[p. 100]

NALEZING OP DE BIJDRAGE

TOT DE KENNIS DER NOORDHOLLANDSCHE VOLKSTAAL.

Bellen, flarden, lappen, afgescheurde stukken. Van daar bellig, haveloos, met gescheurde kleederen. Zoo leest men bij Fokke: Het hoekje van den haard, 3e druk, Dl. II. bl. 241: nu zullen er straks eenige menschen komen, die er wel zoo wat bellig uitzien, want het zijn arme lui uit het Gasthuis …. die moet je vooral en vooral niet afwijzen.

Biët, kroot.

Boet, schuur achter het huis.

Bollebuisies, poffertjes, broedertjes. Dit woord vindt men gebezigd door Bartelink, in zijn Beemster kermis, eerste dag:

      ik voeg mij bij de schaar
 Der kermisknapen, bij de bolle buisjens kramen.

Boot (de) krijgen, de weet, de boodschap, de tijding krijgen.

Buul, meelbuil, en buien, bullen, contr. van buydel en buydelen, zoo als het bij Kil. voorkomt. Het laatste ontmoeten wij in den Sp. Hist. III. 86, vs. 1:

 Hets menech te priesterscap gecoren,
 Die was in eene keete geboren,
 Ende cume hadde te siere noot
 Oint selues alf broot.
 Nu mach hi cume gebudelt eten.

Buul, buultje, zak, beurs. kil. Buydel.

Dameê, contr. van daarmede, terstond, dadelijk.



[p. 101]

Deun, grap. Aldus in Bred. Stomme Ridder, B. 1. ro:

      de eerste die hem sach
 Die gaf hem om den deun een stijve starcke slach.

Deunen, schertsen, in Hoofts Warenar, Bed. 1, 3:

      Ghy deunt 'er me, hoor hier,
 Let 'er iens te deegh op, alle jokke laet vaeren.

en Brieven (Mengelw.) blz. 346: Wat leydt 'er den toekijkren aan, of het deunen of meenen zy, als de rol wel gespeelt wort. En in de beteekenis van beuzelen ald. bl. 289: Men deunt daar met geen' quakken, die een heele gemeente aan het hollen konnen helpen.

Doetje, een onnoozel beuzelachtig meisje, dauwel. Aldus Tuinm. Spreekw. II. 62:

      Die een doetje trouwt om haar goedje,
 Verliest het goedje, en houd het doetje  1)  .

Dreigen, voornemens zijn. Aldus Pass. Somerst. fo. 54 ro.: Die heilighen ontboden hem. neemt recht oft die .x. dagen geleden waren. ende watstu dan dreyges te doen, dat doet op desen dach.

Drijvend, ijlings, in aller ijl, op staanden voet. Komt

 1)  [Nog een ander spreekw. van doetje zie men bij Harrebomée. Men leest het naamw bij Krul, Kl. v. Drooge Goosen, bl. 2:
 Neen, Goosen, ick raeje wel, gaet je liefde op sulck een meyt niet leggen,
 Och mijn lieve kynt hoe souje bewaert wesen met sulck een doetje - -
 Soo siet na een meyt die handen an 't lijf het, die ryen en omsien kan.
Het onverkleinde woord is doei, dat Coster heeft in Teeuwis de Boer, bl. 15: 't is waer oock, je bint maer een malle doey. - Anders deui, Westerb. Ockenb. 165:
 So werd de deuy gesocht, niet om haer vleesch of bloed,
 Niet om haer slechte vel, maer om haer geld en goed.
Dez. Ged. II. 47:
 - dat een oud man met een jonghe deuy gaet trouwen,
 Die goed noch bruyd-schat heeft enz.
Cats, in Galathee:
 Platgeduymde mellickdeuy,
 Pack u naer den boerenreuy.

Bilderdijk zegt, dat in zijn jongen tijd te Amsterdam zeer gebruikelijk was een malle doeze, 't welk hij door duize verklaart, van duizen, deuzen, d.i. dubben; zie Verscheid. IV. 9. Dit kan met doei, dui, zamenhangen. - A. d. J.]


[p. 102]

ook in die beteekenis voor bij P. v. Zeerijp, Arfleura en Brusanges, Bedr. 1, uitk. 3:

 Het schuw-snel-vluchtend hart en kon men niet bekomen,
 Door dien het zijn wijk had nae het geboomt ghenomen.
 En dichte struycken, daer het drijvend over sprongh:

en later in Willem Leevend, dl. IV. bladz. 313: de baas uit de Gorterij zou zo drijvend zijn paard ophaalen. Vervolgens bij Fokke, Hoekje v. d. haard, 3e dr. II. 307: nou hoor, weetje wat, jij sinjeur zult zoo drijvend naar de kortegaard dansen.

Evel, evenwel. Aldus Fokke, Londen 2e Druk, blz. 118: Daar is Koning Midas, die ik evel geloof, dat er al vrij wat beter van oordeelen kan als jij…… hij zei laatst nog enz. en Willem Leevend, III. blz. 192: Ik mag het evel, boven Dominé, boven Pompstok graag zien.

Gedoente, manier of wijze van doen, bezigheden. Zoo leest men aldaar, Dl. V. blz. 281: ik weet dit in mijn eigen gedoente (bij mij zelven); want als ik zo in de boel zit, kan ik ook niet veel morgenspraak veelen. Ook wordt het in de beteekenis van beweging, rumoer, gebruikt: Wat was er een gedoente om zulk een bagatel.

Glad of gladdendal, geheel, geheel en al. Ik was het glad of gladdendal vergeten. Zoo ook Hooft, Ned. Hist. blz. 217: De Zijp ging glad deur.

Grimmelen, krielen, wemelen. Aldus Vond. Joann. de Boetg. (uitg. Schrant) B. 1, vs. 452:

Men zagh het grimmelen van allerhande liên.’

Grins (een) (aan iets) hebben, er een hekel aan hebben. Fokke, Hoekje van den Haard, 3e druk. Dl, II. blz. 297: Wat zal ik arme ziel ook al veel krijgen, een' of anderen uitgemergelden havikneus van een' Koning of een' Keizer met scheeve beenen, daar heb ik toch nu ook reis een erge grins aan.

Grunen, huilen, weenen.

Heeren (de) Overheid, Magistraat. Dus Bred. Moortje, bl.26:

 Weet je wel 't is verboon, bij klockslach van de Heeren,
 Dat niemand, wie hij sij, moch loopen meer voor mom,
 Bij nacht nochte bij daagh.


[p. 103]

Van daar Heerenhuis voor regthuis, gelijk men het in de Beemster en Wormer noemt.

Heibei, twistzieke vrouw, overdr. haneveer. Van daar heibeijen, dat voorkomt in Willem Leevend, Dl. VI. 275: Wel, ik word duivels in myn lyf, als ik je daar een welgekleede vrouw … als een regte helleveeg zie heibeijen en haar Man doet kyken als een Jongen, die een half vat t' huis brengt.

Jonkspul, voorspel, jongelui's partij bij ondertrouwden, als ook bij andere gelegenheden. Dit woord komt bij de blijspeldichters hier en daar voor, o. a. Alewijn, De bedr. Woekeraar, blz. 9:

 Ik zal van avond noch een heele compagnie Boeren moeten gerijven.
 Want hier zal Jongspul zijn.

- Ald. blz. 45:

 En je moet je beide, als boeren gekleed, mede in 't Jongspel vertoonen.

- Dez. Beslikte Swaantje, blz. 22:

 Swaantje had ik aan myn zijde,
 Ja wel te weeten, toen 'k haar lijdde Naar 't Jongspul.

Rotgans, Boerekermis, Boek 2:

 'K zou Bregje Jans verlaaten,
 Mogt ik in 't Jonkspel slechts een uurtje met heur praaten.

Zie verder het Woordenb. op Bred. van den Heer Oudemans, die het door Boerenbruiloft verklaart.

Kagchel, veulen.

Keilen (tegen den grond), gooijen, smijten.

Keuvel, vrouwenkaper. Weil. doch genoegzaam verouderd. In de spreekwijzen: hij zou kap  1)   en keuvel weggeven. Hij zou je kap en keuvel van het lijf praten. Hij brengt kap en keuvel naar de maan. Met kap en keuvel met al wat er toe behoort, alles bij elkander, de heele rommel.

Keuvel of kovel was bij de Ouden een kap of hoofddeksel in 't algemeen. Zoo lezen wij o. a. in Ein Jamm. Clage, in het Archief van den Heer Buddingh vs. 375:

 1)  Kap is een vrouwenmuts, die aan het oorijzer gehecht is.


[p. 104]

 Der kouel hem ouer die ogen hinc,
 Dar he met zir hant zo vench.
 He deden af, und gruezten met sinne.

Spiegh. Bijspr. Alm. Apr. 16: Die de koevel loeft, is de timp al quyt. Matth. An. Dl. I. blz. 33: geen en sel meer cleder geven ymant te drayen, het sij tabbert of covels dan sinen Dienres. En Pasquillmaecker voor den Duyvel, blz. 20:

So alsje dat meent so staje de kovel.’

Bij de oudste schrijvers komt dit woord ook voor in de beteekenis van monnikspij en nonnenkleed  1)   alzoo: Willem v. Oringen, Belg. Mus. Dl. VII. vs. 166:

 Die meester wert harde gram;
 Hi seide: swiget des, goetman,
 Gi selt mi die covele laten,
 Ende uwe pelse, ende gaet uwer straten.

Lancel. 3, vs. 16364:

 Nu heeft hi die grise covle an,
 Ende es een begeven man.

Beatrijs, vs. 133:

 Die covel toch si ute aldaer
 Ende leidese op onser vrouwen outaer. - -
 Nu ginc si danen dorden noet
 Met enen pels al bloet.

Ald. vs. 681:

 Al dijn abijt vinstu weder
 Ligghen opten outaer neder,
 Wile, covele ende scoen
 Moeghedi coenlijc ane doen.

Sp. Hist. III. 304, vs. 42:

           alsi Gode ontfaen;
 Dan eist recht, dattem elc ontgort,
 Ende in die couele gha vort,
 Ende laten sijn vel buten bliven dan.

en Matth. An. V. blz. 123: In den selven jaer hebben die

 1)  De nonnen droegen dat over de pelse. Z. Beatrijs.


[p. 105]

Nonnen van Sint Servaes hoer swarte covele verwandelt, ende hebben graeu abijt aangenomen  1)  .

Koveler, kovelaer, voor kloosterling, ontmoet men Lancelot, 3, vs. 16600:

 - som riepense: Were, were,
 Hier comt de duvel, die covelère,
 Die ons gisteren menegen toren
 Dede (leed berokkende).

en Pass. somerst. fo 95, vo.: doe dat die duuel hoorde riep hi ende seide. Ick en mach niet langer hier bliuen, om dat dese couelaren opstaen.

Kieperen, gooijen, smijten. Kieper em 't gat uit.

Kiepers spelen, met den bal spelen of kaatsen.

Klakkebos, voetzoeker. Kil. en Weil. verklaren het door een houten koker (in Noordh. meestal van een vliertak gemaakt, dien zij proppenschieter noemen) waarin de jongens een prop doen, die door middel van een tweeden met geweld er uit gedreven wordt, hetgeen een klak of klap veroorzaakt.

Klet, pret.

Klipklap, oogenblik. Ieder klipklap loopt hij in en uit. Klip is klep en klap. Zoo zeide men oudtijds kliptanden, Winter en somer (Hor. Belg. VI.) vs. 43, klippertanden, kleppertanden z. v. Kil. Hor. Belg. Dl. XI. Lied 24, Coupl. 3 en Oudem. op Bred.

Klipklappen, heen en weer drentelen. Aldus Gest. Rom. Cap. 84: die hi (t. w. de duivel) niet en can tot slapen of tot callen brenghen, die doet hi clijpclappen langhes die kerck. oft wter kercken gaen.

Kloken (uit), uitwroeten, van daar:

Kloker (pijpen), pijpuithaalder, pijpenvroeter om het klokhuis uit de pijp te halen. Z. Weil.

 1)  In een geheel afwijkende beteekenis van hals- of borstsieraad treft men dit woord aan in de Anal. van Matth. 80. uitg. Dl. 1. blz. 33: Dese draegen in alle statien…. covels an haren hals met silvere loveren, seer cierlijck gemaeckt en beslagen; en lager: elck Overste hadden haer sulveren kovels an.


[p. 106]

Klouwer, iets dat uitnemend, uitstekend of groot in zijn soort is: een Jan, een baas. Z. v. Weil.

Knecht, in de beteekenis van jongeling, zelfs uit den aanzienlijksten stand, vinden wij Rose, vs. 7155:

 Waendi dat eene vrouwe scone
 Sal gheuen hare minne te lone
 Eenen knecht.........
 Die rike, behaghel es ende sot,
 Ende snachts gaet singhende achter straten.

en Brab. Yeest. 2, vs. 5261:

 Want Lodewijc….. ….
 was te jong een knecht
 Luttel meer dan x jaer out.

Knutterig, kneuterig, gemelijk, slecht gehumeurd. In deze beteekenis ontmoet men het ook in De Brune, Banketw. Dl. II. blz. 354: 't en is niet vreemd, dat de ouderdom kneuterigh en ghemelick is.

Kokkerellen, spijzen gereed maken. Aldus Fokke, London 2e druk, blz. 165: Mercurius evenwel, die wat heel vies viel, en die oude luidjes zo zag kokerellen, was 'er toch niet best over in zijn humeur. Bij Kil. komt het voor in de beteekenis van gastereren, smullen, goede cier maken. Z. v. v. Hass. ald.

Konkel, klap. Willem Leevend, I. blz. 270: Uw zoon wilde mij helpen; maar hij kreeg een ouwerwetze konkel met een: waar steek jij jou neus in jou Aapen kind?

Konkelfoesen, iets in 't geheim verrigten, smokkelen, doch in een verzachtenden zin. Zie over de afleiding van dit woord v. Hasselt op Kil. en De Jagers Taalk. Mag. III. 490.

Krentig, schraapzuchtig, vrekkig, inhalig. Willem Leev. II. blz. 76. Zij zijn stijlen van de Beurs en niet krentig of sikkeneurig.

Kreuken, vouwen. Zoo zegt men: zijn goed of het tafellaken opkreuken.

Dit woord, eertijds kroken, komt zoowel bij de vroegste als latere schrijvers in onderscheidene beteekenissen voor:



[p. 107]

  • 1o. Vouwen, plooijen. Z. Kil.
  • 2o. Deuken. Walewein, vs. 10069:
     Hi mochte an hen beden scouwen
     Die scilde dorsteken ende dorhouwen…..
     Die helme ghecrooct, ghefaelgiert.
  • 3o. Rimpelen, fronsen. Coornh. Dl. III. fo 566 vo.:
     Doctor Lapsalf…….
     Wert gram, schudde den kop, dede het voorhooft kroken.
  • 4o. Buigen, krommen. De Brune, Jok en Ernst: Even als de gene, die een krom hout willen rechten, 't zelve zooveel, ja noch meer ruggelinx overbuigen, als d'uiteinden daarvan innewaarts gekrookt staan. En overdr. intr. bij Hooft, Ned. Hist. blz. 82: D'Engelschen, te fier om te kreuken, braghten eensklaps de staapel in Oostvrieslandt.
  • 5o. Kwetsen, krenken, schenden, belemmeren. A. Bijns, Ref. c. 4, ro.:
     Al moghen sij mijn fame een weynich croken,
     Is God met mij, wie mach mij schaden.
    Fokkens, Kl. v. d. verliefde Grijsert B. 3, ro.:
     Komt mannen pakt hem, ik kan 't recht niet kreuken.
    en Heemsk. Minnek, (uitg. Groebe) blz. 51:
     Kreukt hare vrijheid niet met ongerust vermoen,
     Noch parst haer van haer wil geen reeckening te doen.
  • 6o. Verdraaijen, verminken, naar willekeur uitleggen. Kallefs-val, 1628 B. 2, ro:
    ….die 't Heiligh recht gaen kreucken onder 't schijn Van Godsdienst.
    en Vond. Joann. de Boetg. 1, vs. 66:
     Het Wetboek wordt gekreuckt. De trou is nergens veiligh.
  • 7o. Den moed opgeven, of verliezen, klagen, kermen. Jan Soet, Jochem Jool 1637, blz. 3:
     Niet te kreucken by gort, isser gien ghelt, 'k heb kleeren
     Al sou het rockje uyt, 'k moet noch de keel eens smeeren.
    Oudem. op Bred.
  • 8o. Wijken. Hooft, Ned. Hist. bladz. 357: En de Spaanschen,


[p. 108]

    hebbende den vyandt zoo naa niet gegist, stonden om te kreuken. Z. d. aant. op Dl. III. 8o. blz. 117.
  • 9o. Breken. Z. Bild. op Hoofts Ged. blz. 273, kroken de vriendschap, en Kil.
  • 10o. De kaart door kreuken, knepen of andere indruksels aan de keerzijde kenbaar maken. Oudem. op Bred. Z. v. Kil en 't Woordenb. op Hooft.

Van hier kroke, krooke, kroeck, kreuck, dat men bij de vroegere schrijvers in de volgende beteekenissen gebezigd vindt.

  • 1o. Deuk, plooi, vouw, rimpel. Vondel, Roskam:
     Hoe heeft hem Amsterdam ervaeren wijs en simpel,
     Een hooft vol kreucken, een geweten zonder rimpel.
  • 2o. Kromte, bult, uitzetting, bogt. Rose, vs. 5799.
     Tanderdeel van der koninghen…
     .. es ghedect arde qualike,
     Ende ne scijnt ne bore rike,
     Maer beuende ende zeere te broken,
     Cranc ende met groten croken,
     Ende ghescoort te menigher stat.
  • 3o. Haarvlecht, haarlok. Ferguut, vs. 2408:
     Ridder! het dunct mi onrecht groet.
     Ghi sout met rechte sijn calu voren,
     Ende ghi hebt uwen croec verloren.
    Sp. Hist. III. 85, vs. 33:
     Clerken sullen hem versamen,
     An gheselscap van goeder namen,
     Noch croke winden no toppen maken.

    Ald. blz. 90, vs. 15:

    Thaer gelu en ten crooc (gekruld).’ en Limb. II. vs. 1060:
     Het soude mi al mijn leven scaden
     Gavic u een haer ut minen croke.

Krieuwen, kibbelen, krakeelen (van kinderen).

Kruijig, prikkelbaar. Oudemans op Bred. i. v. kruydig.

Kwakel, hooge smalle houten brug.



[p. 109]

Kwakkelen, sukkelen, wanneer men niet op zijn verhaal kan komen.

Kwalijk, naauwelijks, ter naauwernood. Ik heb kwalijk een oogenblik rust. Aldus Brab Yeest. 6, vs. 768:

 Qualijc soe mocht hem ontdieren
 Enich dinc dat hem aan stoet

en Harduyn, Uitgel. Dichtst. blz. 34:

Een overschoon stuck wercks vertoont hem in den hemel, Welck quaelijck yemandt siet.

Kwikkelbrug, ophaalbrug (te Medenblik in gebruik.) Schoon het freq. kwikkelen mij nimmer is voorgekomen, schijnt het toch, volgens voornoemd woord, in gebruik geweest te zijn.

Het prim. quicken, eertijds quecken of queecken, werd door de vroegste schrijvers niet alleen, maar ook door latere veelvuldig gebezigd, en wel in de volgende beteekenissen:

  • 1o. trans. schudden, bewegen, slingeren met. Lancelot, 2, vs. 17246:
     Ende alse hi miste van dien,
     Die hem sine oegen hadde gesien
     Verkeren ende sine tanden daartoe
     Hadde gehort crieselen doe;
     Ende sijn hoeft queken tot desen
     Hi moeste van groter herten wesen,
     Hine hadde hem verveert.
    Aldaar vs. 41324:
     Gregorius sach wel daer terstont, Dat hem ne hulp en geen smeken: Mettien begonsti thovet queken.
    Ald. 3, vs. 13450:
     Ende had gedaen sijn helm goet
     Hi had hem toten tanden gecloeft.
     Ende Maurus queecte do sijn hoeft
     Ende scaemde hem harde sere daer.
    en Nat. Bloeme, 3, vs. 3288:
     Den steert queect hi (t. w. de papegaai) met ghenoechten groot,
     Ende strijckt hem dicke, en maect hem fijn.


[p. 110]

  • 2o. op en neer bewegen (gelijk de kwikstaart) heen en weer slingeren, slaan of zwaaijen. Tobias hond verblide sijnen staert queckende. (Tuinm. Fakkel), en Pass. Winterst. 1505 fo 13 v.: Doe die een bijl op sijn hoeft quicte, soe schutte een ander die slach.
  • 3o. Met levendigen ijver, met vlugheid tot stand brengen, bezorgen, beschikken. De Vries op War. Bed. 2. 1:
     Wat is er te quikken.
  • 4o. intr. (metten oghen) knip- of pinkoogen. Belg. Mus. II. blz. 434, vs. 89:
     Doen quicte metten oghen,
     Dat soete nonnekijn.
  • 5o. Snappen, klappen, snateren, kallen, schertsen, boerten, joelen, krioelen, dartelen, stoeijen, mallen, vrolijk zijn. De Brunes Jok en Ernst, blz. 28: toen zij eens al t'saam door lachen en queeken, gelijk als afgemat waren. En Minn. Loep. 2, vs. 4154, versta ik aldus: En een ieders hart van vreugde opspringe.
  • 6o. trans. herstellen, genezen. Lancelot 2, vs. 41820:
     Ende eer si comen mochten ter weren,
     Haddire .iiij. afgesteken:
     Daer was an sulken lettel queken,
     Want hi brac den hals int vallen,
    en 3, 14490:
     Datter nembermer an es queken,
     Want hi staken dor den scilt
     Ende dor den halsberch mit gewilt
     Dat spere dorden lichame woet.
     Die gene viel van den perden doet.
  • 7o. Verkwikken, opwekken, opbeuren, vervrolijken, de muisenissen in 't hoofd (Kil.) verdrijven. Bijb. 1477, 1 Kon. Cap. 16: so wanneer dat gods quade geest Saul begrepe, so nam David een harpe ende sloech se mitte hant: en Saul wort gequeect.
  • 8o. Opvoeden, opkweeken, aankweeken. Kil.
  • 9o. Begunstigen. Hooft, Ned. Hist. blz. 540: wie eeniger wijze den Prins oft Onroomschen Godsdienst queekte.


[p. 111]

  • 10o. Morren, zich verzetten. Vlaerd. Red. b. F. 3, ro.:
          als yemant te vele queckt
     Tegen ons voorstel, die zal ick daer mede wreet schenden.

Den wortel queeck of quick van het l-5 voorkomend woord vindt men bij de Ouden ook in onderscheidene beteekenissen, als:

  • 1o. Niet alleen voor vee, kudde, (Kil.) waardoor de verzamelende eenheid wordt uitgedrukt, maar ook voor ieder beest op zich zelf (blijkens quekenoot, contractie van queckenhoofd). Reinaert, Bijl. 3, vs. 14:
     Doe sprac Reinaert, te sinen spele,
     Als hi geswegen hadde een stic.
     Segt me oom es u dit quic
     Bevolen dat hier binnen geet.
    Leven van Jez. Cap. 115: bestu den meere dan Jacob onse uader, die ons deze putte gaf; ende hi drank er af, ende sine kinder ende sijn quick.
    Velth. 6, cap. 21:
     Des quecs werd oec vele verdoruen,
     Scape, coijen, verken storuen,
     In Brabant, te menegher stede …..
     Dat quec werd so onsalich doe,
     Ende so mager oec daer toe,
     Dats niemen en dorste eten.

    Lev. van St. Christ. vs. 172:

     Ende van Kerstinen vuechdensi ende wouden
     Dat si dat quec ter weiden soud leiden
     Ende oec soud hueden.
    Bijb. 1477. Gen. cap. 6: soe sulstu daer twe leiden in die arcke…. van der vogelen na haere geslachte: ende van de quicke in sijne geslachte: en Num. cap. 32: Wi sullen laten in den poorten van galaad onse cleyne kinderen ende onse wijuen ende onse quicken ende onse beesten.
  • 2o. Klein vee. Kil. Foetus, pullus. Z. v. Gl. Lek. sp., Kil.
  • 3o. Vluchtig gedichtje. Visscher, Brabbeling.
  • 4o. Grap.


[p. 112]

  • 5o. Beuzeling. Heemsk. Minned. (uitg. Groebe) bl. 175:
     Of sij geeft hem wel een strick,
     Of een neusdoeck of een quick,
     Die hy niet en soude willen
     Missen, om al 's werelds goet.
  • 6o. Geest, spook. Kil.
  • 7o. Adj. levendig, dartel, Vrolijk, lustig, welig, tierig, pril. Hooft, Ged. (uitg. Bild.) Dl. II. blz. 43:
     Tjeughdelijk jaar met zijn vroolijke tijen
     Is rechtevoort op zijn quikste te vrijen.
  • 8o. Spoedig, gezwind. Reimchr. von Fland. vs. 8579:
          die coninc........
     Soude hem heymelic senden naer
     D galoyse quic ende rasch
     Wel voorsien in 't haernasch.
    Z. v. Kil. en Dr. De Jagers Versch.

En de zamenstellingen Quekebarde, verkeerbord. Fr. trictrac. Z. Belg. Mus. VI. blz. 170.

Quickhaghe, doornhaag. Z. v. Kil. en Meijer.

Quickborne, fontein. Kil. Lev. van Jez. cap. 115: Mar die borne (het water) din ic hem gheuen sal, dat sal werden in hem een quikborne springhende ende gheuende den dranc des eeulecs leuens.

Queckenoot of quekenoot, queckhoofd, in beteekenis hetzelfde als ezelskop, dus domkop. Hetzelfde treffen wij reeds aan in Ferg. vs. 396:

 Die dorper versprac sinen sone:
 Ja, seit hi, quaet hoere sone,
 Wildi wesen ridders genoet,
 Gaet en hoet u queckenoet.

en Diet. Cat. vs. 118:

 Hijs dulre dan een quekenoot
 Die hoopt op ander mans doot,
 Want alle liede, jonc ende out,
 Sijn haers lijfs onghewout.

Na hetgeen door Dr. De Jager in zijn Nieuw Archief,

[p. 113]

blz. 240 en volgg. over de beteekenis van dit woord gezegd is, zou ik in die verklaring kunnen berusten; echter wil ik hier de vraag in 't midden brengen, of men het, als pars pro toto, even als clabotshoot, dat voorkomt in de Antw. Sp. v. Sinne 1562, fo. ff. 2 ro, manshoofd, wijfhoofd en zoo veel anderen, ook niet door beest of redeloos dier zou kunnen verklaren, en dan zou de zin van bovengenoemd vers zijn: hij is dwazer dan een redeloos dier of ezel.

Misschien ook is quekenoot in Ferguut een contractie van queeckgenoot en dan zou men moeten lezen:

 Gaet ende hoet u, queekenoot.

Zonder dit te willen beweren, komt het mij toch zoo onaannemelijk niet voor.

Quicksand, stuifzand, Kil. Ten slotte vindt men quicks in de beteekenis van aardig, vrolijk, lustig, dartel, minziek. Warenar, Bedr. 1, 3: (Zij is) zoo quiks te vrijen als men een vrijster in 't landt ziet, en Bred. Sp. Brab. A. n. ro.: Mijn Moer die was een weeuw, die quicx en heet van bloedt was.

Quicksheyd, aardigheid, levendigheid, tierigheid, lust. Hooft, Briev. (Mengelw., blz. 260): die wil van de May begeert, speele kort beraadt goed beraedt. Want zijn quiksheit is een korte vlaagh.

Langen, voor geven, vindt men reeds in den Rijmb. vs. 1759: Dus langhede God sine name dare.

Langen (iem. een pijl), een pijl op hem afschieten. Matth. Anal. II. blz. 73: doe riep hem Gijsbrecht toe wat hy daer dede, ende dat hy nijet naerre quam of hy woude hem een pijl langen.

Lezen. Crispijn en Crispiaen 1708, Bedr. 2, T. 4:

 'K docht, worter bij waereltse zoo geleezen,
 Wat moet er dan bij 't geestelyke weezen!
 Ik was schier bijster en half ontdaan,
 Zoo stemmig ging onze maaltyt aan.

en Bedr. 4, T. 1:

 Las hij deese middag, zoo deemoedig met een vals weezen,
 'k Wed hij deezen nacht nog devoter zal leezen.


[p. 114]

Loesem, klap, oorvijg.

Meisen, voor dienstmaagd, treft men aan in den Bijb. van 1477, Ruth 2: ganc niet weg van deser stat: mer geselle di mit minen meysene.

Met dat, zoodra als, te gelijk als. Met dat ik uit wou gaan, kwam iem. enz. Insgelijks St.-Bijb. Gen. XXXII, vs. 2: Ende Jacob seyde met dat hy se sag: Dit is een heyrleger Godes. Z. v. De Jager, Taalk. Handleid.

Mettien, gelijktijdig, ontmoeten wij reeds bij de vroegste schrijvers, o. a. Rijmb. vs, 2677:

 Dyna, siere dochter, luste mettien
 Dat volc van den lande besien.

ald. vs. 10503:

                     Mettien
 Scaerde David sijn here in drien.

en Sp. Hist. II. 47:

           Ysacar heeftene versien
 Die Bisscop (Hoogepriester) onder dandere mettien,
 Ende vermeesaemde te hande
 Beede hem ende sine offrande.

Muilpeer, hetz. als oorvijg, kaakslag. Coornh. Dl. III. fo. 497 ro.: Neemt daer een muylpeer, slockt die onghebraden.

Murf, voor mond, vindt men in Willem Leevend, Dl. VI. bl. 276: haar murf staat geen oogenblik stil.

Na, bijna. Aldus Grimb. Oorl. II. 2939:

 Ende daer elc neven (den) anderen leet,
 Onderhorten si hem gereet,
 Dat si na waren gevallen.

Nooten, zijn gevoeg doen. Dit woord is mij in een geheel andere beteekenis en wel herhaaldelijk voorgekomen in Maerlants Nat. Bloeme, voor het verzamen of telen van dieren. Zie hier een paar voorbeelden tot staving. B. 2, vs. 600:

 Plinius seghet over waer
 Dat een kemel leeft .c. iaer,
 Eest dat hi in sinen aerde blyft;


[p. 115]

 
 Ende eest dat menne verdrijft,
 Dat si ne noten no ne riden.

Ald. vs. 609:

 Die kemel draghen, weet men wel,
 Xii. maende, en si noten
 Gaende, ende met langhe stoten,
 Ende dan sijn si in hemelicheden.

Ald. vs. 1496:

 Aristoteles schrijft te waren,
 Alse die soen sijn van tien iaren
 En van vyf iaren die hien,
 Dat si dan notens plien.
 Twee iaar noten si achter een,
 Elcs iaars in daghen tween,
 Ende oec nemmeer in elc iaar.
 Scamenesse hebben si en vaer
 Ende noten heimelike, twaren.

en vs. 1892:

 Turonius notet mede
 Recht na des menschen sede;
 Want si leghet onder ende hi boven.

Bij andere schrijvers is mij dit woord in genoemde beteekenis nimmer voorgekomen  1)  .

Ofstiemen, hette afgeven. De kagchel stiemt of.

Omzeggen, aanzeggen, rondzeggen. Oproerig Bommel, 1675, B. 1 vo.: dat aen de Borgery wiert omgeseit.

Onderdaags, onlangs, dezer dagen. Onderdaags was ik op een koppie enood bij peet Breggie, en Bred. Kl. v. d. Koe, c. 3 ro.: Miewes het onderdaeghs een Kijnt t'huys ekreghen.

Ongans, in de beteekenis van schadelijk voor de gezondheid, vinden wij in der Nat. Bl. 2, vs. 3826:

 Sijn adem es quaet, alst wel scijnt,
 1)  [Het werkw. nooten, dat eig. paren beteekent, komt mede voor in Der Vrouwen Heimelykheid, vs. 52, met den vorm ghenoeten. - A. d. J.].


[p. 116]

 
 Ongans en ghevenijnt.

Ontdaen, ontroerd, ontsteld, aangedaan, van zijn stuk gebragt, buiten zich zelven. Het werkwoord ontdoen komt bij de Ouden in verschillende beteekenissen voor, als:

  • 1o. Opheffen, te niet doen, Matth. An. II. blz. 38: dat (gebod) en mocht hij niet laten ondoen, ten ware bij wil ende consent des Hertogen van Oestenrijck.
  • 2o. Krachteloos maken. Sp. Hist. III. 302, vs. 117:
     Mijn viant sach hem ondaen,
     Ende vlo henen van mi saen.
  • 3o. Ontzetten van, afzetten. Ald. Dl. I. 163, vs. 25:
     Doe quam met here van Babylone
     Nabugodonosor, die de crone
     Nieuwinge hadde ontfaen,
     Ende heuet van Egypten ontdaen
     Den Coninc.
  • 4o. Uiteendrijven, verslaan. Rijmbijb. vs. 7636:
     Gideon quam daer ter stede,
     Ende al dat here wart ondaen.
    Sp. Hist. I. 431, vs. 27:
     In desen heeft hi bestaen,
     Die meeste scare ende onghedaen.

    en Dl. IV. 18, vs. 15:

          die selue Mariaen
     Heuet die wandalen ondaen,
     So datter lettel ontreden.
  • 5o. Ontdoen (het van iem.) h. v. i. winnen, hem overtreffen. Gl. Minn. Loep.
  • 6o. Openen. Rein. de Vos, fo. 8, a. (aangeh. door Clign. in zijne Bijdr.) een hol - met menighen wtgangen, die hi ontdede ende ontsloot als hy noet of last vernam. En Sp. H. I. 11, vs. 13:
     Ih'c ontdede dat Paradijs
     Dien dieue, des sijn wi wijs.
    Z. v. Ypey, Taalk. Aanm.
  • 7o. Intr., opengaan, zich openen. Walew. vs. 254:
     Mettien wart walewein gheware
     


[p. 117]

 
    Sciere waer die berch ondede.
  • 8o. Trans. Losmaken, ontbinden. Bedied. d. misse, vs. 386:
     Ic ben niet wert, dat ic ontdoen
     Soude die riemen van sinen scoen.
    De Jager, Taalk. Handl.
  • 9o. Uitspreiden. Velth. 4, cap. 10:
     Doe hi dit sprac, hir en binnen Stoet een odeuaer op die kerke, Ende ontede daer sine vlerke, Ende besmelte  1)   daer, wel onsoeten, Van den hoefden totten voeten.
  • 10o. Ontknoopen, ontkleeden, z. Kil.
  • Onzienlijk, onoogelijk, slordig, vuil, haveloos. Dit woord treft men insgelijks bij de Ouden in onderscheidene beteekenissen aan, t. w.:

    • 1o. Gevaarlijk, hagchelijk. De Vries, op Der Lek. Sp. III. 4, vs. 409:
      So hi teerghelds bedarf min Soe daer meer na gaept die sin,
     1)  Bevuilde; het wortelwoord smelt vindt men Nat. Bl. 2, vs. 3598:
     Alse mense iaghet, werp si hare smelt
     Verre na hem met ghewelt,
     Daer si de iaghers en die honde
     Met stanke letten langhe stonde.
    en smelten, Kil. stercus liquidum egerere, Ald. vs. 3902:
     Experimentator seghet
     Dat die das te makene pleghet
     Hole, daer hi in rusten sal;
     So comt die vos ende onsuvert al. -
     Want die vos hi smelter in.
    Ald. B. 3, vs. 615:
     Dolie uten lampen (in de kerken) si (t. w. uilen) drinken
     En smelter in, ende doen se stinken.
    en vs. 1711:
     Eest dat hi smelten niet en can,
     Eens hanen galle gheeft hem dan,
     Of witte slecken ghesoden teten.
     Smelt hi te seere, du selt weten
     Hoe dat hi te stelpen si.


    [p. 118]

      Ja toter in der doot ure. Dits ene selsene nature Ende der zielen onsienlec mede, Nochtan eest een gemeen sede.
      en Seghelijn, fo. B. 6. vo.
      (Seghelijns) paert was totter doot Ghewont dattet niet mocht gaen. Seghelijn moestet laten staen Ende verweren hem te voet Want hem nv onsienlick stoet.
    • 2o. Geducht, vreesselijk, verschrikkelijk, schrikbarend. Sp. Hist. IV. 167, vs. 60:
      Voert seidi . . . . . . Van den Coninc Arture den vrijen. - Dat hi oec den Roemschen hereOntsienlike soude sijn in die were.
      en Velth. 4, cap. 70:
      In Brabant oec in desen tijt Was een weder….. So vreeslyc ende so onsienlike,Dat noit man vernam desgelike.
    • 3o. Wreed, ontembaar, wild, woest. Nat. Bl. 2, vs. 2720:
      Molosus, scrivet Adelinus hier, Es een seere onsienlijc dier.
      Sp. Hist. III. 57, vs. 10:
      Dit wel onsienlike diet Wart wassende ende hilden ouer tsine, Tlant beneuen den Rine Ende besittent met ghewelt.
      en Pass. Winterst. fo. 125, ro.: iohannes hadde dese duecht dat hi dieghene die harde onsienlic ware veroetmoedichde ende dedese hem ontsien.
    • 4o. Onzigtbaar. Ald. fo. 150, ro.: want hi dese heilige maghet niet alleen mit enen geesteliken en ontsienliken lichte gewaerdicht heeft te v'lichten, mer oic mede heeft haer gewilt met een sienliken lichte door die cracht sijns mogentheits te verlichten.


    [p. 119]

      En Coornh. Dl. III. fo. 11 vo.: Al wat Geestelijck is, dat is oock onsienlijck.

    Onzoet, in de beteekenis van onaangenaam, vinden wij ook Hor. Belg. X. blz. 125, coupl. 3:

     Al ist onsoet het is mi goet
     Mijn hert van di te brenghen.

    Oonen, lammeren werpen.

    Oonschaap, dragend schaap.

    Paartje, stukje, een boterham aan paartjes snijden. Bij Kil. vindt men paert en het w.w. paerten.

    Palmetatie of permetatie, voor parentage, maagschap 'twelk ook voorkomt in Willem Leevend, Dl. VI. blz. 378: Onze keukenmeid gaf in deze felle kou aan eene arme zieke vrouw, die nog zo wat van haar permentatie was, haar vierendeeljaars huur.

    Piesje. Dimin. van pies, stuk, brok, dat men vindt in Van ses articulen der werlt door W. van Hildegaersberch:

     Die dopen souden ende wijen
     Ende tghemene volck ten hemel wisen,
     Die rapen vast met groten pisen,
     Der Kercken goet in horen sack.

    Plaam, duidelijk, klaar. Het is een verbastering van plaan, dat wij in die beteekenis ontmoeten: Gest. Rom. cap. 51: Dese moralizacie is slecht ende plaen. Voorts vinden wij het nog in hetzelfde werk gebezigd voor effen, gelijk, vlak: sy bestonden den breden planen wech te samen te gaen. cap. 67, en cap. 145: dese gheberchten, die verheven waren boven alle dat effen ende plaen des aertrijcx verstaen wi die edele ende machtige van die werelt. En in de beteekenis van volkomen, volledig opregt, ongeveinsd, Vlaerd. Red.-b. fo. T. 2, ro:

     En voor al dese deucht. . . . . .
     Begeerden hy anders niet, dan gehoorzaemheyt plaen.

    Plensen, (water) morsen, gieten, hoozen. Kil. heeft plansen, blansen  1)  .

     1)  [Plensen komt voor bij Vondel, Virgil. bl. 157: Ghy moet noch eerst met riemen in de Siciliaansche golven plenssen. Six van Chand. Poesy, 494:
     Uw schuld, die 't heele land
     Steekt, in verwarden brand,
     In plensingh van duur bloed,
     En roovingh van groot goed.
    Schimmel bezigde het werkw. bedrijvend, Verspr. Ged. bl. 58:‘Ze. plenst het water in het vat.’
    In de volkstaal hoorde ik hiervoor wel flensen, d.i. op eene ruwe wijze storten of gieten. - A. d. J.].


    [p. 120]

    Poestig, oploopend, driftig. Willem Leevend. Dl.II.blz. 76: Je weet, jen oom valt wat poestig, als er over het goede gesproken wordt.

    Ponder, unster, soort van evenaar, aan de eene zijde een haak, en aan de andere een gewigt, dat men af- en aanschuift. Kil. pondel, pundel, ponder, punder.

    Poortegaal voor heimelijk gemak. Deze benaming schijnt vroeg in gebruik geweest te zijn. Men leest reeds in de Spelen v. Sinne, Antw. 1562, fo. F. 3, ro.:

     Hoo, hoo triekt hier al na poortegaelsche specie  1)  .

    Porren, aan de huisdeuren kloppen of schellen om iemand te wekken.

    Portellessie, hetgeen het laatst uit de kaas gewrongen wordt.

    Puisjes vangen. Te Delft: bolkies vangen; te Rotterdam en te Arnhem: beldeurtje spelen.

    Puisten, ranselen, slaan, klappen geven.

    Pul, kuiken van een eend.

    Reg, rug, aldus Consth-th. Juweel:

     Den Troostlosen Armen heeft genoech op sijn regge.

    V. Hass. op Kil. doch verkeerd toegepast.

    Roodhond, roodvonk. Ook bij Kil.

    Schooijen, bedelen. De Prins van Platte Marry, Bedr. 2, T. 5:

     Het beste van dit zoort loop alle daag hier schooijen.
     1)  [Dus ook Gheschier, Proefsteen, bl. 185:
     Nu moet hy (de knecht) den meester wrijven,
     En in sijne camer blijven; -
     Dan hem wachten op de sael
     Als hy moet naer Portegael.
               A. d. J.].


    [p. 121]

    Schoppel, schommel.

    Schoppelen (prim. van schoppen), schommelen, op een schoppel of schommel heen en weer zweven. Beide woorden vindt men ook bij Kil.

    Schrobben, schurken, zich wrijven en bewegen, alsof men ongedierte aan 't lijf had. Z. v. Kil.

    Schroei ('k heb), 'k heb honger.

    Smoes, opgeraapt vertelseltje, leugen in een verzachtenden zin.

    Smoesen, hetz. als konkelfoezen.

    Stiemen, stoomen, damp geven. 't Water stiemt.

    Stond (op), dadelijk. Ik kom op stond.

    Stoof is de tronk of worteleind van een boom, dat men in den grond laat zitten, om op nieuw loten te laten uitschieten, die, jong van de wilgen of knootstoven afgesneden, tot het maken van manden, en grooter geworden, even als van de esschen en eiken stoven voor hakhout en takken-bossen gebezigd worden.

    Dit woord komt, zoo ver mij bewust is, in geen woordenboek voor, dat wel bevreemding moet wekken, daar het onder de landlieden zoo algemeen bekend en in huurkontrakten niet ongewoon is  1)  .

    Hoewel het niet uitsluitend in Noord-Holland t' huis behoort, scheen het mij echter niet overbodig toe mijn bedenkingen daarover te dezer plaatse in 't midden te brengen.

    Het komt mij voor dat Maerlant in zijn Wapene Martijn daarop gedoeld heeft, wanneer hij schreef: coupl. 1, vs. 7:

     Ic zie de valscen wel ontfaen,
     Die de heren connen dwaen
     1)  b.v. De huurder zal het vierjarig hout mogen hakken, en de doode knootstoven mogen uitroeijen, mits daarvoor eene goede bekwame poot in de plaats stellende. [Het woord stoof is bij Weiland niet geheel onbekend. Op stomp leest men in zijn Woordenb.: ‘men geeft nog heden, even als ten tijde van Kiliaan, in Vriesland den naam van stobbe, en in Neder-Saksen, en Zweden, dien van stubbe, in Engeland dien van stub, aan de stomp van eenen boom. De stompen der wilgen dragen in Holland den naam van wilgen stoven.’ - A. d. J.].


    [p. 122]

     
     En plucken van den stove.

    De Heer Verwijs verklaart in zijn voortreffelijke uitgave van genoemd dichtstuk dit plucken van den stove door iemand het stof van de kleederen vegen, overdr. pluimstrijken. Ik geef in bedenking, of de zin der gedachten niet beter zou uitgedrukt zijn door aan het woord stoof de bovengestelde beteekenis te geven. Men leest immers dan die aangehaalde verzen aldus: Ik zie dat de valschaards wel ontvangen of onthaald worden, die de heeren naar den mond kunnen praten, en zich alzoo de voordeelen ten nutte weten te maken, of eigenlijk er bij zijn, als er wat te halen valt. Wij zouden hier denken aan zoogenaamde klaploopers, of pluckers van den stove, zoo als dezelfde dichter ze noemt in zijn Verk. Mart. coupl. 1.

    De stoven leveren belangrijke voordeelen van de landgoederen op, en de bedoeling van M. kan (mijns bedunkens) dan niet twijfelachtig zijn. Of zou de dichter het ook welligt overdr, op den heer toepassen, dien de vlijers weten af te halen? Maar ook in dit geval blijft de stoof, als boven, de in den grond zittende tronk, die voortdurend, hoe ook telkens afgekloofd, nieuwe loten uitschiet.

    Strooijen, verliezen: 'k heb me geldbuultje uit met diessek estrooid. 'k Heb me leesboek, (d.i. gebedenboek) uit me tas estrooid.

    Stuiten, t. w. In de spreekwijze: hij stuit niet veel, er valt niet op hem te roemen. Aldus: Willem Leevend, dl. VII. 361: Ik had ….. altoos een hoop ryke lui's kinders meê, die niet veel stuitten.

    Stukjes draaijen, de school verzuimen. Z. over dit woord De Jager, Arch. I. 199.

    Teems, doorslag, haren zeef, bij Kil.

    Temet, in de beteekenis van terwijl vindt men reeds in: Maerl. Rijmb. vs. 9355:

     En temet dat sie daer quamen
     Propheteerden si te samen.

    Ting, tijding. Hetzelfde vindt men ook in oude blijspelen

    [p. 123]

    gebezigd. Z. 't Woordenboek op Bred. van den heer Oudemans.

    Tissen, harrewarren, stribbelen. Willem Leevend, D. II. blz. 75: Al dat tissen en kribben over de Schrift zal je nog gek maken.

    Toon, teen. De listige Juffer betrapt, 1733, Bedr. 2, T. 15: Hola! voorzichtig jy treed me op mijn toon.

    Troet, brij van meel en water bereid, waterbrij.

    Verbeurten (elkander), (iets) beurtelings of om beurten doen.

    Vergaan, veranderen, Rijmb. vs. 2137:

     Nu suldi merken en verstaen,
     Hoe die tide sijn vergaen.

    en overgaan. De Prins van Platte Mary, Bedr. 1, Toon. 2: Als wij 't wat meer gewoon zijn, zal dat wel vergaen.

    Verzeggen, vervloeken in een verzachtenden zin. Je zou 't wel verzeggen, om dien luiwammes meer goed te doen. Op de Veluwe wordt het als vloek gebezigd. Zoo zegt men: Ik bin verzeit als 't niet woar is.

    Vleugelen. De fijne Bedriegerijen ontdekt. Bedr. 3, T. 11: Ik zeg, gevleugeld, en te voet zal 't jou wel doen.

    Vloonen. Meerv. van vloo. Maerlant heeft vloen gebezigd in Der Nat. Bloeme. 2, vs. 3863:

     Ende die vloen vlien sijn vel.

    Vrak, ziekelijk, sukkelend, zeer zwak.

    Weeg, wand, schutting, muur. Dit woord is mij, behalve bij Kil. nog voorgekomen Rijmb. vs. 11395:

     Sancta sanctorum ende sancta
     Schiet ene weech. . . . .
     Die al ghader cedren was.

    vs. 11403:

     Voor die weech hinc ene cortine.

    vs. 11406:

          men mochter dor sien.
     Die middelste weech al te male.

    en Evang. fo. 115. (Clign. Bijdr. blz. 74):



    [p. 124]

     So uele volx was indie stede,
     Dat arme lieden, tien stonden,
     Quaden tyt herbergen vonden;
     M' in enen ghemenen doreyang,
     Tuscen .ii. wegen te maten lanc,
     Daer .i. decsel bouen was. …
     Daer herbergheden si tier vren.

    Zatter, overvloedig. Willem Leevend, VI. blz. 238: Waart gy in zo een staat niet, en was ik zo eene puntige huishoudster niet, die altoos zatter werk vindt, ik zou u dat eens anders beduiden.

    Zeven ('t is mijl op), 't is buiten de koers, geheel verkeerd. Zoo vind ik in 't zelfde werk. Dl. VII. blz. 359: Zie, neef, ik kan de schrift wel niet uitpluizen, zoo als de Dominees, die ook wel ereis de koers op zeven nemen.

    Zint, sedert. Dit woord is zeer oud en men vindt het reeds in den roman van Lancelot, 2, 42922:

     Biden here, die mi geboet,
     Ende ten joncsten dage sal domen,
     Come datter af mach comen.
     Sint dat Walewein henen rijt
     Ic ben die na hem niet ontbijt.

    en Limb. 9, vs. 943:

     In Arrugoen hi mi ontbleef,
     Daer ic rouwe omme dreef,
     Dat hi met mi niene quam,
     Van hem ic noit sint vernam.

    Zuimen. In de spreekwijze: je moet daarmeê niet zuimen, je moet er werk van maken, niet meê dralen. In de beteekenis van talmen, vertoeven vinden wij het in St. Bijb. Gen. 43, 10: Want hadden wy niet gesuymt, voorwaer wij waren alreede tweemaal weder gekomen.

    Zwaaijen, oploopen, van komen, plaats hebben. Daar zellen klappen zwaaijen. Zoo lees ik ook in Willem Leevend, Dl. VII. bl. 340: Zie, nigt, dan zwaait er nog wel eens een half elfje.

     

    D. van Kalken.