De Taalgids. Jaargang 1


auteur: [tijdschrift] Taalgids, De


bron: Dr. A. de Jager en Dr. L.A. te Winkel (red.), De Taalgids, Tijdschrift tot uitbreiding van de kennis der Nederlandsche taal, Eerste jaargang. C. van der Post Jr., Utrecht 1859.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Sprokkels,
verzameld door mr. J. Pan.

1.

Besien.

Het woord besien komt in de Staten-overzetting van het Oude Testament dikwijls voor in de gewone beteekenis, doch enkele malen in de verouderde van bezoeken. Zoo wij ons niet bedriegen, is dit door de HH. Ypeij, Ackersdijk en De Jager niet opgemerkt. Men leest Genesis XXXIV: 1. ‘Ende Dina gingh uyt, om de dochteren van den lande te besien.’ Verder 1 Sam. XIX: 15. ‘Doe sondt Saul boden, om David te besien.’ De kantteekenaar verklaart hier het woord door besoeken. 2 Kon. VIII: 29 ‘ende Ahasia - quam af, om Joram, den sone Achabs, te Jizreël te besien, want hij was kranck.’ Vgl. 2 Chron. VIII: 29, alwaar Van der Palm aanteekent, dat de Hebreeuwsche tekst zien heeft. Bij de Septuaginta vind ik hier ἰδεῖν. Op beide plaatsen vertaalt Luther besehen, van wien onze overzetters het misschien hebben overgenomen, maar dit beslissen wij niet, te meer daar Luther elders een ander woord heeft. In onze overzetting van het Nieuwe Testament wordt het gewone besoeken gebezigd, b. v. Handel. VII: 23; XV: 36, alwaar het Grieksch ἐπισκέπτομαι heeft, dat met het Latijnsche invisere, visitare overeenkomt. Thans gebruikt men het woord zien in tegengestelden zin voor bezoek ontvangen. B. v. ‘veel menschen

[p. 28]

zien.’ ‘Zij zien niemand.’ Maar om bezoeken aan te duiden, voegt men er gaan of komen bij, zoo als het Fransch aller voir, en het Engelsch to go to see.

2.

Lange Lijsen.

Onlangs viel mijne aandacht op de benaming Lange Lijsen, aan de fijnste soort van Chineesch porcelein gegeven. Zij schijnt ontleend van de poppen of beeldjes daarop geschilderd, welke veelal rank of spichtig zijn voorgesteld. Lange Lijsen zijn dus lange poppen. De naam Lijs of Lijsje, verkorting van den voornaam Lijsbet, Elisabet, was vroeger een zeer gewone voornaam der vrouwen in Holland. De kinderen noemden, zoo als thans nog in Noord-Holland, hunne speelpoppen Poppelijs. In de vorige eeuw schreef reeds Le Franck van Berkhey in zijne Gedichten, II, 313.

 
Maar Poppelijs, want dit is toch oud Hollands naam
 
In kinder poppekraam.’

Meer dan eene eeuw vroeger stelt de dichter Westerbaen den naam Lijs even algemeen gebruikelijk voor als dien van Jan. Z. zijn Ockenburg, bl. 13, uitg. 4o.

 
Des kraemsvrouws Oom - Gaf de geheele zoô, geboren van Margriet,
 
Het Kersten doopsel in de beckens die ghij siet.
 
De knechtjes werden Jans, en al de meysjes Lijsen.

3.

Coever of Koever.

Mr. S. van Leeuwen, handelt in zijne Censura Forensis, 1, 2, 17, over den Thijns, een kleinen last of uitgang op vast goed gevestigd, jaarlijks op te brengen, en die bij wanbetaling gezegd werd, ‘te coevering op te loopen.’ Volgens zijne verklaring geschiedde dit bij verdubbeling, zoo dat de Thijns voor het eerste jaar twee-, voor het tweede vier- en

[p. 29]

voor het derde jaar achtmalen verschuldigd werd, en zoo verder bij opklimming. Tot opheldering van het woord beroept hij zich op Kiliaan en op eene voor mij onverstaanbare plaats van J. Oudaan. Kiliaan geeft hier geen licht. De zelfde Schrijver maakt in zijn Oud Hollands Regt, 11, 12, van dezelfde spreekwijze melding, en later Mr. W. Schorer in zijne aanteek. op de Inleid. van H. de Groot, 11, 46, 6.

De Heer Oudemans verklaart in zijn Woordenboek op Bredero het w. Koever, ‘overvloed, genoegzame voorraad’ en verwijst naar het Glossarium van den Lekenspieghel. Aldaar leest men: ‘vercoeveren, zich herstellen. Van het oude substantivum coever, dat in beteekenis geheel overeenstemt met het Latijnsche copia, en dus zoowel voorraad, overvloed, als kracht en vermogen (tot iets) aanduidde. Kiliaan kent koever slechts als adjectief en adv., in den zin van abundans, copiosus, maar vermeldt nog het w.w. koeveren, d. i. verkrijgen. - Voorraad verkrijgen en kracht bekomen, is dus de grondbeteekenis; vercoeveren kan dus niet anders zijn, dan zijne krachten hernieuwen, zich herstellen.’

Hiermede echter is de beteekenis, door S. van Leeuwen vermeld, nog geenszins opgehelderd. Deze opheldering wachten wij van taalkundigen.

4.

Gover. Goverzeil.

Dr. A. de Jager heeft onlangs de literatuur van Bilderdijk weder verrijkt met eene Voorlezing over de Lijkgedachtenis van Prins Willem V, door Le Francq van Berkhey, en de omwerking daarvan door Bilderdijk 1). Hij bespreekt aldaar in eene aanteekening het woord goverzeil, door Berkhey gebezigd, en is in de onzekerheid over de beteekenis. Volgens een deskundige zoude goverzeil het groot-

[p. 30]

eil van een vischhoeker zijn, en op andere plaatsen bij Berkhey zoude gover, een doek, huif of kleedingstuk te kennen geven. Het gevoelen van Bilderdijk, die in zijne Verklar. Gesl. lijst, op de w.w. gover, keuvel en kuif, het woord gover door kap, hoed of sluijer, als verwant met het Engelsch cover, verklaart, komt hem minder aannemelijk voor.

Niet zonder schroom wagen wij het, om van onzen taalkundigen vriend te verschillen. De meening van Bilderdijk schijnt ons gegrond, en zij wordt met de plaatsen van Berkhey, door Dr. De Jager aangehaald, bevestigd. Duidelijk is het, dunkt ons, dat Berkhey door goverzeil niets anders verstaat dan het bovenste zeil, gewoonlijk topzeil genaamd. Een kundig en bevaren Zee-Officier bevestigt dit, en beweert, dat goverzeil dus nimmer eene verbastering kan zijn van het woord schoverzeil, thans verouderd, waarvoor nu bij het zeewezen het woord grootzeil wordt gebruikt. Voorzeker is goverzeil niet door Berkhey uitgedacht. In zijne werken komen vele oude woorden voor. Hij gebruikt dit woord op twee plaatsen, en gover op twee andere, alle door Dr. De Jager aangewezen. Wij laten die hier volgen:

1. Uit het HS. der Lijkgedachtenis, Couplet 215.

 
Hangt gij uit menschenvrees het huikjen na den wind,
 
Om, na de Hofhaan kraait, uw goverzeil te draaijen.

2. Zeetriumph, II, 294.

 
- na orde was gesteld
 
Op beider schepen, stapt den flinkschen Jonker over,
 
Met vrijheids knechten, wijl de zeilen door den gover
 
Een poos gedekt zijn, opdat men wat drijven kan.

3. Uit het HS. van Berkhey door Bilderdijk medegedeeld in de Krekelzangen, II, 212.

 
Dan baat in 't harde lot geen hartelijke traan,
 
Geen rouwfloers op de huif, geen lamfer op den gover.

4. In de ernstige en boertige vertellingen mijner jeugd, bl. 24.

 
Ook is uw rok en uwen gover,
 
Vrij kaaltjes, afgesleten, pover.

Uit de derde plaats is het zeer duidelijk, dat gover door

[p. 31]

Berkhey voor muts, kap of hoed is genomen. Immers tot op onzen tijd wordt de lamfer van den hoed afhangende, als teeken van rouw gedragen bij begrafenissen, alsmede door de aansprekers bij de bekendmaking van het overlijden. De opvatting van Bilderdijk en zijne vergelijking met het Engelsch cover schijnt juist, en onze taalkenners zullen het woord wel bij onze ouden aantreffen; ook de verzekering van Bilderdijk waarborgt ons, dat het bij hen voorkomt.

Er blijft nog overig, hoe de uitdrukking in de Zeetriumph:

 
- wijl de zeilen door den gover
 
Een poos gedekt zijn, opdat men wat drijven kan.

moet worden begrepen. Ook hier over hebben wij niet te vergeefs onzen Zee-Officier geraadpleegd, die het dekken der zeilen door het topzeil aldus voldoende opheldert: ‘wil men stil liggen met handzaam weder, dan neemt men de onderzeilen en de brandzeilen weg, en brast een der marszeilen tegen, waardoor dit (vooral, als men het andere tegenhaalt) het andere dekt. De Engelschen noemen topzeilen, wat wij marszeilen heeten. Ook wij geven op schooners en andere vaartuigen, die geene eigenlijke marszeilen voeren noch marsen hebben, den naam van topzeilen. Men drijft dikwijls eene rivier af alleen met het topzeil, doch in zee niet dan als bijliggende of lenzende.’

5.

Paardje.

Op alle de Noord-Hollandsche kaasmarkten korten de kooplieden aan de boeren bij de betaling, voor elken stapel, te Hoorn dertig en elders vijfentwintig centen, waarvoor de verkooper eenige verversching, als koffij, bier, wijn of sterken drank, kan eischen. Op de graanmarkt is dit mede gebruikelijk. Deze korting draagt den naam van het paardje, en is, volgens de overlevering, reeds sedert onheugelijken tijd in zwang. Zij moest strekken ten voordeele des kasteleins of des winkeliers, in wier huizen de betaling geschiedde, omdat

[p. 32]

de verkooper dikwijls uit eigen beweging geen vertering maakte. Deze korting wordt nimmer betwist, ook dan niet, als de koopman te zijnen huize betaalt. Maar wat beteekent nu de zonderlinge naam van paardje? Ook hier kan het Woordenboek van Kiliaan opheldering geven. Men leest aldaar v. peerdeken: ‘peerdeken, peerdken. vetus. sicamb. j. anderhalven stuyver, twee blancken: numus sic dictus ab effigie equitis.’ Het paardje was dus een oud muntstuk, waarop een ruiter te paard was afgebeeld, even als onze gouden rijders van den ruiter den naam ontleenden. Het geldstuk verdween, maar de korting bleef, doch werd in den loop der tijden verhoogd. Onlangs vonden wij in het Glossarium op Bredero van den Heer Oudemans het woord paartje verklaard, als: ‘eene zekere biermaat, de helft van een vaan, een mengel.’ Nu komt bij ons het vermoeden op, dat die biermaat in oude tijden anderhalven stuiver kostte, en dus hare benaming van dit kleine geldstuk bekwam. Voor de korting heeft de boer van het bierdrinkend voorgeslacht, toen koffij en sterke drank nog niet in zwang waren, eene maat bier genomen.

Wij wagen eene soortgelijke gissing ten aanzien van het woord vaan, dat meer bekend is. Het beteekent, volgens den Heer Oudemans in v., eene maat voor drank, meestal voor bier, waarschijnlijk gelijk staande met twee pint. Het is niet onmogelijk, dat deze maat, even als het paardje, den naam van een muntstuk ontleende, waarop eene vaan of vaandel voorkwam. Mijn geachte vriend Van der Chijs, hier over door mij geraadpleegd, meldde mij, dat op vele oude munten, inzonderheid van Vlaanderen en Henegouwen, een ruiter is te zien met eene lans, aan welke eene vaan is gehecht. Deze stukken hadden den naam van grooten met den ruiter, of cavaliers. Het kwam hem niet onwaarschijnlijk voor, dat zulke geldstukken in de volkstaal vaan of vaantje konden heeten, zooals bij Bredero namen van geldstukken voorkomen, hem van elders onbekend.

Evenwel onze gissing over dit woord blijft onzeker, zoolang het als geldstuk niet bij een onzer oude schrijvers wordt ge-

[p. 33]

vonden. De afleiding van Bilderdijk wijst op een anderen oorsprong, dan hierover mogen taalkundigen beslissen 1).