NALEZING OP DE BIJDRAGETOT DE KENNIS DER NOORDHOLLANDSCHE VOLKSTAAL.Bellen, flarden, lappen, afgescheurde stukken. Van daar bellig, haveloos, met gescheurde kleederen. Zoo leest men bij Fokke: Het hoekje van den haard, 3e druk, Dl. II. bl. 241: nu zullen er straks eenige menschen komen, die er wel zoo wat bellig uitzien, want het zijn arme lui uit het Gasthuis …. die moet je vooral en vooral niet afwijzen. Biët, kroot. Boet, schuur achter het huis. Bollebuisies, poffertjes, broedertjes. Dit woord vindt men gebezigd door Bartelink, in zijn Beemster kermis, eerste dag:
Boot (de) krijgen, de weet, de boodschap, de tijding krijgen. Buul, meelbuil, en buien, bullen, contr. van buydel en buydelen, zoo als het bij Kil. voorkomt. Het laatste ontmoeten wij in den Sp. Hist. III. 86, vs. 1:
Buul, buultje, zak, beurs. kil. Buydel. Dameê, contr. van daarmede, terstond, dadelijk. Deun, grap. Aldus in Bred. Stomme Ridder, B. 1. ro:
Deunen, schertsen, in Hoofts Warenar, Bed. 1, 3:
en Brieven (Mengelw.) blz. 346: Wat leydt 'er den toekijkren aan, of het deunen of meenen zy, als de rol wel gespeelt wort. En in de beteekenis van beuzelen ald. bl. 289: Men deunt daar met geen' quakken, die een heele gemeente aan het hollen konnen helpen. Doetje, een onnoozel beuzelachtig meisje, dauwel. Aldus Tuinm. Spreekw. II. 62:
Dreigen, voornemens zijn. Aldus Pass. Somerst. fo. 54 ro.: Die heilighen ontboden hem. neemt recht oft die .x. dagen geleden waren. ende watstu dan dreyges te doen, dat doet op desen dach. Drijvend, ijlings, in aller ijl, op staanden voet. Komt |
1) [Nog een ander spreekw. van doetje
zie men bij Harrebomée. Men leest het naamw bij Krul,
Kl. v. Drooge Goosen, bl. 2:
Bilderdijk zegt, dat in zijn jongen tijd te Amsterdam zeer gebruikelijk was een malle doeze, 't welk hij door duize verklaart, van duizen, deuzen, d.i. dubben; zie Verscheid. IV. 9. Dit kan met doei, dui, zamenhangen. - A. d. J.] |
|
ook in die beteekenis voor bij P. v. Zeerijp, Arfleura en Brusanges, Bedr. 1, uitk. 3:
en later in Willem Leevend, dl. IV. bladz. 313: de baas uit de Gorterij zou zo drijvend zijn paard ophaalen. Vervolgens bij Fokke, Hoekje v. d. haard, 3e dr. II. 307: nou hoor, weetje wat, jij sinjeur zult zoo drijvend naar de kortegaard dansen. Evel, evenwel. Aldus Fokke, Londen 2e Druk, blz. 118: Daar is Koning Midas, die ik evel geloof, dat er al vrij wat beter van oordeelen kan als jij…… hij zei laatst nog enz. en Willem Leevend, III. blz. 192: Ik mag het evel, boven Dominé, boven Pompstok graag zien. Gedoente, manier of wijze van doen, bezigheden. Zoo leest men aldaar, Dl. V. blz. 281: ik weet dit in mijn eigen gedoente (bij mij zelven); want als ik zo in de boel zit, kan ik ook niet veel morgenspraak veelen. Ook wordt het in de beteekenis van beweging, rumoer, gebruikt: Wat was er een gedoente om zulk een bagatel. Glad of gladdendal, geheel, geheel en al. Ik was het glad of gladdendal vergeten. Zoo ook Hooft, Ned. Hist. blz. 217: De Zijp ging glad deur. Grimmelen, krielen, wemelen. Aldus Vond. Joann. de Boetg. (uitg. Schrant) B. 1, vs. 452: ‘Men zagh het grimmelen van allerhande liên.’Grins (een) (aan iets) hebben, er een hekel aan hebben. Fokke, Hoekje van den Haard, 3e druk. Dl, II. blz. 297: Wat zal ik arme ziel ook al veel krijgen, een' of anderen uitgemergelden havikneus van een' Koning of een' Keizer met scheeve beenen, daar heb ik toch nu ook reis een erge grins aan. Grunen, huilen, weenen. Heeren (de) Overheid, Magistraat. Dus Bred. Moortje, bl.26:
Van daar Heerenhuis voor regthuis, gelijk men het in de Beemster en Wormer noemt. Heibei, twistzieke vrouw, overdr. haneveer. Van daar heibeijen, dat voorkomt in Willem Leevend, Dl. VI. 275: Wel, ik word duivels in myn lyf, als ik je daar een welgekleede vrouw … als een regte helleveeg zie heibeijen en haar Man doet kyken als een Jongen, die een half vat t' huis brengt. Jonkspul, voorspel, jongelui's partij bij ondertrouwden, als ook bij andere gelegenheden. Dit woord komt bij de blijspeldichters hier en daar voor, o. a. Alewijn, De bedr. Woekeraar, blz. 9:
- Ald. blz. 45:
- Dez. Beslikte Swaantje, blz. 22:
Rotgans, Boerekermis, Boek 2:
Zie verder het Woordenb. op Bred. van den Heer Oudemans, die het door Boerenbruiloft verklaart. Kagchel, veulen. Keilen (tegen den grond), gooijen, smijten. Keuvel, vrouwenkaper. Weil. doch genoegzaam verouderd. In de spreekwijzen: hij zou kap 1) en keuvel weggeven. Hij zou je kap en keuvel van het lijf praten. Hij brengt kap en keuvel naar de maan. Met kap en keuvel met al wat er toe behoort, alles bij elkander, de heele rommel. Keuvel of kovel was bij de Ouden een kap of hoofddeksel in 't algemeen. Zoo lezen wij o. a. in Ein Jamm. Clage, in het Archief van den Heer Buddingh vs. 375: |
1) Kap is een vrouwenmuts, die aan het oorijzer
gehecht is.
|
Spiegh. Bijspr. Alm. Apr. 16: Die de koevel loeft, is de timp al quyt. Matth. An. Dl. I. blz. 33: geen en sel meer cleder geven ymant te drayen, het sij tabbert of covels dan sinen Dienres. En Pasquillmaecker voor den Duyvel, blz. 20: ‘So alsje dat meent so staje de kovel.’Bij de oudste schrijvers komt dit woord ook voor in de beteekenis van monnikspij en nonnenkleed 1) alzoo: Willem v. Oringen, Belg. Mus. Dl. VII. vs. 166:
Lancel. 3, vs. 16364:
Beatrijs, vs. 133:
Ald. vs. 681:
Sp. Hist. III. 304, vs. 42:
en Matth. An. V. blz. 123: In den selven jaer hebben die |
1) De nonnen droegen dat over de pelse. Z.
Beatrijs.
|
|
Nonnen van Sint Servaes hoer swarte covele verwandelt, ende hebben graeu abijt aangenomen 1) . Koveler, kovelaer, voor kloosterling, ontmoet men Lancelot, 3, vs. 16600:
en Pass. somerst. fo 95, vo.: doe dat die duuel hoorde riep hi ende seide. Ick en mach niet langer hier bliuen, om dat dese couelaren opstaen. Kieperen, gooijen, smijten. Kieper em 't gat uit. Kiepers spelen, met den bal spelen of kaatsen. Klakkebos, voetzoeker. Kil. en Weil. verklaren het door een houten koker (in Noordh. meestal van een vliertak gemaakt, dien zij proppenschieter noemen) waarin de jongens een prop doen, die door middel van een tweeden met geweld er uit gedreven wordt, hetgeen een klak of klap veroorzaakt. Klet, pret. Klipklap, oogenblik. Ieder klipklap loopt hij in en uit. Klip is klep en klap. Zoo zeide men oudtijds kliptanden, Winter en somer (Hor. Belg. VI.) vs. 43, klippertanden, kleppertanden z. v. Kil. Hor. Belg. Dl. XI. Lied 24, Coupl. 3 en Oudem. op Bred. Klipklappen, heen en weer drentelen. Aldus Gest. Rom. Cap. 84: die hi (t. w. de duivel) niet en can tot slapen of tot callen brenghen, die doet hi clijpclappen langhes die kerck. oft wter kercken gaen. Kloken (uit), uitwroeten, van daar: Kloker (pijpen), pijpuithaalder, pijpenvroeter om het klokhuis uit de pijp te halen. Z. Weil. |
1) In een geheel afwijkende beteekenis van hals-
of borstsieraad treft men dit woord aan in de Anal. van Matth. 80.
uitg. Dl. 1. blz. 33: Dese draegen in alle statien…. covels an
haren hals met silvere loveren, seer cierlijck gemaeckt en beslagen; en
lager: elck Overste hadden haer sulveren kovels an.
|
|
Klouwer, iets dat uitnemend, uitstekend of groot in zijn soort is: een Jan, een baas. Z. v. Weil. Knecht, in de beteekenis van jongeling, zelfs uit den aanzienlijksten stand, vinden wij Rose, vs. 7155:
en Brab. Yeest. 2, vs. 5261:
Knutterig, kneuterig, gemelijk, slecht gehumeurd. In deze beteekenis ontmoet men het ook in De Brune, Banketw. Dl. II. blz. 354: 't en is niet vreemd, dat de ouderdom kneuterigh en ghemelick is. Kokkerellen, spijzen gereed maken. Aldus Fokke, London 2e druk, blz. 165: Mercurius evenwel, die wat heel vies viel, en die oude luidjes zo zag kokerellen, was 'er toch niet best over in zijn humeur. Bij Kil. komt het voor in de beteekenis van gastereren, smullen, goede cier maken. Z. v. v. Hass. ald. Konkel, klap. Willem Leevend, I. blz. 270: Uw zoon wilde mij helpen; maar hij kreeg een ouwerwetze konkel met een: waar steek jij jou neus in jou Aapen kind? Konkelfoesen, iets in 't geheim verrigten, smokkelen, doch in een verzachtenden zin. Zie over de afleiding van dit woord v. Hasselt op Kil. en De Jagers Taalk. Mag. III. 490. Krentig, schraapzuchtig, vrekkig, inhalig. Willem Leev. II. blz. 76. Zij zijn stijlen van de Beurs en niet krentig of sikkeneurig. Kreuken, vouwen. Zoo zegt men: zijn goed of het tafellaken opkreuken. Dit woord, eertijds kroken, komt zoowel bij de vroegste als latere schrijvers in onderscheidene beteekenissen voor:
Van hier kroke, krooke, kroeck, kreuck, dat men bij de vroegere schrijvers in de volgende beteekenissen gebezigd vindt.
Krieuwen, kibbelen, krakeelen (van kinderen). Kruijig, prikkelbaar. Oudemans op Bred. i. v. kruydig. Kwakel, hooge smalle houten brug. Kwakkelen, sukkelen, wanneer men niet op zijn verhaal kan komen. Kwalijk, naauwelijks, ter naauwernood. Ik heb kwalijk een oogenblik rust. Aldus Brab Yeest. 6, vs. 768:
en Harduyn, Uitgel. Dichtst. blz. 34: Een overschoon stuck wercks vertoont hem in den hemel, Welck quaelijck yemandt siet. Kwikkelbrug, ophaalbrug (te Medenblik in gebruik.) Schoon het freq. kwikkelen mij nimmer is voorgekomen, schijnt het toch, volgens voornoemd woord, in gebruik geweest te zijn. Het prim. quicken, eertijds quecken of queecken, werd door de vroegste schrijvers niet alleen, maar ook door latere veelvuldig gebezigd, en wel in de volgende beteekenissen:
Den wortel queeck of quick van het l-5 voorkomend woord vindt men bij de Ouden ook in onderscheidene beteekenissen, als:
En de zamenstellingen Quekebarde, verkeerbord. Fr. trictrac. Z. Belg. Mus. VI. blz. 170. Quickhaghe, doornhaag. Z. v. Kil. en Meijer. Quickborne, fontein. Kil. Lev. van Jez. cap. 115: Mar die borne (het water) din ic hem gheuen sal, dat sal werden in hem een quikborne springhende ende gheuende den dranc des eeulecs leuens. Queckenoot of quekenoot, queckhoofd, in beteekenis hetzelfde als ezelskop, dus domkop. Hetzelfde treffen wij reeds aan in Ferg. vs. 396:
en Diet. Cat. vs. 118:
Na hetgeen door Dr. De Jager in zijn Nieuw Archief, blz. 240 en volgg. over de beteekenis van dit woord gezegd is, zou ik in die verklaring kunnen berusten; echter wil ik hier de vraag in 't midden brengen, of men het, als pars pro toto, even als clabotshoot, dat voorkomt in de Antw. Sp. v. Sinne 1562, fo. ff. 2 ro, manshoofd, wijfhoofd en zoo veel anderen, ook niet door beest of redeloos dier zou kunnen verklaren, en dan zou de zin van bovengenoemd vers zijn: hij is dwazer dan een redeloos dier of ezel. Misschien ook is quekenoot in Ferguut een contractie van queeckgenoot en dan zou men moeten lezen:
Zonder dit te willen beweren, komt het mij toch zoo onaannemelijk niet voor. Quicksand, stuifzand, Kil. Ten slotte vindt men quicks in de beteekenis van aardig, vrolijk, lustig, dartel, minziek. Warenar, Bedr. 1, 3: (Zij is) zoo quiks te vrijen als men een vrijster in 't landt ziet, en Bred. Sp. Brab. A. n. ro.: Mijn Moer die was een weeuw, die quicx en heet van bloedt was. Quicksheyd, aardigheid, levendigheid, tierigheid, lust. Hooft, Briev. (Mengelw., blz. 260): die wil van de May begeert, speele kort beraadt goed beraedt. Want zijn quiksheit is een korte vlaagh. Langen, voor geven, vindt men reeds in den Rijmb. vs. 1759: Dus langhede God sine name dare. Langen (iem. een pijl), een pijl op hem afschieten. Matth. Anal. II. blz. 73: doe riep hem Gijsbrecht toe wat hy daer dede, ende dat hy nijet naerre quam of hy woude hem een pijl langen. Lezen. Crispijn en Crispiaen 1708, Bedr. 2, T. 4:
en Bedr. 4, T. 1:
Loesem, klap, oorvijg. Meisen, voor dienstmaagd, treft men aan in den Bijb. van 1477, Ruth 2: ganc niet weg van deser stat: mer geselle di mit minen meysene. Met dat, zoodra als, te gelijk als. Met dat ik uit wou gaan, kwam iem. enz. Insgelijks St.-Bijb. Gen. XXXII, vs. 2: Ende Jacob seyde met dat hy se sag: Dit is een heyrleger Godes. Z. v. De Jager, Taalk. Handleid. Mettien, gelijktijdig, ontmoeten wij reeds bij de vroegste schrijvers, o. a. Rijmb. vs, 2677:
ald. vs. 10503:
en Sp. Hist. II. 47:
Muilpeer, hetz. als oorvijg, kaakslag. Coornh. Dl. III. fo. 497 ro.: Neemt daer een muylpeer, slockt die onghebraden. Murf, voor mond, vindt men in Willem Leevend, Dl. VI. bl. 276: haar murf staat geen oogenblik stil. Na, bijna. Aldus Grimb. Oorl. II. 2939:
Nooten, zijn gevoeg doen. Dit woord is mij in een geheel andere beteekenis en wel herhaaldelijk voorgekomen in Maerlants Nat. Bloeme, voor het verzamen of telen van dieren. Zie hier een paar voorbeelden tot staving. B. 2, vs. 600:
Ald. vs. 609:
Ald. vs. 1496:
en vs. 1892:
Bij andere schrijvers is mij dit woord in genoemde beteekenis nimmer voorgekomen 1) . Ofstiemen, hette afgeven. De kagchel stiemt of. Omzeggen, aanzeggen, rondzeggen. Oproerig Bommel, 1675, B. 1 vo.: dat aen de Borgery wiert omgeseit. Onderdaags, onlangs, dezer dagen. Onderdaags was ik op een koppie enood bij peet Breggie, en Bred. Kl. v. d. Koe, c. 3 ro.: Miewes het onderdaeghs een Kijnt t'huys ekreghen. Ongans, in de beteekenis van schadelijk voor de gezondheid, vinden wij in der Nat. Bl. 2, vs. 3826:
|
1) [Het werkw. nooten, dat eig.
paren beteekent, komt mede voor in Der Vrouwen Heimelykheid, vs. 52, met
den vorm ghenoeten. -
A. d. J.].
|
Ontdaen, ontroerd, ontsteld, aangedaan, van zijn stuk gebragt, buiten zich zelven. Het werkwoord ontdoen komt bij de Ouden in verschillende beteekenissen voor, als:
Onzienlijk, onoogelijk, slordig, vuil, haveloos. Dit woord treft men insgelijks bij de Ouden in onderscheidene beteekenissen aan, t. w.:
|
1) Bevuilde; het wortelwoord smelt
vindt men Nat. Bl. 2, vs. 3598:
|
Ja toter in der doot ure. Dits ene selsene nature Ende der zielen onsienlec mede, Nochtan eest een gemeen sede.en Seghelijn, fo. B. 6. vo. (Seghelijns) paert was totter doot Ghewont dattet niet mocht gaen. Seghelijn moestet laten staen Ende verweren hem te voet Want hem nv onsienlick stoet.
Onzoet, in de beteekenis van onaangenaam, vinden wij ook Hor. Belg. X. blz. 125, coupl. 3:
Oonen, lammeren werpen. Oonschaap, dragend schaap. Paartje, stukje, een boterham aan paartjes snijden. Bij Kil. vindt men paert en het w.w. paerten. Palmetatie of permetatie, voor parentage, maagschap 'twelk ook voorkomt in Willem Leevend, Dl. VI. blz. 378: Onze keukenmeid gaf in deze felle kou aan eene arme zieke vrouw, die nog zo wat van haar permentatie was, haar vierendeeljaars huur. Piesje. Dimin. van pies, stuk, brok, dat men vindt in Van ses articulen der werlt door W. van Hildegaersberch:
Plaam, duidelijk, klaar. Het is een verbastering van plaan, dat wij in die beteekenis ontmoeten: Gest. Rom. cap. 51: Dese moralizacie is slecht ende plaen. Voorts vinden wij het nog in hetzelfde werk gebezigd voor effen, gelijk, vlak: sy bestonden den breden planen wech te samen te gaen. cap. 67, en cap. 145: dese gheberchten, die verheven waren boven alle dat effen ende plaen des aertrijcx verstaen wi die edele ende machtige van die werelt. En in de beteekenis van volkomen, volledig opregt, ongeveinsd, Vlaerd. Red.-b. fo. T. 2, ro:
Plensen, (water) morsen, gieten, hoozen. Kil. heeft plansen, blansen 1) . |
1) [Plensen komt voor bij Vondel,
Virgil. bl. 157: Ghy moet noch eerst met riemen in de Siciliaansche
golven plenssen. Six van Chand. Poesy, 494:
In de volkstaal hoorde ik hiervoor wel flensen, d.i. op eene ruwe wijze storten of gieten. - A. d. J.]. |
|
Poestig, oploopend, driftig. Willem Leevend. Dl.II.blz. 76: Je weet, jen oom valt wat poestig, als er over het goede gesproken wordt. Ponder, unster, soort van evenaar, aan de eene zijde een haak, en aan de andere een gewigt, dat men af- en aanschuift. Kil. pondel, pundel, ponder, punder. Poortegaal voor heimelijk gemak. Deze benaming schijnt vroeg in gebruik geweest te zijn. Men leest reeds in de Spelen v. Sinne, Antw. 1562, fo. F. 3, ro.:
Porren, aan de huisdeuren kloppen of schellen om iemand te wekken. Portellessie, hetgeen het laatst uit de kaas gewrongen wordt. Puisjes vangen. Te Delft: bolkies vangen; te Rotterdam en te Arnhem: beldeurtje spelen. Puisten, ranselen, slaan, klappen geven. Pul, kuiken van een eend. Reg, rug, aldus Consth-th. Juweel:
V. Hass. op Kil. doch verkeerd toegepast. Roodhond, roodvonk. Ook bij Kil. Schooijen, bedelen. De Prins van Platte Marry, Bedr. 2, T. 5:
|
1) [Dus ook Gheschier, Proefsteen, bl.
185:
|
|
Schoppel, schommel. Schoppelen (prim. van schoppen), schommelen, op een schoppel of schommel heen en weer zweven. Beide woorden vindt men ook bij Kil. Schrobben, schurken, zich wrijven en bewegen, alsof men ongedierte aan 't lijf had. Z. v. Kil. Schroei ('k heb), 'k heb honger. Smoes, opgeraapt vertelseltje, leugen in een verzachtenden zin. Smoesen, hetz. als konkelfoezen. Stiemen, stoomen, damp geven. 't Water stiemt. Stond (op), dadelijk. Ik kom op stond. Stoof is de tronk of worteleind van een boom, dat men in den grond laat zitten, om op nieuw loten te laten uitschieten, die, jong van de wilgen of knootstoven afgesneden, tot het maken van manden, en grooter geworden, even als van de esschen en eiken stoven voor hakhout en takken-bossen gebezigd worden. Dit woord komt, zoo ver mij bewust is, in geen woordenboek voor, dat wel bevreemding moet wekken, daar het onder de landlieden zoo algemeen bekend en in huurkontrakten niet ongewoon is 1) . Hoewel het niet uitsluitend in Noord-Holland t' huis behoort, scheen het mij echter niet overbodig toe mijn bedenkingen daarover te dezer plaatse in 't midden te brengen. Het komt mij voor dat Maerlant in zijn Wapene Martijn daarop gedoeld heeft, wanneer hij schreef: coupl. 1, vs. 7:
|
1) b.v. De huurder zal het vierjarig hout mogen
hakken, en de doode knootstoven mogen uitroeijen, mits daarvoor eene
goede bekwame poot in de plaats stellende. [Het woord stoof is bij
Weiland niet geheel onbekend. Op stomp leest men in zijn
Woordenb.: ‘men geeft nog heden, even als ten tijde van Kiliaan,
in Vriesland den naam van stobbe, en in Neder-Saksen, en Zweden, dien
van stubbe, in Engeland dien van stub, aan de stomp van
eenen boom. De stompen der wilgen dragen in Holland den naam van wilgen
stoven.’ -
A. d. J.].
|
De Heer Verwijs verklaart in zijn voortreffelijke uitgave van genoemd dichtstuk dit plucken van den stove door iemand het stof van de kleederen vegen, overdr. pluimstrijken. Ik geef in bedenking, of de zin der gedachten niet beter zou uitgedrukt zijn door aan het woord stoof de bovengestelde beteekenis te geven. Men leest immers dan die aangehaalde verzen aldus: Ik zie dat de valschaards wel ontvangen of onthaald worden, die de heeren naar den mond kunnen praten, en zich alzoo de voordeelen ten nutte weten te maken, of eigenlijk er bij zijn, als er wat te halen valt. Wij zouden hier denken aan zoogenaamde klaploopers, of pluckers van den stove, zoo als dezelfde dichter ze noemt in zijn Verk. Mart. coupl. 1. De stoven leveren belangrijke voordeelen van de landgoederen op, en de bedoeling van M. kan (mijns bedunkens) dan niet twijfelachtig zijn. Of zou de dichter het ook welligt overdr, op den heer toepassen, dien de vlijers weten af te halen? Maar ook in dit geval blijft de stoof, als boven, de in den grond zittende tronk, die voortdurend, hoe ook telkens afgekloofd, nieuwe loten uitschiet. Strooijen, verliezen: 'k heb me geldbuultje uit met diessek estrooid. 'k Heb me leesboek, (d.i. gebedenboek) uit me tas estrooid. Stuiten, t. w. In de spreekwijze: hij stuit niet veel, er valt niet op hem te roemen. Aldus: Willem Leevend, dl. VII. 361: Ik had ….. altoos een hoop ryke lui's kinders meê, die niet veel stuitten. Stukjes draaijen, de school verzuimen. Z. over dit woord De Jager, Arch. I. 199. Teems, doorslag, haren zeef, bij Kil. Temet, in de beteekenis van terwijl vindt men reeds in: Maerl. Rijmb. vs. 9355:
Ting, tijding. Hetzelfde vindt men ook in oude blijspelen gebezigd. Z. 't Woordenboek op Bred. van den heer Oudemans. Tissen, harrewarren, stribbelen. Willem Leevend, D. II. blz. 75: Al dat tissen en kribben over de Schrift zal je nog gek maken. Toon, teen. De listige Juffer betrapt, 1733, Bedr. 2, T. 15: Hola! voorzichtig jy treed me op mijn toon. Troet, brij van meel en water bereid, waterbrij. Verbeurten (elkander), (iets) beurtelings of om beurten doen. Vergaan, veranderen, Rijmb. vs. 2137:
en overgaan. De Prins van Platte Mary, Bedr. 1, Toon. 2: Als wij 't wat meer gewoon zijn, zal dat wel vergaen. Verzeggen, vervloeken in een verzachtenden zin. Je zou 't wel verzeggen, om dien luiwammes meer goed te doen. Op de Veluwe wordt het als vloek gebezigd. Zoo zegt men: Ik bin verzeit als 't niet woar is. Vleugelen. De fijne Bedriegerijen ontdekt. Bedr. 3, T. 11: Ik zeg, gevleugeld, en te voet zal 't jou wel doen. Vloonen. Meerv. van vloo. Maerlant heeft vloen gebezigd in Der Nat. Bloeme. 2, vs. 3863:
Vrak, ziekelijk, sukkelend, zeer zwak. Weeg, wand, schutting, muur. Dit woord is mij, behalve bij Kil. nog voorgekomen Rijmb. vs. 11395:
vs. 11403:
vs. 11406:
en Evang. fo. 115. (Clign. Bijdr. blz. 74):
Zatter, overvloedig. Willem Leevend, VI. blz. 238: Waart gy in zo een staat niet, en was ik zo eene puntige huishoudster niet, die altoos zatter werk vindt, ik zou u dat eens anders beduiden. Zeven ('t is mijl op), 't is buiten de koers, geheel verkeerd. Zoo vind ik in 't zelfde werk. Dl. VII. blz. 359: Zie, neef, ik kan de schrift wel niet uitpluizen, zoo als de Dominees, die ook wel ereis de koers op zeven nemen. Zint, sedert. Dit woord is zeer oud en men vindt het reeds in den roman van Lancelot, 2, 42922:
en Limb. 9, vs. 943:
Zuimen. In de spreekwijze: je moet daarmeê niet zuimen, je moet er werk van maken, niet meê dralen. In de beteekenis van talmen, vertoeven vinden wij het in St. Bijb. Gen. 43, 10: Want hadden wy niet gesuymt, voorwaer wij waren alreede tweemaal weder gekomen. Zwaaijen, oploopen, van komen, plaats hebben. Daar zellen klappen zwaaijen. Zoo lees ik ook in Willem Leevend, Dl. VII. bl. 340: Zie, nigt, dan zwaait er nog wel eens een half elfje.
D. van Kalken. |