[p. 125]

EENE VERTALING.

De Jood van Verona of de geheime genootschappen in en rondom Italië, historische Novelle uit de jaren 1846 tot 1849, door Antonio Bresciani. Vrij naar het Italiaansch. Met Aanteekeningen. Terborgh, R.T. Daamen, 1859.

 

Zoo luidt de titel van een werk, dat voor een maand of wat in de dagbladen werd aangekondigd. Ik vernam dit met genoegen, want het vermoeden rees bij mij op, dat aan het Hollandsch publiek werd aangeboden de beschrijving van de vele gebeurtenissen, die bij en na de troonsbestijging van Pius IX voorvielen, in een romantisch verhaal omkleed, dat in der tijd te Rome verscheen in de ‘Civilta Cattolica,’ het veel gelezen tijdschrift, van eenige kundige Jezuïten. Men had mij vroeger daarheen verwezen, toen ik wat naders wilde weten omtrent de juiste toedragt der zaken, waaruit zoo veel geboren werd, doch al hadden bezadigde personen mij dat stuk ook aanbevolen, om verschillende redenen was ik er niet toe gekomen genoemd verhaal ter hand te nemen. Naauwlijks had ik dus bovenstaanden titel gelezen, of ik besloot aan mijne weetgierigheid te voldoen, nu men zoo ongevergd aan mijne nalatigheid te gemoet was gekomen. En mijn vermoeden is niet alleen bewaarheid, maar mijne verwachting werd bevredigd, ja, waarom het verzwegen, ze werd overtroffen. Ik heb veel wetenswaardigs geleerd uit ‘de Jood van Verona’, want al is met den besten wil de draad van deze Novelle niet zoo gemakkelijk te volgen, als het om de feiten te doen is en om eene sierlijke schildering van de gebeurtenissen,

[p. 126]

zal men het boek niet onvoldaan nederleggen, en wel het minst als men eens juist wil weten hoe verschrikkelijk de geheime genootschappen en de revolutionairgezinden te werk gingen om de goed geordende maatschappij het onderst boven te keeren.

Wij moeten dus de verdienste waarderen van uitgever en vertaler, die, dank zij de klimmende belangstelling, welke ook de Nederlanders voor de staatkundige verwikkelingen van Italië aan den dag leggen, deze Italiaansche Novelle aan ons publiek in duidelijke taal en netten druk aanbieden. Maar juist daarom spijt het mij, dat de overzetter zijn naam heeft verzwegen; ik ben over het algemeen afkeerig van ongeteekende stukken en groot vijand van valsche namen, en nog veel meer, wanneer het een zoo lezenswaardig geschrift geldt als ‘de Jood van Verona.’ Ik heb dan ook lang geaarzeld, of ik mij over dit boek zou uitlaten; ik nam het nogmaals op, en mijn besluit was genomen. Dit boek is veel te mooi door inhoud en vorm, dan dat men er niet het lezend publiek op aandachtig zou maken; de verdienstelijke Hollander, die ons uit het nederige Terborg zulk een vertaald werk toezendt, door hem verrijkt met eenige noodige Aanteekeningen voor het Hollandsche publiek berekend, mag wel geprezen worden. Bovendien noemde hij zich niet, zeker uit kwalijk geplaatste nederigheid, een deugd, die hij te ver drijft, even als de Italiaansche schrijver; deze toch zegt van zich zelven p. IX, dat hij is ‘ofschoon een wel geringe en nuttelooze knecht, toch ook priester en wel religieus,’ en iets verder laat hij er op volgen: ‘hij is, wat men een nul noemt.’ Dit is toch wel wat te veel gezegd van iemand, die een boek schrijft, als ‘de Jood van Verona’, waarin met zulke heldere kleuren ‘de schandbedrijven van Italie's meest beruchte sektarissen openbaar gemaakt worden.’

Over den inhoud van dit boek wil ik mij verder niet uitlaten; ik beveel het veilig een ieder aan, die van dien ooggetuige uit Rome de juiste voorstelling der bedoelde gebeurtenissen verlangt te weten; ik vat slechts de pen op met het

[p. 127]

oog op den vertaler, en wil aan toon en, hoe deze er in slaagde de Italiaansche Novelle in een Hollandsch pak te steken. Hier doet zich de vraag op, of onze Terborger voor zijne taak berekend was; en het antwoord is in het volgende vervat.

Nog zelden is mij bij het lezen van een Hollandsch werk zoo zeer de juistheid in het oog gesprongen van de woorden van Prof. De Vries, (Redevoering van 29 Oct. 1853, p. 15), ‘dat het innerlijke leven onzer taal nog bloeit in het bewustzijn des volks; onuitputtelijk in hare woordvorming, is zij rijk en verscheiden in beelden, overdragtelijke spreekwijzen en schilderachtige uitdrukkingen, krachtig is zij en gespierd, kernachtig en zinrijk, buigzaam en lenig, maar altijd helder, juist en naauwkeurig.’ Naar aanleiding van dit gezegde, wil ik eenige woorden en uitdrukkingen van den Jood mededeelen om het bewijs te leveren, dat onze taal leeft en bloeit, dat zij voortgaande met het volk in ontwikkeling, hulpmiddelen genoeg bezit om zich uit haar zelve te verrijken, hetzij door zamenstelling, hetzij door overzetting, hetzij door vertaling van de woorden, door onze naburen aan de nieuwe begrippen gegeven, hetzij ten laatste door die nieuwe woorden van de naburen, maar altoos gewijzigd, over te nemen.

Ik noemde het overbrengen van vreemde woorden, en had het oog op p. VI, ‘de bespraaktheid der dagbladerij is de leemten komen aanvullen;’ men ziet zoo wordt het vreemde journalistiek geweerd. Ik sprak van vertaalde woorden en bedoelde de ‘gebekte zuilen’ van p. 8; waarom toch niet, als wij van gegleufde zuilen spreken, de ‘columnae rostratae,’ die zuilen, waaraan scheepssnebben prijken, aldus vertaald? Het is waar, die nieuwe vorm levert aanstoot, doch dit is slechts voor ons; en zullen wij die zwarigheid niet voorkomen voor ons nageslacht, door zooveel mogelijk nu reeds in gebruik te brengen voor de in onze eeuw ontstane benaming binocle den oogverdubbelaar, dien p. 279, ‘onze held weder op den neus zette.’ Als ik de zaak goed doorzie, is het slechts de vraag van het gebruik, en juist daarom hindert mij op p. 263

[p. 128]

de titel aan Christus vereerd ‘in wiens dienst de non strijdt, onder de vanen van den Hertog der uitverkorenen,’ omdat tegenwoordig dit woord niet uitsluitend het begrip omvat van ‘aanvoerder van strijders.’ De klagt, dat de levendige twistgeschriften der godgeleerden onze taal met zoovele Grieksche woorden en uitgangen verrijken, is gegrond, en daarom kan ongodisme en ongodist, p. 81 met genoegen opgenomen worden, tenzij men de zamenstelling met niet verkiest, als het nietvolkje, p. 195. Onze vertaler vermeed even zoo het Fransche étiquette voor briefje, door met behulp van het Hollandsche cedel te spreken, p. 41 van ‘het cedeltje aan den voet van het schilderstuk.’ En elders vertaalt hij geregeld weg het Fransche canard voor een valsch berigt met ons eend, p. 312.

Overigens moet ik toegeven, dat hoe loffelijk de poging ook zij om vreemde woorden in onze taal over te brengen, er toch klippen zijn, waarop men ligt schipbreuk lijdt. Vooreerst kan men zich vergissen bij de vertaling, zoo als ik meen, dat op p. 112 ‘de oplossing van verschillende gegevens uit de astronomie’ nog niet beantwoordt aan het bedoelde problema; wij zullen ons dus vooreerst bij het oude vraagstuk bepalen. Ten tweede kan de zin van den nieuwen vorm, als door het gebruik nog niet geijkt, wel eens onduidelijk zijn; want al begrijp ik dat de vertaler in plaats van den vreemden uitgang studenten, spreekt van studieknapen p. 205 en van leszalen voor collegiekamers, van gemeenschappelijke plannen p. 127 voor republikeinsche en van ommezwaai voor revolutie op p. 318, ik vat niet geheel op p. 218 ‘het leger van Radetzky eenskiaps in de plaatsen zijner nederzetting verrast’, maar ik houd het voor cantonnement. Wat kan evenwel het onderstreepte nieuwe woord beteekenen op p. 112 in dezen zin? ‘Gene schilder is met zijn figuur begonnen, hij voltooit den gezigtsstand, drapeert de kleedij, schenkt meer bewegelijkheid aan de posen, meer uitdrukking van hartstogt en leven aan de tronie, om eindelijk aan al de vezelen het vuur in te storten, dat alléen bezielt,

[p. 129]

en dien geest met zijn stralenlicht en geheimzinnige taal, welke zonder van de gesloten lippen af te vloeijen, door oogen, houding en gelaatstrekken u als werkelijk toespreekt.’

Een derde gevaar, waaraan zich de maker van nieuwe vormen blootstelt, is dat de daaraan niet gewende lezer ze voor drukfouten aanziet. Zoo zou men al ligt oordeelen over de partijders van p. 107 voor partijgangers, maar in de lange lijst van Feilen zie ik het niet, zeker had de Terborger strijder, belijder en dergelijke voor den geest. Zoo is het nieuwe woord op p. 41 ‘Zuidsche bevalligheid, welke onze Noordsche taal niet bij magt is, zóo schoon terug te geven’ ook zeker goed gezegd, zoo als uit het tegenoverstaande blijkt, en beter dan de ‘zuid-vruchten’ van onzen Middellandsche-zeehandel.

Het behoeft naauwlijks gezegd te worden, dat onze taal een krachtig middel tot verrijking bezit in hare geschiktheid om door zamenstelling een ander woord te maken, dat natuurlijk de beteekenis van het enkelvoudige volgens vaste regels wijzigt. Hiervan maakte de vertaler ruimschoots gebruik; p. 19 ‘vervrolijk Uw vader’, p. 234 ‘de welvaart des vaderlands verhoopen’, zoo ook p. 61, 258 ‘met onzekeren tred vervordert onze jongeling den ingeslagen weg’; men ziet, het is eenvoudig voor opvrolijken, hoopen op, vorderen op; maar een weinig anders op p. 3 in deze stoute beschrijving van den Vesuvius ‘nachtelijke duisternis en de misselijkste stank begeleidden de rookwolken, die nu en dan nedertuimelden in de zee, zoodat deze alom scheen te branden en met den stoom harer uitwaseming den hemel verdonkerde; de onverbiddelijke vuurstroom stremt zijn wassenden vloed in een uitgestrekt moeras, alwaar de rollende lava met haar zand, sulfer en pek vermoddert’; hier is het voor tot modder worden.

Een aanhechtsel, dat zeer geschikt is om nieuwe woorden te maken, den uitgang heid liet onze taalkenner niet ongebruikt, wij vinden immers op p. 254 ‘potsierlijke avontuurlijkheid’,

[p. 130]

p. 256 ‘afgekeerdheid en verregaande minachting’, zoo ook spreekt hij t. z. pl. van ‘eene algeheele afgescheidenheid van de wereld’, waartoe het meisje overging, ‘dat door de natuur zoo kwistig met aanminnige bekoorlijkheden was uitgedost, lieftalig, levendig, onderhoudend ter taal’; en verder p. 261 ‘tot de driestheid des ongeloofs, tot versteendheid des harten’, en p. 266 ‘hij vermande zich tot iedere gebeurlijkheid’; dit laatste hoorde ik wel eens in den mond van het volk, waarom ze dus niet opgenomen, want wij hebben slechts af keer voor al die nieuwe woorden.

Welligt ligt het aan mij, maar ik kan maar geen vrede hebben met die verlengde uitgangen op igheid, ik vind het goed als men de naarstige, vlijtige of eendragtige jeugd prijst; maar met hunne naarstigheid wordt vlijtigheid noch eendragtigheid gewettigd, omdat wij reeds vlijt en eendragt hebben; ik weet wel, dat het gebruik reeds langzamerhand die verlengde vormen met eene kleine wijziging in beteekenis toeliet, maar juist daarom moet ik op p. 148 vromigheid en op p. 268 ‘maagdelijke schaamachtigheid’ veroordeelen, want daar ter plaatse vordert de zin hetzelfde, dat wij slechts door vroomheid en schaamte uitdrukken en niet die bedoelde gewijzigde beteekenis, even min als op p. 312 ‘het diploom der opregtigheid’ kan verdedigd worden, tenzij men met Duitsche gronden aankome.

Als een geschikt woordeken om langere vormen te maken bezigt onze vertaler het woord schap; waar wij in Hollandschen eenvoud zouden zeggen broederlijk, schrijft hij op p. 270 ‘zij hadden zich bij hoopjes van tien en twaalf broederschappelijk neêrgelegd’, en dat wij met kennis bedoelen, noemt hij op p. 303 ‘de oude kennisschap hernieuwen’, en in plaats van ons oude vergezellen zegt hij op p. 86 ‘om den kardinaal Mezzofanti naar zijn paleis te vergezelschappen’; welligt is het langere woord wel zoo eervol, maar mooi klinkt het niet.

Bedrieg ik mij niet, dan slaagde onze Terborger er in, naast het platte slagten, sprekende in figuurlijken zin, een

[p. 131]

wel zoo geschikt werkwoord te maken van slagtoffer, namelijk op p. 173 ‘zonder veel komplimenten aan de wraak der geheime genootschappen te slagtofferen’, terwijl de buigzaamheid onzer taal ten dezen wederom blijken kan, want op p. 257 maakt hij er weder een zelfstandig naamwoord van: ‘Ombellina kracht puttende uit den gestadigen omgang met God en door de algeheele slagtoffering van haar zelve, met heilige stoutheid uitgerust, trad de bevrienden van den ouden mensch met mannelijken tred in 't gemoet.’

Onze vertaler is over het algemeen een groot liefhebber van die woorden op ing, waar wij Hollanders meestal reeds door het werkwoord de handeling aanduiden; ik wil niet uitwijzen wat beter is, maar zeker langer dan ons dienstbetoon is op p. 248 ‘zij wordt snoeshanig gevierd en lofgeprezen om heur uitmuntende dienstbetooningen’; doch zoo doende kan men soms een begrip korter uitdrukken, als b.v. op p. 40 ‘de fikschheid van planopvatting van Michel Angelo’, of p. 138 ‘zamenzweringen, omvallende troonen, vlugtende koningen, verbranding hunner paleizen, bestormde vestingwerken, het bragt alom in het Westen een ontbinding, een verwoesting van standen te weeg’, dat ik anders zou gezegd hebben, even min als ik had durven spreken van ‘kardinaal Lambruschini, Pater Roothaan en soortgelijke zamenspannelingen tegen het leven des volks.’ Er behoort een goede pen toe, om zoo te schrijven, als op p. 15, waar Alisa ‘een klein Madonna-beeld ettelijke malen beschouwde met een gemengd gevoel van liefde en overgeving’ in dergelijken zin als op p. 257, ‘waar zij door stipte stilzwijgendheid, in- en uitwendige versterving aan de overige mede-novicen ten toonbeeld strekte.’

Ik schrijf daar mede-novicen en dit brengt mij twee even zoo gevormde nieuwe woorden voor den geest, de ‘zieke mede-zuster’ van p. 261 en de ‘zes mede-gezellinnen’ van p. 264.

Welligt werpt men mij tegen, dat in het laatste woord het voorgevoegde mede overbodig is; dit kan ik niet geheel

[p. 132]

ontkennen, maar de vertaler heeft zeker de kracht van het begrip op die wijze willen versterken. Om deze reden toch schreef hij naar ik gis op p. VII ‘van de verstrikkende sluipnetten der geheime genootschappen’, mij dunkt het eigenaardig bedekte en verborgene der middelen van die vereenigingen wordt des te duidelijker aangeduid door dit zamengestelde woord. Is niet evenzoo ons eenvoudige sul een veel zwakker scheldwoord dan ‘sulkerel! domkop! ezel!’ op p. 148, en wint niet de duidelijkheid der voorstelling door in plaats van ons oude kroeg te beschrijven, hoe men op p. 227 ‘in het kroeghuis de Ster snaauwde’, of vermijdt de vertaler niet dubbelzinnigheid, wanneer hij op p. 71 zegt, hoe ‘het liedgezang: Dáar, o volk van Rome, luidt’ en op p. 20 schrijft, dat Alisa ‘vlug den hoedband losknoopte en het hoofdkapsel wat gelijk streek.’ In mijn oog krijgt de voorstelling met zulke nieuwe woorden nieuw leven en kracht, even als op p. 283 in dat tooneel der Italiaansche vrijwilligers, die ‘vroeger van de jagt reeds kwamen met opengescheurde enkels en blazen aan de verzenen, en nu na een marsch, op verblomde blazen onder de voeten en likdoorns aan de teenen vet, zeep of varkensreuzel smeren.’ Van zulke overvloedige bewoordingen bedient zich onze Terborger herhaalde malen, als op p. 116, waar wij ‘eerst bij de groote ingangspoort het voorportaal bewonderen’, en op p 246, waar ‘de leugentaal al de vestingmuurwerken van Legnago heeft omgesmakt’, of op p. 313 toen ‘de Duitschers dank deze en gene wateroverstrooming duizendtallen soldaten verloren.’ Men ziet overal den zin tot duidelijkheid, dien wij anders niet genoeg waarderen, doorschemeren, en daar onze vertaler steeds zoo regelmatig te werk gaat in zijne zamenstellingen, zoo mag het ontstaan van dergelijke gezegden niet onopgemerkt voorbijgaan. Dit laatste woord doet mij denken aan den goeden smaak van onzen Terborger, die op p. 65 spreekt van ‘de gekandeerde pijnappelkern’; onder het geliefkoosde Italiaansche suikergoed behooren namelijk ook de pitten van de pijnappels, die men met kandijsuiker inlegt, welnu, is

[p. 133]

dat niet goed uitgedrukt? Niet alleen op deze wijze brengt deze Hollander onze moedertaal een eind verder, hij vormt geheel nieuwe woorden even logisch gedacht als geregeld zamengesteld, zoo wel voor nieuw ontstane zaken, als de benaming waterdraver op p. 172 voor een stoomboot, als voor oudere, zoo op p. 194 ‘al het uiterlijk van een waren beul of diefhenker’ en op p. 211 ‘deze halve woorden en schreeuwklanken’, sprekende van de voorafgaande woorden ‘Wat dingen! … Mirakelen!’

In het voorbijgaan stip ik een paar nieuwe vormen aan, die men niet zal verbieden, daar zij regelmatig ontstonden; ik bedoel op p. 254 ‘hij snuffelde en neuzelde gelijk een speurhond’; men ziet de zin verlangde een frequentatief om het voorgaande snuffelen, en de vertaler was dus geregtigd den noodigen vorm te maken van neuzen, en van dit verkregen regt gebruik makende, kon hij op p. 266 van ‘lastige neuzelaars’ spreken; ik zie, dat de buigzaamheid van het Hollandsch zoo ver gaan kon onder de Terborgsche pen, dat er nieuwe vormen ontstaan, al is de bestaande volkomen toereikend; zoo b.v. gebruikt hij op p. 145 naast ons vrijmetselaar ter afwisseling zijn vrijmetser, en p. 70 en elders eensslags naast ons eensklaps, dat even goed is, want tegenwoordig worden slag en klap toch door elkaâr gebruikt; wij moeten die nieuwe woorden opnemen, zij kunnen ons te pas komen, zoo als in onzen spoorwegtijd naast het oude buitensporig welkom zal zijn het op p. 269 figuurlijk gebezigde ‘uitsporige liefdesgeschiedenis of onzuivere wellust.’ Jammer dat dit boek niet eerder verscheen, in plaats van de ‘Maatschappij voor den werkenden stand’, dat zoo lang is, had men zeker het Terborgsche ambachtsmenschen van p. 294 aangenomen, want het oude ambachtslui klinkt wel wat plat. - Van ambachtslui gesproken, wat kan de vertaler bedoeld hebben op p. 67, waar hij ze opnoemt ‘gipsvormers, bronsbewerkers, modelstekers der Academiën’? Ik kan niet nagaan wat dit voor een ambacht is, die andere werklieden, die pleisterbeelden maken en de vormen daarvoor vervaardigen,

[p. 134]

ook die kopergieters, die in brons werken, zijn mij zeer goed bekend; te vergeefs sloeg ik mijn woordenboek van Führi op, en in gedachte aan het bladeren gaande in het Duitsche deel, viel mijn oog op het woord modelsteher, voor iemand die als model staat, doch ik sloeg terstond het boek digt, want wij hebben met geen Duitsch werk te doen, ‘de Jood van Verona’ is immers, het titelblad zegt het, uit het Italiaansch vertaald.

Met het bespreken van die nieuwe woorden, word ik te uitvoerig, ik zal het dus hierbij laten, en te meer kan ik dat doen, omdat de taal van onzen Terborger nog in haar ontstaan schijnt te zijn; want het zijn slechts enkele vreemde woorden, die hij weert, hij is niet afkeerig van bastaardwoorden, die hij dus nog niet naar zijn zin schijnt te kunnen vertalen. Zoo schrijft hij op p. 123 monstrueus, op p. 283 supplieken, en op p. 123, waar hij, met zeer heldere kleuren de apotheek van het Jezuïten-collegie schilderende, verhaalt, dat daar ‘tal van portretten en busten prijken van Hippokrates, Galenus, Averroës, Boerhaave en andere celebriteiten der genees en natuurkunde;’ even zoo op p. IX, waar de schrijver ‘die zich van Godswege aangedreven gevoelde de gebeurde buitensporigheden’ op te teekenen, zich vrijwaart tegen de ‘beschuldiging alsof hij schertsenderwijs de naakte waarheid in de fraaiste kunstkleedij van verdichte omstandigheden opdrilde’ zegt niet bevreesd te zijn ‘van met zoo vastberaden tred de onontwarbaarste doolhoven der ondeugd binnen te schrijden, want hij is een nul, en in die nulliteit ligt de grond zijner veiligheid.’

Even als het met de vrijheid, dat noodige beginsel van ons gemeenebest, onvereenigbaar was aan vreemdelingen het burgerregt te weigeren, zoo hebben onze voorouders er ook geene zwarigheid in gemaakt vreemde woorden, die de volken, waarmede zij het meest in aanraking waren, medebragten, met hen binnen te laten. Heeft men steeds het nut ingezien van het opnemen van vreemde bestanddeelen in de maatschappij, zoo is ook onze taal op die wijze niet weinig verrijkt.

[p. 135]

Op grond hiervan blijf ik nog even stilstaan bij eenige woorden van ‘de Jood van Verona,’ die ik in bescherming wil nemen, daar ze, ofschoon van Duitsche afkomst, door onzen Terborger naar ons taalgebruik gewijzigd in het Hollandsche boek staan. Het zou onbillijk zijn ze ook alle te weeren, onze taal behoudt immers zoo doende kracht en leven, bovendien zou het ondoenlijk zijn, reeds eenige zijn in gebruik in de grensprovinciën; ik weet wel, dat men zich in de schrijftaal vooral vroeger uitsluitend naar Holland geregeld heeft, maar nu geldt immers gelijkheid van regten voor alle gewesten, en men houde in het oog, dat hij, die te Terborg een Italiaansch boek vertaalt, (waarvan volgens berigt van den uitgever ook ‘eene Duitsche overzetting’ bestaat), zoo tusschen Deutichem en de Duitsche grenzen, waarvan hij slechts 5 mijlen verwijderd is, een zeer geschikt tusschenpersoon is om het Hollandsch op die wijze te verrijken. Maar er is nog meer, als men eenige provincialismen in een Hollandsch boek zet, als op p. 199 ‘de olde Gregorius XVI,’ op p. 287 mestgaffel, op p. 201 tabaksbuidel, of p. 148 wachtel, waar zullen wij dan de grenzen plaatsen van Germanismen? Men ziet het kan niet, waarom dus zwarigheid gemaakt tegen gezwind op p. 155, 236, 245 door den Terborger gebruikt, waar een goed Hollander het nooit bezigt, even min als gezwets in de beteekenis op p. 37, 35 of bereids p. VI, 269 en elders. Wij moeten voor die woorden, als ze toch reeds binnengekomen zijn, geen tollinie plaatsen, of waar zou men de palen tusschen Hollandsch en Duitsch zetten, want het Nederduitsch omvat immers zoo wel hetgeen in Rhijn-Pruissen gesproken wordt als het Geldersch, en zouden wij dus de woorden van onzen Terborger zoo meedoogenloos schrappen? Kortom, gebruiken wij zijne hulp en laat ons dankbaar zijn voor zijne vele nieuwe woorden!. Te meer daar hij steeds Germaansche woorden zoo weet binnen te brengen, dat men het niet merkt, en hetgeen de hoofdzaak is, dat de Hollandsche lezer het toch zal begrijpen.

Of zou men den Terborger niet vatten, als hij op p. 311

[p. 136]

losbarst met ‘Allemaal dom tuig zeg ik u! log rundvee!’ of wie verstaat niet wat een ‘professor in de mathematiek’ is, p. 142, of wat de ‘diepzinnige politikers’ zijn, die op p 55, 200, 222, 316 voorkomen. Dat alles is best te verstaan en zoo begrijp ik geheel en al ‘de aloude, sinds Clemens XIV van het paard tuimelde, onderbrokene kavalkade, waarbij iedere bisschop of prelaat vergezeld was van twee lakeijen, die de paarden bij den toom menden;’ men ziet uit den zamenhang dat die optogt in onbruik geraakt was, en dit drukte hij zoo uit. Het verband helpt ons alzoo op p. 32 ‘de duivelsvederen, die de edelste daden der pausen door stof en slijk gesleurd hadden,’ want er volgt op ‘de fijn en grof versneden pen der zoodanigen.’ Even zoo op p. 245 ‘dat beviel aan alle man, en daar kletste een ieder in zijne handen te harer eer,‘ wie zou dit niet begrijpen? Ik geef toe, dat iemand, die Hoogduitsch verstaat, de kracht van zulke woorden, als op p. 45, beter zal vatten ‘ze zijn sluw en arglistig, veinzaards en eerste guichelspelers, altoos vaardig.’ Niet alle onze landgenooten zullen aanstoot hebben aan p. 246 ‘Dat is het Jezuieten-Christendom, en gij - tot dat verheven, edel, goddelijk Christendom van Gioberti kunt gij u niet verheffen? Zoo veel te slimmer voor u.’ Maar begrijpen zal men toch wel de zwagerin van p. 235, 247, 253, hoe ‘die heilige grijsaard voor een tabernakeltje biddend op de knieën ligt, geheel in God als verzwonden,’ en hoe op p. 259 ‘die ziel gewoon is in hemelsche bespiegelingen verzwonden te leven.’ Elke Hollandsche lezer zal naar mijn inzien, van zelf vatten, wat p. 275 ‘zwart brood met een stukje schink voor den armen soldaat is,’ en hoe die mannen ‘tot kokhalzens toe zich de maag vullen,’ al is het geen van drieën juist Hollandsch. Hetzelfde geldt van p. 287, waar ‘vader en moeder strijken beide zachtjes op de teenen, bij iederen voettred stilstaande,’ men ziet ze immers voorzigtig voortsluipen? Op p. 65 blijkt van zelf ‘tegen deze linnen wanden glansde een aantal drie-armige spiegelkandelabres met meerdere vlamspuwende monden,’ waar ieder

[p. 137]

het schitterende van inziet. Evenmin is onduidelijk op p. 32 ‘door de eerbewijzen van liefkozing en vleitaal Italië's vorsten voor zich te gewinnen,’ waar het verband toont, dat wij van winnen zouden spreken. Hollandsch is het dus tot nog toe niet, even min de bemerking, die deze en gene maakte op p. 189, en op p. 18, waar Alisa ‘nu aan déze dan aan géne zijde (het portret) schouwt,’ of op p. 66 ‘al het schoone toch ook in zijn geheel overschouwen,’ dat zoo veel zal zijn als het rondschouwen van p. 204. De lezer zal al die plaatsen wel begrijpen, daarentegen durf ik onzen Terborger niet instaan voor p. 246, waar de vrijwilligers, die ‘hunne familie bij den afmarsch terugduwden’ p. 237, nu ‘ten oorlog varen;’ menige Hollander zal aan de hier misplaatste schuiten denken. Even zoo is ‘de bron op het Kapitool-plein’ op p. 192 onjuist, omdat het een fontein is, dat de Duitscher zoo mag noemen; daarentegen zegt de vertaler zeer goed op p. 64 ‘de villa, waar de bladeren en stoppels zorgvuldig weggeruimd en de fonteinen gekuischt werden.’ Maar nog gevaarlijker is het door onzen Terborger ingevoerde Germanismus op p. 40, waar hij de ‘ter St. Lukas-Akademie ingezondene kunstvoortbrengselen beschrijft; Podesti'S talentvolle rigting met haar koen geteekende kleederdragt, die bleeke zijden grond, die goud- en zilvervloer met pikant gebroken lichtstrepen; ginder Overbeck'S teedere manier, lieftalligheid op het gelaat, een zoeten lach om de lippen, die geestige trekken in de konturen;’ welk Hollander zou zich hier niet een vrolijk, geestig schilderstukje bij denken, zoo al geen lagchend Jan Steentje ten minste een geestig paneeltje van Teniers, en zeker zou niets ter wereld meer misplaatst zijn, want de bekeerde Overbeck maakt slechts historiestukken overvloeijende van hooger geest en hemelschen ernst. Duidelijk genoeg is het overgenomene ‘allerhoffelijkst begroeten der schildwachten’ op p. 7 en 303; zoo ook ‘de vlugtigste aanblik’ van p. 129 en 288, en ‘wild en woest en ongeloofelijk gruwzaam als wolven en beeren’ op p. 179. Als de Germanismen zoo gebruikt worden, moeten wij er

[p. 138]

ons niet ongerust over maken, of zoo als p. 292 staat ‘geen zorg hebben’ zij zullen ons niet ‘zoo uitermate beangstigen,’ p. 207, en daarom behoeven wij niet aan de zuiverheid onzer moedertaal te vertwijfelen, p. 183, want zij zal met hulp van den Terborger door de nieuw opgenomen woorden bloeijen, en even als die tuinen gaan p. 66 groenen, met in- en uitlandsche fijne ‘bloemen en boompjes versierd.’ Men ziet, dat in- en uit laat zich goed zamenstellen, en zoo ‘dankt onze held God inwendig’ op p. 266. Wij Hollanders zeggen dat alles wel anders, maar ‘wat maakt het,’ zoo als de vertaler zich p. IX uitdrukt. Ten slotte de opmerking, dat wij goed handelen met vreemde woorden in onze taal op te nemen, als zij werkelijk beter zijn; zoo verkies ik boven ons gezegde ‘met hart en ziel’ de Duitsche spreekwijze van p. 304 iemand ‘die met lijf en ziel de oostersche literatuur ging studeren;’ men zal toch wel toestemmen, dat het ligchaam bij behoorlijke studie onmisbaar is.

Op het ingeslagen pad voortgaande kan ik mij bezwaarlijk aankanten tegen het door den vertaler aan Duitschland ontleende gebruik van voorzetsels, want wij zouden door bezigen op p. 159 in de beschrijving van den ouden Pool, die ‘in zijn beddeken gewikkeld van vier soldaten op den arm genomen werd,’ even zoo op p. 257 ‘van niemand vergezellen,’ en op p. 51 ‘de Romeinsche senaat voorafgegaan van trompetters te paard,’ of p. 294 ‘van liefderijke boerinnen verpleegd,’ en onzeker is verder op p. 61. ‘Is de paus aan het zegenen van het Quirinaal,‘ dat de goedgunstige lezer moet aanvullen met ‘op het balcon van het Quirinaal.’ Daar ik al het genoemde zoo mooi vind, maak ik geen bezwaar tegen p. 251 ‘Aan zich heeft dat klooster niets aanlokkelijks’ in de plaats van op zich zelve, noch tegen het Duitsche ‘hij had zich tot eene of andere partij aangesloten’ op p. 189 voor bij.

Op p. 257 lees ik ‘daar had hij den avond aangenaam doorgebragt in gezelschap met nog andere vreemdelingen,’ eerst hield ik het voor ons van, maar bij eenig nadenken

[p. 139]

herkende ik het Italiaansche ‘in fociet con’ dat wij noemen ‘den avond met anderen bij iemand in gezelschap doorbrengen;’ hier is dus eene kleine andere woordschikking in het spel, en toen ik hier eenmaal op ging letten, zag ik dat onze vertaler ook in dit opzigt een stouten greep waagde, en door het anders plaatsen van menig woordje een nieuw en eigenaardig licht gaf aan verscheidene zinnen. Men oordeele slechts over de volgende voorbeelden, p. 260 ‘wel straalde soms het licht der genade over de duisternis van het gemoed, maar dan liet weêr de natuur met het oog op den naderenden strijd en in bewustzijn van eigen zwakte, haar akelig dreigende taal nog scheller hem hooren;’ of p. 254 ‘Zoo scheen ook onze Engelsche dame naauwelijks rust meer te kunnen vinden;’ nog duidelijker is het verschil op p. 252 ‘het fijne zwarte laken, waarin hij gekleed ging, scheen lang reeds versleten, en zat vol lappen;’ welk lezer gevoelt niet het eigenaardige in deze woorden op. p. 247 ‘Hij was radeloos, Evenwel van een der kapteins verzocht en bekwam hij de gunst,’ en ook in dezen zin op p. 27 ‘Ook zijn hun soldaten langer en strenger dan de onze in den strijd geoefend. Slechts kan de dolk der vleijerij en liefkozing nog tot hen doordringen.’ Men behoeft geen Italiaansch te kennen, om toch te begrijpen op p. 252 ‘Een enge cel, een krusifiks, een stroozak, een lampje, de geeselzweep; alles dit zal voortaan heur woning en huisraad zijn;’ waarom dus het ‘tutto questo’ door ons dit alles hier op p. 154 vertolkt? Onze Terborger gaat met zijne woordplaatsing zelfs zoo ver, dat hij op p. 169 een geheelen zin op die manier omzette in de kernachtige beschrijving van den ‘gruwbaren’ sluipmoord door de Barones Babje van Interlaken gepleegd in de schoone hoofdkerk van Monreale tegen het vallen van den avond ‘toen duisternis de Gothieke (?) architektuur omhulde;’ zij bragt haar slagtoffer Cestio bij het graf van Willem de Booze, en vroeg hem even te zien, wat op dat grafschrift staat, ‘Cestio kromt zich, en vestigt den blik, want het was reeds duister, op het marmer, ten

[p. 140]

einde het schrift te ontcijferen. Daar trekt Babje een driesnijdenden dolk uit heur mof en stoot hem de scherpe spits in den hals. Even gezwind trekt zij den moordpriem weêr terug, springt zijwaarts en boort hem andermaal door de lenden in zijn hart;’ zoo zou elk ander niet geschreven hebben.

Daarentegen gaf onze vertaler een doorslaand bewijs hoe getrouw hij zijn Italiaansch werk overbragt op p. 134 in de beschrijving, hoe een ‘verraden aterling’ van een geheim genootschap uit Zwitserland ontsnapte naar Nieder-Walliserland; ‘meer had de slimmert niet noodig, over den Simplon vlood hij heimelijk weg en kwam na over de steilste rotsen, langs ijskelders, afgronden en tallooze doolwegen te hebben voortgesukkeld, eerst in de valleijen van Italië, dán langzamerhand langs om- en zijpaden te Genua aan;’ eerst dacht ik, dat de Terborger, aan de Zwitsersche Glätschers denkende, ijsvelden moest bedoeld hebben, maar ik was te voorbarig; dit boek toch is te Rome en te Napels geschreven, en daar te lande zijn de ijskelders niet als in ons vlak landje onder den grond, maar boven in de bergen; dit zweefde den schrijver van den ‘Jood’ voor den geest, en zoo plaatst hij zeker dergelijke kunstmatige bewaarplaatsen van ijs op de Zwitsersche bergen tusschen de rotsen en afgronden, en onze vertaler heeft zich dus niet vergist. Even zoo maakte ik mij schuldig aan een overhaast veroordeelen van een woordje op p. 220 over het inhalen van het paard van Troje, ‘zooveel geestdrift hebben de Troyanen ten toon gespreid, toen ze hun houten paard met dikke lange zeildoek omwonden en het voorttrokken;’ ik vond dat dikke lange zeildoek wat vreemd en sloeg vader Homerus op; gelukkig heeft deze mij te regt geholpen, want het door hem gebruikte woord staat in mijn Grieksch-Duitsch woordenboek vertaald door Seile, en daar door het lange beleg de Troyanen geene zeilen meer zullen gehad hebben, namen zij zeker zeildoek.

(Wordt vervolgd).