De Taalgids. Jaargang 1


auteur: [tijdschrift] Taalgids, De


bron: Dr. A. de Jager en Dr. L.A. te Winkel (red.), De Taalgids, Tijdschrift tot uitbreiding van de kennis der Nederlandsche taal, Eerste jaargang. C. van der Post Jr., Utrecht 1859.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 247]

Woordafleidingen,

door

Dr. M. DE VRIES.

 

Aamechtig. Aamborstig.

Indien eenig voorbeeld ons duidelijk leert, dat vooral in de etymologie de schijn bedriegen kan, dan is het voorzeker het tweetal woorden, dat ik zoo even ternederschreef. De aamechtige, hijgende naar den adem, de aamborstige met zijne eng beklemde borst, wel schijnt de oorsprong van hunnen naam zich op den eersten aanblik te verraden. Het eerste van adem afgeleid, het tweede door zamenstelling met borst gevormd: dit schijnt klaar als de dag. En toch heeft aamechtig met adem niets dan den klank gemeen, toch is aamborstig met ons borst ook niet in de verte verwant. In beide is de afleiding, die voor de hand ligt, niet meer dan een bedriegelijke schijn; de ware verklaring is hier, gelijk overal elders, alleen bij het licht der geschiedenis op te sporen.

Dat aamechtig of aamachtig uit aâm, adem, en het achtervoegsel achtig is ontsproten, wordt zonder bedenking door Weiland verzekerd. Hij volgde daarin het voorbeeld van Huydecoper, die in zijne Proeve (I. 51-56) uitvoerig over het woord gehandeld en dezelfde meening verdedigd heeft. Trouwens, hoe kon er twijfel bestaan, als men bij Plantijn ademachtich gespeld vond, en in zijne vertaling haleineux, haleteux, het bewijs zag, dat hij wel degelijk aan adem (haleine)

[p. 248]

dacht? Doch het is niet ondienstig, bij het gebruik der oude woordenboeken eenige behoedzaamheid aan te bevelen. Men wachte zich, alles, wat daar vermeld staat, zoo maar voetstoots voor gave waarheid op te nemen. Plantijn en zijne tijdgenooten hadden, evenzeer als de hedendaagsche lexicografen, hunne eigene meeningen en opvattingen omtrent de woorden die zij verklaarden, en zij vonden niets natuurlijker, dan de spelling of verklaring naar die opvatting in te rigten. Zelfs Kiliaen is van dit gebrek lang niet vrij. De spelling ademachtich bewijst dus volstrekt niet, dat het woord in 1573 werkelijk zoo werd uitgesproken, maar alleen dat Plantijn het zoo opvatte en nu het woord door de spelling zocht te verduidelijken. Maar even gewaagd als het Fransche adj. haleineux, door hem uitgedacht om zijne meening aanschouwelijk voor te stellen, komt mij de nieuwe spelling voor, die hij met hetzelfde doel op eigen gezag te baat nam.

Het ongegronde der meening van Plantijn zal aanstonds blijken, als men slechts op de beteekenis van aamechtig let. Ware het van adem, door middel van het beklemtoonde achtervoegsel achtig afgeleid, het zou dan gelijk staan met deeláchtig, waaráchtig, woonáchtig enz., alle het werkelijk bezit aanduidende van hetgeen in het hoofdwoord is uitgedrukt. Deelachtig is hij die deel aan iets heeft, waarachtig heet datgene dat werkelijk de waarheid in zich besluit, woonachtig is hij die ergens zijne woonstede heeft. Ademáchtig zal dan diegene zijn die adem heeft, die zich in een vollen en krachtigen ademtogt mag verheugen. In zooverre had men - si usus voluisset - een redenaar, die met forsche longen onvermoeid het woord voert, een aâmáchtig spreker kunnen noemen. Maar de beteekenis van ons woord is juist het tegengestelde! Aamechtig heet de vermoeide, die door hard loopen of werken buiten adem geraakt is, die hijgend verruiming zoekt voor zijne beklemde borst. De afleiding van Plantijn druischt dus lijnregt tegen de ontwijfelbare beteekenis aan. Ware aamechtig op die wijze gevormd, dan had het evenmin het denkbeeld van ademloos kunnen opwekken, als

[p. 249]

deelachtig voor verstoken, waarachtig voor onwaar, of woonachtig voor verbannen zou kunnen gelden.

Aan het gezonde taalgevoel van Bilderdijk kon de gewone opvatting dan ook niet voldoen. Aanstonds was het vindingrijk brein van den dichter gereed, er iets nieuws op te verzinnen. Aâmechtig, zegt hij, is ademhechtig, van hechten, vastmaken, dat hier voor hijgen staat, vanwaar hechtig, hijgend, kortademig; alles verwant met hegen, haken, hagen, halen enz. 1). En elders verzekert hij: ‘dat aâmechtig ademhechtig is …., behoeft hier niet meer dan de enkele opmerking. Aâm- of ademhechtig is naar den adem hijgende’ 2). Jammer, dat de nuchtere kritiek zich met ‘de enkele opmerking’ niet ligt tevreden stelt. Zij verlangt afdoende bewijzen. Zelfs wanneer zij in Meijer's Woordenschat werkelijk de spelling aamhechtig aantreft, is zij nog niet voldaan: zij besluit er alleen uit, dat Meijer dezelfde verklaring had uitgedacht. Inderdaad, zoolang een ww. hechten voor hijgen, een adj. hechtig voor hijgend, niet met duchtige bewijzen gestaafd wordt - en daar is zeker vooreerst weinig kans op -, mag men gerust beweren, dat beide nooit anders dan in het rijk der verbeelding hebben bestaan.

Vervallen dus de beide verklaringen, die men tot dusverre had voorgesteld, een blik op den vorm en de beteekenis des woords in vroegere eeuwen zal ons weldra de ware uitlegging doen zien, en het bewijs leveren dat ons woord met adem niets dan den schijn gemeen heeft.

In het Leven van S. Christina, vs. 1681, leest men:

 
si was gelijc, de jonfrouwe,
 
Den genen die van groten rouwe
 
Amechte es worden altemale,
 
Ende daer af lidet pine ende quale.

Ik laat daar, of de vorm amechte, amecht, zonder den uitgang -ig, als zuiver mag beschouwd worden; iets waaraan

[p. 250]

ik, zoolang mij geen tweede voorbeeld bekend is, zeer twijfel. Maar in allen gevalle is hier de beteekenis blijkbaar van de hedendaagsche verschillende. De heilige jonkvrouw, die geruimen tijd bijna niets gegeten en dikwijls des nachts in de woestijn vertoefd had, was niet kortademig, hijgende; maar uitgeput was zij, afgemat en krachteloos, als degenen die van rouw verteerd zijn. En ziedaar werkelijk de vaste beteekenis, die het woord in zijne beide vormen, amachtich en amechtich, in het Mnl. vertoont. In den Walewein wordt ons verhaald, hoe de held een hardnekkigen strijd te voeren had tegen den zwarten ridder, totdat hij ten laatste zijn vijand van vermoeijenis uitgeput zag, en nu een laatsten slag beproefde. Daar heet het (vs. 9961):

 
Als hi den swarten in den stride
 
Amachtich sach, was hi blide.

In de kronijk, aan Velthem toegeschreven, bij de beschrijving der vijftien teekenen voor den oordeelsdag, wordt het tiende aldus vermeld (bl. 459):

 
Dat Xde, daerop selen die liede
 
Uut haren holen comen bediede,
 
Ende selen gaen amechtech dan,
 
Dats l) enech cume gespreken can,

hetgeen in den Lekenspiegel, IV. 9. vs. 61, bij de voorstelling van hetzelfde teeken, door cranc van herten ende verdaert wordt uitgedrukt, zoodat ook hier weder de beteekenis van uitgeput, magteloos geldt.

Vooral gewoon is het gebruik van amachtich in den Delftschen Bijbel van 1477, en de opvatting, daar aan het woord gehecht, laat wel geen twijfel over. B. v.:

dat herte van Egipten sal amachtich worden in midden hem ….
si sullen wandelen ende niet amachtich worden.
      Jes. XIX. 1, XL. 31.

De Vulgata heeft: tabescet en deficient.

[p. 251]
Ende doe hy dit hoerde, so wort hi aemachtich van rouwen.
     I Machab. IV. 27.

Vulg.: ‘consternatus animo deficiebat.’

Myne ogen sijn amachtich geworden om die tranen.
     Klaagl. v. Jer. II. 11.

Vulg.: ‘defecerunt prae lacrymis.’ Evenzoo is ook elders amachtich worden de gewone vertolking van deficere, als I Sam. XIV. 28, II Sam. XVI. 2, XXIII. 10, Jes. XLIV. 12, XLVII. 13, Jerem. XX. 9, enz.; gelijk dan ook het subst. amachticheit, in de woorden:

ende worden verwandelt in amachticheit ende anxt,
     II Machab. III. 24,

zeer juist met beswijckinge in de Staten-Vertaling overeenstemt.

De eigenlijke beteekenis van amachtich of amechtich was dus blijkbaar die van uitgeput, afgemat, krachteloos, zonder het minste bijdenkbeeld van een beklemden adem. En de oudheid van den vorm amachtich, dien wij reeds in den Walewein en bij den Velthemschen priester aantroffen, is dadelijk voldoende om alle verwantschap met adem eens voor al te doen wegvallen, om de zeer eenvoudige reden, dat de vervloeijing der d tusschen twee klinkers, de zamentrekking derhalve van adem tot aêm, een verschijnsel van lateren tijd is, dat het begin der 14e eeuw nog niet kende 1).

Nu de oorspronkelijke vorm en beteekenis vaststaan, kan ook de ware afleiding niet twijfelachtig meer zijn. Kennelijk is ons woord één met Ohd. âmahtig (Graff, II. 618), Mhd. âmehtec (Benecke, II. 9, b), beide in den zin van zwak, krachteloos, zoowel naar ligchaam als naar ziel. Men vergelijke vooral het Woordenboek der gebroeders Grimm, I. 276, waar het gebruik van amächtig als infirmus met treffende plaatsen uit Luther e. a. wordt opgehelderd.

Amachtich, in de oorspronkelijke beteekenis van krachteloos,

[p. 252]

is dan zeer natuurlijk afgeleid van het subst. âmaht, onmagt, krachteloosheid, dat werkelijk in het Ohd. en Mhd. voorkomt (Graff, I. 15, Benecke, II. 9, a., Grimm, D. Gr. II. 706), en op zijne beurt gevormd is uit maht, magt, met het ontkennende voorvoegsel â, zoodat âmaht geheel met onmagt, âmahtig met onmagtig gelijkstaat 1).

Op de hier gegevene verklaring - die trouwens geene nieuwigheid is, daar zij reeds in 1850 door Prof. Bormans werd aangewezen 2) - voorzie ik eene bedenking, die ik niet onbeantwoord mag laten. Amachtig voor onmagtig, zal men zeggen, was ook aan Huydecoper, Weiland en Bilderdijk niet onbekend: zij maken er uitdrukkelijk melding

[p. 253]

van, maar verzekeren dat ons aamechtig daarvan geheel onderscheiden is en er niets mede gemeen heeft. Het is zoo, maar een grond voor dit onderscheid vind ik nergens aangegeven. En waar zou die in redelijkheid te vinden zijn? De beide woorden hebben volmaakt denzelfden vorm en dezelfde uitspraak. Het oude amachtich had reeds den bijvorm amechtich nevens zich, welke laatste uitspraak sedert heerschende is geworden, ofschoon amachtich daarom niet in onbruik is geraakt: de spelling aamachtig wordt zelfs bij Weiland op den voorgrond gesteld. Er is dus tusschen de beide woorden, het oude en het nieuwe, geen ander verschil op te merken, dan dat de beteekenis van het laatste met die van het eerste niet geheel overeenkomt. Het Mnl. amechtich gold voor uitgeput, magteloos, ons aamechtig wordt alleen van hem gezegd, die door buitengewone inspanning ademloos is geworden. Maar wie ziet niet in, dat het laatste niets anders is dan eene bijzondere toepassing der algemeene beteekenis? De uitgeputheid of afgematheid, die het woord vroeger te kennen gaf, zonder eenige aanduiding van de oorzaak, waaruit zij ontsproot, en dus geheel in het algemeen, is later door het gebruik bepaald tot die ééne soort van uitputting of afmatting, die uit te groote inspanning ontstaat en zich door ademloos hijgen openbaart. De reden van die beperking is niet verre te zoeken. Zoodra het voorvoegsel a voor goed in onbruik geraakt was, en daardoor amachtig of amechtig niet langer in zijne deelen verstaan werd, moest wel het onbewuste gevoel, altijd trachtende de woorden te begrijpen en daarom altijd gereed zich - hoe dan ook - eene etymologische voorstelling te maken, onwillekeurig aan adem beginnen te denken, dat nu allengs den zamengetrokken vorm aêm had aangenomen. Uitnemend scheen die opvatting te strooken met het hijgen en den beklemden adem, die zoo vaak met uitputting van krachten gepaard gaan. Geen wonder, dat dit bijdenkbeeld weldra op den voorgrond trad, het geheele woord overheerschte, en niet alleen de beteekenis beperkte en wijzigde, maar zelfs, als ware het in den aard des woords ge-

[p. 254]

grond, zich aan de etymologen opdrong. Maar de geschiedenis alleen is in staat, het waas af te wisschen, dat in den loop der tijden den natuurlijken glans der woorden benevelt.

 

Schijnbaar naauw verwant met aamechtig - dat ik voortaan liever amechtig gespeld zou willen zien -, maar in wezenlijkheid geheel daarvan onderscheiden, is het adj. aamborstig, waarvan de ware verklaring tot dusverre onopgemerkt bleef. Aan den zamenhang met ons borst, als ligchaamsdeel, werd nooit getwijfeld, en juist daardoor werden de taalkundigen van het regte spoor afgeleid.

Bij Weiland heet aamborstig uit adem en borst gevormd. Ik vraag, welke beteekenis dan aan het woord te hechten? Ademborstig - de vreemdsoortige zamenstelling daargelaten - kan wel niets anders zijn dan die adem in de borst heeft, en in dien zin zijn wij allen aamborstig; of des noods die een sterken adem in de borst heeft, zoodat b. v. een Stentor, de χαλκεόφωνος, die zoo hard schreeuwde als vijftig anderen, of een Roeland, die zijn jagthoren mijlen ver deed weêrklinken, aamborstig zou moeten heeten. Wederom dus juist het tegengestelde van hetgeen het woord werkelijk beteekent! Hoe men het wende of keere, er is geene mogelijkheid, om uit de bloote verbinding der begrippen adem en borst tot de voorstelling van gebrek aan adem te komen.

Eene andere uitlegging van het eerste deel des woords gaf Dr. Halbertsma, Aantt. op Maerlant, bl. 323. Op het voetspoor van Plantijn en Kiliaen schrijft hij amborstich, en beschouwt dit als door letterwisseling uit angborstich ontstaan. Zeker, wat den zin betreft, zou ons die verklaring ten volle bevredigen, maar den toets der klankleer kan zij niet doorstaan. De n, zelfs gevolgd door d of t, moge voor b overgaan in m, als inboorling: imboorling, andbacht: ambacht, ontberen: omberen; maar niet ligt zal men in het Nederlandsch een voorbeeld vinden, waarin die overgang met ng heeft plaats gehad: het gevoelen van Bilderdijk, die de uitgangen

[p. 255]

ng en m bijna gelijkstelde 1), behoort reeds lang tot het verledene. Daarenboven, al ware die overgang van ng in m te regtvaardigen, vanwaar dan de opene a-klank, die in aamborstig onmiskenbaar gehoord wordt? Wijst men, tot staving van het beweren, alsof amborstich de echte vorm ware, op de schrijfwijze van Plantijn en Kiliaen 2), ik antwoord dat beiden ook ademborstich hebben, en dus blijkbaar op twee verschillende wijzen de verklaring van eenzelfde woord beproefden, welks uitspraak tusschen de beide vormen in gelegen was en derhalve, toen gelijk thans, aêmborstich luidde.

Doch, gelijk ik reeds te kennen gaf, het groote bezwaar dat de verklaring van aamborstig belemmerde, was dat men altijd, zonder den minsten twijfel, aan de borst of den boezem dacht. De bloote opmerking, dat het tweede lid der zamenstelling niet ons borst (pectus) is, maar het Mnl. borste, borst, in den zin van gebrek, zal voldoende zijn om over ons woord een onverwacht licht te verspreiden.

Het is bekend, hoe in het ww. breken, gebreken, zich twee beteekenissen vereenigen, die van Lat. frangere, rumpere, en die van deficere, deësse. De zamenhang tusschen beide is duidelijk. Het gebrokene is niet in zijn geheel, het is geschonden en onvolledig, er ontbreekt iets aan. Gebreken, als intransitief, is dus oorspronkelijk frangi, rumpi, bij uitbreiding onvolledig worden of zijn, en dus niet of niet genoegzaam aanwezig zijn, te kort schieten. Vandaar nog ons gebrek en ontbreken.

Volkomen dezelfde overgang van beteekenis had eertijds plaats in het ww. bersten (barst, geborsten), ons barsten, dat even als breken oorspronkelijk de scheiding der deelen van een geheel te kennen geeft, maar ook evenzeer als te kort schieten, ontbreken werd opgevat. Reeds in het Ohd. vinden wij brestan, gabrestan, subst. bresta, bresto (Graff, III. 271-274), Mhd. bresten, gebresten, subst. breste, brest, brist (Be-

[p. 256]

necke, I. 256 vlg.), Oud-Friesch bersta (Richthofen, 627 vlg.), alle in den zin van gebreken en gebrek 1).

In het Mnl. gold vooral het afgeleide gebersten, dat ook geborsten luidde, evenzoo als gorden voor gerden, worden voor werden, vormen als kerkwoord voor vermen (Lat. firmare) staat, enz. De zaak zelve is bekend, ik kan met een paar voorbeelden volstaan:

 
Wie nien mint sinen evenkersten,
 
Hem moet Gods minne ghebersten.
 
D. Doctr. II. 17.

‘Wie zijnen medechristen niet bemint, hem moet de liefde Gods ontbreken.’

In dire brulocht so ghevil dat daer wijn ghebrac. Doe sprac Jhesus moeder te hem ende seide: hen gheberst wijn.
     Leven v. Jezus, c. 57.
 
Sint hier daghelijcs enen bode,
 
Die hen drincken hale ende eten.
 
Gheberst hen yet, laet mi weten.
 
Beatrijs, vs. 896.

‘Laat het mij weten, zoo hun iets ontbreekt.’ Zoo heet het dan ook in de beschrijving van het ‘edele lant van Cockaengen,’ vs. 21:

 
Daer en mach nyemant yet gheborsten (: worsten).
 
Versl. en Ber. 1845, bl. 37.

Nevens het ww. gebersten stond het subst. berste of berst, door Kiliaen met gebreck gelijkgesteld en door penuria, dafectus vertolkt. Die beteekenis was in 't Mnl. zeer gewoon. B. v.:

 
Moraet, clareit, al dat men vant,
 
Daer of en hadsi enghene berste.
 
Walewein, 10284.

‘Van allerhande wijnsoorten hadden zij geen gebrek.’

[p. 257]
 
Alse der goeder sal sijn berste.
 
Maerl. Sp. Hist. I. 12. 25.

‘Als er aan vrome lieden gebrek zal zijn,’

 
daer men Jhesum Kerste
 
Niet en noemt ende sijns es berste.
 
Ald. I7. 32. 63.

‘waar men Christus niet noemt en waar hij ontbreekt.’

 
Hets swaerre pine ende meerre berste,
 
Dat anscijn van Jhesum Kerste
 
Te verliesene ten joncsten daghe,
 
Dan es al die helsche plaghe.
 
Ald. III3. 5. 149.

‘zwaarder verdriet en grooter gebrek of gemis.’

 
Entie broeders van Jhesum Kerste
 
Hebben cout ende cledere berste.
 
Ald III7. 61. 67.

‘Zij lijden koude en hebben gebrek aan kleederen.’

 
Ic hebbe berste
 
Van selken rade, als men mi seghet
 
Die aen u allene leghet.
 
Theoph. vs. 446.

‘Ik heb behoefte aan den raad, die bij u alleen te vinden is.’

Van berste was in gelijken zin een dubbele bijvorm in gebruik: 1o. barste, als hart voor hert, smart voor smert, enz.; 2o. borste, hetzij als bloote wisselvorm van berste door den boven vermelden overgang van er tot or, of als afzonderlijke woordvorm met de vocaal van het deelwoord (geborsten) 1).

Barste treft men herhaaldelijk aan in de varianten op de plaatsen, die ik zoo straks zal aanhalen, meestal rijmende op darste, waaruit blijkt dat het een bloot dialektverschil was van hetgeen naar de gewone Nederlandsche uitspraak dorste en borste heette. Inderdaad was borste de meest gewone vorm. Ziehier eenige voorbeelden:

[p. 258]
 
Dus hadsi liever den strijt
 
Ende te stervene, zeker sijt,
 
Dan te dogene honger ende dorste,
 
Ende zwaerlike te hebne borste.
 
Maerl. Destr. v. Jerus. (bij Huyd. op Stoke, I. bl. 469).

Huydecoper, wien borste voor gebrek nog onbekend was, wilde hier vorste lezen, hetgeen echter in het verband kwalijk passen zou; want het was geen uitstel, maar honger en dorst en gebrek, wat zij vreesden 1). Hetzelfde drietal wordt te zamen genoemd in den Lancelot, II. vs. 44184:

 
Sijn herte was sonder riveel
 
Van groten hongere ende van dorste
 
Ende van swarre borste.

Niet minder duidelijk zegt Maerlant in den Alexander, fol. 48. c.:

 
Daer bleef menech doot van dorste,
 
Om dat hi waters hadde borste.

Dezelfde uitdrukking, waters borste, gebrek aan water, komt meermalen terug 2):

 
Dats lant daer men gheen water weet;
 
Ende om dat daer es waters borste,
 
Stervet van euweliken dorste.
 
..................
 
Ene remedie alre meeste,
 
Om dat daer es waters borste,
 
Jeghen die pine van den dorste.
 
Maerl. Nat. Bl. II. 3071-3079.

Elders, in latere geschriften, vindt men borst gespeld en het woord als manlijk gebezigd. Zoo in Heynric van Hollant's gedicht, Die cracht der Mane getiteld, vs. 69:

[p. 259]
 
Si doghen hitte ende groten dorst,
 
Ende hebben slapens groten borst.
 
Versl. en Ber. 1847, bl. 9.

Van zegswijzen als waters borste, slapens borst, was nog slechts een kleine stap noodig, om het woord ook allengs in zamenstellingen te bezigen. Reeds in eene variant op D. Doctr. II. 509, treffen wij het koppelwoord brootborst aan:

 
Die rike vrecke sorght om broet,

zegt het tekst-hs., maar in hs. D. leest men daarvoor:

 
Die rike vrecke heeft broot borst.

Brootborst is broodsgebrek, en evenzoo (om op ons hoofdwoord terug te komen) is ademborst niets anders dan ademsgebrek, en ademborstig of aâmborstig heet hij die gebrek aan adem heeft ten gevolge van physische oorzaken, in zijn gestel aanwezig. Maar even als wij boven zagen, dat de beteekenis van amechtig eene wijziging onderging, omdat men onwillekeurig aan adem dacht; zoo werd ook aâmborstig, toen eenmaal het oude borst voor gebrek in onbruik geraakt was, door de zeer natuurlijke bijgedachte aan de borst of den boezem, allengs min of meer gekleurd, zoodat niet meer het gebrek aan adem op den voorgrond bleef staan, maar de voorstelling eener benaauwde borst hoofdgedachte werd. Doch ook hier heeft het licht der geschiedenis gestrekt, om het verduisterde woord in oorspronkelijke helderheid voor ons bewustzijn te doen herleven.

Fransche titel.

Bekend is in de boekdrukkerij de term Fransche titel, de naam van het verkorte titelblad, waarmede een gedrukt boek aanvangt en dat den volledigen hoofdtitel voorafgaat. De Franschen noemen het faux titre, de Engelschen half of bastard title, de Duitschers schmutztitel 1).

[p. 260]

Vanwaar, in onze taal, die eigenaardige benaming? Is het gebruik van die halve titelbladen oorspronkelijk eene Fransche gewoonte, eerst later hier te lande nagevolgd? Er is mij niets bekend, dat die meening zou kunnen regtvaardigen. Bij den vroegtijdigen bloei der boekdrukkunst in haar geboorteland is het veeleer waarschijnlijk, dat ook dit typografisch sieraad in Nederland wel even oud als elders zal zijn.

In afwachting, dat welligt onze ijverige bibliografen, door vergelijking van oude drukwerken uit verschillende landen, eenig licht mogen verspreiden over de herkomst der Fransche titels, meen ik intusschen te mogen verzekeren, dat althans de naam alleen in schijn naar Frankrijk verwijst, maar in wezenlijkheid zijn ontstaan te danken heeft aan eene schromelijke - hoewel zeer verklaarbare - verbastering.

Toevallig was ik in de gelegenheid deze opmerking te maken, toen - voor eenige jaren - een oud zetter te Groningen mij vraagde, of ik bij het boekske, dat hij onder handen had, ook ‘en veurhándsche titel’ begeerde. Hij sprak het woord zoo duidelijk uit, dat aan geene misvatting te denken viel. Aanstonds ging mij een licht op omtrent den oorsprong der benaming, die mij altijd vreemd was voorgekomen. Fransche titel bleek niets anders te zijn dan de verminkte uitspraak van het oorspronkelijke voorhandsche titel, de titel die voor de hand ligt, die al het overige voorafgaat. De zamentrekking van voorhandsche tot Fransche is inderdaad zoo gewaagd niet, als zij op den eersten aanblik schijnen kan. Zij is stap voor stap geheel regelmatig, het natuurlijk gevolg van den sterken klemtoon, die de tweede lettergreep in voorhándsche, evenzeer als in altháns en voorshánds, vergezelde. Hoe minder men dacht aan den oorsprong des woords en de beide deelen waaruit het bestond, des te sterker moest die klemtoon worden en de beide deelen ook in den klank tot eene eenheid verbinden. Toonloosheid der eerste lettergreep was daarvan het uitwerksel: voorhándsche begon verhándsche, v'rhándsche te luiden 1). In die verbinding moest de zwakke

[p. 261]

h uit den aard der zaak verdwijnen, en de tandletter kon hier evenmin stand houden als in thands en althands, waarin de d nooit meer gehoord wordt, of in aanstonds en doorgaands, die meestal aanstons en doorgaans luiden, of in bijkants, dat in de gewone uitspraak bijkans zijnen oorsprong verdonkerd ziet. Zoo werd v'rhándsche tot vrandsche, vransche, -, en nu klonk de naam gelijk aan dien van het naburige volk, dat bij onze vaderen tot in de vorige eeuw Vranschen heette. Later heeft men voor die echt Nederlandsche uitspraak die der vreemde natie zelve in de plaats gesteld, en begon men Franschen, Frankrijk te schrijven en te spreken, even als wij nu onlangs aan een deel onzer landgenooten, in het spellen van hunnen volksnaam, hunne eigene uitspraak hebben gegund, en hen niet langer Vriezen, maar Friezen noemen. Geen wonder, dat ook de vransche - neen Vransche - titel, die nu eenmaal uit Parijs herkomstig scheen, in hetzelfde voorregt deelde en als Fransche titel erkend werd. Eenmaal in dezen vorm gestempeld, behoeft de naam geene verandering meer te duchten. Het is eene te schoone aanbeveling, een Fransche titel te wezen! De hoofdtitel mag er jaloersch op zijn! Maar het is niet het eenige voorbeeld, dat zich onder Franschen pronk eene burgerlijk-Hollandsche afkomst verbergt.

Van verschillende kanten verneem ik, dat in sommige gewesten van ons land de uitdrukking voorhandsche titel onder de boekdrukkersgezellen nog wel gehoord wordt.

Gas.

De naam eener vloeistof, die in onze straten en feestzalen zulk een helder licht verspreidt, mag zelf niet in het duister schuilen. Tot dusverre echter werd de ware oorsprong des

[p. 262]

woords niet opgemerkt, althans niet juist voorgesteld. Men is het eens, dat de naam afkomstig is van den vermaarden Brusselschen chemicus J.B. van Helmont († 1644), den voorlooper der nieuwere scheikunde, die het eerst de aandacht vestigde op de luchtvormige vloeistoffen, van de gewone dampkringslucht verschillende. Maar de vraag is: hoe kwam Van Helmont aan dien naam? welke was de afleiding van het door hem zoo toegepaste woord? Het ligt voor de hand, aan Hoogd. gäschen, schuimen, gähren, gisten, en dus aan ons gisten zelf te denken, omdat zich juist bij gisting onderscheidene gassen ontwikkelen. Dit is dan ook door sommige schrijvers aangenomen, ofschoon anderen het met geest in verband brengen.

Het laatste gevoelen was reeds J.C. Adelung toegedaan, die in zijn Woordenboek (II. 425) hevig tegen Van Helmont en den door hem gegeven naam uitvaart, en het wenschelijk acht, ‘dass unsere Naturkundige ein schicklicheres Wort, welches nicht so sehr das Gepräge der Alchymie an sich hätte, ausfündig machten.’ Volgens hem zou de ‘Schwärmer und Alchymist der ersten Grösse’ dit ‘barbarische Wort’ aan het Hebreeuwsch ontleend hebben, ‘wenn er es nicht vielmehr’ - voegt hij er bij - ‘aus dem Holländ. Geest, Geist, verstümmelt hat; deen sein Ahnherr Paracelsus nannte eben diese feinen Dämpfe spiritus sylvestres, wilde Geister.’

Van dezelfde meening is Schwenck, die in zijn Wörterbuch der deutschen Sprache (4te Aufl.), bl. 207, schrijft: ‘Gas …. soll v. Ndl. geest, Geist, herzuleiten seyn.’

Ook Diez helt tot het gevoelen van Adelung over, naar wien hij verwijst, en noemt gas een ‘vielleicht aus Ndl. geest d. i. geist gebildetes wort’ (Etym. Wörterb. d. Rom. Spr. bl. 166).

Weigand daarentegen zegt in zijne hernieuwde uitgave van Schmitthenner's Woordenboek, bl. 391: ‘Wol von gäschen, Mhd. gësen, woher auch Mhd. der gis, Schaum.’

Deze uitlegging was mede door Bilderdijk gegeven, die

[p. 263]

in zijne Verkl. Geslachtlijst op Gas aanteekent: ‘Van garen, gisten,’ en vroeger reeds in zijne Verhandeling over de Geslachten, bl. 275, dezelfde meening had uitgesproken.

Bij de scheikundigen vinden wij de beide vermelde gevoelens terug. Zoo lees ik in de Geschichte der Chemie van Dr. H. Kopp, III. 178: ‘Woher das Wort zunächst gekommen ist, weisz man nicht; nach Juncker, den bekannten Schüler Stahl's, soll es aus Gäscht, dem bei der Gährung entstehenden, Schaume, abgeleitet sein.’ Lavoisier echter houdt het met Adelung. Ik wil mij het genoegen niet ontzeggen, zijne woorden hier aan te halen, als een vermakelijk staaltje, hoe zelfs een beroemde naam een Franschman niet weêrhouden kan, met de Duitsche talen luchtig en kluchtig om te springen:

Gas vient du mot hollandais Ghoast, qui signifie Esprit. Les Anglais expriment la même idée par le mot Ghost, et les Allemands par le mot Geist qui se prononce Gaistre. Ces mots ont trop de rapport avec celui de Gas, pour qu'on puisse douter qu'il ne leur doive son origine 1).’

Ondanks al deze uitspraken veroorloof ik mij, den zamenhang van gas met geest zoowel als met gäschen, gisten, niet alleen in twijfel te trekken, maar bepaaldelijk voor een bloot verzinsel te verklaren. Inderdaad, aan een etymologie van gas, in den waren zin des woords, valt eigenlijk in 't geheel niet te denken. Stemt men toe, dat Van Helmont den naam heeft uitgedacht, die vóór hem niet bestond, dan kan er van geene afleiding sprake zijn, dan is het wat de Franschman ‘un terme de pur caprice’ noemt; ten hoogste kan men vragen, welk ander woord hem bij die naamgeving voor den geest speelde en toevallig zijne keus juist tot dezen klank bepaalde. Welnu, dit getuigt hij zelf met ronde woorden, die geen twijfel overlaten omtrent de wijze, hoe hij aan het woord gas is gekomen. Ziehier wat hij ons berigt:

‘Hunc spiritum, incognitum hactenus, novo nomine Gas voco 2).’

[p. 264]

En elders:

‘Paradoxi licentia, in nominis egestate, halitum illum Gas vocavi, non longe a Chao veterum secretum 1).’

Kan men duidelijker aanwijzing verlangen? Van Helmont ontdekt eene bijzondere luchtvormige stof, die tot nog toe geen naam had. Hij besluit er zelf een naam voor te verzinnen, ‘paradoxi licentia.’ Hij overlegt, en kiest…. gas, een korten en bruikbaren klank, die tot hiertoe niets beteekende en dus tot geene verwarring leiden kon. Dat hij juist dezen klank koos, was omdat hem de Chaos der ouden, om welke vermeende betrekking dan ook tot zijne nieuw gevondene luchtsoort, voor den geest zweefde. Hij verklaart het zelf: ‘non longe a Chao veterum secretum.’ Dus, Chaos kwam hem het eerst in den zin …: chaos, chas, gas. Hij heeft dan eigenlijk niets anders gedaan, dan den naam chaos naar het Nederlandsche klankstelsel te wijzigen, dat geen ch in den aanvang van een woord, geene verbinding der klinkers a en o toeliet, maar noodzakelijk den vorm gas vereischte. Of die naamgeving den stempel der Alchymie draagt, laat ik in het midden: genoeg dat zij een feit is, door Van Helmont zelven getuigd. Zoo ontstond dan, grillig en willekeurig, de naam eener vloeistof, bestemd om in latere eeuwen een zegen voor het menschdom te worden. Zoo werd uit den Chaos licht geschapen.

Heeft onze oude chemicus al niet aan geest of gisten gedacht, men mag hem toch het getuigenis niet onthouden, dat hij bij het ontwerpen van den naam eene goede keuze gedaan heeft, nu het van achteren door de etymologen is opgemerkt, hoe naauwen zamenhang zijn gas met gisten zoowel als met geest vertoont, hoe gepast derhalve de naam zich aan die beide aansluit. Men zou bijna geneigd zijn, hier aan een gelukkig instinkt te gelooven, en op Van Helmont toe te

[p. 265]

passen, wat Nodier van de Parijsche modiste, in de bekende historie der falbalas, zegt: ‘Elle entendoit merveilleusement le principe générateur du langage, et j'admettrai volontiers qu'elle n'y pensoit guère 1).’

Behoef ik nog aan te wijzen, hoe belagchelijk nu de spelling gaz wordt, waarin velen thans een kinderachtig behagen schijnen te vinden? Wij mogen dit aan de Franschen gunnen, bij wier uitspraak van gas het woord zijn echten klank zou verliezen; maar voor ons, Nederlanders, behoude het gas onveranderd den naam, dien het van onzen landgenoot ontving. En aarzelen wij niet, het toevallig ontstaan van dien naam - in spijt van den kieschkeurigen Adelung - als eene wezenlijke taalverrijking te erkennen; schromen wij niet in dien geest voort te werken, door flinkweg ook het meervoud gassen en het adj. gassig aan te nemen, en (waar het noodig mogt zijn) de werkwoorden gassen, begassen, ontgassen, vergassen enz. in het leven te roepen. De taal zal er beter mede gediend zijn dan met die bedeesde schroomvalligheid, die liever vreemden klinkklank nabootst dan moedig uit eigen voorraad op te scheppen. Maar vooral, laat ons spoedig den uitheemschen gazometer in een vaderlandschen gasmeter herdoopen, de onnatuurlijke koppeling van een verfranschten Hollander en een verdoolden Griek prijs geven voor de gezonde vereeniging van twee kinderen op eigen bodem geteeld.

Kuipen, Kuiperij.

Kuipen, het streven van den baatzuchtige, die door vleijerij, gunstbejag en listige kunstgrepen zich ambten, invloed of voordeel zoekt te verwerven, en het daarvan gevormde kuiperij, zijn bekende woorden, die, helaas! nog weinig kans

[p. 266]

hebben om spoedig in onbruik te komen. Maar vanwaar ontleenen zij die beteekenis? Waarom juist het ambacht van den kuiper tot zinnebeeld gekozen voor de sluwe streken der eigenbaat, waaraan toch de kuiper wel niet meer schuldig zal zijn dan eenig ander handwerksman?

Even als de naam der zoo even behandelde vloeistof, is kuiperij zijnen oorsprong verschuldigd aan eene toevallige omstandigheid, en ook hier kunnen wij bepaaldelijk den man aanwijzen, die de overdragtelijke opvatting des woords in de wereld gebragt heeft. Het is niemand anders dan ‘de cloecke ende vernuftige poëet’ Jan Jansz. Starter, de auteur van den Frieschen Lusthof. Daar ik dit bij geen onzer taalkundige schrijvers vermeld vind, acht ik het niet ondienstig de toedragt der zaak mede te deelen, zoo als zij mij gebleken is uit de leerrijke Memoriën van den Zutphenschen predikant Willem Baudart 1).

De ijverige kerkleeraar beklaagt zich bitter over de ‘amt ende geltsucht’ bij velen in Nederland, en verhaalt dat Starter, ‘aensiende ende belevende de verdorventheyt onser eeuwe in desen deele,’ omstreeks het jaar 1621 een ‘Satyram ofte Poeetisch-gedicht gemaeckt ende aen den dach gegeven heeft, berispende vry-moedelick de heden-daechsche Ambitye, eergiericheyt ende Amt-suchticheyt veler menschen hier te lande.’ In dat hekeldicht vond Baudart zulk een behagen, de strekking kwam hem zoo nuttig voor, dat hij het geheel in zijne Memoriën inlaschte. Het is een rijmwerk in dialogischen vorm, waarin de dichter een kuiper voorstelt, die achtereenvolgens door vijf personen wordt toegesproken en de rede van elk hunner beantwoordt. Die vijf sprekers zijn: een Edelman, een Doctor in de Regten, een Pastoor of Predikant, een Politicus en een Krijgsman. Een voor een geven zij breed op van hunne aanspraken op een

[p. 267]

behoorlijk ambt; de een verheft de verdiensten zijner voorouders, van wier deugden hij niet ontaard is, de ander roemt zijne vlijtige studiën, zijne onvermoeide inspanning en oefening, of zijne langdurige ervaring en beproefde trouw. Allen drukken de verwachting uit, dat hun nu weldra, tot loon voor hun werken en streven, de gelegenheid zal worden geschonken om in eene eervolle bediening hun vaderland nuttig te zijn; want, zoo luidt hun referein:

 
Want goe waer prijst hem selfs, en doet hem wel vercopen.

Maar de kuiper, die beter weet hoe het in de wereld toegaat, ontneemt hun die zoete begoocheling. Vermogende vrienden, zegt hij, gunst en bescherming, stemmen winnen, vleijen en mooi-weêr-spelen, ziedaar wat u voort zal helpen, meer dan al uwe deugden en bekwaamheden; en hij wijst hen op zijn ambacht als op een zinnebeeld van het beloop der wereldsche zaken. Zoo voegt hij den Edelman toe:

 
Wat snorckt ghy, Joncker, doch veel van u oud gheslacht?
 
Gheslacht, noch eer, noch deught wort huydendaeghs gheacht:
 
Maer die rijck zijn van goed, en wel voorsien van vrienden,
 
Dat zijn de Mannen die tot hooghe ampten dienen.
 
Krijght Boeren op u hand, en geeft haer een ghelagh,
 
't Welck u, meer als u Deught of Adel, helpen magh.
 
Al zijt ghy niet bequaem, al zijt ghy niet bedreven,
 
Al weet ghy met een Mensch te spreecken noch te leven,
 
Dat doed ghelijcke veel: want sy zijn al te saem,
 
Die u verkiesen, oock ghemeenlijck onbequaem.
 
Dus, soo ghy tot den top der eeren denckt te stijgen,
 
Of eenigh Ampt begeerd, soo moet ghy vrienden krijgen.
 
Want g'lijck een Cuyper van veel staven tonnen maeckt,
 
Soo door veel stemmen men tot hooge Ampten raeckt;
 
En die dan heeft vergaerd de voorgenoemde stemmen,
 
Die slae den hoep daerom, en doe de staven klemmen.
 
Maer tot de hoepen, daer ghy u meest op vertroudt,
[p. 268]
 
Siet dat ghy neemt voor al goed, vast en buyghsaem houdt;
 
Want dat u de voorneemste hoepen eens begaven,
 
Soo was u werck vergeefs, soo vielen al de staven,
 
Die ghy van langher hand te samen had vergaerd,
 
En arbeyd, tijd noch kost had immer aen gespaerd.
 
Dus, by soo veer ghy wilt een treflijck Ampt begeeren,
 
Stelt d' Adel aen een sy, en wilt het Cuypen leeren:
 
Want d' Adel geld hier niet; al zijt ghy een Monsieur,
 
De Cuyper weet van 't schaep, die gaet met 't vercken deur.
 
En staet ghy na wat hooghs, begint dit vry wat tytelijck:

en daarop volgt zijn referein:

 
Is 't Cuypen wat ghemeen, het is weer heel profytelijck.

Tot den Politicus zegt hij o. a.:

 
Wijsheyt, welsprekentheyt brengt nu ter tijt niet by,
 
Verwerft men nu wat hooghs, dat comt door Cuypery,
 
En wilt ghy oock alhier een treflijck ampt begeeren,
 
Soo wilt op dese wijs van my het Cuypen leeren:
 
De staven krijght by een tot dienste van u ton,
 
En schaeftse naer u sin, dan legt een hoep daer om;
 
Maer soo ghy d' hoepen niet wel naer u sin kundt temmen,
 
Bestrijcktse wat met krijt, sy sullen dan wel klemmen;
 
En soo ghy zijt besorght voor 't barsten van u vat,
 
Verwarmt het wat met vuyr, behoost het wat met nat;
 
Maer als 't vat vochtigh is, dan ist geen tijd van stil staen:
 
Drijft dan de hoepen sterck, en doetse naer u wil gaen.

In gelijken geest zijn al zijne toespraken, telkens den kuiper tot voorbeeld aanprijzende voor hem die tot eer en aanzien wil geraken, omdat er

 
hedensdaeghs, om tot een ampt te raken,
 
Geen middel is, als door de Cuypery te maken.
[p. 269]

Baudart besluit de aanhaling van Starter's gedicht met de volgende troostelooze verzuchting: ‘In somma, dit Cuypers Ambacht is het grootste Gilde in Landen en Steden, onder het welcke oock de Grootste des Lands sorteren ende gehooren.’

Maar, zal men zeggen, dit alles bewijst nog volstrekt niet, dat het woord kuiperij door deze satire van Starter in gebruik is gekomen. Even goed heeft Starter juist aan de bekende beteekenis van dat woord het denkbeeld van zijn dichtstuk kunnen ontleenen. Deze opmerking is volkomen gegrond, zoo lang niet tevens kan worden aangetoond, dat kuiperij, in de overdragtelijke opvatting, vóór 1621 nog onbekend was, dat het werkelijk voor Starter's tijdgenooten eene nieuwigheid is geweest. Gelukkig geeft ons Baudart hier de noodige inlichting. Als hij ons meldt, dat het doel van den dichter was, de ‘Ambitye, eergiericheyt ende Amtsuchticheyt veler menschen hier te lande’ vrijmoedig te berispen, voegt hij er aanstonds bij: ‘d' welck hy met een nieuwe maniere van spreken noemt Cuyperye.’ Baudart derhalve, een tijdgenoot, te Deinze in Vlaanderen geboren, later te Keulen en te Embden, te Sneek en te Zutphen woonachtig, die, hoe slecht stylist ook, toch met de spreektaal van zijn tijd volkomen bekend was, getuigt uitdrukkelijk, dat het woord kuiperij in 1621 nieuw was, en geeft zelf niet onduidelijk te kennen, dat Starter's gedicht het in omloop gebragt heeft. Er is volstrekt geene reden, om aan de waarheid van dat getuigenis te twijfelen, om hier - in dit onschuldig berigt - een van die ‘vermaledijde leugenen’ te vermoeden, die Van Meerbeeck, zijn vinnige bestrijder op kerkelijk gebied, aan Baudart zoowel als aan Van Meteren te laste legt 1).

Ik wil hiermede niet ontkennen, dat Starter welligt in de eene of andere zegswijze uit de volkstaal van die dagen

[p. 270]

aanleiding kan gevonden hebben tot het denkbeeld, dat hij in zijn hekeldicht uitwerkte. Van dergelijke toespelingen op ambachten en bedrijven, hetzij bij voorkomende gelegenheden uit den mond vallende, hetzij als spreekwoorden geijkt, is de spraak der menigte altijd en overal vol. Starter was dan ook de eenige niet, die op het handwerk van den kuiper eene zedelijke toepassing dichtte. In een bundel verzen, door den Jezuïet Willem van Wissenkercke in 1664 ter perse gelegd, gaf ook deze een emblema, aan den kuiper ontleend, waarin hij het vuur, dat de stijve duigen handelbaar maakt, vergelijkt met den ‘goddelycken brandt,’ die den weêrbarstigen zondaar vermurwt 1). De vergelijking zelve van den kuiper en den eerzuchtige was dus misschien niets vreemds of ongehoords. Maar het eenige, waar het hier op aankomt, is de bijzonderheid, dat de woorden kuiper en kuiperij, door Starter schertsende in die nieuwe beteekenis gebezigd, die beteekenis voor goed hebben aangenomen en tot op onzen tijd behouden. Het luimige gedicht vond toejuiching, de nieuwe uitdrukking viel in den smaak van het publiek, zij werd populair en kwam weldra zoo algemeen in de mode, dat men spoedig den oorsprong vergat, en van kuiperij sprak, zonder meer aan Starter's satire te denken. Van toen af had het woord eerst waarlijk burgerregt verkregen, het had opgehouden eene toespeling, eene aardigheid te zijn, het was een gewone en gangbare term geworden. Al vroeg schijnt het dien loop te hebben volbragt; want reeds in 1669 wordt het door Aitzema, met blijkbare onverschilligheid omtrent de herkomst, als eene gewone uitdrukking gebezigd, waar hij verhaalt, hoe in 1654 de Staten-Generaal ruiterij naar Overijsel wilden zenden, ter zake der geschillen over de verkiezing van den Heer Van Haersolte tot Drossaart van Twenthe. Hij merkt daarbij aan:

‘Hy hadde notoirlijck de meeste stemmen, daer viel niet tegen te seggen, als dat het was gheobtineert
[p. 271]
door Kuyperye, ghelijck of dat wat nieus of verboden was! jae ghelijck of wel yemant van alle die hem van Kuyperye beschuldigden, sonder Kuyperye was in officie gekomen 1).’

Dat evenwel bij sommigen het bewustzijn van de aardigheid, die in kuiperij stak, nog langer bleef voortbestaan, al dacht men juist niet meer aan Starter, blijkt niet onduidelijk uit de verklaring, in 1681 door Winschooten gegeven: ‘Dewijl … de kuipen uit veel deelen werden te saamen gehegt: soo werd kuipen (door gelijkenis) niet onaardig gebruikt voor een saak bearbeiden, en maaken, dat al die geen, die in die saak te seggen hebben, iemand gunstig sijn 2).’ Maar dat bewustzijn is sedert geheel verdonkerd, en zonder het licht der historie ware het voor altijd verdwenen geweest.

Onwillekeurig herinnert ons de politieke kuiper van Starter aan den politieken tinnegieter van Holberg. Het onderscheid is alleen dit, dat de ‘Politiske Kandestöber,’ het blijspel van den Deenschen dichter, in de gedachtenis bleef leven, terwijl het gedicht van Starter in vergetelheid zonk. Tinnegieterij bleef dus eene toespeling, eene benaming; kuiperij is, in den eigenlijken zin, een woord geworden.

Slabbakken.

Onder de woorden, die mij altijd als cruces interpretum zijn voorgekomen, behooren vooral de beide gemeenzame, maar aan elken Nederlander bekende werkwoorden soebatten en slabbakken. Onlangs mogt het mij gelukken, de verklaring van het laatste te vinden. Terwijl ik het eerste aan de opmerkzaamheid onzer taalkundigen blijf aanbevelen 3), geef ik

[p. 272]

hier de afleiding van slabbakken, die den eigenlijken zin van dit duistere woord in het volle daglicht zal stellen.

Dat het eerste gedeelte het adj. slap is, loopt terstond in het oog, en werd reeds door Weiland opgemerkt. Kiliaen, die nevens slabbacken ook den vorm slappacken vermeldt, levert er het afdoende bewijs van. Maar hoe de andere helft des woords te verklaren? De bloote verandering van den klemtoon heeft mij op het spoor gebragt. Gewoonlijk spreken wij, met zwaar accent op de tweede lettergreep, slabbákken. Maar toen ik een mijner vrienden, een Groninger, hoorde zeggen: ‘Ik kan dat sláppakken niet velen,’ werd de zaak mij duidelijk. Het bleek niet alleen, dat de bij Kiliaen opgeteekende vorm nog heden bekend is, maar van zelf ontleedde het woord zich in zijne deelen. Het is niets anders dan slap-hakken, met slappe hakken loopen, en dus kwalijk voortgaan, strompelen of sukkelen. Een luiaard, die in zijn arbeid slabbakt, d. i. niet flink vordert, maar treuzelt; een werk of eene nering die slabbakken, d. i. tragelijk voortkomen, ja bijna stilstaan: men gevoelt, hoe schilderachtig het beeld is, aan de slappe hakken van den strompelenden sukkelaar ontleend.

De verandering in den vorm des woords, die den zin onkenbaar maakte, is geheel natuurlijk. Zoodra de natie het bewustzijn van de ware kracht der woorden verliest, ziet men veelal den klemtoon verloopen. Men denke aan óorlof, óorlog, ellénde, hagedís, madelíef enz., alle met een onjuist accent gestempeld, als ten bewijze dat het volk die woorden niet meer verstaat. Zoo werd sláphakken, met wegsmelting der vlugtige h, allengs tot slappákken verminkt; en dat daarnevens de vorm slabbákken ontstond, is even verklaarbaar. De zware klemtoon op de a, waarmede nu de tweede lettergreep scheen te openen, en waartegen de p van slap aanstiet, kon ligt de scherpe lipletter verstompen, de p in b doen overgaan, nu de volksuitspraak door geen begrip des woords meer bedwongen werd. Het is dus niet eens noodig, tot staving van dien overgang, de analogie van wisselvormen

[p. 273]

als labben en lappen, flabben en flappen, lebben en leppen, in te roepen. De verbastering van sláphakken in slabbákken werd alleen bewerkt door het verloop van den klemtoon, die te regt de polsslag van het gezonde leven der taal is genoemd.

Slabbakken behoort dan tot die breede rij van woorden, waarin onze beeldrijke taal zedelijke hoedanigheden of handelingen naar de gelijkénis der ligchaamsdeelen heeft afgemaald. Hoofdig, koppig, stijfhoofdig, hardnekkig, halsstarrig, baloorig, kitteloorig, neuswijs, volmondig, handig, lafhartig, rondborstig, of aarzelen, neuzen, oogluiken, reikhalzen, schuimbekken, watertanden: wat al voorstellingen met levendige trekken geteekend! Ook de hak of hiel bleef niet onopgemerkt door de ‘spraekmakende gemeent.’ Wie met langzame schreden voortstommelt of strompelt, wordt nog heden in Groningen een stommelhak geheeten 1). In 't geheel spelen de beenen en voeten eene groote rol. Gij karakterlooze! als gij aan dat euvel blijft mank gaan en altijd op twee gedachten hinkt, als gij bij elke schrede terugtrekt, niet dan schoorvoetend handelt, en u door iedereen op de teenen laat trappen: dan zal het ongeluk u op de hielen zitten, gij zult u niet op de been kunnen houden; en terwijl gij in al uw doen slaphakt, zult gij weldra ook uwe nering zien slabbakken.

Ik acht het voor taal en stijl wenschelijk, dat wij in spreken en schrijven den echten vorm des woords terugroepen, den ontzielden klank in zijne oorspronkelijke levenskracht herstellen.

Uitbundig.

Weiland geeft van uitbundig de volgende verklaring, grootendeels letterlijk uit Wachter 2) vertaald:

[p. 274]

‘Eigenlijk, even als het hoogd. ausbündig, in zijne soort uitmuntend, van het angels. beond, zijnde, van beon, zijn, en van aus, uit, als een adverbium qualitatis, zoo veel als extra beteekenende, niet ten aanzien van plaats, maar van voortreffelijkheid. Maar bij Halma overdadig; in welken zin men in Vriesland onbandig bezigt.’

In het voorbijgaan zij opgemerkt, dat Halma met overdadig volstrekt geene bijzondere beteekenis van uitbundig bedoelde. Naar de in zijn tijd nog gewone opvatting nam hij overdadig in den zin van buitengewoon, uitnemend, gelijk duidelijk blijkt uit zijne eigene woorden, aldus luidende:

Uytbundig, uitnemend, overdaadig. Excellent, extrême, extraordinaire.

Volgens Wachter en Weiland is dan uitbundig, van het Ags. part. beónde, zijnde, afgeleid, zooveel als uitzijndig, of - zoo men wil - extra zijnde! Waarlijk, die verklaring is extra 1)!

Maar, zal welligt iemand aanmerken, de afleiding van uitbundig ligt immers voor de hand. Is het niet kennelijk van binden afkomstig, en dus eigenlijk buiten den band, de perken te buiten gaande? Is eene uitbundige vreugde niet eene blijdschap die geene palen kent, die als 't ware uit alle weêrhoudende banden uitspat?

De afleiding van binden wil ik niet betwisten, gelijk straks blijken zal. Maar toch, zóó voorgesteld, heeft de zaak een onoplosbaar bezwaar. De vorm bundig zou onmogelijk te regtvaardigen zijn. Ware het werkelijk met band zamengesteld, dan moest het stellig uitbandig luiden - even als losbandig, onbandig -; des noods ware (met Hoogduitschen invloed) uitbendig denkbaar, maar nooit kon het uitbundig zijn.

Doch die u zelf, die ons verbiedt aan band te denken, wijst ons een anderen weg. Ik heb elders doen opmerken, dat de letterverbinding um in onze taal onbekend is 2). Die

[p. 275]

opmerking is voor uitbreiding vatbaar, daar in 't geheel, naar den oorspronkelijken aard van het Nederlandsche klankstelsel, de u door geene der vier vloeibare letters kan worden gesloten. De tijd evenwel heeft dit allengs gewijzigd en door vermenging van dialekten een aantal vormen doen opnemen, aanvankelijk met den aard der taal onbestaanbaar. De klank um bleef ons vreemd; maar ul en ur drongen zich in vele woorden in, die vroeger ol (ou) en or vertoonden 1), en voor het oude in zoowel als on trad hier en daar het nieuwere un in de plaats, als in dun, dunken, hun, rund, voor din, dinken, hin, rind, of bundel, bunder, bunzing, gunnen, kunnen, plunderen, plunje, vuns, voor bondel, bonder, bonzing, gonnen, konnen, plonderen, plonje, vons, enz. 2). Of in sommige dezer woorden de u, door vergelijking met het Gothisch, als oorspronkelijk wordt aangewezen (b. v. Goth. kunnan, het part. bundans, enz.) doet hier niets ter zake. Ik spreek alleen van het Nederlandsche klankstelsel, en daarin paste oudtijds alleen de verbinding on, al is die ook somtijds, in latere dagen, door den invloed der dialekten, tot het nog oudere un teruggekeerd. Indien derhalve een woord, waarin de klank un voorkomt, echt Nederlandsch zijn zal, dan moet men het voorafbestaan van den vorm met on (of met in) kunnen bewijzen. Waar dit niet kan geschieden, daar mag men met regt besluiten, dat het woord van vreemden oorsprong is.

Heeft uitbondig ooit bestaan, zoo als, nevens ons bond en bondig, eertijds ook bondel en bonder (bonre) bestonden? Ik geloof het te mogen ontkennen. Aan Plantijn en Kiliaen

[p. 276]

was het woord nog onbekend. Het oudste voorbeeld, dat mij is voorgekomen, is bij Hooft, die een paar malen uitbundighlyk schrijft (Ned. Hist. bl. 359, 1008). Men mag dan aannemen, dat het woord van den aanvang af dien vorm gehad heeft; en dit leidt ons van zelf tot de gevolgtrekking, dat het van elders ontleend en dus uit het Hoogduitsch herkomstig moet wezen.

Inderdaad, in het Hoogduitsch was ausbündig reeds in de 16e eeuw algemeen gangbaar, in den zin van voorbeeldig, uitnemend, voortreffelijk. Luther bedient er zich meermalen van, als hij b. v. spreekt van ‘ein ausbündig gut ding,’ van ‘rechte ausbündige historien,’ of van ‘Christus, der einige und ausbündige.’ Die beteekenis heeft het woord tot op onzen tijd behouden. In het Woordenboek der gebroeders Grimm vindt men keur van voorbeelden aangeteekend.

De oorsprong van ausbündig kan aan geen twijfel onderhevig zijn. Het is eenvoudig afgeleid van het subst. ausbund, een even gewoon en gebruikelijk woord, waarvan ook de verklaring geen geheim is.

Ausbund is oorspronkelijk een term uit den lakenwinkel, de benaming van het naar buiten omgebondene of omgeslagene einde van een stuk laken, door den koopman als staal of monster ten toon gesteld, en ook onder den naam van schaufalt (das zur schau gefaltete) bekend. In het Mhd. heette het überbunt, dat echter al vroeg door ausbund werd verdrongen. De beteekenis van staal of monster, van proef of model, leidde natuurlijk tot de overdragtelijke opvatting van hetgeen in zijne soort uitmuntend, voorbeeldig of toonbeeldig, uitnemend of voortreffelijk is. Ausbund is, in éen woord, wat wij puik noemen. Ziehier een paar citaten, die ik aan Grimm ontleen:

‘Die allerbesten im ganzen volk, die der rechte kern und ausbund waren’ (Luther); ‘sie haben das lob, das sie der ausbund sind für allen’ (Id.); ‘ein ausbund der unschuld’ (specimen innocentiae); ‘ein ausbund aller beredtheit;’ ‘ein rechter ausbund von eim mönch;’ ‘du wahrer ausbund aller tugent;’ ‘der schön-
[p. 277]
heit ausbund;’ ‘werthes bibelbuch, du ausbund aller schriften;’ ‘ein ausbund aller helden und soldaten;’ ‘ein ausbund weiblicher schönheit und tugend’ (Göthe); enz. 1).

Het afgeleide ausbündig kwam dus met Hoogd. musterhaft, ons voorbeeldig, overeen, en in die beteekenis werd het in onze taal overgenomen, getuige Hooft, als hij zegt, dat de Walen zich op de Mookerheide ‘uitbundighlyk queeten,’ of dat Hautain zijne eer ‘uitbundighlyk betracht’ had. Nog in 1710 kende Halma aan uitbundig den zin toe van uitnemend, Fr. excellent. Thans echter, nu het woord lang heeft opgehouden een germanisme te zijn en volledig burgerregt heeft verworven, is de beteekenis min of meer gewijzigd, en blijkbaar was dit het gevolg eener onbewuste etymologische opvatting, waarbij men aan bond of band dacht en daarnaar den zin des woords verplooide. Een uitbundige lof was oorspronkelijk een voorbeeldige lof, iemand uitbundig prijzen was hem als toonbeeld roemen, uitbundige vreugde stond met uitnemende blijdschap gelijk. Maar de allengs opkomende bijgedachte aan band - een natuurlijk uitvloeisel der begeerte om zich van den zin der woorden etymologisch rekenschap te geven - veroorzaakte dat uitbundige lof of vreugde straks voor een prijzen of verblijden gold, dat, als door niets weêrhouden, geene banden kent en de perken te buiten streeft. Zoo werd de beteekenis - wier fijnere schakeering nimmer van de ware etymologie, maar uitsluitend van het gebruik afhangt - verschillend gekleurd; doch dit doet niets te kort aan den waarachtigen oorsprong des woords, dien het zich niet behoeft te schamen, al is het thans van de toonbank tot het redenaarsgestoelte verheven.

[p. 278]

Vaak.

Het bijwoord dikwijls heeft voor den stijl het bezwaar, dat het den comparativen en superlativen vorm mist. Wij moeten ons met meermalen en meestal behelpen, iets dat voor den juisten bouw der rede hinderlijk kan zijn, terwijl daarenboven meermalen evenzeer in positive opvatting gebruikt wordt en dus dubbelzinnig is. Het schijnt daarom wenschelijk, eenige toegevendheid te betoonen aan het adv. vaak, dat volkomen hetzelfde als dikwijls beteekent, en in de vormen vaker, het vaakst, een groot voordeel oplevert. Tot nog toe is het woord in onzen prozastijl weinig doorgedrongen, vermoedelijk omdat het in Holland niet tot de spreektaal behoort. In de Friesche en Saksische streken van ons land is het algemeen gangbaar, het wordt ook in Holland verstaan, en men gunt het aan de dichters, wien het om den korteren vorm uitstekend te pas komt; maar redenaars en stylisten maken er zelden gebruik van. Ik geloof dat dit inderdaad jammer is. In den aanvang moge vaak, en vooral vaker, vaakst, ietwat stroef klinken: dit zal ligt wennen, en ons proza zal een kort en bruikbaar woord hebben aangewonnen voor een bebegrip, dat zoo vaak in de rede terugkeert, en waarbij dus afwisseling van vormen en bepaalde trappen van vergelijking bijna eene behoefte zijn.

In afwachting of deze wensch gehoor zal vinden, wil ik intusschen mijn beschermeling wat nader aan mijne landgenooten bekend maken, door zijne afkomst en familiebetrekkingen, die hem op het burgerregt aanspraak geven, in het licht te stellen.

Vaak is een telg van het subst. vak, en met het ww. vangen uit denzelfden stam gesproten. Bij den eersten aanblik klinkt dit misschien vreemd; bij nadere beschouwing zal het zich spoedig ophelderen.

Het werkwoord vangen ontstond uit den wortel fah, Goth. fahan, Ohd. fâhan, Mhd. vâhen, vân, Mnl. vaen, alle in de

[p. 279]

beteekenis van vatten, bevatten, omvatten (capere, recipere). Ten onregte acht men veelal ons oude vaen uit vangen zamengetrokken: veeleer mag vangen eene uitrekking van vaen heeten; of liever, beide ontstonden, onafhankelijk van elkander, uit denzelfden wortel. Fahen, vahen, werd door zamentrekking tot vaen; maar daarnevens vormde fah eene nieuwe afleiding, oorspronkelijk met intensive kracht, door invoeging der n, even als Lat. frango, pango, tango, uit de wortels frag, pag, tag, of Gr. θιγγ-άνω, λαγχ-άνω, τυγχ-άνω, uit θιγ, λαχ, τυχ, werden afgeleid 1). Zoo werd fah tot fanh, Hd. fangen, ons vangen.

Fah, als wortel of stam van het ww. fahan, werd al vroeg ook als subst. genomen. Reeds Ulfila kent, nevens gafahan, een subst. gafah-s m., bet vangen, de vangst (‘in gafahis thize fiske,’ om de vangst dezer visschen: Luc. v. 9). Later treedt fah als onz. en in concrete beteekenis op. Ohd. fah, Mhd. vach, Nhd. fach; in de Nederduitsche talen - met verzachting der h tot k -, Ags. fäc, Oud-Friesch fek, fak, ons vak. Overal heeft het woord denzelfden onloochenbaren zin: het omvatte, het binnen eene ruimte beslotene, of wel de ruimte zelve, waarin iets besloten is, het Lat. spatium. In het Ohd. werd fah gebezigd voor een gedeelte van een muur, gelijk wij nog van een muurvak spreken 2). Het Mhd. kende de uitdrukking: in sînes herzen vach, in spatio cordis sui 3). De oude Friezen spraken van niogen feke (fake) huses, negen vakken des huizes, d. i. afdeelingen of vertrekken 4). Gijsbert Japiks zingt, in de vertaling van Psalm IX. 3: 5).

 
Omdat myn fyne is efterbek
 
Oertomle in fluchtsjend romt it fek.

‘omdat mijn vijand achterover getuimeld is en vlugtend het

[p. 280]

vak ruimt,’ d. i. de plaats of de ruimte, die hij te voren innam, dus (naar ons spraakgebruik) het veld ruimt. In deze en soortgelijke toepassingen en wijzigingen der beteekenis staat het gronddenkbeeld van ruimte altijd op den voorgrond.

Ook de hedendaagsche opvatting van het Hoogd. fach, ons vak, komt daarmede getrouw overeen. De vakken van een muur of wand, de vakken tusschen de balken eener zoldering, eene kast of eene lade in vakken afgedeeld, het open vak in eene verzameling, enz, alles vertoont nog duidelijk de oorspronkelijke beteekenis van omslotene ruimte, alles laat zich in 't Latijn door spatium vertalen. Ook het veld der wetenschappen is in vakken afgeperkt; ieder arbeider kiest zijn vak, om het met zijne vakgenooten te bewerken.

Op gelijke wijze zijn de Hoogd. woorden einfach, zwiefach, vielfach, mehrfach enz. te verklaren. Vielfach is eigenlijk wat vele vakken heeft, bijna hetzelfde als vielfältig, veelvoudig. Doch die zamenstellingen zijn allengs in ruimeren zin genomen. In 't algemeen duiden zij aan, dat eene zaak in zoovele afdeelingen, soorten, gevallen of gezigtspunten gedacht wordt, of zoovele malen terugkeert, als in het bijstaande telwoord is uitgedrukt.

Het begrip van ruimte was natuurlijk evenzeer op den tijd toepasselijk. Eene bepaalde tijdsruimte wordt nog heden een tijdvak geheeten. In het Ags. vooral was deze opvatting zeer gewoon: tvegra daga fäc, een vak van twee dagen (bidui spatium); lytel fäc, eene korte poos; äfter fäce, na eene wijle, namaals 1), enz.

Van dit vak nu, in de beteekenis van tijdsruimte, is het adv. vaak afgeleid. Om dit te doen inzien, moet ik opmerken, dat vak oudtijds in de verbogen naamvallen den open a-klank, niet - gelijk thans - den gesloten klinker vertoonde: dat het meervoud niet vakken, maar (sterk verbogen) vake luidde. Even als ons smalle, jammer, vatten, voor Mnl. smale, jamer, vaten, even als - in het dagelijksch leven -

[p. 281]

ons brakken, laggen, zatten, ja zelfs gavven, lazzen, voor de echte vormen braken, lagen, zaten, gaven, lazen enz.: zoo is ook vakken in de plaats van het oude vake getreden. Reeds do opene a in het Mhd. meervoud (vache, drîer vacher, enz.) doet ons dit vermoeden; en het wordt volkomen bevestigd doordien het plur. vake werkelijk voorkomt. In eene oorkonde van 1319 (Van Mieris, II. 210 vlgg.), waarin herhaaldelijk gesproken is van ‘een ghemene vac’ in den dijk, een vak op gemeene kosten te onderhouden, leest men (bl. 215. a.):

‘Item alle ghemene vake an dike ende an weghen zegghen wi of, ende mallic sijn hoefslach daer of te hebben.’

De gemeene vakken in dijken en wegen worden afgeschaft; ieder zal voor zijn hoefslag te zorgen hebben.

Ziedaar den weg gebaand tot de volledige verklaring van vaak. Vaken - want zoo luidde het woord oorspronkelijk - is de dat. plur. van vak (Ags. facum), beantwoordende aan Lat. spatiis d. i. per spatia, bij vakken 1), bij tijdsruimten, bij wijlen, somtijds. Dat de beteekenis vandaar tot dikwijls steeg, kan ons niet verwonderen. Dergelijke quantitative bepalingen hangen van het gebruik af. In Groningen zegt men: ‘dit is in opzigten waar,’ en men bedoelt: in sommige opzigten; ons meermalen wordt te gelijk voor somtijds en voor meer dan dikwijls genomen; in het Latijn is saepius minder dan saepe; en eindelijk - een volkomen analoog geval - het Lat. subinde, somtijds, is in Ital. sovente, Fr. souvent, tot den hoogeren trap van dikwijls geklommen. Ons vaak mag dan met het Hoogd. vielfach nagenoeg gelijk worden gesteld.

Vaken, zeide ik, was de eerste en echte vorm des woords. In het oude Friesch luidde het faken, en die vorm is nog heden in Oostfriesland, vâken in het Hannoversche vorstendom Grubenhagen bewaard 2). Plantijn kent geen anderen

[p. 282]

vorm dan vaken, Kiliaen heeft vaecken, vaken, en daarnevens vaecke, vake, vaeck. - Vaken verliep, door de gewone weglating der n, tot vake, dat op zijne beurt, door de even gewone weglating der stomme e, tot vaak inkromp. Het was ten gevolge dezer dubbele afkapping, dat het woord zijn oorspronkelijk karakter als verbogen naamval zoozeer vergat, dat het onbeschroomd de vormen vaker en vaakst aannam, … en juist daardoor des te bruikbaarder werd.

Men ziet, vaak is een volbloed Nederlander, bekwaam om goede diensten te doen. Mogt men er vaker gebruik van maken!