De Taalgids. Jaargang 1


auteur: [tijdschrift] Taalgids, De


bron: Dr. A. de Jager en Dr. L.A. te Winkel (red.), De Taalgids, Tijdschrift tot uitbreiding van de kennis der Nederlandsche taal, Eerste jaargang. C. van der Post Jr., Utrecht 1859.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 42]

Proeven van woordverklaring.

I.

Spéculacie.

Dus is de naam van zeker klein suikergebak, in allerlei figuren, als sterretjes, hartjes, haantjes, enz., en van 't zelfde deeg gebakken als het zoogenaamde suiker Sint-Nicolaas, ofschoon het niet als dit, alleen op een bepaalden tijd van 't jaar, maar het geheele jaar door wordt verkocht. De benaming is ook elders bekend, zie de Navorscher, 1855, bl. 31, 176 en bijblad, bl. 90.

Het woord moet tot speculeeren, Latijn speculari, gebracht worden, en wel omdat de kinders, volgens den Heer Halbertsma, en de bakkers volgens den Heer Roos, l. c. ter gelegenheid van Sint-Nicolaas, enz. er op en mede speculeeren; doch hiertegen kan men aanvoeren, dat de kinders op alles speculeeren wat lekker is, en de bakkers op alles, waar maar geld aan te verdienen valt.

Neen, de zaak is anders.

Bij het begin van het vrijen, zond de jongman in de zeventiende eeuw aan haar, die zijn hart had veroverd, geschenken van klein suikerwerk, door Hooft speelkoorn, later spéculacie geheeten, hetwelk in versierde mandjes met kunst- en vliegwerk in een der vensterbanken van het slaap- of woonvertrek van de geliefde werd gezet of op een geplanten staak of mei-

[p. 43]

boom aangeboden 1). Deze toezending was eene spéculacie op het hart van het meisje, waar de vrijer zijn oog op had laten vallen en in wier gunst hij trachtte te komen. Is het nu vreemd, dat het voorwerp waarmede gespeculeerd werd, bij overgang de benaming van spéculacie ontving? immers neen, en aldus is, dunkt mij, dit suikerwerk aan dezen naam gekomen.

II.

Lichtekooi.

Hony soit qui mal y pense.

 

Verschillende afleidingen zijn van dit woord voorgedragen, welke echter min juist schijnen; die mij ter kennis kwamen, zal ik hier kortelijk nagaan en er ten slotte eene van mij zelven bijvoegen, die, voor zoo ver mij bekend is, nog niet is opgegeven.

Bilderdijk 2) beweerde dat het woord lichte koe of koei is. Deze afleiding schijnt wat ver gezocht, en met allen eerbied voor den grootén man gezegd, onaannemelijk.

Weiland 3) zegt: ‘ligtekooi, een vrouwmensch dat ligt met iemand kooit;’ conform Halma 4): ‘ligtekooi, hoer, een vrouwmensch dat ligt met iemand kooit. Putain, femme ou fille abandonnée, paillarde.’

Terwen 5) geeft geene andere uitlegging.

In het tijdschrift de Navorscher 6), wordt geleerd dat de benaming lichtekooi ontsproten is van eene strafoefening, die voorheen hier te lande aan liederlijke vrouwen werd voltrok-

[p. 44]

ken, en daarin bestond dat men ze in een ijzeren kooi sloot, welke eenigen tijd heen en weêr werd gedraaid. Deze afleiding is in het zelfde tijdschrift 1) door een ongenoemde te recht verworpen, welke daar ter plaatse tevens zegt: ‘ik meende dat ligtekooi beteekent iemand, die gereed is, om met iedereen te kooijen, welk woord nog overig is in het bij het scheepsvolk bekende zeggen, in de of ter kooi gaan. Men noemt daarom ook ligte kooijen, ligte vrouwen, die zich ligt, spoedig laten overhalen.’ De laatste afleiding heeft niet den gloed der niewheid, gelijk men ziet. Deze etymologiën, met die van Bilderdijk incluis, worden echter in het genoemde werk 2) almede verworpen, en kooi gladweg verklaard door maagd, meid, deerne. Men zou in deze verklaring, hoe apodiktisch ook, kunnen berusten, ware er eenig gezag voor deze beduidenis van genoemd woord bijgebracht, dat we zoo gaarne, even als zeker schrijver 3) in meer genoemd tijdschrift, hadden gezien; deze zegt er nog bij: ‘kooi vind ik alleen in de beteekenis van verzamelplaats ter rust, nest, bed, en dan is ligtekooi eene die zich ligtelijk, gereedelijk, ter kooi begeeft. Voorts is coy in 't oud-Engelsch, gelijk in 't Fransch, rustig, stil. Verg Kiliaan op koije.’ Dit laatste is zoo, en van daar, om dit met een paar woorden hierbij te voegen, voor die het niet weten de uitdrukking in de Fransche taal: ‘tenez-vous coi,’ voor: ‘houd u stil.’

Zoo even werden wij verwezen naar Kiliaan op koye (niet koije). Wij willen dezen wenk volgen, doch vragen eerst, hebben over het algemeen zij, die over het woord in kwestie geschreven hebben, er zich wel een juist begrip van gevormd? en dit betwijfelen wij: lichtekooi toch, is niet een vrouwspersoon dat te kooi (bed) ligt: dan toch zou haar bedrijf weinig opleveren; integendeel, zij noodigt en lokt ter kooi; zij is ook niet zoozeer eene die lichtelijk en gemakkelijk gekooid wordt,

[p. 45]

want zij is zelve eene kooieend die anderen aanroept en in het net brengt.

Ten tweeden, is wel gelet op de beteekenis van het woord kooi, zoo als Kiliaan het verklaart door: ‘billen, achterste, aars?’ mij dunkt, dat men bij de verklaring van het woord lichtekooi, alleen aan deze beteekenissen van het woord kooi 1) moet hechten. Nemen we daarbij in aanmerking hetgeen bij Bilderdijk 2) ergens is te lezen, dan heeft de verklaring van het woord geene zoo groote moeilijkheid, zou ik oordeelen.

Genoemde taalkundige namelijk, gaf bij het volgende koddige spreekwoord, door Huigens uit het Spaansch vertaald 3):

 
Die een' Vrouw keuren will, of een' Meloen,
 
En kan 't niet beter als by 't steertstuck doen.

deze opheldering, welke wij in haar geheel hier laten volgen: ‘By 't steertstuck. Wat heeft Huygens hier ten aanzien van de vrouw bij gedacht? Slaat het op de billen van Parijs, by Cats, waar Feith laf en dom genoeg meê spot, om dat hy 't niet verstaat, en dat een bloote vertaling uit 't Fransch en Italiaansch is, als elk Letterkundige weet of behoort te weten? - Eenigzins van ter zijde. Doch de zaak is deze: In den tijd onzer Overgrootmoeders was er een cul de Paris aan de cotillons der vrouwen bekend, welke eenigzins schudde in het gaan, en waarop in mijn vroege kindschheid nog een dansliedtjen bestond, waarvan het refrein was: Hoe staat u die nieuwe Japon. Van welke Japon het dan heette:

 
Van achteren met een cul de Paris,
 
Ik moet er om lachen als ik het zie.

Dan welke dracht aanstootelijk gerekend werd, zekerlijk om dat de naam aan de billen van Parijs, in Italië en Spanje ook ten spreekwoord, herinnerde. Dit staartstuk nu werd alom het kenmerk van een lichtekooi gerekend. Hiervan 'tSpaansche

[p. 46]

spreekwoord. - Het woord een jonge klikkebil werd in mijn vroegen tijd, zonder het te verstaan, nog wel op een vlug jong meisjen toegepast. 'tBeteekende van ouds een recht wulpsche lichtekooi. Verder behoort het tot Apulejus vertelling van zijn lieve fotis quae tam lepide quatiebat nates, ook toe. Huygens wist wat hy schreef.’

Bij eene aandachtige lezing en overweging van dit een en ander, wordt ons het woord lichtekooi duidelijk: het zal primitief gezegd zijn van zulk een opgevulde cul of cu, waarvan Bilderdijk gewaagt en die onder het gaan heen en weêr ging of een schuddende beweging maakte, een dracht, wier bespottelijkheid wij hebben gezien, toen ze in onzen tijd weder in zwang kwam, alhoewel voor een korte poos, zoo als vele mijner lezers zich zeker nog wel zullen herinneren, en die het eerwaardig voorgeslacht - dat veel minder, dan thands wel het geval is, met Fransche modes ophad - wel als licht en aanstootelijk moest voorkomen en alleen goed voor die wezens, welke wij met het woord lichtekooi aanduiden, voor een

 
….. wive die wint ghelt
 
Dorperlijc met haren lichame 1).

Van het voorwerp ging de benaming op de persoon zelve over, die zich aldus op eene ergerlijke wijze opschikte, en weldra werd er ieder geriefelijk meisje door aangeduid.

Even zoo betitelt men haar, die met heure partes posteriores in het gaan eene sterke beweging maakt, met den naam van schuddegat, waarvan mij dit, hiertoe betrekkelijk rijmpje te binnen schiet:

 
Gij moet zoo niet draaien,
 
Gij moet zoo niet schudden met je g..;
 
Anders komen de kraaien
 
En pikken je in je g..!

Synoniem met het laatstgenoemd woord, is draaigat, dat ik elders vind vermeld 2):

[p. 47]
 
Men lacht, en onderdes vertoont zich in 't verschiet
 
Lijs draaigat, rond van aars, en met gehoepte rokken.

Dat draaien en schudden met den aars onder het gaan, was dan ook ons voorgeslacht een doorn in 't oog; zoo lezen wij bij Bredero 1):

 
........... hebje van al u dagen
 
Sulck draey-aersen gesien? ick kant niet wel verdragen.

en in andere blijspelen uit de zeventiende eeuw;

 
Die gaet so dray-eersen, besietse eens te degen,
 
Hadse een beusem in 't g.., sy sou de straet wel vegen.
 
 
 
Se kan wel draaibillen, en zoo de straat wel gaande vegen,
 
Had ze maar een bezem in haar naars steken.
 
 
 
Dat draainaerst dan straet op, straet neêr 2).

alsmede bij Langendijk 3):

 
Charlotte.
 
'k Moet by den juwelier eens zien of de orlietten
 
Al klaar zyn.
 
klaar.
 
Goed, juffrouw.
 
................
 
Ja wel, dat is wat raars.
 
Jou orlietten! zie hoe draayt ze met haar naars.

Naar deze verklaring is lichtekooi alzoo samengesteld uit lichte van lichten en kooi voor: culus, sedes, nates, clunes, als Kiliaan en fesses, le cul, als Mellema 4) heeft, dus eigenlijk lichte-kooi, gelijk wij onder andere bij Ten Kate het woord ook geschreven vinden 5); later, als in meer woorden, viel

[p. 48]

het hyphen weg en het saamgestelde woord smolt ineen tot lichtekooi, gelijk nu, alhoewel minder goed, geschreven wordt. Op de zelfde wijze nu, als lichtekooi, zijn ook schuddegat, draaigat, enz. samengesteld. Worden door de laatste woorden personen aangeduid, die het achterste schudden en draaien, even zoo beteekent lichtekooi een vrouwspersoon dat bewegelijk is van billen, ze telkens rechts en dan weêr links draait, beweegt, schudt of doet schudden en trillen.

Men kan deze beweeglijkheid op tweërlei wijze nemen, te weten: in betrekking tot de zoogenaamde cul de paris, als hoerendracht, ten einde de attentie der mans in het openbaar tot zich te trekken; of wel 't is toepasselijk op de kunstenarijen van afgerichte boeleersters in re venerea. Daar mij echter het tweede te ver gezocht voorkomt, zou ik het woord in den eersten zin nemen, schoon het beide tevens te verstaan geeft.

Hiermede eindig ik dit opstelletje. Mocht ik mistasten in de afleiding - die ik voor niet hooger dan eene proeve geef - het zal mij genoegen doen, wellicht door dit mijn geschrijf eene betere te hebben uitgelokt; immers: du choc des opinions jaillit la verité.

 

Zwolle, 1858.

T.H. Buser.