De Taalgids. Jaargang 1


auteur: [tijdschrift] Taalgids, De


bron: Dr. A. de Jager en Dr. L.A. te Winkel (red.), De Taalgids, Tijdschrift tot uitbreiding van de kennis der Nederlandsche taal, Eerste jaargang. C. van der Post Jr., Utrecht 1859.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 123]

Helsche koude.

Bij de beoefening der oude Nederl. Letterkunde, nam ik in den beginne, hoe tegenstrijdig het mij ook voorkwam, met volle zekerheid de verklaringen der woorden aan, zoo als die door de uitgevers er aan gegeven werden. Zoo geloofde ik ook, gelijk de uitgevers van den Wapene Martijn verklaarden, dat koude door de Ouden somtijds in de beteekenis van hitte gebezigd werd. Toen ik echter naderhand ondervond, dat men in de verklaringen wel eens mistastte, begon ik wantrouwend te worden, en stelde mij niet meer te vreden door een anders bril, maar begon meer door eigene oogen te zien. Hoe langer hoe twijfelachtiger kwam het mij ook voor, of de uitlegging van het woord helsche coude den toets der waarheid wel zou kunnen doorstaan.

Vooreerst vind ik in den Passionaal Wintersf. fo. 87, vo.: Ende hi seide acht punten van d' hellen. Dat was wormen, donckerheden, slagen, coude ende hitte, der duvelen aensien, scande van sonden en geween.

Vervolgens in Vondels Lucifer, Bedr. 5, laatste Ton:

 
Ontsteeck den Zwavelpoet, in 't middelpunt der aerde,
 
En pijnigh Lucifer, die zoo veel gruwlen baerde,
 
In 't eeuwig brandend vier, gemengt met killen vorst.

Ten slotte in de Litanie voor de Overledenen:

 
Van de wrede vlammen, verlost haar Heere,
 
Van de onverdragelijke koude, verlost enz.

Men zal mij welligt op het laatste punt tegenwerpen dat

[p. 124]

het vagevuur geen hel is. Hierop gelieve men in aanmerking te nemen, dat eenige van de vroegste Kathol. Godgeleerden reeds van gevoelen waren, dat de pijnen in het vagevuur met die der helle gelijk stonden, met dien verstande, dat de eerste maar tijdelijk zijn.

Die voorstelling vindt men duidelijk in 't Leven van St. Christina vs. 951:

 
Na de woerde sinte Kerstinen,
 
So es die stat (t. w. het vagevuur) so gruwelec van pinen,
 
Dat tuschen de helsche pine ende de gene
 
Engeen ondersceden en es, dan allene
 
Dad dat hoer hoep es ende hoer troest,
 
Dat si doch moeten werden verloest.
 
Si seid oec dat voer seker waer,
 
Datte viande bi hen sijn daer,
 
Ende datse den vianden vander hellen
 
Gelevert sijn, diese daer quellen
 
Also vele te swarleker, als sijt
 
Wel weten, dat si corteren tijt
 
Selen moghen de gene daer quellen,
 
Dan die si quellen in der hellen.

Dat daar zoowel ondragelijke koude als hitte heerscht, blijkt aldaar mede uit vs. 1465-1494, waar men leest dat Christina, na den dood van Greve Lodewic;

 
sach inder selver uren
 
Sijn ziele te swaren veghvier vuren.
 
. . . . . . . . . . .
 
Omdat haer sijns ontfarmde so serc,
 
So vercreegh si aen onsen Here,
 
Dat si met heme soud deilen hier
 
De pine, die hi leet int veghvier.
 
. . . . . . . . . . .
 
So mocht mense daer na langhen tijt sien
 
In der nacht groet pine liden,
 
In den heten baden, ende ondertiden
 
In den baden die waren so cout,
[p. 125]
 
Dat si daer pine leet menechfout.

Ik geloof hiermede genoegzaam bewezen te hebben, dat Maerlant wel degelijk helsche koude bedoeld zal hebben.

Q.