|
|
|
| |
| | | |
| |
Woordafleidingen,
door
Dr. M. DE VRIES.
| |
Aamechtig. Aamborstig.
Indien eenig voorbeeld ons duidelijk leert, dat vooral in de
etymologie de schijn bedriegen kan, dan is het voorzeker het tweetal woorden,
dat ik zoo even ternederschreef. De aamechtige, hijgende naar den adem,
de aamborstige met zijne eng beklemde borst, wel schijnt de oorsprong
van hunnen naam zich op den eersten aanblik te verraden. Het eerste van
adem afgeleid, het tweede door zamenstelling met borst gevormd:
dit schijnt klaar als de dag. En toch heeft aamechtig met adem
niets dan den klank gemeen, toch is aamborstig met ons borst ook
niet in de verte verwant. In beide is de afleiding, die voor de hand ligt, niet
meer dan een bedriegelijke schijn; de ware verklaring is hier, gelijk overal
elders, alleen bij het licht der geschiedenis op te sporen.
Dat aamechtig of aamachtig uit aâm,
adem, en het achtervoegsel achtig is ontsproten, wordt zonder
bedenking door
Weiland verzekerd. Hij volgde daarin het
voorbeeld van
Huydecoper, die in zijne Proeve (I.
51-56) uitvoerig over het woord gehandeld en dezelfde meening verdedigd heeft.
Trouwens, hoe kon er twijfel bestaan, als men bij
Plantijn ademachtich gespeld vond, en
in zijne vertaling haleineux, haleteux, het bewijs zag, dat hij wel
degelijk aan adem (haleine)
| | | |
dacht? Doch het is niet
ondienstig, bij het gebruik der oude woordenboeken eenige behoedzaamheid aan te
bevelen. Men wachte zich, alles, wat daar vermeld staat, zoo maar voetstoots
voor gave waarheid op te nemen. Plantijn en zijne tijdgenooten hadden,
evenzeer als de hedendaagsche lexicografen, hunne eigene meeningen en
opvattingen omtrent de woorden die zij verklaarden, en zij vonden niets
natuurlijker, dan de spelling of verklaring naar die opvatting in te rigten.
Zelfs
Kiliaen is van dit gebrek lang niet vrij. De
spelling ademachtich bewijst dus volstrekt niet, dat het woord in 1573
werkelijk zoo werd uitgesproken, maar alleen dat
Plantijn het zoo opvatte en nu het woord door
de spelling zocht te verduidelijken. Maar even gewaagd als het Fransche adj.
haleineux, door hem uitgedacht om zijne meening aanschouwelijk voor te
stellen, komt mij de nieuwe spelling voor, die hij met hetzelfde doel op eigen
gezag te baat nam.
Het ongegronde der meening van
Plantijn zal aanstonds blijken, als men
slechts op de beteekenis van aamechtig let. Ware het van adem,
door middel van het beklemtoonde achtervoegsel achtig afgeleid, het zou
dan gelijk staan met deeláchtig, waaráchtig,
woonáchtig enz., alle het werkelijk bezit aanduidende van hetgeen in
het hoofdwoord is uitgedrukt. Deelachtig is hij die deel aan iets heeft,
waarachtig heet datgene dat werkelijk de waarheid in zich besluit,
woonachtig is hij die ergens zijne woonstede heeft.
Ademáchtig zal dan diegene zijn die adem heeft, die zich
in een vollen en krachtigen ademtogt mag verheugen. In zooverre had men - si
usus voluisset - een redenaar, die met forsche longen onvermoeid het woord
voert, een aâmáchtig spreker kunnen noemen. Maar de
beteekenis van ons woord is juist het tegengestelde! Aamechtig heet de
vermoeide, die door hard loopen of werken buiten adem geraakt is, die
hijgend verruiming zoekt voor zijne beklemde borst. De afleiding van
Plantijn druischt dus lijnregt tegen de
ontwijfelbare beteekenis aan. Ware aamechtig op die wijze gevormd, dan
had het evenmin het denkbeeld van ademloos kunnen opwekken, als
| | | |
deelachtig voor verstoken, waarachtig voor
onwaar, of woonachtig voor verbannen zou kunnen
gelden.
Aan het gezonde taalgevoel van
Bilderdijk kon de gewone opvatting dan ook
niet voldoen. Aanstonds was het vindingrijk brein van den dichter gereed, er
iets nieuws op te verzinnen. Aâmechtig, zegt hij, is
ademhechtig, van hechten, vastmaken, dat hier voor hijgen
staat, vanwaar hechtig, hijgend, kortademig; alles verwant met
hegen, haken, hagen, halen enz.
1). En elders verzekert hij: ‘dat aâmechtig
ademhechtig is …., behoeft hier niet meer dan de enkele opmerking.
Aâm- of ademhechtig is naar den adem hijgende’
2). Jammer, dat de nuchtere kritiek zich met ‘de enkele
opmerking’ niet ligt tevreden stelt. Zij verlangt afdoende bewijzen.
Zelfs wanneer zij in
Meijer's Woordenschat werkelijk de
spelling aamhechtig aantreft, is zij nog niet voldaan: zij besluit er
alleen uit, dat
Meijer dezelfde verklaring had uitgedacht.
Inderdaad, zoolang een ww. hechten voor hijgen, een adj.
hechtig voor hijgend, niet met duchtige bewijzen gestaafd wordt -
en daar is zeker vooreerst weinig kans op -, mag men gerust beweren, dat beide
nooit anders dan in het rijk der verbeelding hebben bestaan.
Vervallen dus de beide verklaringen, die men tot dusverre had
voorgesteld, een blik op den vorm en de beteekenis des woords in vroegere
eeuwen zal ons weldra de ware uitlegging doen zien, en het bewijs leveren dat
ons woord met adem niets dan den schijn gemeen heeft.
In het Leven van S. Christina, vs. 1681, leest men:
si was gelijc, de jonfrouwe,
Den genen die van groten rouwe
Amechte es worden altemale,
Ende daer af lidet pine ende quale.
Ik laat daar, of de vorm amechte, amecht, zonder den
uitgang -ig, als zuiver mag beschouwd worden; iets waaraan
| | | |
ik, zoolang mij geen tweede voorbeeld bekend is, zeer twijfel. Maar in
allen gevalle is hier de beteekenis blijkbaar van de hedendaagsche
verschillende. De heilige jonkvrouw, die geruimen tijd bijna niets gegeten en
dikwijls des nachts in de woestijn vertoefd had, was niet kortademig,
hijgende; maar uitgeput was zij, afgemat en
krachteloos, als degenen die van rouw verteerd zijn. En ziedaar
werkelijk de vaste beteekenis, die het woord in zijne beide vormen,
amachtich en amechtich, in het Mnl. vertoont. In den
Walewein wordt ons verhaald, hoe de held een hardnekkigen strijd te
voeren had tegen den zwarten ridder, totdat hij ten laatste zijn vijand van
vermoeijenis uitgeput zag, en nu een laatsten slag beproefde. Daar heet
het (vs. 9961):
Als hi den swarten in den stride
Amachtich sach, was hi blide.
In de kronijk, aan
Velthem toegeschreven, bij de beschrijving
der vijftien teekenen voor den oordeelsdag, wordt het tiende aldus vermeld (bl.
459):
Dat Xde, daerop selen die liede
Uut haren holen comen bediede,
Ende selen gaen amechtech dan,
Dats
l) enech cume
gespreken can,
hetgeen in den Lekenspiegel, IV. 9. vs. 61, bij de
voorstelling van hetzelfde teeken, door cranc van herten ende verdaert
wordt uitgedrukt, zoodat ook hier weder de beteekenis van uitgeput,
magteloos geldt.
Vooral gewoon is het gebruik van amachtich in den
Delftschen Bijbel van 1477, en de opvatting, daar aan het woord gehecht, laat
wel geen twijfel over. B. v.:
dat herte van Egipten sal amachtich worden in midden hem
…. si sullen wandelen ende niet amachtich
worden. Jes. XIX. 1, XL.
31.
De Vulgata heeft: tabescet en deficient.
| | | |
Ende doe hy dit hoerde, so wort hi aemachtich van
rouwen. I Machab. IV.
27.
Vulg.: ‘consternatus animo deficiebat.’
Myne ogen sijn amachtich geworden om die
tranen. Klaagl. v. Jer. II.
11.
Vulg.: ‘defecerunt prae lacrymis.’ Evenzoo is
ook elders amachtich worden de gewone vertolking van deficere,
als I Sam. XIV. 28, II Sam. XVI. 2, XXIII.
10, Jes. XLIV. 12, XLVII. 13,
Jerem. XX. 9, enz.; gelijk dan ook het subst.
amachticheit, in de woorden:
ende worden verwandelt in amachticheit ende
anxt, II Machab. III.
24,
zeer juist met beswijckinge in de Staten-Vertaling
overeenstemt.
De eigenlijke beteekenis van amachtich of amechtich
was dus blijkbaar die van uitgeput, afgemat, krachteloos,
zonder het minste bijdenkbeeld van een beklemden adem. En de oudheid van den
vorm amachtich, dien wij reeds in den Walewein en bij den
Velthemschen priester aantroffen, is dadelijk voldoende om alle verwantschap
met adem eens voor al te doen wegvallen, om de zeer eenvoudige reden,
dat de vervloeijing der d tusschen twee klinkers, de zamentrekking
derhalve van adem tot aêm, een verschijnsel van lateren
tijd is, dat het begin der 14e eeuw nog niet kende
1).
Nu de oorspronkelijke vorm en beteekenis vaststaan, kan ook de
ware afleiding niet twijfelachtig meer zijn. Kennelijk is ons woord
één met Ohd. âmahtig (Graff, II. 618), Mhd.
âmehtec (Benecke, II. 9, b), beide in den zin van
zwak, krachteloos, zoowel naar ligchaam als naar ziel. Men vergelijke
vooral het Woordenboek der gebroeders
Grimm, I. 276, waar het gebruik van
amächtig als infirmus met treffende plaatsen uit
Luther e. a. wordt opgehelderd.
Amachtich, in de oorspronkelijke beteekenis van
krachteloos,
| | | |
is dan zeer natuurlijk afgeleid van het subst.
âmaht, onmagt, krachteloosheid, dat werkelijk in het Ohd. en Mhd.
voorkomt (Graff, I. 15, Benecke, II. 9, a., Grimm,
D. Gr. II. 706), en op zijne beurt gevormd is uit maht, magt, met
het ontkennende voorvoegsel â, zoodat âmaht geheel met
onmagt, âmahtig met onmagtig gelijkstaat
1).
Op de hier gegevene verklaring - die trouwens geene nieuwigheid
is, daar zij reeds in 1850 door Prof.
Bormans werd aangewezen
2) - voorzie ik eene bedenking, die ik niet onbeantwoord mag laten.
Amachtig voor onmagtig, zal men zeggen, was ook aan
Huydecoper,
Weiland en
Bilderdijk niet onbekend: zij maken er
uitdrukkelijk melding
| | | |
van, maar verzekeren dat ons aamechtig
daarvan geheel onderscheiden is en er niets mede gemeen heeft. Het is zoo, maar
een grond voor dit onderscheid vind ik nergens aangegeven. En waar zou die in
redelijkheid te vinden zijn? De beide woorden hebben volmaakt denzelfden vorm
en dezelfde uitspraak. Het oude amachtich had reeds den bijvorm
amechtich nevens zich, welke laatste uitspraak sedert heerschende is
geworden, ofschoon amachtich daarom niet in onbruik is geraakt: de
spelling aamachtig wordt zelfs bij Weiland op den voorgrond
gesteld. Er is dus tusschen de beide woorden, het oude en het nieuwe, geen
ander verschil op te merken, dan dat de beteekenis van het laatste met die van
het eerste niet geheel overeenkomt. Het Mnl. amechtich gold voor
uitgeput, magteloos, ons aamechtig wordt alleen van hem gezegd,
die door buitengewone inspanning ademloos is geworden. Maar wie ziet
niet in, dat het laatste niets anders is dan eene bijzondere toepassing der
algemeene beteekenis? De uitgeputheid of afgematheid, die het woord vroeger te
kennen gaf, zonder eenige aanduiding van de oorzaak, waaruit zij ontsproot, en
dus geheel in het algemeen, is later door het gebruik bepaald tot die
ééne soort van uitputting of afmatting, die uit te groote
inspanning ontstaat en zich door ademloos hijgen openbaart. De reden van die
beperking is niet verre te zoeken. Zoodra het voorvoegsel a voor goed in
onbruik geraakt was, en daardoor amachtig of amechtig niet langer
in zijne deelen verstaan werd, moest wel het onbewuste gevoel, altijd
trachtende de woorden te begrijpen en daarom altijd gereed zich - hoe dan ook -
eene etymologische voorstelling te maken, onwillekeurig aan adem
beginnen te denken, dat nu allengs den zamengetrokken vorm aêm had
aangenomen. Uitnemend scheen die opvatting te strooken met het hijgen en den
beklemden adem, die zoo vaak met uitputting van krachten gepaard gaan. Geen
wonder, dat dit bijdenkbeeld weldra op den voorgrond trad, het geheele woord
overheerschte, en niet alleen de beteekenis beperkte en wijzigde, maar zelfs,
als ware het in den aard des woords ge-
| | | |
grond, zich aan de etymologen
opdrong. Maar de geschiedenis alleen is in staat, het waas af te wisschen, dat
in den loop der tijden den natuurlijken glans der woorden benevelt.
Schijnbaar naauw verwant met aamechtig - dat ik voortaan
liever amechtig gespeld zou willen zien -, maar in wezenlijkheid geheel
daarvan onderscheiden, is het adj. aamborstig, waarvan de ware
verklaring tot dusverre onopgemerkt bleef. Aan den zamenhang met ons
borst, als ligchaamsdeel, werd nooit getwijfeld, en juist daardoor
werden de taalkundigen van het regte spoor afgeleid.
Bij
Weiland heet aamborstig uit
adem en borst gevormd. Ik vraag, welke beteekenis dan aan het
woord te hechten? Ademborstig - de vreemdsoortige zamenstelling
daargelaten - kan wel niets anders zijn dan die adem in de borst heeft,
en in dien zin zijn wij allen aamborstig; of des noods die een sterken adem
in de borst heeft, zoodat b. v. een Stentor, de
χαλκεόφωνος,
die zoo hard schreeuwde als vijftig anderen, of een Roeland, die zijn
jagthoren mijlen ver deed weêrklinken, aamborstig zou moeten
heeten. Wederom dus juist het tegengestelde van hetgeen het woord werkelijk
beteekent! Hoe men het wende of keere, er is geene mogelijkheid, om uit de
bloote verbinding der begrippen adem en borst tot de voorstelling
van gebrek aan adem te komen.
Eene andere uitlegging van het eerste deel des woords gaf Dr.
Halbertsma, Aantt. op
Maerlant, bl. 323. Op het voetspoor van
Plantijn en
Kiliaen schrijft hij amborstich, en
beschouwt dit als door letterwisseling uit angborstich ontstaan. Zeker,
wat den zin betreft, zou ons die verklaring ten volle bevredigen, maar den
toets der klankleer kan zij niet doorstaan. De n, zelfs gevolgd door
d of t, moge voor b overgaan in m, als
inboorling: imboorling, andbacht: ambacht, ontberen: omberen; maar niet
ligt zal men in het Nederlandsch een voorbeeld vinden, waarin die overgang met
ng heeft plaats gehad: het gevoelen van
Bilderdijk, die de uitgangen
| | | |
ng en m bijna gelijkstelde
1), behoort reeds lang tot het
verledene. Daarenboven, al ware die overgang van ng in m te
regtvaardigen, vanwaar dan de opene a-klank, die in aamborstig
onmiskenbaar gehoord wordt? Wijst men, tot staving van het beweren, alsof
amborstich de echte vorm ware, op de schrijfwijze van
Plantijn en
Kiliaen
2), ik antwoord dat beiden ook ademborstich
hebben, en dus blijkbaar op twee verschillende wijzen de verklaring van
eenzelfde woord beproefden, welks uitspraak tusschen de beide vormen in gelegen
was en derhalve, toen gelijk thans, aêmborstich luidde.
Doch, gelijk ik reeds te kennen gaf, het groote bezwaar dat de
verklaring van aamborstig belemmerde, was dat men altijd, zonder den
minsten twijfel, aan de borst of den boezem dacht. De bloote opmerking,
dat het tweede lid der zamenstelling niet ons borst (pectus) is, maar
het Mnl. borste, borst, in den zin van gebrek, zal voldoende zijn
om over ons woord een onverwacht licht te verspreiden.
Het is bekend, hoe in het ww. breken, gebreken, zich twee
beteekenissen vereenigen, die van Lat. frangere, rumpere, en die van
deficere, deësse. De zamenhang tusschen beide is duidelijk. Het
gebrokene is niet in zijn geheel, het is geschonden en onvolledig, er ontbreekt
iets aan. Gebreken, als intransitief, is dus oorspronkelijk frangi,
rumpi, bij uitbreiding onvolledig worden of zijn, en dus niet of
niet genoegzaam aanwezig zijn, te kort schieten. Vandaar nog ons gebrek
en ontbreken.
Volkomen dezelfde overgang van beteekenis had eertijds plaats in
het ww. bersten (barst, geborsten), ons barsten, dat even
als breken oorspronkelijk de scheiding der deelen van een geheel te
kennen geeft, maar ook evenzeer als te kort schieten, ontbreken werd
opgevat. Reeds in het Ohd. vinden wij brestan, gabrestan, subst.
bresta, bresto (Graff, III. 271-274), Mhd. bresten,
gebresten, subst. breste, brest, brist (Be-
| | | |
necke, I. 256 vlg.), Oud-Friesch bersta (Richthofen, 627
vlg.), alle in den zin van gebreken en gebrek
1).
In het Mnl. gold vooral het afgeleide gebersten, dat ook
geborsten luidde, evenzoo als gorden voor gerden, worden
voor werden, vormen als kerkwoord voor vermen (Lat.
firmare) staat, enz. De zaak zelve is bekend, ik kan met een paar
voorbeelden volstaan:
Wie nien mint sinen evenkersten,
Hem moet Gods minne ghebersten.
‘Wie zijnen medechristen niet bemint, hem moet de liefde
Gods ontbreken.’
In dire brulocht so ghevil dat daer wijn ghebrac. Doe
sprac Jhesus moeder te hem ende seide: hen gheberst
wijn. Leven v. Jezus, c. 57.
Sint hier daghelijcs enen bode,
Die hen drincken hale ende eten.
Gheberst hen yet, laet mi weten.
‘Laat het mij weten, zoo hun iets ontbreekt.’
Zoo heet het dan ook in de beschrijving van het ‘edele lant van
Cockaengen,’ vs. 21:
Daer en mach nyemant yet gheborsten (:
worsten).
Versl. en Ber. 1845, bl. 37.
Nevens het ww. gebersten stond het subst. berste of
berst, door
Kiliaen met gebreck gelijkgesteld en
door penuria, dafectus vertolkt. Die beteekenis was in 't Mnl. zeer
gewoon. B. v.:
Moraet, clareit, al dat men vant,
Daer of en hadsi enghene berste.
‘Van allerhande wijnsoorten hadden zij geen
gebrek.’
| | | |
Alse der goeder sal sijn berste.
Maerl. Sp. Hist. I. 12. 25.
‘Als er aan vrome lieden gebrek zal zijn,’
Niet en noemt ende sijns es berste.
‘waar men Christus niet noemt en waar hij
ontbreekt.’
Hets swaerre pine ende meerre berste,
Dat anscijn van Jhesum Kerste
Te verliesene ten joncsten daghe,
Dan es al die helsche plaghe.
‘zwaarder verdriet en grooter gebrek of
gemis.’
Entie broeders van Jhesum Kerste
Hebben cout ende cledere berste.
‘Zij lijden koude en hebben gebrek aan
kleederen.’
Van selken rade, als men mi seghet
‘Ik heb behoefte aan den raad, die bij u alleen te
vinden is.’
Van berste was in gelijken zin een dubbele bijvorm in
gebruik: 1o. barste, als hart voor hert, smart
voor smert, enz.; 2o. borste, hetzij als bloote
wisselvorm van berste door den boven vermelden overgang van er
tot or, of als afzonderlijke woordvorm met de vocaal van het deelwoord
(geborsten)
1).
Barste treft men herhaaldelijk aan in de varianten op de
plaatsen, die ik zoo straks zal aanhalen, meestal rijmende op darste,
waaruit blijkt dat het een bloot dialektverschil was van hetgeen naar de gewone
Nederlandsche uitspraak dorste en borste heette. Inderdaad was
borste de meest gewone vorm. Ziehier eenige voorbeelden:
| | | |
Dus hadsi liever den strijt
Ende te stervene, zeker sijt,
Dan te dogene honger ende dorste,
Ende zwaerlike te hebne borste.
Maerl. Destr. v. Jerus. (bij
Huyd. op Stoke, I. bl. 469).
Huydecoper, wien borste voor
gebrek nog onbekend was, wilde hier vorste lezen, hetgeen echter
in het verband kwalijk passen zou; want het was geen uitstel, maar
honger en dorst en gebrek, wat zij vreesden
1). Hetzelfde drietal wordt te zamen genoemd in den
Lancelot, II. vs. 44184:
Sijn herte was sonder riveel
Van groten hongere ende van dorste
Niet minder duidelijk zegt Maerlant in den
Alexander, fol. 48. c.:
Daer bleef menech doot van dorste,
Om dat hi waters hadde borste.
Dezelfde uitdrukking, waters borste, gebrek aan water, komt
meermalen terug
2):
Dats lant daer men gheen water weet;
Ende om dat daer es waters borste,
Stervet van euweliken dorste.
Om dat daer es waters borste,
Jeghen die pine van den dorste.
Maerl. Nat. Bl. II. 3071-3079.
Elders, in latere geschriften, vindt men borst gespeld en
het woord als manlijk gebezigd. Zoo in
Heynric van Hollant's gedicht, Die cracht
der Mane getiteld, vs. 69:
| | | |
Si doghen hitte ende groten dorst,
Ende hebben slapens groten borst.
Versl. en Ber. 1847, bl. 9.
Van zegswijzen als waters borste, slapens borst, was nog
slechts een kleine stap noodig, om het woord ook allengs in zamenstellingen te
bezigen. Reeds in eene variant op D. Doctr. II. 509, treffen wij het
koppelwoord brootborst aan:
Die rike vrecke sorght om broet,
zegt het tekst-hs., maar in hs. D. leest men daarvoor:
Die rike vrecke heeft broot borst.
Brootborst is broodsgebrek, en evenzoo (om op ons
hoofdwoord terug te komen) is ademborst niets anders dan
ademsgebrek, en ademborstig of aâmborstig heet hij
die gebrek aan adem heeft ten gevolge van physische oorzaken, in zijn
gestel aanwezig. Maar even als wij boven zagen, dat de beteekenis van
amechtig eene wijziging onderging, omdat men onwillekeurig aan
adem dacht; zoo werd ook aâmborstig, toen eenmaal het oude
borst voor gebrek in onbruik geraakt was, door de zeer
natuurlijke bijgedachte aan de borst of den boezem, allengs min of meer
gekleurd, zoodat niet meer het gebrek aan adem op den voorgrond bleef staan,
maar de voorstelling eener benaauwde borst hoofdgedachte werd. Doch ook
hier heeft het licht der geschiedenis gestrekt, om het verduisterde woord in
oorspronkelijke helderheid voor ons bewustzijn te doen herleven.
| |
Fransche titel.
Bekend is in de boekdrukkerij de term Fransche titel, de naam
van het verkorte titelblad, waarmede een gedrukt boek aanvangt en dat den
volledigen hoofdtitel voorafgaat. De Franschen noemen het faux titre, de
Engelschen half of bastard title, de Duitschers
schmutztitel
1).
| | | |
Vanwaar, in onze taal, die eigenaardige benaming? Is het gebruik van
die halve titelbladen oorspronkelijk eene Fransche gewoonte, eerst later hier
te lande nagevolgd? Er is mij niets bekend, dat die meening zou kunnen
regtvaardigen. Bij den vroegtijdigen bloei der boekdrukkunst in haar
geboorteland is het veeleer waarschijnlijk, dat ook dit typografisch sieraad in
Nederland wel even oud als elders zal zijn.
In afwachting, dat welligt onze ijverige bibliografen, door
vergelijking van oude drukwerken uit verschillende landen, eenig licht mogen
verspreiden over de herkomst der Fransche titels, meen ik intusschen te mogen
verzekeren, dat althans de naam alleen in schijn naar Frankrijk verwijst, maar
in wezenlijkheid zijn ontstaan te danken heeft aan eene schromelijke - hoewel
zeer verklaarbare - verbastering.
Toevallig was ik in de gelegenheid deze opmerking te maken, toen -
voor eenige jaren - een oud zetter te Groningen mij vraagde, of ik bij het
boekske, dat hij onder handen had, ook ‘en veurhándsche
titel’ begeerde. Hij sprak het woord zoo duidelijk uit, dat aan geene
misvatting te denken viel. Aanstonds ging mij een licht op omtrent den
oorsprong der benaming, die mij altijd vreemd was voorgekomen. Fransche
titel bleek niets anders te zijn dan de verminkte uitspraak van het
oorspronkelijke voorhandsche titel, de titel die voor de hand ligt, die
al het overige voorafgaat. De zamentrekking van voorhandsche tot
Fransche is inderdaad zoo gewaagd niet, als zij op den eersten aanblik
schijnen kan. Zij is stap voor stap geheel regelmatig, het natuurlijk gevolg
van den sterken klemtoon, die de tweede lettergreep in
voorhándsche, evenzeer als in altháns en
voorshánds, vergezelde. Hoe minder men dacht aan den oorsprong
des woords en de beide deelen waaruit het bestond, des te sterker moest die
klemtoon worden en de beide deelen ook in den klank tot eene eenheid verbinden.
Toonloosheid der eerste lettergreep was daarvan het uitwerksel:
voorhándsche begon verhándsche, v'rhándsche
te luiden
1). In die verbinding moest de zwakke
| | | |
h uit den aard der zaak verdwijnen, en de tandletter kon hier
evenmin stand houden als in thands en althands, waarin de
d nooit meer gehoord wordt, of in aanstonds en doorgaands,
die meestal aanstons en doorgaans luiden, of in bijkants,
dat in de gewone uitspraak bijkans zijnen oorsprong verdonkerd ziet. Zoo
werd v'rhándsche tot vrandsche, vransche, -, en nu klonk
de naam gelijk aan dien van het naburige volk, dat bij onze vaderen tot in de
vorige eeuw Vranschen heette. Later heeft men voor die echt
Nederlandsche uitspraak die der vreemde natie zelve in de plaats gesteld, en
begon men Franschen, Frankrijk te schrijven en te spreken, even als wij
nu onlangs aan een deel onzer landgenooten, in het spellen van hunnen
volksnaam, hunne eigene uitspraak hebben gegund, en hen niet langer
Vriezen, maar Friezen noemen. Geen wonder, dat ook de
vransche - neen Vransche - titel, die nu eenmaal uit Parijs
herkomstig scheen, in hetzelfde voorregt deelde en als Fransche titel
erkend werd. Eenmaal in dezen vorm gestempeld, behoeft de naam geene
verandering meer te duchten. Het is eene te schoone aanbeveling, een
Fransche titel te wezen! De hoofdtitel mag er jaloersch op zijn! Maar
het is niet het eenige voorbeeld, dat zich onder Franschen pronk eene
burgerlijk-Hollandsche afkomst verbergt.
Van verschillende kanten verneem ik, dat in sommige gewesten van ons
land de uitdrukking voorhandsche titel onder de boekdrukkersgezellen nog
wel gehoord wordt.
| |
Gas.
De naam eener vloeistof, die in onze straten en feestzalen zulk een
helder licht verspreidt, mag zelf niet in het duister schuilen. Tot dusverre
echter werd de ware oorsprong des
| | | |
woords niet opgemerkt, althans niet juist voorgesteld. Men is het eens, dat de naam afkomstig is van den
vermaarden Brusselschen chemicus
J.B. van Helmont († 1644), den
voorlooper der nieuwere scheikunde, die het eerst de aandacht vestigde op de
luchtvormige vloeistoffen, van de gewone dampkringslucht verschillende. Maar de
vraag is: hoe kwam Van Helmont aan dien naam? welke was de afleiding
van het door hem zoo toegepaste woord? Het ligt voor de hand, aan Hoogd.
gäschen, schuimen, gähren, gisten, en dus aan ons
gisten zelf te denken, omdat zich juist bij gisting onderscheidene
gassen ontwikkelen. Dit is dan ook door sommige schrijvers aangenomen, ofschoon
anderen het met geest in verband brengen.
Het laatste gevoelen was reeds
J.C. Adelung toegedaan, die in zijn
Woordenboek (II. 425) hevig tegen
Van Helmont en den door hem gegeven naam
uitvaart, en het wenschelijk acht, ‘dass unsere Naturkundige ein
schicklicheres Wort, welches nicht so sehr das Gepräge der Alchymie an
sich hätte, ausfündig machten.’ Volgens hem zou de
‘Schwärmer und Alchymist der ersten Grösse’ dit
‘barbarische Wort’ aan het Hebreeuwsch ontleend hebben, ‘wenn
er es nicht vielmehr’ - voegt hij er bij - ‘aus dem Holländ.
Geest, Geist, verstümmelt hat; deen sein Ahnherr Paracelsus nannte
eben diese feinen Dämpfe spiritus sylvestres, wilde
Geister.’
Van dezelfde meening is
Schwenck, die in zijn Wörterbuch der
deutschen Sprache (4te Aufl.), bl. 207, schrijft: ‘Gas
…. soll v. Ndl. geest, Geist, herzuleiten seyn.’
Ook
Diez helt tot het gevoelen van Adelung
over, naar wien hij verwijst, en noemt gas een ‘vielleicht aus
Ndl. geest d. i. geist gebildetes wort’ (Etym. Wörterb. d.
Rom. Spr. bl. 166).
Weigand daarentegen zegt in zijne hernieuwde
uitgave van
Schmitthenner's Woordenboek, bl. 391:
‘Wol von gäschen, Mhd. gësen, woher auch Mhd. der
gis, Schaum.’
Deze uitlegging was mede door
Bilderdijk gegeven, die
| | | |
in zijne Verkl. Geslachtlijst op Gas aanteekent: ‘Van garen,
gisten,’ en vroeger reeds in zijne Verhandeling over de
Geslachten, bl. 275, dezelfde meening had uitgesproken.
Bij de scheikundigen vinden wij de beide vermelde gevoelens terug.
Zoo lees ik in de Geschichte der Chemie van Dr.
H. Kopp, III. 178: ‘Woher das Wort
zunächst gekommen ist, weisz man nicht; nach Juncker, den bekannten
Schüler Stahl's, soll es aus Gäscht, dem bei der Gährung
entstehenden, Schaume, abgeleitet sein.’
Lavoisier echter houdt het met
Adelung. Ik wil mij het genoegen niet ontzeggen, zijne woorden hier
aan te halen, als een vermakelijk staaltje, hoe zelfs een beroemde naam een
Franschman niet weêrhouden kan, met de Duitsche talen luchtig en kluchtig
om te springen:
‘Gas vient du mot hollandais Ghoast, qui
signifie Esprit. Les Anglais expriment la même idée par le
mot Ghost, et les Allemands par le mot Geist qui se prononce
Gaistre. Ces mots ont trop de rapport avec celui de Gas, pour
qu'on puisse douter qu'il ne leur doive son origine
1).’
Ondanks al deze uitspraken veroorloof ik mij, den zamenhang van
gas met geest zoowel als met gäschen, gisten, niet
alleen in twijfel te trekken, maar bepaaldelijk voor een bloot verzinsel te
verklaren. Inderdaad, aan een etymologie van gas, in den waren zin des
woords, valt eigenlijk in 't geheel niet te denken. Stemt men toe, dat Van
Helmont den naam heeft uitgedacht, die vóór hem niet
bestond, dan kan er van geene afleiding sprake zijn, dan is het wat de
Franschman ‘un terme de pur caprice’ noemt; ten hoogste kan men
vragen, welk ander woord hem bij die naamgeving voor den geest speelde en
toevallig zijne keus juist tot dezen klank bepaalde. Welnu, dit getuigt hij
zelf met ronde woorden, die geen twijfel overlaten omtrent de wijze, hoe hij
aan het woord gas is gekomen. Ziehier wat hij ons berigt:
‘Hunc spiritum, incognitum hactenus, novo nomine Gas
voco
2).’
| | | |
En elders:
‘Paradoxi licentia, in nominis egestate, halitum illum
Gas vocavi, non longe a Chao veterum secretum
1).’
Kan men duidelijker aanwijzing verlangen?
Van Helmont ontdekt eene bijzondere
luchtvormige stof, die tot nog toe geen naam had. Hij besluit er zelf een naam
voor te verzinnen, ‘paradoxi licentia.’ Hij overlegt, en
kiest…. gas, een korten en bruikbaren klank, die tot hiertoe
niets beteekende en dus tot geene verwarring leiden kon. Dat hij juist dezen
klank koos, was omdat hem de Chaos der ouden, om welke vermeende
betrekking dan ook tot zijne nieuw gevondene luchtsoort, voor den geest
zweefde. Hij verklaart het zelf: ‘non longe a Chao veterum
secretum.’ Dus, Chaos kwam hem het eerst in den zin …:
chaos, chas, gas. Hij heeft dan eigenlijk niets anders gedaan, dan den
naam chaos naar het Nederlandsche klankstelsel te wijzigen, dat geen
ch in den aanvang van een woord, geene verbinding der klinkers a
en o toeliet, maar noodzakelijk den vorm gas vereischte. Of die
naamgeving den stempel der Alchymie draagt, laat ik in het midden: genoeg dat
zij een feit is, door
Van Helmont zelven getuigd. Zoo ontstond dan,
grillig en willekeurig, de naam eener vloeistof, bestemd om in latere eeuwen
een zegen voor het menschdom te worden. Zoo werd uit den Chaos licht
geschapen.
Heeft onze oude chemicus al niet aan geest of gisten
gedacht, men mag hem toch het getuigenis niet onthouden, dat hij bij het
ontwerpen van den naam eene goede keuze gedaan heeft, nu het van achteren door
de etymologen is opgemerkt, hoe naauwen zamenhang zijn gas met
gisten zoowel als met geest vertoont, hoe gepast derhalve de naam
zich aan die beide aansluit. Men zou bijna geneigd zijn, hier aan een gelukkig
instinkt te gelooven, en op
Van Helmont toe te
| | | |
passen, wat
Nodier van de Parijsche modiste, in de bekende
historie der falbalas, zegt: ‘Elle entendoit merveilleusement le
principe générateur du langage, et j'admettrai volontiers qu'elle
n'y pensoit guère
1).’
Behoef ik nog aan te wijzen, hoe belagchelijk nu de spelling
gaz wordt, waarin velen thans een kinderachtig behagen schijnen te
vinden? Wij mogen dit aan de Franschen gunnen, bij wier uitspraak van
gas het woord zijn echten klank zou verliezen; maar voor ons,
Nederlanders, behoude het gas onveranderd den naam, dien het van onzen
landgenoot ontving. En aarzelen wij niet, het toevallig ontstaan van dien naam
- in spijt van den kieschkeurigen
Adelung - als eene wezenlijke taalverrijking te
erkennen; schromen wij niet in dien geest voort te werken, door flinkweg ook
het meervoud gassen en het adj. gassig aan te nemen, en (waar het
noodig mogt zijn) de werkwoorden gassen, begassen, ontgassen, vergassen
enz. in het leven te roepen. De taal zal er beter mede gediend zijn dan met die
bedeesde schroomvalligheid, die liever vreemden klinkklank nabootst dan moedig
uit eigen voorraad op te scheppen. Maar vooral, laat ons spoedig den
uitheemschen gazometer in een vaderlandschen gasmeter herdoopen,
de onnatuurlijke koppeling van een verfranschten Hollander en een verdoolden
Griek prijs geven voor de gezonde vereeniging van twee kinderen op eigen bodem
geteeld.
| |
Kuipen, Kuiperij.
Kuipen, het streven van den baatzuchtige, die door vleijerij,
gunstbejag en listige kunstgrepen zich ambten, invloed of voordeel zoekt te
verwerven, en het daarvan gevormde kuiperij, zijn bekende woorden, die,
helaas! nog weinig kans
| | | |
hebben om spoedig in onbruik te komen. Maar
vanwaar ontleenen zij die beteekenis? Waarom juist het ambacht van den kuiper
tot zinnebeeld gekozen voor de sluwe streken der eigenbaat, waaraan toch de
kuiper wel niet meer schuldig zal zijn dan eenig ander handwerksman?
Even als de naam der zoo even behandelde vloeistof, is
kuiperij zijnen oorsprong verschuldigd aan eene toevallige
omstandigheid, en ook hier kunnen wij bepaaldelijk den man aanwijzen, die de
overdragtelijke opvatting des woords in de wereld gebragt heeft. Het is niemand
anders dan ‘de cloecke ende vernuftige poëet’
Jan Jansz. Starter, de auteur van den
Frieschen Lusthof. Daar ik dit bij geen onzer taalkundige schrijvers
vermeld vind, acht ik het niet ondienstig de toedragt der zaak mede te deelen,
zoo als zij mij gebleken is uit de leerrijke Memoriën van den
Zutphenschen predikant
Willem Baudart
1).
De ijverige kerkleeraar beklaagt zich bitter over de ‘amt ende
geltsucht’ bij velen in Nederland, en verhaalt dat
Starter, ‘aensiende ende belevende de
verdorventheyt onser eeuwe in desen deele,’ omstreeks het jaar 1621 een
‘Satyram ofte Poeetisch-gedicht gemaeckt ende aen den dach gegeven
heeft, berispende vry-moedelick de heden-daechsche Ambitye, eergiericheyt ende
Amt-suchticheyt veler menschen hier te lande.’ In dat hekeldicht vond
Baudart zulk een behagen, de strekking kwam hem
zoo nuttig voor, dat hij het geheel in zijne Memoriën inlaschte. Het is
een rijmwerk in dialogischen vorm, waarin de dichter een kuiper voorstelt, die
achtereenvolgens door vijf personen wordt toegesproken en de rede van elk
hunner beantwoordt. Die vijf sprekers zijn: een Edelman, een Doctor in de
Regten, een Pastoor of Predikant, een Politicus en een Krijgsman. Een voor een
geven zij breed op van hunne aanspraken op een
| | | |
behoorlijk ambt; de
een verheft de verdiensten zijner voorouders, van wier deugden hij niet ontaard
is, de ander roemt zijne vlijtige studiën, zijne onvermoeide inspanning en
oefening, of zijne langdurige ervaring en beproefde trouw. Allen drukken de
verwachting uit, dat hun nu weldra, tot loon voor hun werken en streven, de
gelegenheid zal worden geschonken om in eene eervolle bediening hun vaderland
nuttig te zijn; want, zoo luidt hun referein:
Want goe waer prijst hem selfs, en doet hem wel
vercopen.
Maar de kuiper, die beter weet hoe het in de wereld toegaat,
ontneemt hun die zoete begoocheling. Vermogende vrienden, zegt hij, gunst en
bescherming, stemmen winnen, vleijen en mooi-weêr-spelen, ziedaar wat u
voort zal helpen, meer dan al uwe deugden en bekwaamheden; en hij wijst hen op
zijn ambacht als op een zinnebeeld van het beloop der wereldsche zaken. Zoo
voegt hij den Edelman toe:
Wat snorckt ghy, Joncker, doch veel van u oud gheslacht?
Gheslacht, noch eer, noch deught wort huydendaeghs gheacht:
Maer die rijck zijn van goed, en wel voorsien van vrienden,
Dat zijn de Mannen die tot hooghe ampten dienen.
Krijght Boeren op u hand, en geeft haer een ghelagh,
't Welck u, meer als u Deught of Adel, helpen magh.
Al zijt ghy niet bequaem, al zijt ghy niet bedreven,
Al weet ghy met een Mensch te spreecken noch te leven,
Dat doed ghelijcke veel: want sy zijn al te saem,
Die u verkiesen, oock ghemeenlijck onbequaem.
Dus, soo ghy tot den top der eeren denckt te stijgen,
Of eenigh Ampt begeerd, soo moet ghy vrienden krijgen.
Want g'lijck een Cuyper van veel staven tonnen maeckt,
Soo door veel stemmen men tot hooge Ampten raeckt;
En die dan heeft vergaerd de voorgenoemde stemmen,
Die slae den hoep daerom, en doe de staven klemmen.
Maer tot de hoepen, daer ghy u meest op vertroudt,
| | | |
Siet dat ghy neemt voor al goed, vast en buyghsaem houdt;
Want dat u de voorneemste hoepen eens begaven,
Soo was u werck vergeefs, soo vielen al de staven,
Die ghy van langher hand te samen had vergaerd,
En arbeyd, tijd noch kost had immer aen gespaerd.
Dus, by soo veer ghy wilt een treflijck Ampt begeeren,
Stelt d' Adel aen een sy, en wilt het Cuypen leeren:
Want d' Adel geld hier niet; al zijt ghy een Monsieur,
De Cuyper weet van 't schaep, die gaet met 't vercken deur.
En staet ghy na wat hooghs, begint dit vry wat tytelijck:
en daarop volgt zijn referein:
Is 't Cuypen wat ghemeen, het is weer heel
profytelijck.
Tot den Politicus zegt hij o. a.:
Wijsheyt, welsprekentheyt brengt nu ter tijt niet by,
Verwerft men nu wat hooghs, dat comt door Cuypery,
En wilt ghy oock alhier een treflijck ampt begeeren,
Soo wilt op dese wijs van my het Cuypen leeren:
De staven krijght by een tot dienste van u ton,
En schaeftse naer u sin, dan legt een hoep daer om;
Maer soo ghy d' hoepen niet wel naer u sin kundt temmen,
Bestrijcktse wat met krijt, sy sullen dan wel klemmen;
En soo ghy zijt besorght voor 't barsten van u vat,
Verwarmt het wat met vuyr, behoost het wat met nat;
Maer als 't vat vochtigh is, dan ist geen tijd van stil staen:
Drijft dan de hoepen sterck, en doetse naer u wil gaen.
In gelijken geest zijn al zijne toespraken, telkens den kuiper tot
voorbeeld aanprijzende voor hem die tot eer en aanzien wil geraken, omdat
er
hedensdaeghs, om tot een ampt te raken,
Geen middel is, als door de Cuypery te maken.
| | | |
Baudart besluit de aanhaling van
Starter's gedicht met de volgende troostelooze
verzuchting: ‘In somma, dit Cuypers Ambacht is het grootste Gilde in
Landen en Steden, onder het welcke oock de Grootste des Lands sorteren ende
gehooren.’
Maar, zal men zeggen, dit alles bewijst nog volstrekt niet, dat het
woord kuiperij door deze satire van
Starter in gebruik is gekomen. Even goed heeft
Starter juist aan de bekende beteekenis van dat
woord het denkbeeld van zijn dichtstuk kunnen ontleenen. Deze opmerking is
volkomen gegrond, zoo lang niet tevens kan worden aangetoond, dat
kuiperij, in de overdragtelijke opvatting, vóór 1621 nog
onbekend was, dat het werkelijk voor
Starter's tijdgenooten eene nieuwigheid is
geweest. Gelukkig geeft ons
Baudart hier de noodige inlichting. Als hij ons
meldt, dat het doel van den dichter was, de ‘Ambitye, eergiericheyt ende
Amtsuchticheyt veler menschen hier te lande’ vrijmoedig te berispen,
voegt hij er aanstonds bij: ‘d' welck hy met een nieuwe
maniere van spreken noemt Cuyperye.’
Baudart derhalve, een tijdgenoot, te Deinze in
Vlaanderen geboren, later te Keulen en te Embden, te Sneek en te Zutphen
woonachtig, die, hoe slecht stylist ook, toch met de spreektaal van zijn tijd
volkomen bekend was, getuigt uitdrukkelijk, dat het woord kuiperij in
1621 nieuw was, en geeft zelf niet onduidelijk te kennen, dat
Starter's gedicht het in omloop gebragt heeft.
Er is volstrekt geene reden, om aan de waarheid van dat getuigenis te
twijfelen, om hier - in dit onschuldig berigt - een van die
‘vermaledijde leugenen’ te vermoeden, die
Van Meerbeeck, zijn vinnige bestrijder op
kerkelijk gebied, aan
Baudart zoowel als aan
Van Meteren te laste legt
1).
Ik wil hiermede niet ontkennen, dat
Starter welligt in de eene of andere zegswijze
uit de volkstaal van die dagen
| | | |
aanleiding kan gevonden hebben tot
het denkbeeld, dat hij in zijn hekeldicht uitwerkte. Van dergelijke
toespelingen op ambachten en bedrijven, hetzij bij voorkomende gelegenheden uit
den mond vallende, hetzij als spreekwoorden geijkt, is de spraak der menigte
altijd en overal vol.
Starter was dan ook de eenige niet, die op het
handwerk van den kuiper eene zedelijke toepassing dichtte. In een bundel
verzen, door den Jezuïet
Willem van Wissenkercke in 1664 ter perse
gelegd, gaf ook deze een emblema, aan den kuiper ontleend, waarin hij het vuur,
dat de stijve duigen handelbaar maakt, vergelijkt met den ‘goddelycken
brandt,’ die den weêrbarstigen zondaar vermurwt
1).
De vergelijking zelve van den kuiper en den eerzuchtige was dus misschien niets
vreemds of ongehoords. Maar het eenige, waar het hier op aankomt, is de
bijzonderheid, dat de woorden kuiper en kuiperij, door
Starter schertsende in die nieuwe beteekenis gebezigd, die beteekenis
voor goed hebben aangenomen en tot op onzen tijd behouden. Het luimige gedicht
vond toejuiching, de nieuwe uitdrukking viel in den smaak van het publiek, zij
werd populair en kwam weldra zoo algemeen in de mode, dat men spoedig den
oorsprong vergat, en van kuiperij sprak, zonder meer aan
Starter's satire te denken. Van toen af had het
woord eerst waarlijk burgerregt verkregen, het had opgehouden eene toespeling,
eene aardigheid te zijn, het was een gewone en gangbare term geworden. Al vroeg
schijnt het dien loop te hebben volbragt; want reeds in 1669 wordt het door
Aitzema, met blijkbare onverschilligheid
omtrent de herkomst, als eene gewone uitdrukking gebezigd, waar hij verhaalt,
hoe in 1654 de Staten-Generaal ruiterij naar Overijsel wilden zenden, ter zake
der geschillen over de verkiezing van den Heer
Van Haersolte tot Drossaart van Twenthe. Hij
merkt daarbij aan:
‘Hy hadde notoirlijck de meeste stemmen, daer viel niet tegen
te seggen, als dat het was gheobtineert
| | | |
door Kuyperye,
ghelijck of dat wat nieus of verboden was! jae ghelijck of wel yemant van alle
die hem van Kuyperye beschuldigden, sonder Kuyperye was in
officie gekomen
1).’
Dat evenwel bij sommigen het bewustzijn van de aardigheid, die in
kuiperij stak, nog langer bleef voortbestaan, al dacht men juist niet
meer aan
Starter, blijkt niet onduidelijk uit de
verklaring, in 1681 door
Winschooten gegeven: ‘Dewijl … de
kuipen uit veel deelen werden te saamen gehegt: soo werd kuipen
(door gelijkenis) niet onaardig gebruikt voor een saak bearbeiden, en maaken,
dat al die geen, die in die saak te seggen hebben, iemand gunstig sijn
2).’ Maar dat bewustzijn is sedert geheel verdonkerd, en zonder
het licht der historie ware het voor altijd verdwenen geweest.
Onwillekeurig herinnert ons de politieke kuiper van
Starter aan den politieken tinnegieter van
Holberg. Het onderscheid is alleen dit, dat de
‘Politiske Kandestöber,’ het blijspel van den Deenschen
dichter, in de gedachtenis bleef leven, terwijl het gedicht van
Starter in vergetelheid zonk.
Tinnegieterij bleef dus eene toespeling, eene benaming; kuiperij
is, in den eigenlijken zin, een woord geworden.
| |
Slabbakken.
Onder de woorden, die mij altijd als cruces interpretum zijn
voorgekomen, behooren vooral de beide gemeenzame, maar aan elken Nederlander
bekende werkwoorden soebatten en slabbakken. Onlangs mogt het mij
gelukken, de verklaring van het laatste te vinden. Terwijl ik het eerste aan de
opmerkzaamheid onzer taalkundigen blijf aanbevelen
3), geef ik
| | | |
hier de afleiding van slabbakken, die den eigenlijken zin
van dit duistere woord in het volle daglicht zal stellen.
Dat het eerste gedeelte het adj. slap is, loopt terstond in
het oog, en werd reeds door
Weiland opgemerkt.
Kiliaen, die nevens slabbacken ook den
vorm slappacken vermeldt, levert er het afdoende bewijs van. Maar hoe de
andere helft des woords te verklaren? De bloote verandering van den klemtoon
heeft mij op het spoor gebragt. Gewoonlijk spreken wij, met zwaar accent op de
tweede lettergreep, slabbákken. Maar toen ik een mijner vrienden,
een Groninger, hoorde zeggen: ‘Ik kan dat sláppakken niet
velen,’ werd de zaak mij duidelijk. Het bleek niet alleen, dat de bij
Kiliaen opgeteekende vorm nog heden bekend is,
maar van zelf ontleedde het woord zich in zijne deelen. Het is niets anders dan
slap-hakken, met slappe hakken loopen, en dus kwalijk voortgaan,
strompelen of sukkelen. Een luiaard, die in zijn arbeid slabbakt, d. i.
niet flink vordert, maar treuzelt; een werk of eene nering die
slabbakken, d. i. tragelijk voortkomen, ja bijna stilstaan: men gevoelt,
hoe schilderachtig het beeld is, aan de slappe hakken van den strompelenden
sukkelaar ontleend.
De verandering in den vorm des woords, die den zin onkenbaar maakte,
is geheel natuurlijk. Zoodra de natie het bewustzijn van de ware kracht der
woorden verliest, ziet men veelal den klemtoon verloopen. Men denke aan
óorlof, óorlog, ellénde, hagedís,
madelíef enz., alle met een onjuist accent gestempeld, als ten
bewijze dat het volk die woorden niet meer verstaat. Zoo werd
sláphakken, met wegsmelting der vlugtige h, allengs tot
slappákken verminkt; en dat daarnevens de vorm
slabbákken ontstond, is even verklaarbaar. De zware klemtoon op
de a, waarmede nu de tweede lettergreep scheen te openen, en waartegen
de p van slap aanstiet, kon ligt de scherpe lipletter
verstompen, de p in b doen overgaan, nu de volksuitspraak door
geen begrip des woords meer bedwongen werd. Het is dus niet eens noodig, tot
staving van dien overgang, de analogie van wisselvormen
| | | |
als labben en lappen, flabben en flappen, lebben en
leppen, in te roepen. De verbastering van sláphakken in
slabbákken werd alleen bewerkt door het verloop van den klemtoon,
die te regt de polsslag van het gezonde leven der taal is genoemd.
Slabbakken behoort dan tot die breede rij van woorden, waarin
onze beeldrijke taal zedelijke hoedanigheden of handelingen naar de
gelijkénis der ligchaamsdeelen heeft afgemaald. Hoofdig, koppig,
stijfhoofdig, hardnekkig, halsstarrig, baloorig, kitteloorig, neuswijs,
volmondig, handig, lafhartig, rondborstig, of aarzelen, neuzen,
oogluiken, reikhalzen, schuimbekken, watertanden: wat al voorstellingen met
levendige trekken geteekend! Ook de hak of hiel bleef niet onopgemerkt door de
‘spraekmakende gemeent.’ Wie met langzame schreden voortstommelt of
strompelt, wordt nog heden in Groningen een stommelhak geheeten
1). In 't
geheel spelen de beenen en voeten eene groote rol. Gij karakterlooze! als gij
aan dat euvel blijft mank gaan en altijd op twee gedachten hinkt,
als gij bij elke schrede terugtrekt, niet dan schoorvoetend
handelt, en u door iedereen op de teenen laat trappen: dan zal het
ongeluk u op de hielen zitten, gij zult u niet op de been kunnen
houden; en terwijl gij in al uw doen slaphakt, zult gij weldra ook uwe
nering zien slabbakken.
Ik acht het voor taal en stijl wenschelijk, dat wij in spreken en
schrijven den echten vorm des woords terugroepen, den ontzielden klank in zijne
oorspronkelijke levenskracht herstellen.
| |
Uitbundig.
Weiland geeft van uitbundig de volgende
verklaring, grootendeels letterlijk uit
Wachter
2) vertaald:
| | | |
‘Eigenlijk, even als het hoogd. ausbündig, in
zijne soort uitmuntend, van het angels. beond, zijnde, van beon,
zijn, en van aus, uit, als een adverbium qualitatis, zoo veel als
extra beteekenende, niet ten aanzien van plaats, maar van
voortreffelijkheid. Maar bij
Halma overdadig; in welken zin men in
Vriesland onbandig bezigt.’
In het voorbijgaan zij opgemerkt, dat
Halma met overdadig volstrekt geene
bijzondere beteekenis van uitbundig bedoelde. Naar de in zijn tijd nog
gewone opvatting nam hij overdadig in den zin van buitengewoon,
uitnemend, gelijk duidelijk blijkt uit zijne eigene woorden, aldus
luidende:
Uytbundig, uitnemend, overdaadig. Excellent, extrême,
extraordinaire.’
Volgens
Wachter en
Weiland is dan uitbundig, van het Ags.
part. beónde, zijnde, afgeleid, zooveel als uitzijndig, of
- zoo men wil - extra zijnde! Waarlijk, die verklaring is extra
1)!
Maar, zal welligt iemand aanmerken, de afleiding van
uitbundig ligt immers voor de hand. Is het niet kennelijk van
binden afkomstig, en dus eigenlijk buiten den band, de perken te
buiten gaande? Is eene uitbundige vreugde niet eene blijdschap die
geene palen kent, die als 't ware uit alle weêrhoudende banden
uitspat?
De afleiding van binden wil ik niet betwisten, gelijk straks
blijken zal. Maar toch, zóó voorgesteld, heeft de zaak een
onoplosbaar bezwaar. De vorm bundig zou onmogelijk te regtvaardigen
zijn. Ware het werkelijk met band zamengesteld, dan moest het stellig
uitbandig luiden - even als losbandig, onbandig -; des noods ware
(met Hoogduitschen invloed) uitbendig denkbaar, maar nooit kon het
uitbundig zijn.
Doch die u zelf, die ons verbiedt aan band te denken,
wijst ons een anderen weg. Ik heb elders doen opmerken, dat de letterverbinding
um in onze taal onbekend is
2). Die
| | | |
opmerking is voor uitbreiding vatbaar, daar
in 't geheel, naar den oorspronkelijken aard van het Nederlandsche
klankstelsel, de u door geene der vier vloeibare letters kan worden
gesloten. De tijd evenwel heeft dit allengs gewijzigd en door vermenging van
dialekten een aantal vormen doen opnemen, aanvankelijk met den aard der taal
onbestaanbaar. De klank um bleef ons vreemd; maar ul en ur
drongen zich in vele woorden in, die vroeger ol (ou) en or
vertoonden
1), en voor het oude
in zoowel als on trad hier en daar het nieuwere un in de
plaats, als in dun, dunken, hun, rund, voor din, dinken, hin,
rind, of bundel, bunder, bunzing, gunnen, kunnen, plunderen, plunje,
vuns, voor bondel, bonder, bonzing, gonnen, konnen, plonderen, plonje,
vons, enz.
2). Of in sommige dezer
woorden de u, door vergelijking met het Gothisch, als oorspronkelijk
wordt aangewezen (b. v. Goth. kunnan, het part. bundans, enz.)
doet hier niets ter zake. Ik spreek alleen van het Nederlandsche klankstelsel,
en daarin paste oudtijds alleen de verbinding on, al is die ook
somtijds, in latere dagen, door den invloed der dialekten, tot het nog oudere
un teruggekeerd. Indien derhalve een woord, waarin de klank un
voorkomt, echt Nederlandsch zijn zal, dan moet men het voorafbestaan van den
vorm met on (of met in) kunnen bewijzen. Waar dit niet kan
geschieden, daar mag men met regt besluiten, dat het woord van vreemden
oorsprong is.
Heeft uitbondig ooit bestaan, zoo als, nevens ons bond
en bondig, eertijds ook bondel en bonder (bonre)
bestonden? Ik geloof het te mogen ontkennen. Aan
Plantijn en
Kiliaen
| | | |
was het woord nog onbekend.
Het oudste voorbeeld, dat mij is voorgekomen, is bij
Hooft, die een paar malen uitbundighlyk
schrijft (Ned. Hist. bl. 359, 1008). Men mag dan aannemen, dat het woord
van den aanvang af dien vorm gehad heeft; en dit leidt ons van zelf tot de
gevolgtrekking, dat het van elders ontleend en dus uit het Hoogduitsch
herkomstig moet wezen.
Inderdaad, in het Hoogduitsch was ausbündig reeds in de
16e eeuw algemeen gangbaar, in den zin van voorbeeldig,
uitnemend, voortreffelijk.
Luther bedient er zich meermalen van, als hij
b. v. spreekt van ‘ein ausbündig gut ding,’ van
‘rechte ausbündige historien,’ of van
‘Christus, der einige und ausbündige.’ Die
beteekenis heeft het woord tot op onzen tijd behouden. In het Woordenboek der
gebroeders
Grimm vindt men keur van voorbeelden
aangeteekend.
De oorsprong van ausbündig kan aan geen twijfel
onderhevig zijn. Het is eenvoudig afgeleid van het subst. ausbund, een
even gewoon en gebruikelijk woord, waarvan ook de verklaring geen geheim
is.
Ausbund is oorspronkelijk een term uit den lakenwinkel, de
benaming van het naar buiten omgebondene of omgeslagene einde van een stuk
laken, door den koopman als staal of monster ten toon gesteld, en
ook onder den naam van schaufalt (das zur schau gefaltete) bekend. In
het Mhd. heette het überbunt, dat echter al vroeg door
ausbund werd verdrongen. De beteekenis van staal of
monster, van proef of model, leidde natuurlijk tot de
overdragtelijke opvatting van hetgeen in zijne soort uitmuntend,
voorbeeldig of toonbeeldig, uitnemend of voortreffelijk is.
Ausbund is, in éen woord, wat wij puik noemen. Ziehier een
paar citaten, die ik aan
Grimm ontleen:
‘Die allerbesten im ganzen volk, die der rechte kern und
ausbund waren’ (Luther); ‘sie haben
das lob, das sie der ausbund sind für allen’ (Id.);
‘ein ausbund der unschuld’ (specimen innocentiae);
‘ein ausbund aller beredtheit;’ ‘ein rechter
ausbund von eim mönch;’ ‘du wahrer ausbund aller
tugent;’ ‘der schön-
| | | |
heit ausbund;’
‘werthes bibelbuch, du ausbund aller schriften;’ ‘ein
ausbund aller helden und soldaten;’ ‘ein ausbund
weiblicher schönheit und tugend’ (Göthe);
enz.
1).
Het afgeleide ausbündig kwam dus met Hoogd.
musterhaft, ons voorbeeldig, overeen, en in die beteekenis werd
het in onze taal overgenomen, getuige
Hooft, als hij zegt, dat de Walen zich op de
Mookerheide ‘uitbundighlyk queeten,’ of dat
Hautain zijne eer ‘uitbundighlyk
betracht’ had. Nog in 1710 kende
Halma aan uitbundig den zin toe van
uitnemend, Fr. excellent. Thans echter, nu het woord lang heeft
opgehouden een germanisme te zijn en volledig burgerregt heeft verworven, is de
beteekenis min of meer gewijzigd, en blijkbaar was dit het gevolg eener
onbewuste etymologische opvatting, waarbij men aan bond of band
dacht en daarnaar den zin des woords verplooide. Een uitbundige lof was
oorspronkelijk een voorbeeldige lof, iemand uitbundig prijzen was
hem als toonbeeld roemen, uitbundige vreugde stond met
uitnemende blijdschap gelijk. Maar de allengs opkomende bijgedachte aan
band - een natuurlijk uitvloeisel der begeerte om zich van den zin der
woorden etymologisch rekenschap te geven - veroorzaakte dat uitbundige
lof of vreugde straks voor een prijzen of verblijden gold, dat, als door niets
weêrhouden, geene banden kent en de perken te buiten streeft. Zoo werd de
beteekenis - wier fijnere schakeering nimmer van de ware etymologie, maar
uitsluitend van het gebruik afhangt - verschillend gekleurd; doch dit doet
niets te kort aan den waarachtigen oorsprong des woords, dien het zich niet
behoeft te schamen, al is het thans van de toonbank tot het redenaarsgestoelte
verheven.
| |
| | | |
Vaak.
Het bijwoord dikwijls heeft voor den stijl het bezwaar, dat
het den comparativen en superlativen vorm mist. Wij moeten ons met
meermalen en meestal behelpen, iets dat voor den juisten bouw der
rede hinderlijk kan zijn, terwijl daarenboven meermalen evenzeer in
positive opvatting gebruikt wordt en dus dubbelzinnig is. Het schijnt daarom
wenschelijk, eenige toegevendheid te betoonen aan het adv. vaak, dat
volkomen hetzelfde als dikwijls beteekent, en in de vormen vaker, het
vaakst, een groot voordeel oplevert. Tot nog toe is het woord in onzen
prozastijl weinig doorgedrongen, vermoedelijk omdat het in Holland niet tot de
spreektaal behoort. In de Friesche en Saksische streken van ons land is het
algemeen gangbaar, het wordt ook in Holland verstaan, en men gunt het aan de
dichters, wien het om den korteren vorm uitstekend te pas komt; maar redenaars
en stylisten maken er zelden gebruik van. Ik geloof dat dit inderdaad jammer
is. In den aanvang moge vaak, en vooral vaker, vaakst, ietwat
stroef klinken: dit zal ligt wennen, en ons proza zal een kort en bruikbaar
woord hebben aangewonnen voor een bebegrip, dat zoo vaak in de rede terugkeert,
en waarbij dus afwisseling van vormen en bepaalde trappen van vergelijking
bijna eene behoefte zijn.
In afwachting of deze wensch gehoor zal vinden, wil ik intusschen
mijn beschermeling wat nader aan mijne landgenooten bekend maken, door zijne
afkomst en familiebetrekkingen, die hem op het burgerregt aanspraak geven, in
het licht te stellen.
Vaak is een telg van het subst. vak, en met het ww.
vangen uit denzelfden stam gesproten. Bij den eersten aanblik klinkt dit
misschien vreemd; bij nadere beschouwing zal het zich spoedig ophelderen.
Het werkwoord vangen ontstond uit den wortel fah,
Goth. fahan, Ohd. fâhan, Mhd. vâhen,
vân, Mnl. vaen, alle in de
| | | |
beteekenis van
vatten, bevatten, omvatten (capere, recipere). Ten onregte acht men
veelal ons oude vaen uit vangen zamengetrokken: veeleer mag
vangen eene uitrekking van vaen heeten; of liever, beide
ontstonden, onafhankelijk van elkander, uit denzelfden wortel. Fahen,
vahen, werd door zamentrekking tot vaen; maar daarnevens vormde
fah eene nieuwe afleiding, oorspronkelijk met intensive kracht, door
invoeging der n, even als Lat. frango, pango, tango, uit de
wortels frag, pag, tag, of Gr.
θιγγ-άνω, λαγχ-άνω, τυγχ-άνω, uit θιγ, λαχ, τυχ, werden afgeleid
1). Zoo werd fah tot fanh, Hd. fangen, ons
vangen.
Fah, als wortel of stam van het ww. fahan, werd al
vroeg ook als subst. genomen. Reeds
Ulfila kent, nevens gafahan, een subst.
gafah-s m., bet vangen, de vangst (‘in gafahis thize
fiske,’ om de vangst dezer visschen: Luc. v. 9). Later
treedt fah als onz. en in concrete beteekenis op. Ohd. fah, Mhd.
vach, Nhd. fach; in de Nederduitsche talen - met verzachting der
h tot k -, Ags. fäc, Oud-Friesch fek, fak, ons
vak. Overal heeft het woord denzelfden onloochenbaren zin: het
omvatte, het binnen eene ruimte beslotene, of wel de ruimte zelve,
waarin iets besloten is, het Lat. spatium. In het Ohd. werd fah
gebezigd voor een gedeelte van een muur, gelijk wij nog van een muurvak
spreken
2). Het Mhd.
kende de uitdrukking: in sînes herzen vach, in spatio cordis sui
3). De oude Friezen spraken van niogen feke (fake)
huses, negen vakken des huizes, d. i. afdeelingen of vertrekken
4).
Gijsbert Japiks zingt, in de vertaling van
Psalm IX. 3:
5).
Omdat myn fyne is efterbek
Oertomle in fluchtsjend romt it fek.
‘omdat mijn vijand achterover getuimeld is en vlugtend
het
| | | |
‘vak ruimt,’ d. i. de plaats of de
ruimte, die hij te voren innam, dus (naar ons spraakgebruik) het veld
ruimt. In deze en soortgelijke toepassingen en wijzigingen der beteekenis
staat het gronddenkbeeld van ruimte altijd op den voorgrond.
Ook de hedendaagsche opvatting van het Hoogd. fach, ons
vak, komt daarmede getrouw overeen. De vakken van een muur of wand, de
vakken tusschen de balken eener zoldering, eene kast of eene lade in vakken
afgedeeld, het open vak in eene verzameling, enz, alles vertoont nog duidelijk
de oorspronkelijke beteekenis van omslotene ruimte, alles laat zich in
't Latijn door spatium vertalen. Ook het veld der wetenschappen is in
vakken afgeperkt; ieder arbeider kiest zijn vak, om het met zijne
vakgenooten te bewerken.
Op gelijke wijze zijn de Hoogd. woorden einfach, zwiefach,
vielfach, mehrfach enz. te verklaren. Vielfach is eigenlijk wat
vele vakken heeft, bijna hetzelfde als vielfältig, veelvoudig.
Doch die zamenstellingen zijn allengs in ruimeren zin genomen. In 't algemeen
duiden zij aan, dat eene zaak in zoovele afdeelingen, soorten, gevallen of
gezigtspunten gedacht wordt, of zoovele malen terugkeert, als in het bijstaande
telwoord is uitgedrukt.
Het begrip van ruimte was natuurlijk evenzeer op den tijd
toepasselijk. Eene bepaalde tijdsruimte wordt nog heden een tijdvak
geheeten. In het Ags. vooral was deze opvatting zeer gewoon: tvegra daga
fäc, een vak van twee dagen (bidui spatium); lytel fäc,
eene korte poos; äfter fäce, na eene wijle, namaals
1), enz.
Van dit vak nu, in de beteekenis van tijdsruimte, is
het adv. vaak afgeleid. Om dit te doen inzien, moet ik opmerken, dat
vak oudtijds in de verbogen naamvallen den open a-klank, niet -
gelijk thans - den gesloten klinker vertoonde: dat het meervoud niet
vakken, maar (sterk verbogen) vake luidde. Even als ons
smalle, jammer, vatten, voor Mnl. smale, jamer, vaten, even als -
in het dagelijksch leven -
| | | |
ons brakken, laggen, zatten, ja
zelfs gavven, lazzen, voor de echte vormen braken, lagen, zaten,
gaven, lazen enz.: zoo is ook vakken in de plaats van het oude
vake getreden. Reeds do opene a in het Mhd. meervoud (vache,
drîer vacher, enz.) doet ons dit vermoeden; en het wordt volkomen
bevestigd doordien het plur. vake werkelijk voorkomt. In eene oorkonde
van 1319 (Van Mieris, II. 210 vlgg.), waarin
herhaaldelijk gesproken is van ‘een ghemene vac’ in den
dijk, een vak op gemeene kosten te onderhouden, leest men (bl. 215. a.):
‘Item alle ghemene vake an dike ende an weghen zegghen
wi of, ende mallic sijn hoefslach daer of te hebben.’
De gemeene vakken in dijken en wegen worden afgeschaft; ieder zal
voor zijn hoefslag te zorgen hebben.
Ziedaar den weg gebaand tot de volledige verklaring van vaak.
Vaken - want zoo luidde het woord oorspronkelijk - is de dat. plur. van
vak (Ags. facum), beantwoordende aan Lat. spatiis d. i.
per spatia, bij vakken
1),
bij tijdsruimten, bij wijlen, somtijds. Dat de beteekenis vandaar tot
dikwijls steeg, kan ons niet verwonderen. Dergelijke quantitative
bepalingen hangen van het gebruik af. In Groningen zegt men: ‘dit is
in opzigten waar,’ en men bedoelt: in sommige opzigten; ons
meermalen wordt te gelijk voor somtijds en voor meer dan
dikwijls genomen; in het Latijn is saepius minder dan saepe;
en eindelijk - een volkomen analoog geval - het Lat. subinde, somtijds,
is in Ital. sovente, Fr. souvent, tot den hoogeren trap van
dikwijls geklommen. Ons vaak mag dan met het Hoogd.
vielfach nagenoeg gelijk worden gesteld.
Vaken, zeide ik, was de eerste en echte vorm des woords. In
het oude Friesch luidde het faken, en die vorm is nog heden in
Oostfriesland, vâken in het Hannoversche vorstendom Grubenhagen
bewaard
2).
Plantijn kent geen anderen
| | | |
vorm dan
vaken,
Kiliaen heeft vaecken, vaken, en
daarnevens vaecke, vake, vaeck. - Vaken verliep, door de gewone
weglating der n, tot vake, dat op zijne beurt, door de even
gewone weglating der stomme e, tot vaak inkromp. Het was ten
gevolge dezer dubbele afkapping, dat het woord zijn oorspronkelijk karakter als
verbogen naamval zoozeer vergat, dat het onbeschroomd de vormen vaker en
vaakst aannam, … en juist daardoor des te bruikbaarder werd.
Men ziet, vaak is een volbloed Nederlander, bekwaam om goede
diensten te doen. Mogt men er vaker gebruik van maken!
|
1)Verhandeling over de Geslachten,
bl. 308.
2)Aantt. op Huyd. Proeve,
bl. 5.
1)Zie mijne Proeve van Mnl.
Taalzuiv., bl. 57, en verg. bl. 3, aant. 1, en bl. 64 vlg.
1)Het oude onscheidbare voorvoegsel
â, dat in het Gothisch en Oud-Noordsch niet bekend was, komt in
het Angelsaksisch en Oud-Saksisch, in het Ohd. en Mhd. meermalen voor: in de
beide eerste talen alleen bij werkwoorden, in de beide laatste alleen bij
naamwoorden. Het had zoowel eene versterkende als eene ontkennende kracht, even
als in het Lat. ex zich die beide opvattingen vereenigen (verg.
excelsus en excors). Het Ohd. bezat een aantal voorbeelden, als
âbulgî, âkust, âmaht, âteilo, âwiki
enz. Zie Graff, I. 15-18, Grimm, D. Gr. I 2.
88 en vooral II. 704-707. In het Mhd. waren de voorbeelden reeds zeldzamer
( Benecke, I. 2). In het latere Hoogd. zijn zij nagenoeg geheel
verdwenen: alleen de volkstaal bewaart er hier en daar nog sporen van. In
het Mnl. is mij, buiten ons amachtich en het gewone abolge, geen
ander voorbeeld bekend dan het subst. asage, beuzelpraat, zotteklap, dat
ik aantrof in
Boendale's Teesteye, vs. 1619 en
2551, waar hij de dichters berispt,
Die asagen ende tureluren
Dichten vander avonturen,
en tegen dengene uitvaart, die de tien geboden niet
kende, maar wel ‘so vele aesagen’ wist te vertellen. In
gelijken zin kende het Ohd. âchôsunga, deliramentum, Mhd.
âsprâche ( Graff, IV. 506, Grimm, D.
Gr. II. 705).
Kiliaen vermeldt nog aweerd,
awegh en awijs, die tot de Brabantsche volkstaal moeten behoord
hebben, maar mij in Mnl. geschriften tot hiertoe niet zijn voorgekomen. Mogt
aan een mijner lezers een voorbeeld bekend zijn, dan houd ik mij voor de
mededeeling aanbevolen, ter inlassching in het reeds voltooide gedeelte van het
Mnl. Woordenboek. Het voorvoegsel a werd in onze taal later veelal
vervangen door ver, on of af. Zoo beantwoordt ons part.
verbolgen aan het oude subst. abolge, zoo kwam onmagtig
voor amachtich in de plaats, en asage verliep tot
avesaeghe, bij Kil. absurda narratio, sermo absonus,
enz.
2)Aantt. op S. Christina, bl.
430.
1)Verhand. o. d. Gesl., bl. 97-99,
N. Verscheid., IV. 179 vlgg.
2)Ook de Teuthonista schrijft
amborstych.
1)Verg. ook
Clarisse op Broeder Gheraert's
Natuurkunde, bl. 379 vlg., en
Grimm, D. Wörterb. II.
373.
1)Op gelijke wijze stonden 't Mnl. de drie
vormen verste, varste en vorste nevens elkander.
1)Ook de twijfelingen van Prof.
Bormans (op S. Christ., bl. 490)
omtrent berste en borste zullen door het hier aangevoerde wel
opgelost zijn.
2)Elders heet het ook waters breke,
als bij Maerl. Nat. Bl. II. 3186. De vereenigde zegswijze in
breken ende in bersten, in gebrek en behoefte, vindt men D. Doctr.
III. 590.
1)De Denen en Zweden evenzoo
smudstitel en smutstitel. Hoe de Italianen en Spanjaarden het
noemen, heb ik niet kunnen opsporen.
1)Men vergelijke zamentrekkingen als kraf,
kroot, brat, plei, krent, voor karaf, karoot, borat, polei,
korént, of kroon, kleur, krant, uit couronne, couleur,
courant, enz.
1)A.L. Lavoisier,
Opuscules physiques et chimiques (2 e éd., Paris,
1802), p. 5.
2)J.B. van Helmont,
Ortus Medicinae, i. e. initia physicae inaudita (Amst. 1652), p. 86,
col. 2. Ik ben de aanwijzing dezer citaten, even als die van Kopp en
Lavoisier, aan mijn vriend Prof. P.J. van Kerckhoff te
Groningen verschuldigd.
1)Notions élémentaires de
linguistique (Brux. 1834), p. 193. Het verhaal omtrent den oorsprong van
den naam falbala vindt men o. a. in Taalk. Mag III. 303 vlg. Doch
men vergelijke daarmede
Diez, a. w. bl. 137, en vooral
F. Génin, Récréations
philologiques (Paris, 1858), I. p. 9-11.
1)Guil.
Baudartius, Memoriën ofte Cort
verhael der Gedenck-weerdighste soo kerckelijcke als wereltlijcke
gheschiedenissen van Neder-land, enz. (1624), Deel II, 13 e Boek,
bl. 117-123.
1)In de Voorrede zijner Chronijcke van de
gantsche Werelt, ende sonderlinghe an de seventhien
Nederlanden.
1)Prof.
Serrure's Vad. Mus., II 229.
1)L. van Aitzema,
Saken van Staet en Oorlogh, III. 1111. a.
3)Dat ik in de verklaringen van
Tuinman en
Bilderdijk geen genoegen neem, behoeft
naauwelijks gezegd. Zie Taalk. Mag., IV. 698 en I, 33.
2)Gloss. Germ. in v. Ausbund.
Ook het Uitl. Woordenb. op Hooft (IV. 152) vereenigt zich met
die meening.
1)Adelung (I. 581)
noemt ze eene van
Wachter's ‘ gewöhnlichen
Grillenfängereyen.’
2)Proeve van Mnl. Taalzuiv., bl. 143.
De Heer
Van den Helm heeft in zijne geleerde
Proeven van Woordgronding, bl. 88-91, een aantal woorden bijeengebragt,
waarin de klank um voorkomt. Het zijn alle gewestelijke woorden, die,
voor zooverre zij ook in de algemeene taal zijn opgenomen, daar werkelijk
om vertoonen; drumpel is een plaatselijke vorm voor
drempel. Mijne opmerking wordt dus door deze woordenlijst ten volle
bevestigd.
1)Vergelijk hulde, menigvuldig,
veelvuldig, zullen, met houde, menichvoudich, veelvoudich, zollen
( zoude), enz.; durven, murw, snurken, turf, met dorven
( dorren), morw, snorken, torf, enz.
2)Van vreemde woorden, als munt, punt,
unster, is hier natuurlijk geene spraak.
1)Dezelfde overdragt had ook met het Mhd.
überbunt plaats, als b. v. de heilige Maria ‘ ein
überbunt’ van alle maagden genoemd wordt
( Benecke, I. 135).
1)Verg.
Grimm, Gesch. d. deutschen Sprache, s.
338.
2)Eene Ohd. glosse luidt:
‘ Moenia, fah, edificiorum.’ Zie Graff,
Diutiska, I. 261, en Sprachschatz, III. 410.
3)Benecke-Müller,
III. 200.
4)Richthofen, 731.
Verg.
Grimm, Deutsche
Rechtsalterthümer, 77.
5)Uitg. van
W. Dijkstra, bl. 137. Verg.
Epkema's Woordenboek, bl.
109.
1)Bosworth in v.;
Ettmüller, p. 337; Bouterwek, Gloss. op
Caedmon, enz.
1)Bij tijdvakken zou ik zeggen, indien
niet het gebruik aan tijdvak een te langen duur had toegekend.
2)Richthofen, 725;
Stürenburg, Ostfries. Wörterb., s. 50;
Schambach, Gött. Grub. Idiot, s. 256.
|
|