IETS OVER NOORDENWIND enz.Antwoord op vraag 16: ‘Bestaat er onderscheid van beteekenis tusschen zuider en zuiden-, ooster- en oostenwind; en zoo ja, waarin is het gelegen.’
Het eerste en voornaamste onderscheid tusschen de bovenvermelde
uitdrukkingen zal wel hierin bestaan, dat zuider- en
oosterwind volstrekt niet worden gebruikt, zoodat zuiden-
en oostenwind als de eenig gangbare moeten beschouwd worden. Doch
raad ik de bedoeling van den geëerden Inzender der vraag, dan zal hij
hebben willen weten, waarin het onderscheid bestaan zou, indien zuider-
en zuidenwind beide werkelijk in gebruik waren. In dit geval zou
zuiderwind dien wind moeten beteekenen, die naar het
zuiden waait en uit het noorden komt, en dien wij gewoon zijn den
noordenwind te noemen. Evenzoo komt de oostenwind
uit het oosten, en zou de oosterwind
naar het oosten moeten waaijen. Het is toch bekend, dat de
bijwoorden van plaats en ruimte, welke op r en er eindigen,
gebezigd worden bij de werkwoorden van rust om de plaats ‘waar’, en
bij de werkwoorden van beweging om de plaats ‘waarheen’ aan te
duiden. Zoo zegt men immers: Waar is hij nu, en
waar gaat hij naar toe? Zij woont daar, of
gaat daar wonen. Hij komt niet hier, maar hij is
reeds hier. De bijwoorden op n of en daarentegen
dienen om bij de werkwoorden van beweging de plaats te bepalen, van waar
de beweging uitgaat; hij gaat heen, d.i. eigenlijk: van
hier. Ik kom er van daan. Oudtijds zeide men voor
van hier altijd henen, wat nog niet geheel buiten gebruik is; en evenzoo bezigde men waan of wanen voor van waar, en daan of danen voor van daar. Al vroeg eehter is daarin verwarring ontstaan, zoodat men thans ook zegt: Ik ga hier van daan, voor henen, en: Toen hij dat gezegd had, ging hij terstond heen, waarbij heen niet altijd de plaats beteekent, waar de spreker zich bevindt, maar even goed elke andere plaats, waarvan sprake is. Hoe hooger men echter in de oudheid opklimt, des te naauwkeuriger vindt men het onderscheid in acht genomen. Het aangemerkte kan intusschen strekken om den waren zin van sommige woorden beter te vatten. Zoo moet de Zuiderzee in het oog der Friezen die zee geweest zijn, die zich van hun land af zuidwaarts uitstrekt, niet die van het zuiden tot hen komt; de Noorderkeerkring is die keerkring, die van den Evenaar af gerekend noordwaarts gelegen is. De Noord- en Zuidpool, konden als punten zonder uitgestrektheid, bezwaarlijk Noorden- of Noorder-, Zuiden- of Zuiderpool heeten. De Denen laten bij de Oost- enWestzee de richting onbepaald. Nog verdient het opmerking, dat de n een wezenlijk bestanddeel in de namen der winden uitmaakt, zoodat men buiten alle tegenspraak volgens de afleiding noorden-, zuiden-, oosten- en westenwind te schrijven heeft, en niet zooals men bij latere schrijvers wel vindt: noorde-, ooste-, weste-, zuidewind. L.A. t. W. |