ONDERWERPEN UIT DE THEORIE DER LOGISCHE ANALYSE.I.Prof. T. Roorda verdedigd tegen Dr. G. van Wieringen Borski door Dr. L.A. te Winkel. of onderzoek betreffende de vraag: bestaan er gezegden, bij welke geen onderwerp denkbaar is?
Ik heb wel eens hooren zeggen, dat één onhandige
vriend eene zaak somtijds meer bederft dan drie verbitterde vijanden bij
mogelijkheid zouden kunnen doen. Dat dit beweren waarheid behelst, is bewezen
door
Meerman's ongelukkige verdediging van Haarlems
recht om als de wieg en bakermat der boekdrukkunst beschouwd te worden; en wie
er nog aan twijfelen mogt, die kan het bevestigd zien in de bekende
Handleiding voor de praktische oefening in de zinsontleding, naar de tweede,
verbeterde en vermeerderde uitgaaf van het werk van den Hoogleeraar T.
Roorda: Over de deelen der rede en de rede-ontleding door Dr.
G. van Wieringhen Borski. De schrijver dezer Handleiding zegt
in het voorberigt: ‘Het werk van den Hoogleeraar is daarin op den voet
gevolgd, en, evenals in den Wegwijzer is er in den tekst telkens naar
verwezen.’ Werkelijk vindt men telkens tusschen haakjes de bladzijde
opgegeven, waar het onderwerp, over hetwelk in de Handleiding gesproken
wordt, door den Hoogleeraar in zijne Rede-ontleding breedvoeriger is
behandeld. De ‘Inleiding’ der Handleiding begint met den volgenden zin: ‘De ontleding (bl. 4) van een zin (bl. 7)…. vangt aan met den zin op te lossen in het onderwerp en het gezegde (bl. 44), zoo deze hoofdbestanddeelen beiden werkelijk in den zin in woorden zijn uitgedrukt, en men dus niet te doen heeft met zinnen, waar in het onderwerp òf volstrekt ondenkbaar is (bl. 47 en 48), òf weg gelaten, omdat het door de wijs van spreken zelf wordt aangeduid, als: In het bosch wordt zelden gewandeld; Geef hier dat boek!’ Er worden dus twee gevallen opgegeven, waarin het onderwerp van een zin niet in woorden is uitgedrukt, namelijk: 1. wanneer het onderwerp ‘volstrekt ondenkbaar’ is, en 2. wanneer het is ‘weggelaten.’ Indien nu de twee aangevoerde voorbeelden in dezelfde volgorde zijn geplaatst, zoodat het eerste bij 1, en het tweede bij 2 behoort, dan zal In het bosch wordt zelden gewandeld een zin moeten wezen, waarin het onderwerp ‘volstrekt ondenkbaar’ is. Op de volgende bladzijde vindt men dien zin dan ook aldus geanalyseerd:
waaruit volgt, dat deze woorden als een gezegde zonder onderwerp
zijn aangemerkt. Schrijver verklaart dus, dat er gezegden zijn, die niet alleen
geen onderwerp hebben, maar er ook geen kunnen
hebben, omdat het ‘volstrekt ondenkbaar’ is. In parenthesi
staat hier: (bl. 47 en 48). Indien men nu in het boek van den Heer
Roorda die bladzijden opslaat, dan vindt men
werkelijk, dat de Hoogleeraar daar ter plaatse handelt van zinnen, waarin
een grammatisch subject als onderwerp van het gezegde geen
noodzakelijk vereischte is. Men treft daar onder meer voorbeelden een bijna
gelijkluidend aan: ‘In dit park wordt zelden gewandeld’;
maar eene zoo in het oog loopende ongerijmdheid als het beweren, dat er
gezegden zouden zijn, waarvan een onderwerp ondenkbaar is, leest men daar niet.
Dat boek over De deelen der rede bevat al vreemdigheden genoeg, men
behoeft het niet zwarter te maken, dan het is. Ik heb er daarom reeds meermalen partij voor getrokken tegen ongegronde beschuldigingen, en wil dit thans hier openlijk doen. Dr. Skarp, een vriend van mij, een braaf man, maar wel wat zwartgallig, die daardoor alles van de donkerste zijde pleegt te bezien, vergeleek het eens bij een kabinet voor pathologische anatomie. Dit was blijkbaar overdreven, en daarom zeide ik: Hou, hou, lieve vriend, gij maakt het als naar gewoonte te erg; niet alles is ziekelijk. Er komen nog vrij wat gezonde denkbeelden in voor, die alleszins waardig zijn overgenomen en behartigd te worden. Om slechts iets te noemen, al dadelijk op blz. 4 de definitie, die ons leert, wat men in het algemeen door eene ‘volledige analyse of volkomene ontleding’ te verstaan heeft. Het begrip, dat daar ontwikkeld wordt, is wel niet geheel nieuw, maar het is juist, en verdient vooral daarom de aandacht, omdat men er tevens uit zien kan, wat zoo al voor ontleding vatbaar is, en wat niet. Buitendien, ik voor mij houd niet van vergelijkingen; elke vergelijking gaat mank, ook de uwe. Ik noem het werk veel liever een nuttig boek, waarin echter wat heel veel απαξ λεγομενα [hapax legómena] voorkomen, dingen, die niemand verstaat, en die maar eens gezegd worden, omdat een ander ze niet wil nazeggen. Doch wilt gij volstrekt eene vergelijking, noem het dan een inboedel, die vele zeer bruikbare en nuttige zaken bevat, maar ook buitengewoon veel rariteiten, om hunne zeldzaamheid voor de liefhebbers van hooge waarde, doch waarmede men eigenlijk niet weet, wat aan te vangen; onze schoonmakende en opredderende huismoeders zouden zeggen: stofnesten, die het aanraken niet kunnen velen zonder in stukken te vallen. - Intusschen heb ik onder al de curiositeiten, die het boek bevat, geen enkel praedicaat met een ondenkbaar subject kunnen vinden, even weinig als een portret van een oudsten broeder van een eenigen zoon, of een trouwring van eene bruid, die nooit een bruidegom gehad heeft. Kostbaarheden van die zeldzaamheid vindt men alleen in de Handleiding. Men versta mij echter wel: ik wil daarmede volstrekt niet zeggen, dat er in de Rede-ontleding zelve in het geheel geene ongerijmdheden voorkomen, dat niet, ik zou het niet durven doen. Zoo zou ik den moed niet eens hebben om te verzekeren, dat de titel van het boek geheel zuiver was, en dat er niet reeds in de woorden ‘rede-ontleding of logische analyse der taal’ twee tegenstrijdigheden schuilen, omdat deze uitdrukkingen iets beloven, dat het boek niet alleen niet geven kan, maar dat zelfs volstrekt ondenkbaar is. Immers volgens Prof. Roorda's eigene, reeds boven als juist geprezene definitie op blz. 4, is ‘eene volledige analyse of volkomene ontleding de ontbinding, oplossing, scheiding…. van de deelen, waaruit één geheel bestaat.’ Daar nu noch de taal noch de rede - de laatste wel het allerminst in de buitengewone beteekenis, die Schrijver aan dit woord geeft - zamenhangende geheelen zijn, zoo is daarvan ook geene analysis of ontleding, geene ‘ontbinding, oplossing of scheiding,’ geene losmaking van deelen denkbaar. Mogt nu iemand om die reden de genoemde uitdrukkingen voor wezenlijke ongerijmdheden houden, dan vergete hij toch vooral niet, dat de ongerijmdheid zich hier niet zoo onbeschaamd vertoont als bij praedicaten zonder subjecten, dat zij zich hier als verscholen houdt in de begrippen taal en rede, en dat lang niet iedereen gehouden is zich een juist begrip van taal en rede te vormen. Eene andere plaats in hetzelfde werk heb ik ook wel eens voor eene
ongerijmdheid hooren verklaren. Zij betrof het werkwoord zijn. Op blz.
137, zegt de Heer Roorda van dit woord: ‘Het is werkelijk een
woord, dat niets bepaalds, niets bijzonders
beteekent.’ Twaalf regels later leest men: ‘Maar ofschoon het
zegwoord zijn geen bepaald of bijzonder accident
beteekent, daarom is het toch wel een benaming van een bepaald
begrip.’ Dit bepaalde begrip, zeide men, behoort dus, omdat zijn
‘niets bepaalds’ uitdrukt, tot de rubriek van het
onbepaalde; waaruit zou volgen, dat de Heer Roorda òf
onbepaalde bepaalde begrippen, òf bepaalde onbepaalde
begrippen stelt en kent. Dit laatste moest ik, hoe ongaarne ook, wel
toegeven; alsmede, dat het moeijelijk was te beslissen, welke van beide lezingen voor de ware is te houden, en dat een liefhebber zulks moet bejammeren, omdat beide dingen even zeldzaam zijn. Hoewel ik nu volstrekt niet van grootspreken houd, en voor geen geld den lezer in den waan zou willen brengen, dat ik veel gelezen had, laat staan alle boeken en geschriften der wereld, zoo durf ik toch wel verzekeren, dat wij hier ten minste met één απαξ λεγομενον te doen hebben, en dat men volkomen zeker kan zijn, dat de kennis van ons Hollandsch nooit toereikend zal wezen om te weten, wat de Heer Roorda hier heeft willen zeggen. Hier komt nog eene merkwaardige bijzonderheid bij, die men bij andere απαξ λεγομενα zoo niet heeft. Het is namelijk niet waarschijnlijk, dat de meeste schrijvers van die dingen, b.v. Homerus, Gellius of Ulfila er ooit last van gehad, er zich zelven ooit over geergerd hebben; dit zou ik van den uitvinder der onbepaalde bepaalde begrippen niet zoo stellig willen verzekeren. Mogt iemand die nieuwe soort van begrippen nonentia willen noemen, hij neme in aanmerking, dat tusschen den eenen en den anderen volzin twaalf groot-octavo-regels voluit geschreven staan, en dat men het recht niet heeft om van iemand te eischen, dat hij zijn gansche leven door alles zal onthouden, wat hij ooit eens heeft gezegd of geschreven. Maar geheel iets anders is een praedicaat, waarvan het subject ondenkbaar is. Het zal toch wel voor een ieder bij het minste nadenken zonneklaar wezen, dat praedicaten, d.i. uitdrukkingen van begrippen of voorstellingen, die insgelijks praedicaten heeten, dien naam louter en alleen dragen, omdat zij aan andere begrippen of voorstellingen, subjecten genoemd, worden toegeschreven of ontzegd. En evenzoo heeten de laatstgenoemde alleen daarom subjecten, omdat er praedicaten aan verbonden zijn. Op dezelfde wijze heet eene vrouw alleen dan gade, wanneer zij een man of echtgenoot heeft; en zoo lang deze voorwaarde niet vervuld is, mag zij jonge of oude vrijster of weduwe heeten, of wat al niet, den eernaam van gade zal niemand haar geven. Het behoort dus noodwendig tot het wezen van een praedicaat, een subject te hebben, en zoo vereischt ook omgekeerd het wezen van een subject, dat het een praedicaat heeft. Eene uitdrukking, die geen subject heeft, mag wezen, wat zij wil, zij is om die reden alleen geen praedicaat, en eene uitdrukking, waarbij geen praedicaat behoort, kan juist daarom ook nooit een subject zijn. Het eene kan zonder het andere niet bestaan, is zonder het andere volstrekt niet denkbaar. Het subject behoeft wel niet in woorden uitgedrukt te zijn, maar denkbaar moet het wezen; integendeel het moet er zelfs volstrekt en noodwendig bij gedacht worden. Praedicaat, waarbij een subject volstrekt niet denkbaar is, is derhalve eene uitdrukking, die zelve luidkeels uitroept, dat zij de naam is van iets, dat niet bestaat en tot dezelfde soort van dingen behoort, als die bekende gemalen stof, die men dikwijls als een toonbeeld van fijnheid hoort prijzen. Prof. Roorda heeft dan ook volstrekt niet gezegd, ten minste niet op de plaats, in de Handleiding vermeld, dat er zulke praedicaten zijn. Wat daar volstrekt ondenkbaar genoemd wordt, zijn objecten in zinnen, als: ‘Tegenwoordig wordt veel gereisd; In Friesland wordt veel schaatsgereden. Hierover wordt nog getwist.’ ‘In zulke zinnen,’ heet het, ‘is een object zelfs volstrekt ondenkbaar; er kan toch niets als òbject gedacht worden, dat schaatsgereden wordt.’ Men hoort, hoe geheel anders dat klinkt, en ziet tevens hoe groot eene ondienst de eene vriend den anderen ook met de zuiverste en beste bedoelingen doen kan. Ik vlei mij hiermede den Heer Roorda te hebben vrijgepleit van de hatelijke verdenking, dat hij eene zoo stuitende ongerijmdheid zou gezegd hebben. Ook twijfel ik volstrekt niet, of de Heer Borski zal in een herdruk van zijn werkje door eene amende honorable zijn onrecht op eene éclatante wijze trachten goed te maken. Het zou mij tot een wezenlijk genoegen strekken tot zulk eene gelukkige uitkomst te hebben medegewerkt of er de aanleidende oorzaak toe geweest te zijn. Intusschen moet men den schrijver der Handleiding om zijne kleine bévue niet al te hard vallen. De bedoelde ongerijmdheid is stellig niet opzettelijk door hem uitgedacht, veel minder nog met een boos opzet daar op de eerste bladzijde van zijn boekje geplaatst om den lezer reeds terstond tegen het werk van den Hoogleeraar vóór in te nemen. Hij heeft gedaan wat hij kon, en ultra posse nemo obligatur, niemand is zedelijk verpligt meer te doen, dan hij kan. Dat dit echter niet wel eens geeischt wordt, zal niemand beweren, die de begrippen van begrijpen, Delftsche studenten en Logische analyse wil verbinden. De Heer Borski heeft getracht datgene, wat hij meende in de Logische Analyse der Taal gevonden te hebben, in duidelijke en bepaalde bewoordingen weder te geven; en men weet, dat is niet altijd zoo heel gemakkelijk. ‘In magnis voluisse sat est, het is genoeg iets groots te hebben willen doen’, was de spreuk van een kunstgenootschap in het laatst der zeventiende eeuw, en sommige zijner leden hadden dien troost volstrekt noodig. Wie zou het den Heer W. B. euvel duiden, als hij die spreuk tot de zijne maakte? De Heer R. zelf is niet geheel onschuldig. Hij heeft die ongerijmdheid wel niet daar neergeschreven en mogelijk ook wel niet gedacht, maar hij heeft er toch in allen gevalle aanleiding toe gegeven en de praemissen gesteld, waarvan de ongerijmdheid eene geldige conclusie is. Zeker ook wel niet opzettelijk, maar waarschijnlijk ten gevolge van de hem meer bijzonder eigen gewoonte om de begrippen, die hij anderen wil mededeelen in een soms vrij digten nevel of in een mystiek halfdonker te plaatsen, zoodat men al heel goede oogen en een vrij scherpen blik moet hebben om de omtrekken der beelden behoorlijk te kunnen onderscheiden. Daardoor begint het hem zelven wel eens te schemeren. Misschien geschiedt zulks wel met het menschlievende doel om de oogen van den aanschouwer niet door een al te schitterend licht te verblinden. Ik ben er dan ook verre van af om te beweren, dat die methode niet hare eigenaardige voordeelen zou opleveren; b.v. wanneer men genoodzaakt is te spreken of te schrijven en men redenen heeft om niets te willen zeggen. In dit geval komt de stijl in de rubriek, die door Prof. Geel de onoprechte stijl genoemd is. Het kan ook wezen, dat ambt of omstandigheden ons dwingen eene zaak te behandelen, die wij niet goed kennen, waarvan wij slechts een duister besef, geen helder begrip hebben. In het laatste geval - en dit is wel het beste en aangenaamste van de heele zaak - kost de duisterheid van den stijl ons volstrekt geene moeite. Zij komt dan van zelve en soms in weerwil van ons zelven. Maar dan is ze ook zeer verschoonlijk en behoort met groote toegevendheid beoordeeld te worden. Men zou onrechtvaardig zijn, indien men dan met strengheid te werk ging. Wie toch is aansprakelijk voor hetgeen buiten en zelfs tegen zijnen wil geschiedt? Ongetwijfeld heeft de duistere stijl nog andere oorzaken, die mij op dit oogenblik niet te binnen schieten. In allen gevalle zal de Heer Roorda zijne wijze redenen hebben om dien dikwijls te verkiezen; en al staat het misschien iedereen vrij, naar de redenen te gissen, ik wil zulks niet doen, nu ten minste niet. Nog veel minder zal ik er een oordeel over vellen, uit vreeze van welligt onrechtvaardig te worden. Maar één ding wil ik doen; ik wil rondborstig verklaren, dat ik voor mij aan een duidelijken stijl de voorkeur zou geven, al ware het alleen uit het principe van wellevendheid, hetwelk ons verbiedt anderen meer moeite te veroorzaken dan volstrekt noodig is. Die anderen zijn de lezers, die een schrijver de beleefdheid aandoen van zijn boek te lezen en misschien zelfs te koopen, en die op wederkeerige beleefdheid aanspraak hebben. Om die reden - ik hoop, dat de Heer R. het mij niet kwalijk zal nemen - om die reden zou ik het bijna houden met den Heer Borski, die nog liever met prijzenswaardige cordaatheid eene ongerijmdheid zegt, dan zijne lezers omtrent zijne meeningen en begrippen een oogenblik in onzekerheid te laten. Als gezegd is, Z. Z. Gel. refereerde slechts, wat hij meende gevonden te hebben. Zijne voorbeeldige zelfopoffering verdient derhalve geene berisping, maar veeleer lof, ook lof van den schrijver zelven van de Logische analyse der Taal. Zijn Hoog Gel. toch had ook hier zijne eigenaardige methode toegepast, en heeft dus het recht niet om zich te beklagen, dat men hem eene absurditeit toeschrijft. Gaan wij slechts zelven na, wat hij zegt op de plaats, die in de Handleiding is opgegeven. Op blz. 46 heeft Schrijver opmerkzaam gemaakt op het onderscheid tusschen het onderwerp van een zin en het onderwerp van een gesprek of eene rede, en aangetoond, dat zij dikwijls niet hetzelfde zijn. Het onderwerp van den zin noemt hij het grammatische, het onderwerp der rede heet bij hem het logische subject. Over deze benamingen straks nader; maar de onderscheiding zelve is niet geheel zonder nut. Nemen wij een voorbeeld ter opheldering. Het gesprek valt op de omstandigheden van zekeren boer. Iemand zegt: Die boer is waarlijk te beklagen. Eerst zijn zijne beste koeijen aan de longziekte gestorven, toen is zijn oogst schraal uitgevallen, vervolgens is zijne woning tot den grond toe afgebrand, en nu heeft de dood zijner brave vrouw hem geheel radeloos gemaakt. Wij hebben hier vijf zinnen: in 1 is de boer het onderwerp van den zin en tevens dat van de rede, en hij blijft het laatste ook onder de vier volgende zinnen, ofschoon deze geheel andere onderwerpen hebben. Doch alhoewel nu de eerste zin den boer tot het onderwerp van het gesprek gemaakt heeft, en deze zulks blijft, zoo lang het gesprek niet op iets of iemand anders valt, zoo gevoelt men toch, dat men bezwaarlijk zeggen kan, dat de boer ook het onderwerp is van de zinnen: zijne koeijen zijn gestorven, zijn oogst is mislukt, zijn huis is verbrand, zijne vrouw is dood, men moge het logisch subject, of hoe ook, willen noemen. Deze zinnen staan wel in naauwe betrekking tot den boer, deze blijft nog wel voor den geest zweven, men is zich bewust, dat alles wat gezegd wordt, hem betreft; maar iedereen zal erkennen, dat er iets gezochts in ligt, wanneer men hem het onderwerp van elken zin wil noemen. Gaat de verhaler voort met te zeggen: ‘Nu weigert ook de assurantiekas het afgebrande huis te laten opbouwen’, dan gevoelt men wel, dat deze zin op den boer betrekking heeft, maar ook, dat het geheel verkeerd is, die betrekking gelijk te stellen met de betrekking tusschen subject en praedicaat, indien men ten minste aan die woorden duidelijk bepaalde begrippen wil blijven hechten. Daarom zij reeds hier in het voorbijgaan gezegd, dat ik geen vrede kan hebben met het tweede gedeelte van hetgeen de Heer R. op blz. 46 zijner Rede-ontleding zegt: ‘Het grammatisch subject of onderwerp van het gezegde is het voorwerp, waarvan in het gezegde iets gezegd wordt ….; maar het logisch subject of onderwerp van den zin is de persoon of zaak, waarover in den geheelen zin gesproken wordt; en dit is wel dikwijls hetzelfde als het grammatisch subject of onderwerp van het gezegde, maar dikwijls ook niet.’ Uit al de voorbeelden toch, die de Hoogleeraar bijbrengt, maar die ik liever niet alle uitschrijf, blijkt ten duidelijkste, dat Z. H. G. door logisch subject niets anders verstaat dan het thema of onderwerp van de rede of van het gesprek; dit altijd het onderwerp van den zin of het logisch subject van den zin te noemen is wat heel sterk. Het is verwarrend en moet noodwendig de strekking hebben om de begrippen van onderwerp en gezegde, van subject en praedicaat bij den leerling geheel te bederven, gelijk het trouwens reeds bij sommige volwassen menschen verwarrend en bedervend gewerkt heeft. Maar ik heb er nog een ander bezwaar tegen. De benaming logisch subject heeft men volstrekt noodig voor een ander begrip, dat door den Heer Roorda niet genoemd en nog veel minder ontwikkeld wordt. Men heeft namelijk niet tweederlei, maar driederlei onderwerpen of subjecten te onderscheiden: 1. een grammatisch subject van den zin, datgene, hetwelk bij den Hoogleeraar ook het onderwerp van het gezegde heet, doch dat even goed het onderwerp van den zin heeten kon; 2. een logisch subject van den zin, dat men gevoegelijk ook het onderwerp der gedachte zou kunnen noemen; en 3. het thema of onderwerp van de rede. Ik hoop straks overtuigend aan te toonen, dat die drievoudige onderscheiding volstrekt onmisbaar is, en dat onze literatuur waarschijnlijk ééne ongerijmdheid minder tellen zou, indien de Hoogleeraar wat minder werk gemaakt had van het onderwerp der rede, dat hij het onderwerp van iederen zin noemt, maar hetwelk veelal ver af buiten den zin rondzweeft, en tot eene geheel andere gedachte behoort, die zich buiten en achter den zin bevindt, en zoo hij in plaats daarvan een derde subject had leeren kennen, dat wel degelijk in iederen zin zelven ligt, en dat men zeer gepast het logische subject zou kunnen noemen. Hiervan echter straks, gaan wij nu voort met hetgeen de Hoogleeraar ter aangehaalde plaatse verder zegt. Op blz. 47 leest men vervolgens: ‘b.v. In Duitschland worden tegenwoordig weinig wetenschappelijke werken uitgegeven; In Ierland wordt veel honger geleden. Ook in deze objective zinnen is wel een object als onderwerp van het gezegde (weinig wetenschappelijke werken en veel honger), maar niet als onderwerp van den zin, waarover gesproken wordt. Men spreekt over Duitschland, of over den tegenwoordigen tijd, of over Ierland.’ Men ziet duidelijk, dat onderwerp van den zin hier datgene moet beteekenen wat men natuurlijker en voor iedereen verstaanbaarder het onderwerp van het gesprek zou noemen. ‘In zulke zinnen,’ dus gaat de Hoogleeraar voort,
‘is een grammatisch subject als onderwerp van het gezegde
dan ook geen noodzakelijk vereischte. Want behalve, dat men het onbepaalde
subject of object, dat in het Hollandsch door men of
het beteekend wordt (Men hoort het niet; Het regent; Het werd hem
daar bang gemaakt), in zulke zinnen in andere talen niet gewoon is uit te
drukken; ook in het Hollandsch wordt in zulk een zin, wanneer men
objectief spreekt, volstrekt geen object als onderwerp van het
gezegde vereischt.’ De Hoogleeraar wil hier blijkbaar zeggen, dat het
in 't Hollandsch in sommige zinnen volstrekt niet noodzakelijk is, dat het
werkwoord in het passivum, in den lijdenden vorm met worden, als:
wordt gereisd, een uitgedrukt onderwerp bij zich heeft. Dit blijkt
duidelijk uit de voorbeelden, die volgen: ‘Er wordt aan de deur
geklopt; Er wordt gevochten; Er wordt gedanst; Er werd getwist en gekeven; In
Friesland wordt veel schaatsgereden’; die werkwoorden hebben
inderdaad geen subject. Maar wanneer de Hoogleeraar dan terstond laat volgen:
‘Ja, in zulke zinnen is een òbject volstrekt ondenkbaar; er kan toch niets als òbject gedacht worden, dat schaatsgereden wordt’, en wanneer men dan daarbij in aanmerking neemt, dat, gelijk hij zelf nog even te voren had aangevoerd, de objecten der bedrijvende werkwoorden de subjecten van den lijdenden vorm worden, zoodat b.v. De dolle hond beet zijn eigen meester in het passivum verandert in: De ongelukkige [de meester van den hond] was door zijn eigen hond gebeten, dan is er maar één stap, of liever een halsbrekende sprong, noodig om tot het besluit te komen: er bestaan praedicaten, waarbij geen subject denkbaar is. De praemissen zijn gegeven, de conclusie met atqui…. ergo ontbreekt alleen maar. De Heer Roorda is voor dien sprong wijselijk terug gedeinsd en hier terstond een zijweg ingeslagen om zich in de beschouwing van vragen en antwoorden, uitroepingen en toeroepingen en uitdrukkingen van den wil te verdiepen; maar zijn vriend heeft den salto mortale volbragt en verbeeldt zich, dat zijn gids hem ook daar beneden den weg gewezen heeft. Wij hebben gezien, dat hij zich ook in dit opzigt heeft bedrogen. Laten wij thans beide Heeren hunnen weg laten vervolgen, en gaan wij liever zelven zien, hoe de schijnbare tegenstrijdigheid, waarop de lezer misschien zelf ook wel gestuit is, tot ieders bevrediging kan en moet worden opgelost. Zeker is het, dat een praedicaat zonder subject eene onmogelijkheid, een onding is, hetwelk niemand met gezonde hersenen, die zich in het denken geoefend heeft, zich denken of voorstellen kan; maar even zeker is het ook, dat men zich niet kan voorstellen, dat iets gezucht en gesteend, gereden, gerost en gezwierd, gewandeld, gereisd of schaatsgereden wordt, en toch zegt men: Er wordt gezucht en gesteend, gereden, gerost en gezwierd, gewandeld, gereisd en schaatsgereden. Zulke uitdrukkingen hoort en leest men dagelijks, en niemand neemt er aanstoot aan. Hoe moet dit gerijmd worden, is het onmogelijke mogelijk? Het laatste wel niet, Waarde Lezer; maar rijmen laat het zich zeer goed, indien men maar de gulden spreuk voor oogen houdt, die nooit te veel kan behartigd worden, door hoogere onderwijzers zoo min als door lagere; de spreuk: Qui bene distinguit, bene docet, die maar goed onderscheidt, die onderwijst van zelf goed en klaar en duidelijk. Het logisch analyseeren is eene uitstekende oefening in het onderscheiden, het is onderscheiden van het begin tot het einde. Maar men stappe niet ligtvaardig heen over hetgeen voor ons nog onoplosbaar is. Men hakke den knoop niet door, zich zelven en anderen diets makende, dat men hem behoorlijk ontward heeft. Stuit men op zinnen en uitdrukkingen, waarmede men blijkbaar geen weg weet, men late ze voor het oogenblik rusten, in de hoop, dat het inzigt later komen zal. Men bezige ze vooral niet als voorbeelden in de scholen. Ze zouden het verstand der leerlingen, en misschien dat van ons zelven, bederven, en de logische analyse tot eene niet minder schadelijke dan vervelende geesteskwelling maken. Zoo als gezegd is, men doe niet, wat men duidelijk gevoelt niet goed te kunnen doen. Men kieze bij het onderwijs alleen voorbeelden, die voor ons zoo helder zijn als kristal, en vooral geene verwrongene en misvormde constructies, die men in een gekuischten stijl nooit bezigen zou. Voorbeelden, die geanalyseerd worden, waarop dus de aandacht van den leerling zoo lang gevestigd blijft, prenten zich diep in zijn geheugen, en de vreemdste, zonderlingste en onnatuurlijkste wel het diepst Men brengt hem dan dubbel nadeel toe: men bederft èn zijn verstand èn zijn schoonheidsgevoel. Zinnen als: Er werd gedanst en gesprongen behooren stellig niet tot die, welke een verstandig onderwijzer zijnen discipelen het eerst onder de oogen zal brengen; want alhoewel de daarin gelegene schijnbare strijdigheid zich zeer goed en natuurlijk laat oplossen, er is eene veel te lange en omslagtige ontwikkeling noodig, vóórdat een jeugdig verstand die oplossing vatten kan; en het is ontmoedigend, wanneer men zwarigheden laat zien, die men eerst na eenig tijdsverloop kan uit den weg ruimen. Er steekt buitendien ook volstrekt geene schande in, dat men niet met éénen stap over de Noordzee in Engeland kan komen; en even weinig, dat men voor als nog den eenen of anderen volzin aantreft, dien men niet tot bevrediging van zich zelven en anderen weet te verklaren. Indien hier sprake kan zijn van schaamte en schande, dan schame men zich liever over eene verkeerde berekening zijner krachten, wanneer men gemeend heeft te kunnen doen, wat men niet kan. Een bekwaam onderwijzer daalt niet in de achting zijner leerlingen door de belijdenis, dat hij iets niet weet, wanneer hij slechts in duizend andere gevallen zich hunne achting heeft weten te verwerven. Ook wane men niet, dat men hen zoo gemakkelijk als zich zelven bedriegen kan; hun waarheidsgevoel bemerkt aan de duisterheid onzer uitdrukkingen maar al te goed, dat er iets hapert. Buitendien de Logische Analyse moet nog niet op ééne lijn gesteld worden met de Rekenkunde, Meetkunde en andere wetenschappen; zij is nog in hare geboorte. Geen rijsje wordt in één jaar een boom, die in de zomerhitte verkwikkelijke schaduw geeft; en even weinig wordt een vak van menschelijke kennis, waaraan nog slechts weinige jaren gearbeid is, zoo spoedig eene volmaakte wetenschap. Men bouwe langzaam voort, maar zorge, dat de fundamenten hecht en stevig worden; en bemerkt men hier of daar verzakking, men breke liever weder af, dan door onverstandig door te werken een gebouw op te trekken, dat ieder wegens zijne wanstaltigheid mishaagt en weldra weder instorten moet. De fundamenten der Logische Analyse zijn de grondbegrippen, waartoe ook de begrippen van subject en praedicaat behooren. Men trachte die zoo zuiver mogelijk te vatten, en dan ook zoo zuiver mogelijk te bewaren; en daarbij is onderscheiden volstrekt noodzakelijk. Denken is eigenlijk hoofdzakelijk onderscheiden. Denken, doordenken en vooral onderscheiden moet, maar kan ook de bedoelde tegenstrijdigheid oplossen. Een zin is een woord of, eene reeks van
woorden, waaraan de spreker eene gedachte verbindt; en zulk een
zin staat òf geheel alleen en op zich zelven, òf hij maakt
met andere zinnen te zamengenomen eene langere of kortere rede uit. Wij hebben hier dus drie geheel verschillende dingen te onderscheiden. Eene rede, als eene aaneenschakeling van zinnen; een zin, als een gesproken of geschreven woord, of eene reeks of aaneenschakeling van zulke woorden: en eindelijk eene gedachte, die door den zin of de woorden wordt uitgedrukt. De rede, zoo zij is, wat zij moet zijn, zoo er eenheid in heerscht, betreft ééne en dezelfde zaak, die men het thema of onderwerp noemt. Men heeft dus in de eerste plaats een zoogenoemd onderwerp der rede; doch het is duidelijk, dat het woord onderwerp alsdan een ander, veel onbepaalder begrip beteekent, dan men in de Grammatica, Logica of Logische Analyse aan dit woord verbindt. De drie genoemde wetenschappen hebben, wel beschouwd, ook zeer weinig met het onderwerp der rede uit te staan. Het kan bij het logisch analyseeren een enkelen keer noodig wezen, dat men, om een zin goed te beoordeelen, weet, wat het eigenlijke thema is, maar doorgaans is zulks onverschillig. In den zin, d.i. onder de woorden, die de gedachte uitdrukken, bevinden zich doorgaans één of meer woorden, die datgene uitdrukken, waarvan iets gezegd wordt: dat woord of die woorden maken het onderwerp van den zin uit, hetwelk men, omdat de Grammatica zich hoofdzakelijk bezig houdt met woorden en dingen, die uit woorden bestaan, zeer gepast, het grammatisch subject zou kunnen noemen. In de gedachte, die door den zin wordt uitgedrukt bevindt zich een begrip of eene voorstelling, waarmede een ander begrip of eene andere voorstelling als verbonden, of ook wel als gescheiden gedacht wordt; die eerste voorstelling is het onderwerp der gedachte, en kan ook zeer gepast het logisch subject heeten, omdat de Logica immers ons denken, onze voorstellingen en gedachten tot voorwerpen van hare beschouwing maakt. Wij hebben hier dus wederom drie verschillende dingen te onderscheiden, die somtijds ineenvallen, zich in hetzelfde vereenigen, maar dikwijls ook niet. Het thema of onderwerp der rede zullen wij laten rusten; wij hebben er reeds genoeg van gezien om te weten, dat het niet strekken kan om de tegenstrijdigheid op te lossen. Het ziet meedoogenloos aan, dat men den hals breekt, zonder eene hand uit te steken om ons te redden, of een vinger te verroeren om ons voor het gevaar te waarschuwen. Wij zullen ons dus alleen bezig moeten houden met de onderwerpen der zinnen en de onderwerpen der gedachten, met de grammatische en de logische subjecten, maar anders opgevat dan Prof. Roorda heeft goedgevonden. In de eerste plaats moeten wij opmerken, dat het grammatische en het
logische subject in de meeste zinnen ineenvallen, waarmede ik zeggen wil, dat
het logische subject, het onderwerp der gedachte, in den zin door
hetzelfde woord wordt vertegenwoordigd, dat men ook het grammatische
subject, het onderwerp van den zin, zou noemen. Wanneer men b.v.
zegt: Het goud is en blijft altijd nog het kostbaarste metaal, dan is
het goud het onderwerp van den zin, het
grammatische subject; maar het roodgele metaal, dat men
goud noemt, of eigenlijk de voorstelling daarvan, is tevens datgene,
waarop de spreker, en dus ook de hoorder zijne oogen, of zijne aandacht,
gevestigd houdt, en waarvan hij iets oordeelt, iets zegt, iets
praediceert. Het grammatische onderwerp, het onderwerp van den
zin, duidt hier tegelijk het logische, het onderwerp
der gedachte aan. De geheele zin is in overeenstemming met
de gedachte, die hij moet uitdrukken; men zou zelfs moeite hebben om die
gedachte onder andere bewoordingen te brengen. Dit is evenwel niet altijd het
geval. Dikwijls zelfs moet men de woorden, zooals men het uitdrukt, niet
letterlijk opvatten. Het grammatische subject,
het onderwerp van den zin, is niet altijd tegelijk het
logische, het onderwerp der gedachte.
Hoe menigmaal toch gebruikt men niet een zin, dien niemand, ook de domste niet,
letterlijk voor waarheid aanneemt. Wanneer men b.v. zegt: De
zomer is eindelijk gekomen, dan is er wel niet één verstandig
mensch, die meent, dat de zomer een persoon is, die een rijtuig gehuurd heeft,
of per trekschuit of diligence gearriveerd is. Even weinig meent men bij de
uitdrukking: De zomer laat zich lang wachten, dat de zomer coquet is
geworden en zich te lang met zijn toilet bezighoudt; of dat hij onder weg eene oude kennis heeft aangetroffen, met wie hij onder het genot van eene cigaar en een glas wijn den tijd verpraat. En toch, streng genomen, ligt er in die uitdrukkingen iets dergelijks opgesloten. Men spreekt in de Rhetorica veel van figuurlijke uitdrukkingen. De geheele taal is vol van tropen en figuren; maar wij voelen ze niet altijd, omdat wij aan vele van kindsbeen gewend zijn. Schrijven wij niet aan alles, aan het levenlooze zoo goed als aan het levende, leven en beweging, gevoel en verstand, overleg en wil toe? Zeggen wij niet: Die zaak is hem medegeloopen; Die onderneming wilde maar niet gelukken; Die gevoelvolle woorden troffen hem bijzonder. De naaste weg van Leiden naar Arnhem gaat over Utrecht; Arnhem ligt aan den Rijn; De bekoorlijke omstreken dezer stad lokken nog altijd vele vreemdelingen aan? Niemand denkt er een oogenblik aan, dat eene zaak loopen, en wel met ons medeloopen kan; dat eene onderneming een menschelijken wil heeft; dat woorden gevoel kunnen hebben, of daarmede als een kussen met veeren opgevuld kunnen zijn; dat een weg kan gaan, nog eer zou men aan liggen denken; dat de omstreken eener stad als hongerige krokodillen, verliefde duifjes of andere dieren, iemand tot zich kunnen lokken; dat Arnhem van slaap of vermoeidheid is gaan liggen, om straks weder op te staan. Iedereen zal aan die uitdrukkingen een anderen, redelijker zin weten te hechten. Vraagt men evenwel: wat denkt gij en gij bij die woorden? dan zal wel ieder gevraagde een antwoord geven, hetwelk iets beter en logischer gedacht is, maar met moeite zal men twee antwoorden bekomen, die geheel eensluidend zijn. Hieruit moeten twee gevolgtrekkingen worden opgemaakt. 1. Er zijn zinnen en uitdrukkingen, waarbij men iets geheel anders denkt, dan de woorden van den zin zouden vereischen; en 2. wanneer men den waren, verstandigen zin, d.i. de logisch goed
gevormde gedachte, die in zulk een zin ligt opgesloten, onder bepaalde en
juiste bewoordingen tracht te brengen, dan gevoelt men in de meeste gevallen, dat zulks zeer moeijelijk, soms zelfs, dat het volstrekt ondoenlijk is; en dat men altijd genoodzaakt blijft iets anders te zeggen, dan men wel bedoelt. Nemen wij het eenvoudige voorbeeld: De weg van L. naar A. gaat over U. Die zin deugt niet, want een weg is een dood iets, en kan dus niet gaan. De weg loopt dan. Even weinig, wat niet kan gaan, kan nog veel minder loopen. De weg van L. naar A. leidt of voert over U? Kan iets, dat zelf niet loopen of gaan kan, een ander leiden of voeren? Maar de weg van L. naar A. ligt langs of door U.. Ook al mis, wat ligt, kan ook staan, overeind gezet of ten minste gehangen worden, en het een gaat bij een weg al even moeijelijk als het ander. Die langs of over den kortsten weg van Leiden naar Arnhem gaan, loopen of rijden wil of wil gedragen worden, moet door, over, of langs Utrecht. Maar, mijn hemel! is er dan op elk uur van den nacht iemand te Leiden, die volstrekt naar Arnhem wil? En toch de kortste weg van Leiden naar Arnhem gaat iedere secunde van het etmaal over Utrecht. - Vooral bemerkt men die moeijelijkheid bij uitdrukkingen, die onder een bepaalden vorm telkens wederkeeren; b.v. Het regent; Het dondert; Het waait; Het is nog vroeg; Het wordt laat; Het scheelt hem in het hoofd. Het is in al die zinnen het grammatische subject, het onderwerp van den zin, dat woord, hetwelk door de overige woorden tot onderwerp gemaakt wordt; maar wat beteekent het, wat denkt men er bij? De oude Grammatici trachtten zich bij gelijkluidende uitdrukkingen te redden door toevlugt te nemen tot hunne Godenleer: ‘'Υει (het regent), tonat (het dondert), zeiden zij, is blijkbaar: Ζευς υει, Jupiter tonat (Zeus of Jupiter regent en dondert). Die verklaring moge hen volkomen bevredigd hebben - waaraan ik echter nog twijfel - ons doet ze zulks niet. Wij denken bij Het regent en dondert, niet aan den Woedan en Donnar onzer vaderen. De innig vrome, die bij alles tot den Wereldbestuurder opziet, moge denken aan het gezegde van Christus: Hij laat zijne zon opgaan over boozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen; hij zal niet ligt zeggen; God regent; God hagelt; God dondert en bliksemt; maar wel: De goede God laat het regenen, hagelen, donderen of bliksemen. Wij hebben dan echter al weder dat tergende het; en is dit hier iets anders dan in Het regent? En wat beduidt dat het, dat nog vroeg is en laat wordt? Alleen de opmerkingen, die wij zoo even gemaakt hebben, dat men namelijk soms iets heel anders denkt, dan men zegt, en dat het dan ook bijna altijd moeijelijk is de werkelijk bedoelde gedachte onder bepaalde en gepaste bewoordingen te brengen, kunnen hier de oplossing geven. Er bestaat eene bijzondere soort van zinnen, die men existentiale
oordeelen, oordeelen van existentie of werkelijk bestaan noemt,
omdat daarin de reëele existentie, het werkelijke bestaan,
òf van dingen òf van werkingen beweerd of ontkend
wordt. Zoo zijn b.v. de zinnen: Er zijn of Er bestaan spoken; Er
zijn of bestaan geene klopgeesten, zulke existentiale oordeelen,
omdat daarin het bestaan van dingen erkend of geloochend wordt. Evenzoo
de zinnen: Het spookt hier; Het klopgeest of geestklopt daar. Het wil
in de tegenwoordigheid van sommige menschen volstrekt niet klopgeesten;
omdat daarin over het werkelijk geschieden, over de reëele existentie, van
werkingen geoordeeld wordt. Verandert men zulke zinnen zoodanig, dat zij
meer bepaaldelijk uitdrukken, wat men eigenlijk bedoelt, dan zal men nagenoeg
krijgen: Spoken en klopgeesten bestaan of bestaan niet; Het
verschijnen van spoken heeft hier plaats; Het kloppen van klopgeesten geschiedt
daar; Klopgeesten willen in de tegenwoordigheid van A en B geene orakels
geven, of iets dergelijks. Vergelijkt men nu de zinnen: Het spookt hier;
Het klopgeest daar, met: Een spook verschijnt hier; Klopgeesten kloppen
daar, dan ziet men terstond, dat de ware, de logische subjecten niet
door het grammaticale subject het worden vertegenwoordigd, maar dat zij,
namelijk het spook en de klopgeesten, uit de
praedicaatswerkwoorden: spoken en klopgeesten of
geestkloppen, moeten getrokken worden. Hetzelfde moet plaats hebben bij
Het regent, Het dondert, die ook existentiale oordeelen zijn en niets
anders beteekenen dan: De werkingen in de natuur, die men regenen en donderen noemt hebben nu plaats, hebben op dit oogenblik reëele existentie. Nog een paar voorbeelden. Wanneer men zegt: Het ontbreekt hem aan moed; Het hapert hem aan de middelen, dan moeten de logische subjecten, de onderwerpen der gedachten: moed en middelen, uit de grammaticale praedicaten: - ontbreekt hem aan moed; - hapert hem aan de middelen, gehaald worden. Immers die zinnen drukken eigenlijk deze gedachten uit: De noodige moed ontbreekt hem; Zijne middelen zijn voor zijn doel niet toereikend. Nu weten wij genoeg ter verklaring van die andere soort van zinnen
met een werkwoord in den lijdenden vorm zonder grammaticaal subject, als: Er
werd gedanst; Er wordt getwist en gekeven; In Friesland wordt veel
schaatsgereden; In het park wordt zelden gewandeld. Zeker ontbreekt hier
overal een grammatisch subject; in Er werd gedanst, Er
wordt gekeven, evenzeer als in: Hier, of
Daar, of Boven werd gedanst; In die
kroeg wordt hevig gekeven; want dit er is even goed als
hier en daar een bijwoord van plaats. Maar een grammaticaal
subject is er even weinig in noodig als in: Geef hier dat boek; Luister eens
goed; en, wel beschouwd, zelfs veel minder. Bij Geef of
Luister kan men nog in twijfel staan, wien der aanwezigen het geldt, wie
hier het subject van geven of luisteren moet worden; de subjecten
worden hier door niets vertegenwoordigd. Bij Er werd zelfs gedanst; Er werd
toen ook geharddraafd, is geen twijfel mogelijk, en de logische subjecten
zijn hier wel degelijk vertegenwoordigd. De logische subjecten der
gedachten zijn dansen en harddraven; zij zitten in
de praedicaten: Er werd gedanst, Er werd geharddraafd, en worden dus
duidelijk en bepaald aangewezen. De eigenlijke gedachten echter, die in die
zinnen liggen, stemmen niet overeen met de grammatische beteekenis van de
woorden of van den zin. Niemand vat ze ook zoo op; niemand stelt
zich voor, dat iemand of iets de werkingen, die dansen en
harddraven heeten, heeft geleden of ondergaan. Vraagt men aan iemand:
wat verstaat gij onder die woorden? dan zal men - doch niet zonder moeite - het antwoord krijgen: De werkingen, de vermakelijkheden, die men dansen en harddraven noemt, hebben bij die gelegenheid plaats gegrepen. Een oordeel van existentie dus, dat men evenwel nog liever zóó formuleeren zou: Er werd op dat feest ook een bal gegeven en eene harddraverij gehouden; een bewijs derhalve, dat men eene zuiver logische uitdrukking der gedachte niet voor de geschiktste houdt. En zou de reden hiervan wel zoo ver te zoeken zijn? Wanneer men het voorvallen of geschieden van eene werking, van eene beweging wil uitdrukken, d.i. de existentie van iets, dat nooit op zich zelf bestaan kan, maar zich altijd voordoet als de openbaring van een leven, van eene kracht, die zich bevindt in iets anders, dat werkt, is het dan niet natuurlijk, dat men zich liefst van een werkwoord bedient, een woord, dat altijd zulk een vertoon van kracht en leven uitdrukt, ook dan zelfs, wanneer deze niet werkelijk aanwezig zijn 1) ? Moet een abstract substantivum, als dans of gedans, rid of gerij, twist of gekijf, wedren of harddraverij, waarin geen leven of beweging zit, maar waarmede men zich in eene logisch juiste uitdrukking der gedachten wel behelpen moet, niet als ongepast, althans als minder gepast voorkomen? Bewijst dit niet, in weerwil van het onlogische der uitdrukkingen in het passivum, veeleer tact en fijn gevoel, dan stompzinnigheid en afdwaling van den geest? Vergelijken wij nog eenige voorbeelden ten einde de ware beteekenis der zinnen met onpersoonlijke, hetzij actieve, hetzij passieve, werkwoorden nog beter te vatten: Hij rookte er; Het rookte er; Er werd gerookt. In den eersten zin heeft men het oog op een bepaalden, bij den hoorder bekenden persoon, die misschien niet gewoon is te rooken, of bij eene andere gelegenheid niet heeft willen rooken, of gerookt heeft op eene plaats, waar het rooken anders niet geduld wordt. Dit is dus geen oordeel van existentie; het subject wordt als bestaande |
1) Vergelijk de voorbeelden op blz. 157.
| |||||
|
ondersteld of aangenomen, en het is niet de werking rooken, die hier vermeld wordt als op zich zelf existeerende, maar als bijzonderheid in een bepaald subject. Het rookte er, wordt ook in verschillende betrekkingen gebruikt: Het was daar niet aangenaam, het rookte er; Ik zou dat huis of die vertrekken niet willen bewonen; toen ik er onlangs was, rookte het er. De beteekenis komt zoo wat hierop neer: Daar of daar had het onaangename verschijnsel plaats, dat men rooken noemt. Die werking is de hoofdzaak, is datgene, waaraan men eigenlijk alleen denkt, en waarvan de existentie vermeld wordt; het rookende subject, het zij kagchel, of haard, of wat ook, komt niet in aanmerking, men vormt er zich geene voorstelling van. Er werd gerookt, beteekent ook wel, dat er rook was, dat de werking rooken daar geschiedde, maar veroorzaakt door menschen, die echter even weinig in aanmerking komen. Ook hier wordt de existentie van rooken gepraediceerd, doch niet als een natuurverschijnsel, maar als eene handeling van redelijke wezens. Hetzelfde onderscheid merkt men op tusschen: Hoe verkwikkelijk riekt het hier in dezen heerlijken tuin! en Ik ben niet gaarne in een gezelschap, waar niet gepraat, maar alleen gespeeld wordt. Nemen wij thans de uitdrukkingen, die den tijd betreffen, in
oogenschouw. Wij zien vooreerst, dat ook daarbij het logische
subject uit het grammatische praedicaat moet worden
ontleend. Het is tijd, beteekent kennelijk: De tijd om te vertrekken,
naar de kerk, den schouwburg, of naar bed te gaan, of medicijnen in te nemen is
daar, is aanwezig. Worden is beginnen te zijn, overgaan van niet zijn in
zijn; dus: Het wordt tijd = de tijd om iets te doen begint aanwezig te
zijn, zal weldra zijn. In de uitdrukkingen: Het is nog vroeg; Het wordt
laat; Het is vier uren; Het wordt avond, wordt het woord tijd wel
niet in het praedicaat genoemd; maar welk ander begrip is er uit de woorden
vroeg, laat en vier uren te trekken? Ziet men niet tevens, dat
het = iets, iets geheel onbepaalds, om zoo te spreken de eenig mogelijke
uitdrukking is: niet de tijd zelf toch is vroeg, of laat,
of vier uren, of wordt avond. Welke bepaalde uitdrukking van eene duidelijke voorstelling kan men hier verwachten? De wijsgeeren, wanneer zij het begrip van tijd definiëeren willen, moeten zich van gebrekkige en omslagtige uitdrukkingen bedienen, en zijn het dan nog niet eens. Wat moest het volk doen, dat de taal heeft gemaakt en van tijd wel een bewustzijn, maar geene aanschouwing en dus ook geene klare voorstelling had? Wij hebben dus geleerd, dat er twee vrij talrijke soorten van
zinnen zijn, waarbij de bedoelde gedachte niet in overeenstemming
is met de woorden, met den grammatischen vorm van den zin,
en waarbij bepaaldelijk het logische subject, het subject der
gedachte, uit het grammatische praedicaat moet
worden opgemaakt. Vervolgens, dat de eene soort moet dienen om het
werkelijke bestaan - d. i. hier het voorvallen, geschieden, plaats
hebben - uit te drukken van zekere werkingen in de natuur, waarvan de
groote hoop de eigenlijke oorzaken niet of gebrekkig kent, en waarbij men zich
ten minste die oorzaken niet duidelijk en bepaald denkt. Hiertoe behooren in de
eerste plaats de uitdrukkingen, die het weder betreffen, als daar zijn: Het
regent, sneeuwt, hagelt, ijzelt, rijpt, vriest, dooit, stuift; Het is koud,
guur, warm, heet, drukkend, luchtig, droog, aangenaam, stil, onstuimig;
vervolgens die, welke op den tijd betrekking hebben: Het is tijd, vroeg,
laat, morgen, dag, avond, schemeravond, middernacht, zeven uren, half acht.
Behalve de twee genoemde ondersoorten bestaan er nog uitdrukkingen, die een
ligchamelijk gevoel te kennen geven, waarbij aan de oorzaak niet gedacht wordt:
Het jeukt, brandt, steekt, klopt, schrijnt mij overal; Het suist mij door de
ooren; Het duizelt mij; Het werd hem daar te benaauwd; Het was hem daar ruim om
het hart; Mij dorst; Hem hongert. Eindelijk, dat de tweede soort moet
dienen om het werkelijke bestaan, het voorvallen of plaats hebben van werkingen
uit te drukken, die door bekende subjecten en wel door personen verricht
worden, maar waarvan de subjecten voor het oogenblik onverschillig zijn; zoodat
de werkingen de hoofdzaak uitmaken, wier existentie gepraediceerd wordt: Er werd gedanst, gesprongen, gezongen, gedronken, enz. Zulke zinnen drukken derhalve gedachten uit, waarin wel degelijk subjecten voorkomen. Hoewel de praedicaatswerkwoorden in de laatstgenoemde soort den lijdenden vorm hebben, zoo zijn die subjecten toch in geenen deele de objecten van werkwoorden, waarbij geene lijdelijke objecten denkbaar zijn; de ware, logische subjecten zijn de werkingen zelve, wier realiteit of werkelijkheid beweerd of ontkend wordt. Ik vlei mij thans de schijnbare zwarigheden en struikelblokken uit
den weg geruimd te hebben; brengen wij thans de vraag, die in het hoofd van dit
opstel vermeld staat, nog eens ter sprake: Bestaan er praedicaten, bij welke
geen subject denkbaar is? Ik zou zeer ontevreden over mij zelven zijn,
indien ieder lezer, die mij aandachtig heeft willen volgen, niet gereedelijk
antwoordde: ‘Neen, want het begrip van praedicaat brengt
onvermijdelijk mede, dat dit een subject heeft. Eene uitdrukking, die
praedicaat heet, d.i. die als een praedicaat beschouwd wordt, moet ten
gevolge van die beschouwing volstrekt behooren tot iets, dat juist ook daarom
even noodwendig subject heeten moet. Eene uitdrukking, een woord
of eene reeks van woorden, waaraan niet iets als subject
verbonden is, mag niet praedicaat genoemd worden; zij moet volstrekt
eenen anderen naam hebben, al zou men er eenen voor uitdenken.’ -
Daarmede echter is de zaak nog niet afgehandeld. Wij hebben ook te onderzoeken,
of er zinnen zijn, die gedachten uitdrukken, waarin geen
subject, en om die reden ook geen praedicaat voorkomt;
zinnen, waarbij men uit dien hoofde die twee woorden niet zou mogen
bezigen. Reeds bij het eerste onderzoek, Lezer, zal blijken, dat er zulke
zinnen niet bestaan. Men kan niet denken, d.i. men kan geene
gedachte vormen, waarbij men zich niet, nu eens duidelijker, dan
flaauwer, drie zeer verschillende zaken bewust wordt: 1. iets, dat zich
voordoet als onderwerp; 2. iets, dat zich voordoet als
gezegde; en 3. de koppeling, de verbinding of
scheiding van onderwerp en gezegde. Beproef het slechts bij u zelven. Zelfs wanneer gij niet eigenlijk denkt, wanneer gij doet hetgeen Prof. Roorda, blz. 4 zinnelijk denken noemt; d.i. wanneer gij u de beelden van personen of voorwerpen voorstelt, die gij eenmaal gezien hebt, of als gij zelf u zulk een beeld schept, zult gij die drie dingen bij u zelven waarnemen. Tracht u een gebouw voor te stellen, dat gij eens of meermalen hebt gezien, een paleis b.v. Sluit uwe oogen, en tracht het beeld in zijn geheel vast te houden. Gij zult dit niet kunnen doen; het zal u ontglippen, zoo gij u niet terstond een bijzonder gedeelte voorstelt, b.v. de prachtige rij zuilen, die de gevelspits ondersteunen. Gij onderscheidt dus oogenblikkelijk het gebouw zelf van de zuilen; het gebouw wordt dan als het ware subject, de zuilen en de gevelspits om zoo te spreken praedicaat: het gebouw heeft zuilen en eene gevelspits. Het beeld van het gebouw in zijn geheel verflaauwt nu voor uwe verbeelding; dat van de zuilen daarentegen wordt helderder, maar terstond wordt dit op zijne beurt subject; want uwe aandacht vestigt zich op de fraaije kapiteelen, die nu in de betrekking van praedicaat komen. Doch ook dit duurt slechts een oogenblik, want gij herinnert u, dat zij in den Ionischen bouwtrant vallen, waardoor zij terstond op hunne beurt subjecten worden van de sieraden, die het Ionische kapiteel kenmerken. Dit gaat bij het phantaseeren zoo voort: onophoudelijk onderscheiden van twee dingen, die tot elkander in eene betrekking staan, welke groote overeenkomst heeft met de betrekking tusschen de eigenlijke subjecten en praedicaten, die zich bij het eigenlijk gezegde denken onvermijdelijk voordoen. Laat mij ook hiervan een voorbeeld geven. Gij wandelt op een langen lijnrechten straatweg. Aan het einde
bemerkt gij eene zwarte stip, die al grooter en grooter wordt. Wat is die stip?
Zij nadert, en gij bemerkt, dat gij een rijtuig voor u hebt: Die stip, dat
voorwerp (subj) is een rijtuig (praedic.). Weldra ziet gij, dat het
met twee paarden bespannen is: Het rijtuig (subj.) heeft twee
paarden (praed.). Voorop zitten twee personen: Twee personen (subj.) zitten voorop (praed.). Het zijn manspersonen en de eene draagt livrei. De eene man (subj.) draagt livrei (praed.). De andere is u nog onbekend, doch het rijtuig komt eindelijk digt bij u: Die andere persoon (subj.) is de Heer X (praedic.). Het rijtuig snort u voorbij, en gij verdiept u in gissingen omtrent het doel van dien togt: X (subject) brengt misschien een bezoek aan Y (praed.), die (subj.) daar en daar woont (praedic.). Gij ziet dus, waarde Lezer, denken bestaat in bewust onderscheiden van ten minste twee dingen; en zonder dat denkt men niet, vormt men geene gedachten. De werking, de bijzonderheid, die in de betrekking van praedicaat voorkomt, moge de hoofdzaak zijn, van het subject moge men zich geene duidelijke voorstelling, laat staan een beeld kunnen vormen, altijd blijft - men zal dit bevinden - ten minste de onbepaalde voorstelling: iets over, die niet uit onzen geest te verdrijven is; en dit iets is, of is zoo en zoo. Nog eens dan, en nu nog nadrukkelijker dan te voren: er zijn geene
gedachten, waarin niet een subject en een praedicaat voorkomen; ja, gedachten
zonder beide elementen zijn onmogelijk en ondenkbaar. Grammatische praedicaten
evenwel zonder grammatische subjecten, die zijn er, en zijn dus ook mogelijk en
denkbaar; want wat is en bestaat, is mogelijk. Maar verder kan men niet gaan;
men kan niet beweren, dat er grammatische praedicaten zijn, waarbij een
grammatisch subject ondenkbaar is. Uit de Logica kan geen besluit getrokken
worden, dat ook voor Grammatica geldt. De taal is niet door wijsgeeren gemaakt,
en al ware zij zulks, zij zou toch niet logisch zijn. De taalvormen zijn dien
ten gevolge niet altijd, zelden zelfs, in volmaakte overeenstemming met de
juistere begrippen, die men langzamerhand vormt en meer en meer zuivert. Van de
stelling: Dit of dat kan niet worden gedacht, mag niet
besloten worden tot de stelling: Dit of dat kan niet worden
gezegd. Of kunt gij u een huis voorstellen of denken, dat
eigenaar van zich zelf is, dat leeft, en denken en spreken en zich zelf
verhuren kan? of koopwaren, die, met dezelfde menschelijke vermogens bedeeld, over zich zelve beschikken? En toch de bekende Fransche spreekwijzen: Cette maison se loue cher; Les allumettes chimiques se donnent, mais ne se vendent plus (Dat huis verhuurt zich duur; De lucifers geven zich weg, maar verkoopen zich niet meer), onderstellen beide. Uit de waarneming, dat de zin: Er werd gedanst en gesprongen, geen grammatisch subject heeft, volgt volstrekt niet, dat het er geen hebben kan; het Hoogduitsch bewijst de mogelijkheid: Es wurde getanzt und gesprungen. Uit het behandelde volgt, dat men noodzakelijk onderscheid moet maken tusschen de eigenlijke gedachte, die door een zin wordt uitgedrukt, en de letterlijke beteekenis der woorden van den zin; dat de woorden subject en praedicaat alleen dan streng in hunne ware beteekenis genomen worden, wanneer zij op de gedachte betrekking hebben; dat die beide elementen volstrekt in iedere gedachte moeten voorkomen; en eindelijk, dat men omtrent het al of niet aanwezig zijn van een grammatisch subject in eenen zin a priori niets kan bepalen, daar zulks van het bijzonder taaleigen afhangt. |