en voorts nog, omdat
er zich die d dan moeyelijk in verklaren liet. Mijns inziens is het
daarentegen niet anders dan 't fransche siége, waaruit zich die
d even gemakkelijk verklaart, als die van den uitgang -aadje uit
den fr. -age
1). Dat het woord in Nederland - met name in Vlaanderen -
gangbaar was, blijkt onder anderen uit een paar plaatsen van den Vlaamschen
tooneelrijmer
Everaert, in wiens Esbatement van
de Vigelie, de Man zegt dat hij een siege maken
moet op verbeurte van tien schellingen groot, 't geen vervolgens door den
cnape bevestigd wordt:
Mijn meester heeft belooft te volmakene,
Als hedent, een siege, ic hoorde 't vermonden,
Ende heift hemselven daerin verbonden
Up thien scellynghen grooten te verbuerene,
Ook zijn meester, die door een plagerij zijner vrouw inderdaad de
tien schellingen verbeurt, herhaalt dit ten slotte nog eens:
Hedent haddic belooft te zijne vulmaect
Een siege, up de verbuerte van thien scellynghen,
Nu hebbic my gebrocht in deze quellynghe; -
Tien sc. grooten zo te verliezene! -
In de uitgave dier Vigelie in Het Nederlandsche
kluchtspel, 1e aflev. (Haarlem, 1854) bl. 79 vv., is het woord,
vragenderwijs maar anders verkeerdelijk, met cierge in verbrand
gebracht, waarmeê het niets te maken heeft; de man heeft blijkbaar
beloofd een zetel af te werken, en dien niet klaar gekregen. Met
verwante beteekenis is siege nu in Holland allengs voor een kerkelijke
zitplaats of besloten bank gebezigd, en komt dan in zoover op de
zitsteê van Tuinman neêr, waarmeê het (van
sedere en zitten uit) in oorsprong inderdaad verwant is.
Deventer, 20 Mei 1859.
Van Vloten.