|
|
|
| |
| | | |
Proeven van woordverklaring.
| | I.
Spéculacie.
Dus is de naam van zeker klein suikergebak, in allerlei figuren, als
sterretjes, hartjes, haantjes, enz., en van 't zelfde deeg gebakken als het
zoogenaamde suiker Sint-Nicolaas, ofschoon het niet als dit, alleen op
een bepaalden tijd van 't jaar, maar het geheele jaar door wordt verkocht. De
benaming is ook elders bekend, zie de Navorscher, 1855, bl. 31, 176 en
bijblad, bl. 90.
Het woord moet tot speculeeren, Latijn speculari,
gebracht worden, en wel omdat de kinders, volgens den Heer
Halbertsma, en de bakkers volgens den Heer
Roos, l. c. ter gelegenheid van Sint-Nicolaas,
enz. er op en mede speculeeren; doch hiertegen kan men aanvoeren, dat de
kinders op alles speculeeren wat lekker is, en de bakkers op alles, waar
maar geld aan te verdienen valt.
Neen, de zaak is anders.
Bij het begin van het vrijen, zond de jongman in de zeventiende eeuw
aan haar, die zijn hart had veroverd, geschenken van klein suikerwerk, door
Hooft speelkoorn, later
spéculacie geheeten, hetwelk in versierde mandjes met kunst- en
vliegwerk in een der vensterbanken van het slaap- of woonvertrek van de
geliefde werd gezet of op een geplanten staak of mei-
| | | |
boom aangeboden
1). Deze
toezending was eene spéculacie op het hart van het meisje, waar
de vrijer zijn oog op had laten vallen en in wier gunst hij trachtte te komen.
Is het nu vreemd, dat het voorwerp waarmede gespeculeerd werd, bij
overgang de benaming van spéculacie ontving? immers neen, en
aldus is, dunkt mij, dit suikerwerk aan dezen naam gekomen.
| |
II.
Lichtekooi.
Hony soit qui mal y pense.
Verschillende afleidingen zijn van dit woord voorgedragen, welke
echter min juist schijnen; die mij ter kennis kwamen, zal ik hier kortelijk
nagaan en er ten slotte eene van mij zelven bijvoegen, die, voor zoo ver mij
bekend is, nog niet is opgegeven.
Bilderdijk
2)
beweerde dat het woord lichte koe of koei is. Deze afleiding
schijnt wat ver gezocht, en met allen eerbied voor den grootén man
gezegd, onaannemelijk.
Weiland
3) zegt: ‘ligtekooi, een vrouwmensch dat ligt met
iemand kooit;’ conform
Halma
4):
‘ligtekooi, hoer, een vrouwmensch dat ligt met iemand kooit.
Putain, femme ou fille abandonnée,
paillarde.’
Terwen
5) geeft geene andere uitlegging.
In het tijdschrift de Navorscher
6), wordt
geleerd dat de benaming lichtekooi ontsproten is van eene strafoefening,
die voorheen hier te lande aan liederlijke vrouwen werd voltrok-
| | | |
ken, en daarin bestond dat men ze in een ijzeren kooi sloot, welke eenigen
tijd heen en weêr werd gedraaid. Deze afleiding is in het zelfde
tijdschrift
1) door een ongenoemde te recht verworpen, welke daar ter plaatse
tevens zegt: ‘ik meende dat ligtekooi beteekent iemand, die gereed
is, om met iedereen te kooijen, welk woord nog overig is in het bij het
scheepsvolk bekende zeggen, in de of ter kooi gaan. Men noemt
daarom ook ligte kooijen, ligte vrouwen, die zich ligt, spoedig laten
overhalen.’ De laatste afleiding heeft niet den gloed der niewheid,
gelijk men ziet. Deze etymologiën, met die van
Bilderdijk incluis, worden echter in het
genoemde werk
2) almede verworpen, en
kooi gladweg verklaard door maagd, meid, deerne. Men zou in deze
verklaring, hoe apodiktisch ook, kunnen berusten, ware er eenig gezag voor deze
beduidenis van genoemd woord bijgebracht, dat we zoo gaarne, even als zeker
schrijver
3) in meer genoemd
tijdschrift, hadden gezien; deze zegt er nog bij: ‘kooi vind ik
alleen in de beteekenis van verzamelplaats ter rust, nest, bed, en dan is
ligtekooi eene die zich ligtelijk, gereedelijk, ter kooi begeeft.
Voorts is coy in 't oud-Engelsch, gelijk in 't Fransch, rustig, stil.
Verg
Kiliaan op koije.’ Dit laatste is
zoo, en van daar, om dit met een paar woorden hierbij te voegen, voor die het
niet weten de uitdrukking in de Fransche taal: ‘tenez-vous
coi,’ voor: ‘houd u stil.’
Zoo even werden wij verwezen naar
Kiliaan op koye (niet koije). Wij
willen dezen wenk volgen, doch vragen eerst, hebben over het algemeen zij, die
over het woord in kwestie geschreven hebben, er zich wel een juist begrip van
gevormd? en dit betwijfelen wij: lichtekooi toch, is niet een
vrouwspersoon dat te kooi (bed) ligt: dan toch zou haar bedrijf weinig
opleveren; integendeel, zij noodigt en lokt ter kooi; zij is ook niet zoozeer
eene die lichtelijk en gemakkelijk gekooid wordt,
| | | |
want zij is zelve
eene kooieend die anderen aanroept en in het net brengt.
Ten tweeden, is wel gelet op de beteekenis van het woord
kooi, zoo als
Kiliaan het verklaart door: ‘billen,
achterste, aars?’ mij dunkt, dat men bij de verklaring van het woord
lichtekooi, alleen aan deze beteekenissen van het woord kooi
1) moet hechten. Nemen we daarbij in
aanmerking hetgeen bij
Bilderdijk
2) ergens is te lezen, dan heeft de verklaring van
het woord geene zoo groote moeilijkheid, zou ik oordeelen.
Genoemde taalkundige namelijk, gaf bij het volgende koddige
spreekwoord, door
Huigens uit het Spaansch vertaald
3):
Die een' Vrouw keuren will, of een' Meloen,
En kan 't niet beter als by 't steertstuck doen.
deze opheldering, welke wij in haar geheel hier laten volgen:
‘By 't steertstuck. Wat heeft
Huygens hier ten aanzien van de vrouw bij
gedacht? Slaat het op de billen van Parijs, by
Cats, waar
Feith laf en dom genoeg meê spot, om dat
hy 't niet verstaat, en dat een bloote vertaling uit 't Fransch en Italiaansch
is, als elk Letterkundige weet of behoort te weten? - Eenigzins van ter zijde.
Doch de zaak is deze: In den tijd onzer Overgrootmoeders was er een cul de
Paris aan de cotillons der vrouwen bekend, welke eenigzins schudde in het
gaan, en waarop in mijn vroege kindschheid nog een dansliedtjen bestond,
waarvan het refrein was: Hoe staat u die nieuwe Japon. Van welke
Japon het dan heette:
Van achteren met een cul de Paris,
Ik moet er om lachen als ik het zie.
Dan welke dracht aanstootelijk gerekend werd, zekerlijk om dat de
naam aan de billen van Parijs, in Italië en Spanje ook ten
spreekwoord, herinnerde. Dit staartstuk nu werd alom het kenmerk van een
lichtekooi gerekend. Hiervan 'tSpaansche
| | | |
spreekwoord. - Het woord
een jonge klikkebil werd in mijn vroegen tijd, zonder het te verstaan,
nog wel op een vlug jong meisjen toegepast. 'tBeteekende van ouds een recht
wulpsche lichtekooi. Verder behoort het tot
Apulejus vertelling van zijn lieve
fotis quae tam lepide quatiebat nates, ook toe.
Huygens wist wat hy schreef.’
Bij eene aandachtige lezing en overweging van dit een en ander,
wordt ons het woord lichtekooi duidelijk: het zal primitief gezegd zijn
van zulk een opgevulde cul of cu, waarvan
Bilderdijk gewaagt en die onder het gaan heen
en weêr ging of een schuddende beweging maakte, een dracht, wier
bespottelijkheid wij hebben gezien, toen ze in onzen tijd weder in zwang kwam,
alhoewel voor een korte poos, zoo als vele mijner lezers zich zeker nog wel
zullen herinneren, en die het eerwaardig voorgeslacht - dat veel minder, dan
thands wel het geval is, met Fransche modes ophad - wel als licht en
aanstootelijk moest voorkomen en alleen goed voor die wezens, welke wij met het
woord lichtekooi aanduiden, voor een
Dorperlijc met haren lichame
1).
Van het voorwerp ging de benaming op de persoon zelve over, die zich
aldus op eene ergerlijke wijze opschikte, en weldra werd er ieder geriefelijk
meisje door aangeduid.
Even zoo betitelt men haar, die met heure partes posteriores
in het gaan eene sterke beweging maakt, met den naam van schuddegat,
waarvan mij dit, hiertoe betrekkelijk rijmpje te binnen schiet:
Gij moet zoo niet draaien,
Gij moet zoo niet schudden met je g..;
Synoniem met het laatstgenoemd woord, is draaigat, dat ik
elders vind vermeld
2):
| | | |
Men lacht, en onderdes vertoont zich in 't verschiet
Lijs draaigat, rond van aars, en met gehoepte rokken.
Dat draaien en schudden met den aars onder het gaan, was dan ook ons
voorgeslacht een doorn in 't oog; zoo lezen wij bij
Bredero
1):
........... hebje van al u dagen
Sulck draey-aersen gesien? ick kant niet wel verdragen.
en in andere blijspelen uit de zeventiende eeuw;
Die gaet so dray-eersen, besietse eens te degen,
Hadse een beusem in 't g.., sy sou de straet wel vegen.
Se kan wel draaibillen, en zoo de straat wel gaande
vegen,
Had ze maar een bezem in haar naars steken.
Dat draainaerst dan straet op, straet neêr
2).
alsmede bij
Langendijk
3):
'k Moet by den juwelier eens zien of de orlietten
Ja wel, dat is wat raars.
Jou orlietten! zie hoe draayt ze met haar naars.
Naar deze verklaring is lichtekooi alzoo samengesteld uit
lichte van lichten en kooi voor: culus, sedes, nates,
clunes, als
Kiliaan en fesses, le cul, als
Mellema
4) heeft, dus eigenlijk lichte-kooi, gelijk wij onder andere
bij
Ten Kate het woord ook geschreven vinden
5); later, als in
meer woorden, viel
| | | |
het hyphen weg en het saamgestelde woord smolt
ineen tot lichtekooi, gelijk nu, alhoewel minder goed, geschreven wordt.
Op de zelfde wijze nu, als lichtekooi, zijn ook schuddegat,
draaigat, enz. samengesteld. Worden door de laatste woorden personen
aangeduid, die het achterste schudden en draaien, even zoo
beteekent lichtekooi een vrouwspersoon dat bewegelijk is van billen, ze
telkens rechts en dan weêr links draait, beweegt, schudt of doet schudden
en trillen.
Men kan deze beweeglijkheid op tweërlei wijze nemen, te weten:
in betrekking tot de zoogenaamde cul de paris, als hoerendracht, ten
einde de attentie der mans in het openbaar tot zich te trekken; of wel 't is
toepasselijk op de kunstenarijen van afgerichte boeleersters in re
venerea. Daar mij echter het tweede te ver gezocht voorkomt, zou ik het
woord in den eersten zin nemen, schoon het beide tevens te verstaan geeft.
Hiermede eindig ik dit opstelletje. Mocht ik mistasten in de
afleiding - die ik voor niet hooger dan eene proeve geef - het zal mij genoegen
doen, wellicht door dit mijn geschrijf eene betere te hebben uitgelokt; immers:
du choc des opinions jaillit la verité.
Zwolle, 1858.
T.H. Buser.
|
1)Scheltema,
‘volksgebruiken der Nederlanders bij het vrijen en trouwen,’
Gesch. en Letterk. Mengelwerk, 4 (3), blz. 31 en 32.
2) Verh. over de Gesl. der Naamw.
2 e druk, blz. 314 en Geslachtlijst op het woord.
3) Beknopt Nederl. Taalk. Woordenb. op
ligt.
5) Etymol. Hand-Woordenboek, blz.
358.
6)Jaargang 1852, blz. 97.
1)Navorschersbijblad, 1853, blz.
14.
1)Kooi, vormde het verouderde, bij
Kiliaan saamgesteld voorkomende, werkwoord
gherde-koyen, (zie hem op gherde-gaeten) voor incoxare, cossim
sedere, jacere, aut stare, ‘asseoir en cuisse,’ voegt er de
Kilianus auctus (1642) bij.
2)Aant. op
C. Huygens, Koren-bloemen, Leyden,
1825, D. VI, blz. 66.
3)Koren-bloemen, als voren, II,
281.
1)Beatrijs, eene sproke uit de XIII
eeuw, uitgegeven en opgehelderd door Prof.
Jonckbloet, 1841, blz. 13, vs.
348.
2)Taal- Dicht en Letterk,
Magazijn, 1787, II, 168.
1) Moortje, 1644, p. m.
78.
2)Aangehaald in het Nieuw Nederl.
Taalmagazijn, IV, 36.
3) Ged. 1721, II, 147 (‘het
wederzyds huwelyksbedrog’).
4)Den Schat der Duytscher Tale,
1618.
5)Aenl. tot de kennisse van het verhevene
deel der Nederd. sprake, II. 316, kolom 2. Bij
Bredero, klucht van de koe, 1644, p.
m. 17, vind ik het woord lichte koy geschreven.
|
|