WERKWOORDEN VAN HERHALING EN DURING.In het jaar 1832 werden de bronnen voor de Nederlandsche taalstudie verrijkt met een belangrijk werk over bovengenoemde werkwoorden, door Dr. De Jager, onder den titel van ‘Proeve’ uitgegeven. De waarde of de belangrijkheid dezer ‘Proeve’ schijnt niet genoeg begrepen of erkend te zijn, anders hadde zij ongetwijfeld reeds eenige vermeerderde en verbeterde herdrukken ondergaan. Ik zeg vermeerderde en verbeterde herdrukken, want de geachte bewerker heeft niet opgehouden alles op te zamelen, wat hij tot die uitbreiding geschikt oordeelde, en dat deze opzameling in 28 jaren van veel beteekenis kan zijn, hieraan is niet te twijfelen. Dat velen zijner vrienden en hoogschatters van taalstudie hem meermalen uitnoodigden, om zulk eene vermeerderde uitgaaf te bezorgen, was toe te schrijven aan de hooge waarde, welke zij aan zulk eenen arbeid hechtten. Dewijl ik bij het lezen van oude schrijvers ook eenige dier
werkwoorden en sommige uitbreidingen op genoemde ‘Proeve’ verzameld
heb, ben ik door de Redactie van de Taalgids uitgenoodigd, die daarin mede te
deelen. Ik heb dit mij vereerend verzoek niet van de hand gewezen, omdat ik
meende door mijne mededeeling de aandacht van deskundigen op de behoefte eener
nieuwe uitgave van dit belangrijk werk te zullen vestigen, als ook om daardoor wellicht andere verzamelaars tot het zelfde doel uit te lokken, en aldus tot de samenstelling eener zoo mogelijk volledige lijst dier werkwoorden mede te werken, die zeer zeker door taalkundigen zal gewaardeerd en behartigd worden, en tevens om den schrijver der ‘Proeve’ de noodige belangstelling in te boezemen, om aan den wensch van velen te voldoen. Reeds heb ik in 1850 in den 4en jaargang van het Magazijn van Nederlandsche Taalkunde iets in het midden gebracht om het onderscheid te doen gevoelen tusschen de werkwoorden die frequentatief zijn òf in beteekenis òf in vorm. Ik wenschte hier nog bij te voegen dat ik met Dr. De Jager in gevoelen omtrent de noodzakelijkheid van een gelijktijdig bestaan van een frequentatief met zijn primitief meen te moeten verschillen. In genoemd werk toch wordt elk frequentatief van een primitief, als van een noodzakelijken begeleider, vergezeld, waardoor schijnbaar aangeduid wordt, dat er geen frequentatief zou kunnen bestaan, zonder een primitief tot oorsprong te hebben. Heb ik mij daarin niet vergist en was dit vroeger werkelijk de opvatting des schrijvers, dan twijfel ik dat zij bij hem nog de zelfde is, want waarom zou het volk niet even zoo frequentatieve vormen in de taal hebben kunnen voortbrengen, zonder aan primitieven te denken, als het primitieve vormen voortbracht, waaruit tot nog toe geene frequentatieven ontstonden? Men weet het, de ontwikkeling der taal gaat zelden langs logische wetten voort; van daar is het, dat hare samenstellingen somtijds zeer onlogisch zijn en dat vele woorden met hunne beteekenis niet overeenkomen, ja zelfs eenen actieven vorm met eene passieve beteekenis vereenigen. Ik voor mij ben dus van gevoelen, dat er frequentatieven zijn, waarvan de primitieven niet bestaan, en dat deze dus voor de eerste geen noodzakelijk vereischte zijn. Zoo heeft mijns bedunkens o. a. aarzelen (teruggaan) zonder
aarzen of aarsen bestaan, en wellicht is het voorbeeld van eersen, door mij opgegeven, door Bredero gesmeed om te kunnen rijmen op leerzen. Zoo ook denk ik dat entelen, fommelen en meer anderen werkwoorden met frequentatieven vorm, nooit een primitief gehad hebben. Is een werkwoord frequentatief in beteekenis, dan zal het wel degelijk een primitief tot grondslag hebben of gehad hebben, zoo als trappelen, beukelen, grabbelen, prikkelen, enz., doch heeft het slechts den vorm van een frequentatief, dan zal het primitief zeer dikwijls ontbreken. Wellicht zou het dus bij den herdruk van gemelde ‘Proeve’ niet af te keuren zijn, deze twee soorten van elkander te onderscheiden, om daardoor een beter licht over den aard dier werkwoorden te verspreiden. Om gelijken gang met genoemd werk te houden, zal ik echter den primitieven vorm, naast elk frequentatief, en de door mij in te lasschen werkwoorden tusschen [ ] plaatsen.
EERSTE AFDEELING.WERKWOORDEN OP ELEN.Bl. 1. Aarzelen - Aarzen. ‘Het werkwoord aarzen’ zegt de schrijver ‘komt in zamenstelling onderscheidene malen voor.’ Ook buiten samenstelling ontmoet men dit werkwoord, o. a. bij Bredero in de beteekenis van achteruitgaan, welke het in de voorbeelden, door Dr. De Jager opgegeven, niet heeft.
In dit voorbeeld heeft eerzen de zelfde beteekenis als het afgeleide aarzelen. Bij Lancelot ontmoet men ook den vorm arselen.
Bl. 2. Babbelen. - Babben voor zeveren. Van hier het subst. babbe voor speekseldoek. Als zij (de kinderen) noch besnot zijn en nauwelicks de quijl-babbe af-gheleght hebben Bl. 3. Bandelen. - Banden, dat is binden, vasthechten. Van het gebruik dezer woorden worden geene voorbeelden opgegeven. In geval de taalkennis niet veroorlooft, het werkw. bannen in den 3en persoon van den teg. tijd met dt geschreven te zien, dan zou het primitief banden in de volgende regels voorkomen:
Bl. 4. Bedelen. - Beden. Dat beiden de beteekenis gehad hebben van bidden, in godsdienstigen zin, wordt nog bevestigd door het woord bedelaar in de beteekenis van iemand, die ernstig bidt.
Voor het primitief heeft men nog de volgende voorbeelden:
Ibid. Bengelen. - Bengen. Dat deze woorden heen en weer gaan en doen gaan beteekent, wordt o. a. ook bevestigd door het volgende voorbeeld.
Ibid. Beukelen. - Beuken. Beuken is slaan en dus moet beukelen gedurig of bij herhaling slaan beteekenen. Dit laatste wordt zelden meer gehoord en zelfs daar waar het zeer goed te pas zou komen, maakt men liever van den primitieven vorm gebruik, zoo als in stokvisch beuken, dat waarlijk wel beukelen mocht genoemd worden. Beukelaar toont nog even het vroeger gebruik van dien frequentatieven vorm aan, welken men echter nog met verzachting der k tot g, in beugelen ontmoet, dat niet afstamt van beugel, want dit is verwant aan buigen, maar voor ons beukelen in de plaats is getreden, bij v.:
Het subst. beuk voor slag of stoot komt bij Bredero en bij Tengnagel voor. Zie mijn Woordenb. op Bredero op bueck. Bl. 6. [Bommelen. - Bommen]. Te bommelen als een hommel. Ibid. Bortelen. - Borren. Deze werkwoorden hebben ook de beteekenis van in oproer zijn.
Ook die van opschudding veroorzaken en van daar verder die van tieren, razen, als:
Volgens Kiliaan beteekent het ook vergrammen of vertoornen en bij uitbreiding woeden, woedend aanvallen, en zulks komt overeen met de volgende plaats:
Bl. 7. Brabbelen. - Brabben. Dat deze woorden verwarren beteekenen is op te merken in het subst. brabbeling, dat hier en daar voor verwarring gebezigd wordt, als o.a.
Ibid. [Brakelen. - Braken]. Bij Kiliaan vindt men het eerste in de beteekenis van: ‘door veel arbeid en nachtwaken de leden breken,’ dat is: afmatten en daardoor te gronde helpen, vernielen, verwoesten. Het bewijs dat breken vroeger deze beteekenis had, vindt men in Reinaert, door Pr. Jonckbloet, vs. 2324; Maerlant, Sp. H. IV, bl. 252, vs. 94; Hooft, H. d. Gr. fo. 89; Staten-Bijbel, Ps. CIV, vs. 11, enz. enz.
Het primitief ontmoeten wij, behalven in ons nachtbraken, ook nog in Bredero:
Bl. 8. Brijzelen. - Brijzen. Van het primitief wordt geen voorbeeld aangewezen. Kiliaan heeft het in zijn woordenboek opgenomen. Men ont moet het in de volgende regelen:
Ibid. Brokkelen. Brokken. Het primitief, waarvan hier geen voorbeeld voorkomt, vindt men o. a. in C. Biestkens.
Bl. 9. [Buffelen. - Buffen]. De beteekenis dezer woorden is slaan, stooten, stompen, smakken, schieten, enz.
Het primitief boffen is nog in gebruik en tegenwoordig meestal in de beteekenis van onverwacht of bij toeval een goeden slag slaan, iets treffen, ergens in gelukkig zijn. Het subst. buffe komt als slag, stoot, stomp, reeds voor bij Lancelot.
Als men in het wilde rond slaat, of, zoo als men wel eens zegt, in het honderd slaat, dan weet men niet of men eenig doel treffen zal. Dit noemen wij ergens naar slaan, doch Bredero noemt het op de wilde bof doen. Zie mijn Woordenb. op Br. Van daar de uitdrukking dat men boft, als men zoo doende iets raakt of treft. Ibid. [Bunselen. - Bunsen]. Een fazel of on-gheboren kind, dat noch in de eerste windselen van de natuyre gebunselt light. Het primitief komt in den vorm van ponsen voor in Bredero, die, om den Amsterdamschen neusklank, dien de lagere standen in zijn tijd bijzonder veel deden hooren, na te bootsen, ng voor n schreef.
Somtijds schrijft hij het ook zonder neusklank, als:
De beteekenis is dicht inwikkelen, toestoppen, bedekken, enz. Ibid. Dabbelen. - Dabben. Bij Plantijn vindt men: met de voeten in het slijk dabbelen. Bl. 10. Dauwelen. - Dauwen.
De beteekenis, die Dr. De Jager op die werkwoorden toepast, verschilt van die in bovenstaande aanhalingen. Dauw'len metter hant zal wel niets anders dan betasten, bevoelen, en dauwen metten armen, niets dan drukken, omvatten, omarmen beteekenen, woorden, die allen aan elkander verwant zijn. Het woord dauwen dat voorkomt in het Belg. Mus., D. VIII, bl. 395, heeft weder eene andere beteekenis. Ibid. [Deekelen. - Deeken].
Het primitief is mij nog niet voorgekomen, ofschoon Kiliaan |
1) d.i. dauwt hem.
2) d.i. zij hem.
|
|
deken voor dekken heeft. Zou hier aan deuken kunnen gedacht worden? Ibid. [Deutelen. - Deuten]. Het werk (d.i. uitgeplozen touw) dat in 't schip gedreven wort, pik, teer, eens wel afgebrant en gedeutelt. Vergis ik mij niet dan is de zin deze: Het werk, dat in de naden van het schip gedreven wordt, daarna met pik of teer overstreken en dat later nog eens aangestooten of aangeslagen wordt. Deutelen beteekende ook in Witsen's tijd: kleine pennetjes slaan in de houten nagels, om de houtdeelen van elkander te verwijderen en daardoor aan die pennetjes meer klem en vastheid te geven. Hoe het zij, het denkbeeld van slaan, kloppen, tikken is in de beide beteekenissen heerschend. Van het primitief deuten is mij nog geen voorbeeld voorgekomen, maar wel van dutten, dat ook slaan beteekent en in Gelderland nog hetzelfde is als deuken, d.i. door slaan of stooten dutten (deuken) in iets veroorzaken. Want doe die ioden xpm ghevanghen hadden in cayphas huus in der nacht, bedecten si sijn aensicht en dutteden op sijn heylighe hoeft ende seyden: prophetier xpc wie wast, die u daer sloeg? Bl. 11. Dompelen. - Dompen. De beteekenis van uitdooven wordt bij Dr. De Jager gemist. Dat het primitief die beteekenis nog heeft weet ieder, die slechts aan ons woord domper denkt. De frequentatieve vorm, hoe zeldzaam gebezigd, komt echter voor in:
Bl. 12. Dremmelen. - Dremmen. De beteekenis is die van prangen, in gedrang, in verlegenheid
brengen, enz. Van den freq. vorm vindt men voorbeelden genoeg, maar van het primitief zijn zij schaarsch. Wij vinden het o. a. in Lancelot.
De vertaling is: dat hij nedergeveld was, bracht hem in groote verlegenheid. Bl. 13. Dreumelen. - Dreumen. Deze werkwoorden beteekenen eigenlijk dringen, op of ineendringen, op elkandar drommen, zoo als men ziet in:
Bij uitbreiding werd het ook gebezigd voor door wringen en draaien in hoekjes en gaatjes wegstoppen, waarvan eenige voorbeelden door Dr. De Jager worden opgegeven. Het woord dreumis, voor een kort ineengedrongen mannetje, schijnt hiermede verwant te zijn. Ibid. Drevelen. - Dreven. Drevelen komt ook voor als gaan, draven, drijven of snel en onvermoeid jagen, ook verwant aan dribbelen.
Bl. 15. Duizelen. - Duizen. Men kan hier het volgende voorbeeld nog bijvoegen:
Bl. 17, [Entelen. - Enten].
De beteekenis dezer werkwoorden is brommen, kijven, razen, knorren, waarvoor men in Schmeller's Bayerisches Wörterbuch I, 85, vindt änteln. Ibid. Faggelen. - Faggen. Dr. De Jager was ten tijde der uitgave van gedachte, dat deze werkwoorden zooveel beteekenden als het Eng. to fag, d.i. moede worden of bezwijken, ofschoon het door hem bijgebrachte voorbeeld daartoe geene aanleiding gaf. De volgende aanhaling schijnt eerder te wijzen op loopen, snellen spoeden, snorren, enz.
Fakken werd ook in plaats van faggen gebezigd, als:
Van daar beteekent op de faggel op den loop.
Voor faggen en faggelen zeide men ook fadsen en fartelen, en voor op de faggel ontmoet men ook op de fats en op de fartel. Fads jy lui voort, ik zal je gemaklijk onderhalen. Kom, gaen we op de fats. Ick, onnosele doos, teegh al mee op de fats. [Fartelen. - Farten]. En zey: wat meent den baas? wel hey! ik kan niet vliegen; Jy seldt op de fartel, of ick hekel jou ten huysen uyt. Ibid. [Fitselen. - Fidsen]. Zie ook Visselen. Altijd met onze Saartje te leggen fitselen en te fluisteren. ‘Echtscheiding van Jan Claasz en Saartje.’De beteekenis is blijkbaar hetzelfde, wat wij noemen feziken. Ibid. [Flichelen. - Vliegen].
De Hoogleeraar Schrant, die deze uitgave heeft bezorgd, verklaart flichelen een frequentatief te zijn van vliegen. Ibid. [Fommelen. - Fommen]. De mensch wil niet ghefommelt en gesleuyrt, maer gestreelt en geleyt werden. ‘De Brune, Bancket-Werck, I, 238.’Ibid. [Fritselen. - Fritsen]. Het eerst werd gebruikt door Dr. J.H. Halbertsma in de volgende regels: Aan Arthur wordt, door den Franschen dichter, hier het hoofdsiersel der Frankische Koningen toegeschreven, hetwelk bestond in lange haren, die gefritseld bij den rug nederhinghen. Dit werkwoord zal wel hetzelfde als het Fransche friser of het Eng. frizle zijn. Bl. 18. [Gabbelen. - Gabben]. Het eerste is in Overijssel nog in gebruik (zie Nieuw Nederl Taal-Magazijn, 3e Jaargang bl. 130). Het beteekent spottend of onbesuisd lachen, en komt meest in den vorm gabberen voor. Het primitief gabben vindt men in ons ginnegabben terug, als ook bij Anna Byns.
Bl. 19. [Gangelen. - Gangen]. Het eerste is nog in Overijssel in zwang, voor heen en weerloopen (zie N. N. T.-M., III, 131). Van het primitief vindt men o. a. de volgende voorbeelden.
Ibid. Gichelen. - Gichen. Bij deze werkwoorden wordt men verwezen naar gagelen, waarom ik de volgende voorbeelden van het gebruik van gichelen, als niet overbodig, aanhaal. Ick moet eens gaen hooren wat die twee daer so giggelen doet. Tussen giggelen en grijnsen.
Bl. 20, Gobelen. - Goben. Bij deze werkwoorden komen geene voorbeelden voor, waarom wij hun gebruik door de volgende willen staven.
Die een droncken Monick ende ongheleert buffel ergens op een St. Mertens avondt wtghegubbelt heeft. ‘Marnix, Biënkorf, 1569, bl. 81.’Bl. 21. Grabbelen. - Grabben. Het primitief, waarvan hier geen voorbeeld is opgegeven, ontmoet men in het Const-thoonend Juweel van 1607.
Bl. 23. Griezelen. - Grijzen. Het primitief ontmoet men o. a. in de volgende schrijvers.
|
1) Vermenigvuldigen, vermeerderen.
|
Ibid. Griffelen. - Griffen. Behalven de beteekenis welke de schrijver daaraan toekent, ontmoet men deze woorden ook in die van in de vuist lachen, en dan komt het overeen met gniffelen.
Bl. 24. Grimmelen. - Grimmen. De Brune, zegt Dr. De Jager, schrijft krimmelen; doch op eene andere dan de door hem aangehaalde plaats gebruikt hij ook grimmelen, als: Gheen zoo stercke ziele, die niet eenichsins door quaed ghezelschap besmeurt en begrimmelt werd. Bl. 25. [Grunzelen. - Grunzen].
Het goede moeitje die mij al grunselende meer dan tienmaal verzekerde, dat ik van harte welkom was. ‘Van Effen, Holl. Spectator, 1851, bl. 18.’Deze woorden schijnen de beteekenis te hebben van lieflijk neuriën of iets diergelijks. Bl. 26. [Gudselen. - Gudsen]. Deze woorden zijn reeds opgegeven bij gosselen. Het primitief wordt nog dagelijks gehoord, bijv. in: het zweet gudst mij langs de wangen. Het frequent. vindt men bij Kiliaan. Ibid. Guichelen. - Guichen. Het primitief ontmoet men in den volgenden regel.
Ibid. [Hadelen. Haden]. Deze werkwoorden beteekenen twisten, hatelijke aanmerkingen maken. Het frequentatief vindt mij in den Teuthonista. Het primitief hoort men nog dagelijks in den verzachten vorm van hajen. De d, dit weet men, wordt soms tot i of j verzacht, zoo als in doder, waarvoor men ook dojer schrijft. Zie hier nog eenige voorbeelden meer, waarin deze letterverwisseling plaats heeft: Verspreiden - verspreijen; loodhal - looihal, uitroeden - uitroejen; vermoeden - vermoejen; vlade - vlaje of vlaai; nader - najer, zie Hoeufft, Br. T. bl. 401. Ik zou daarom de spelling hajen boven haaijen verkiezen. Bl. 27. Hakkelen. - Hakken. Deze woorden beteekenen niet alleen in kleine stukjes hakken, zoo als Dr. De Jager zegt, maar ook toetakelen, vaneen of aan flarden rijten, scheuren, vernielen. Een paar voorbeelden zullen dit bevestigen. Want ic op een plancke te lande werde gheworpen int Konincrijc van Pentapolitanen, daer ic ghehackelt ende ghescheurt, ja gantsch naekt ende bloot van een visscher tleven ghesalveert werde.
Handelen. - Handen. Van het primitief vindt men nog het volgende voorbeeld:
Bl. 27. Haspelen. - Haspen. Deze werkwoorden zijn door Dr. De Jager niet opgenomen maar op bl. 224 aangehaald als van een zelfstandig naamwoord ontleend. Dewijl echter Kiliaan ook het primitief haspen heeft, kan de vraag omgekeerd worden, namelijk of het werktuig zijn naam niet van het werkwoord kan ontleend hebben? Bl. 29. Hinkelen. - Hinken. De schrijver geeft van deze werkwoorden geene voorbeelden op en maakt de aanmerking dat het in onzen tijd verouderd is. Men ontmoet het frequentatief o. a in:
Dat dit woord wel degelijk in ons vaderland blijft voortleven, kan men zien in het Nieuw Nederlandsch Taal-Magazijn, II, bl. 223, waar Dr. G.T. Callenfels spreekt van een perk, waar men hinkelt. Ibid. Hippelen. - Hippen. Een voorbeeld van het primitief vindt men in de volgende regels:
Bl. 30. Hoepelen. - Hoepen. Deze woorden beteekenen niet alleen met een hoepel spelen of met hem voortloopen, maar ook heen en weer of rond loopen. Een voorbeeld hiervan en van het gebruik van het primitief vindt men in:
Bl. 31. Hompelen. - Hompen. Het gebruik van het frequentatief vindt men o. a. in:
Ibid. Horrelen. - Horren. Hier ontbreken voorbeelden men ontmoet het eerste in:
Bl. 32. Huichelen. - Huichen. Van geene dezer werkwoorden zijn voorbeelden aangevoerd, van het freq. was zulks ook niet noodig, omdat men het nog dagelijks hoort gebruiken, maar het primitief is zeldzaam. Het komt voor in:
Ibid. Huppelen. - Huppen. Dewijl van het primitief ook hier geene voorbeelden voorkomen, halen wij de volgende plaatsen aan.
Ibid. Hutselen. - Hutsen. Het frequentatief komt o. a. voor in de volgende plaats:
De beteekenis van dit hutz'len zal wel verschillend zijn van die door Dr. De Jager aangegeven. (Wordt vervolgd). |