NALEZING.Bladz. 72. Over de verbasterde uitdrukking man en maagd spreekt Bilderdijk ter aang. pl. uit de Nieuwe Verscheidenheden eene krachtige afkeuring uit. Men kan vragen, of met die afkeuring niet in strijd is de volgende plaats uit 's Dichters Navolging van Ovidius, bl. 112:
Ik antwoord, dat hier niet de gewone uitdrukking man en maag bedoeld zal zijn, maar man en maagd in den letterlijken zin, en dat, in verband met hetgeen volgt, men te verstaan heeft: zoowel mannen als vrouwen, zoowel maagden als moeders.
Bladz. 80. Het door mij gemelde aangaande den eigennaam Haegaenveld, gaf aanleiding tot de volgende vriendelijke mededeeling van den heer G.L. van den Helm. ‘Uit een opstel van
J. Grimm (Haupt, VIII. 1 volgg.) leer
ik den eigennaam Hagenwald kennen, door hem (bl. 5) tot het frankische
Hagenvaldus teruggebragt. Mag Haeg aen veld, die zich toch ook
op, of althans nabij de wieg der frankische sagen beweegt, niet voor
één met dezen Hagenwald verklaard worden, aannemende dat
de w tot v verdraaid is, om den wille der volksetymologie door Van Hoogstraten voorgedragen?’ Ik acht het nog al moeijelijk te beslissen, of Van Hoogstraten met den door Grimm vermelden Hagenwald al dan niet zij bekend geweest. In ieder geval houd ik het voor waarschijnlijk, dat ons volk zijne spreekwijs hagendeveld aan Van Hoogstratens held ontleend heeft.
Bladz. 86. In de uitdrukking veels te groot wordt veel een ‘substantief genoemd met een s in den genitief.’ Ik meen, dat veel in deze en dergelijke uitdrukkigen eer adverbium dan substantivum is. Ook schijnt de s alleen welluidendheidshalve ingevoegd. Niemand toch zal zeggen: weinigs te groot, waar anders dezelfde genitivus zou moeten bestaan. Daarentegen hoort men dikwerf als te groot, als te veel enz. voor al te groot, al te veel, waar dus de s tusschen dezelfde letters, l en t namelijk, ingevoegd wordt, om de uitspraak gemakkelijker te maken, 'k Voeg hier nog bij, dat het gemelde veels niet alleen in den mond onzes volks, maar ook bij onze schrijvers voorkomt. Zoo leest men in costers Ifigenia, 29: veels te veel. Vondel, Helden Godes, 28: veels te sterck. Bekker en Deken, Will. Leev. III. 309 en VII. 125: veels te veel. Ja nog bij Feith, Werken, VII. 187: veels te duur, en VIII. 47: veels te kleen.
Bladz. 282. Het ‘lemiere van den dag’ is eig. lumiere, fransch lumière. Zoo leest men ook bij Brandt, Leev. v. De Ruyter, IV. 407: tegens 't lumieren van den dagh. En bij Overbeke, Bijvoegsel achter zijne Rijmwerken, bl. 1: met het lumiren van den dag. A. d. J. |