selt volckje nou beginne? se hadde daer so moy voort edaen. Oud. op Bred. Vroêmoêr, vroedvrouw. Aldus Gest. Rom. fo. 158 ro.: omdat sijn dochter grof was ende wterste met kinde, soe besorghede hi oec in den scepe een wijse vroemoer. Vrouwvolk, de vrouwen. Dus Tiisk. v. d. Schilden, D. 1, vo.: soo verduyvelt ist vrouvolck hier, met die opiny gequelt. Wacht, geplooide wollen vrouwen bovenrok. Walstoep, trapje, dat in een achterhuis naar het water leidt. Wasschip (te) gaan, uit logeren gaan. Wasschippen, logeren. Wasschipper, logeergast 1) . |
1) [Deze woorden zijn verbasterd van
waardschap, waardschappen, waardschapper, en komen in verschillende
vormen bij onze Ouden voor. Van Velthem, fol. 444:
|
|
Weeg, wand, houten beschot. Dus Beschr. v. Delft, fo. uitg. blz. 222: bezijden mede mit houte ende borde (planken) weegen. Weeran, weer op nieuw. Aldus in Bred. Moortje, blz. 34: 't Was moy sey schalcke Jan, dat sy lieten haar ghekibbel Maar 't is telckens weer-an met een hibbel en dribbel. Weet (de) doen, kennis geven. S. Coster, Tiisken van der Schilden B. 2, ro.: ‘Ick wil Jan Rap gaen doen de weet.’Weet (de) krijgen, berigt krijgen. Wijfhoofd, vrouw. Alleen in 't enkelv. gebruikelijk. Wijs, manier, mode. Ze is regt naar de wijs gekleed. Wit zien, vriendelijk zien. Dus, S. Coster, Tiisken van der Schilden B. 4, vo.: Die man heb icker niet an hy mach al te wel wit sien. Wonder doen. Dat doet mij wonder, dat bevreemdt mij. Het zal mij wonder doen, ik ben nieuwsgierig 1) Zat, verzadigd. Eet nog wat. God loonje, ik ben zat. In die beteekenis ontmoeten wij het ook bij de Ouden, o. a. Gest. Rom. Cap. 106: Ist dat dit broot in dryen wordt ghedeylt, so en soudet gheen van ons allen ghenoech sijn om sadt te worden. En Vaderboeck, fo. 82, ro.: Ic en mach dijn onghetrouwe bespottinghe nyet langer lyden die crancheyt dijnre spisen en is mi niet and's dan ene versmadinge ende ene onwaerdicheyt. Ick wil sat werden van vleische. Als subst. komt het voor in de beteekenis van verzadiging, bekomst. Dus: zijn zat hebben, verzadigd zijn, genoeg hebben, te vreden zijn. Hooft, Ned. Hist. blz. 472: Als de bloeddorst meest haar zat had, gink 't er op een ruiten en rooven. De Brune, Jok en Ernst, I. blz. 70: Princen worden moe gevens aan degeen welkers bedellust nimmer haar sat heeft. |
1) [Anders zegt men daarvoor wonder
geven, als: dit of dat geeft mij wonder of geen
wonder. Dus lees ik ook in Van Nyvelts Plut. fol. 107 recto: De
eerste die henluyden aensprack - - seyde dat hem wonder gaf hoe
sy dese tijdinghe so haest mochten gebracht hebben. - Meer gewoon nogtans
was in dezen zin vreemd geven, b. v. Leven van Marc. Aurel. 93 verso:
maer het geeft my vreemt, hoe ghijt niet beter en ghedoocht.
Vondel, Kon. Edipus, 12;
A. d. J.] |
|
Zat maken, verzadigen. Sp. Hist. II. blz. 120, vs. 96:
Zenen, zenuwen. Zij hettet beducht op de zenen. Zeurig, treurig, onaangenaam. 't Is zeurig weêr. Zielen (ter), overleden. Ter zielen varen voor sterven ontmoet men in Bred. Lucelle, blz. 63:
Zienst, denkelijk, welligt, misschien. Zienst dat ik morgen kom. Oudem. op Bred. Zonders, bijzonders. Aldus bred. Moortje, blz. 40:
Z. v. Pr. De Vries op War., en het Woord-b. van den heer Oudemans. Zoor, geschrookt, droog, dor. In die beteekenis komt het voor in Bred. Rodd. J. 3, ro.:
Zorgelijk, dat zorg, angst, schrik of vrees baart, angstverwekkend, gevaarvol, hagchelijk, in een gevaarlijken toestand. De zieke is zorglijk. Bij de Ouden komt het in de eerste beteekenissen menigmaal voor, o. a. Sp. Hist. I. blz. 49:
Rose, vs. 5663:
Reimchr. v. Fland., vs. 9711:
En Bijb. Mour. 2 Kon 2, vs. 26: En weet ghij niet, dat het mishoopen seer sorghelijck is. Voorts beteekent zorgelijk, dat veel oplettendheid vereischt. Matth. An., I. blz. 410: Het is ambacht subtijl, sorghelijc, ende die alle sekerhede inhout. En zorgelijk staan onpers. ww. in een gevaarlijken toestand verkeeren. Rose, vs. 11959:
Zorgen, vreezen, intr. Werd ook door de vroegste schrijvers in dien zin gebezigd, t. w. Lancelot, 2, vs. 34660:
Walewein, vs. 577:
Vaderb., fo, 47 ro.: doe sorchden wij dat in dat hol leeuwen mochten wesen ofte ander fenijnde wormen. Bouc. v. Seden, vs. 926 (trans.):
Zuipen, dunne pap of brij slobberen of zonder lepel eten. Men brengt, namelijk, het bord met beide handen aan den mond, en slurpt alzoo den inhoud er van op. Men zie over dit woord, zoowel als over het naamwoord zuipe, De Jagers Taalk. Mag. I. 158. Zuk, zulk. In zukke waters vankt me zukke vissen. Aldus Warenar, Bedr. 5, Toon. 3:
D. van Kalken. |