|
|
|
| |
Iets over het werkwoord houden.
Antwoord op vraag 9: ‘Is het werkwoord houden, hield,
gehouden, regelmatig of onregelmatig?’
Een beslissend antwoord op deze vraag is moeijelijk te geven, zoo
het al niet volstrekt onmogelijk is. Het hangt natuurlijk geheel af van de
begrippen, die men zich van regelmatigheid en onregelmatigheid heeft gevormd,
en deze kunnen, vooral ten opzigte van de werkwoorden, zeer uiteenloopend
wezen. Daarom zullen sommige taalkundigen houden voor regelmatig, andere
voor onregelmatig verklaren. Houdt men zich stipt aan de weinige modellen van
werkwoorden, wier vormveranderingen geheel en al in overeenstemming zijn met
die wetten der vocaal- en consonantwijzingen, die in onze taal volstrekt geene
uitzonderingen toelaten, dan is het aantal onregelmatige even groot als het
aantal geheel regelmatige sterke of ongelijkvloeijende werkwoorden. Laat men
zich echter door een minder streng beginsel leiden, houdt men voor regelmatig
alle afwijkingen van de bedoelde modellen, die zich op den eenen of anderen
redelijken grond laten verklaren en recht-
| | | |
vaardigen, dan blijven er
slechts weinig werkwoorden over, die voor waarlijk onregelmatig te houden zijn;
en dan is het zeer goed mogelijk, dat eene voortgezette taalstudie eindelijk
alle afwijkingen van den gewonen regel als noodzakelijk, ten minste als
redelijk zal doen erkennen. Een naauwkeurig onderzoek naar de regelmatigheid of
onregelmatigheid van alle sterke werkwoorden zou meer tijd en ruimte
vereischen, dan ik thans beschikbaar heb; ik zal mij daarom bepalen tot het
aanwijzen van de verschillende uitkomsten, die men verkrijgt, wanneer men
volgens de beide bovengenoemde beginselen te werk gaat. Nemen wij te dien einde
de Nederlandsche Spraakleer ten gebruike bij inrichtingen van hooger
onderwijs door Dr.
W.G. Brill voor ons, en doorloopen wij de tien
klassen der sterke verba.
In de Eerste klasse treffen wij slechts 3 werkwoorden aan, wier
regelmatigheid boven alle verdenking verheven is, te weten bevelen,
stelen en nemen; breken, steken en spreken behoorden
waarschijnlijk tot Kl. III, dewijl hun stam niet op eenen vloeijenden
medeklinker eindigt. Behalve deze drie, noemt Prof. Brill er nog 12,
die in een of ander opzigt van den regel afwijken. - De Tweede klasse bevat
louter (48) onregelmatige, vermits de a in het enkelvoud van den onvolm.
verled. in o is veranderd; de Derde 10 regelmatige en 6 met grootere of
geringere afwijkingen, waaronder ook eten, om zijn participium
gegeten. In de Vierde zijn alleen deze drie regelmatig: dragen,
graven en varen, terwijl het aantal onregelmatige viermaal zoo groot
is. De Vijfde telt er 52, op welke niets valt af te dingen; maar schrijven,
wijzen, belijden, prijzen en wijzen behoorden zwak verbogen te
worden. Onder de 39 verba der Zesde klasse bevindt zich misschien 1
onregelmatig. In de Zevende is vallen alleen geheel onberispelijk, de 9
overige wijken alle af. De Achtste, Negende en Tiende klasse bevatten te zamen
10 regelmatige en 6 onregelmatige werkwoorden. In de zwakke vervoeging moeten,
leggen, zeggen, vragen, jagen en vonnissen voor onregelmatig
gehouden worden.
| | | |
Voegt men nu de 16 verba, die Prof. Brill als werkelijk
onregelmatig beschouwt, bij de 102 sterke, die in mindere mate van hunne
modellen verschillen, dan verkrijgt men een getal van 118 onregelmatige
tegenover 117 regelmatige sterke werkwoorden.
Geheel anders echter wordt de verhouding, als men al die verba ook
voor regelmatig houdt, die door Prof. Brill in de tien klassen
tusschen de streng regelmatige zijn opgenoemd, en wier afwijkingen òf
zeer gering zijn, òf zich op de eene of andere wijze laten verklaren.
Maar op dergelijke wijze kan men ook de onregelmatigheid van koopen en
zoeken, van weten en moeten, van kunnen, mogen en
zullen rechtvaardigen, en dan blijven er niet meer dan 9 of 10
onregelmatige over, in tegenstelling van 226 of 225 regelmatige.
Houdt men het eerste beginsel vast, dan is houden
ongetwijfeld onregelmatig. De oorspronkelijke oudnederlandsche vorm moet
haldan, hiald, gahaldan geluid hebben. Nu veranderde ald, evenals
uld, oudtijds regelmatig in oud, zooals oud (ald),
woud (wald), smout (smalt van smelten), koud
(kald), mout (malt), goud (guld) en schout (schuldheet)
bewijzen. Ook zeide men oudtijds schoud voor schuld en
gewoud voor geweld (gewald). De verandering van haldan in
houden was dus oudtijds geheel in den regel. Maar er staat tegenover,
dat deze regel nu niet meer geldig is, en dat men vergald, versmald, omwald,
hij valt, malt, stalt, enz. zegt, zoodat de afwijking van het model zich
niet door eene thans heerschende taalwet laat verklaren.
Neemt men echter als beginsel aan, dat alle afwijkingen die oudtijds
regelmatig waren, ook tegenwoordig nog als zoodanig te beschouwen zijn, dan
wordt niet alleen houden geheel regelmatig, maar nog een aantal andere
woorden, als: koopen, zoeken, zullen, kunnen en mogen, 37
werkwoorden van de tweede klasse en meer andere. Daar het doel der Grammatica
bestaat in het begrijpen en juist beoordeelen der vormen en andere
verschijnselen op het gebied der taal, en de gemakkelijkste weg tot dat doel de
verkieselijkste is, zoo komt
| | | |
het mij voor, dat de handelwijze in de
bovengenoemde grammatica van Prof. Brill gevolgd, waarin de afwijkende
woorden zooveel mogelijk gebragt worden onder de klasse, waartoe zij behooren,
alleszins als rationeel is te beschouwen. Volgens dat beginsel is houden
misschien regelmatiger dan eenig ander onregelmatig woord.
L.A. te Winkel.
|
|
|