De Taalgids. Jaargang 1


auteur: [tijdschrift] Taalgids, De


bron: Dr. A. de Jager en Dr. L.A. te Winkel (red.), De Taalgids, Tijdschrift tot uitbreiding van de kennis der Nederlandsche taal, Eerste jaargang. C. van der Post Jr., Utrecht 1859.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Ter verklaring van een paar plaatsen uit Nederlandsche dichters van de zeventiende eeuw.

I.

C. Huygens, Korenbloemen. Derde Boeck (Uitg. van Mr. W. Bilderdijk. Dl. I, bl. 161).

 
't Verdrijven van den tijd is verre van sijn poogen,
 
Hy volgt den Oogenblick soo verr hy hem kan oogen,
 
En wilde Flus waer' Nu, en Nu nog eens soo taey,
 
En Wesen van een Ael verandert in een' Maey.
 
Nu Nu soo vluchtigh is, en Flus soo flucks te voren,
 
En Wesen schier gelijck geboren en verloren,
 
Soo leeft hy twee mael eens, en besight oock den tijd
 
Die in des Vorsten dienst nauw besigheit en lijdt.

Op deze plaats zegt Bilderdijk in zijne Aanteekeningen: ‘Wesen van een Ael, enz. enz. Hy wenscht nu nog eens zoo taay, d. i. niet zoo kort; derhalve wenscht hy, dat het wesen ('t geen schier geenen duur heeft, maar zoodra verloren als geboren is) meer uitgestrektheid had. Hy wenscht dus noodzakelijk dat het in de lengte mocht winnen; niet afnemen. Men verbetere derhalve dit bedorven vers en leze: En 't wesen tot een Ael veranderd uit een maey (of made).’

[p. 122]

Tot zoover Bilderdijk. Wij durven niet beslissen, of de groote man hier door zucht tot emenderen gedreven werd, dan wel of zijne gewone gevatheid hem voor een oogenblik in den steek liet. De glibberigheid van den aal levert, naar onze wijze van zien, een treffend beeld van de snelheid des tijds, terwijl de made aan dat, waarop zij ontstaan is, stevig blijft vasthouden en zich er niet gemakkelijk van laat verwijderen.

II.

Vondels Palamedes (Vondels Werken. Uitg. van Mr. J. Van Lennep. Dl. II, bl. 383 vlg.).

 
Men zal geëffent sien, en tot den grond geslecht
 
't Hof van Laömedon, en dees benyde vesten:
 
Als Inachus geslacht, die 't kryghsvolk geeft ten besten,
 
Dat overwinner noch, den tienden zomer, zal
 
De Goon verschricken met soo eysselijck een val.

Die:’ zegt Van Lennep in zijne Aanteekening, ‘niets wettigt deze geslachtsverandering. Geschiedde het welligt om het stootende van het geknotte 't na de t van dat te vermijden, zoo had het lidwoord van krijgsvolck even goed kunnen wegblijven.’

Het komt ons voor, dat de geleerde uitgever hier geheel uit het spoor geraakt is; misschien wel door de snede, die in zijne uitgave abusivelijk (wij toch vinden haar niet in de oudere van 1707 1) achter Als Inachus geslacht ingeslopen is. Die kan hier onmogelijk door Geslachtsverandering voor dat staan. Bij zoodanige opvatting zoude het onderwerp Inachus geslacht geen predikaat hebben. De zin der aangehaalde regels komt eenvoudig hierop neder: ‘Het hof van Laömedon en de benyde stad zullen tot den grond toe verdelgd worden, als de Grieksche aanvoerders die (hof en stad) ten prooi geven aan de willekeur van en de vernieling door het krygsvolk, dat enz.’

 

Nijmegen.

Dr. J.J. van der Kloes.