OVER DEN OORSPRONG VAN HET ACHTERVOEGSEL AARD.Vóórdat ik mijne meening omtrent den oorsprong van
bovengenoemd achtervoegsel voordraag, moet ik erkennen, dat ik me volkomen
vereenig, wat de schrijfwijze der woorden op -aard aangaat, met de
strekking van het betoog, voorkomende in dit tijdschrift, 2e jaarg.
bl. 62 vgg. - Daarentegen houd ik het gevoelen, dat de schr. omtrent den oorsprong van het achtervoegsel heeft, voor onhoudbaar. Was zijne verklaring werkelijk de ware, dan zou de spelling, die hij voorstaat, op zwakke gronden rusten; immers zou het niet in het oog loopend inconsequent wezen, veins-aard met eene s, en veinz-er met eene z te schrijven, zoo aard in den grond niets anders was dan aar of er? Nu is het verwijt, dat we in onze spelling inconsequent zijn, wel te verdragen, maar nog beter is het geen grond tot verwijt te geven. En elke grond daartoe vervalt, zoodra aangetoond kan worden, dat beide achtervoegselen niets met elkaâr gemeen hebben. Laten we, om tot deze overtuiging te komen, de twee verschillende verklaringen van -aard, welke de schr. onderling toetst, nagaan. Te recht wordt door den Heer V. Dijk de onhoudbaarheid aangetoond van de bewering, dat ons achtervoegsel één en hetzelfde zou wezen als ons substantief ‘aard.’ Dit substantief moge ook al achter adjectief- en substantiefstammen gevoegd, als in snood-aard en dronk-aard, een dragelijken zin geven, na werkwoordelijke stammen, bijv. in veins-aard, laat het zich volstrekt niet verklaren. Uit het substantief ‘aard’ kan dus het achtervoegsel niet ontstaan zijn. Doch evenmin kan aard een gewijzigde vorm van aar of er wezen. Want in onze taal wordt aard of er wel achter substantieven en werkwoordelijke stammen, maar niet achter adjectieven aangehecht; afleidingen derhalve als zang-er, dien-aar zijn geoorloofd, maar zulke als goed-aar of goed-er, wreed-aar of wreed-er zijn ongehoord, niet slechts bij ons, ook in de overige Duitsche dialekten 1) . Buitendien, hoe zou de letter d het vermogen bezitten om de beteekenis van een achtervoegsel zóó sterk te wijzigen? Vergelijkt ge alleen veins-aard met veinzen, dan is het onderscheid zeker niet groot; doch |
1) Het woord Duitsch-er mag niet in
aanmerking komen, aangezien het geen Nederlandsche vorm is, maar een plomp
overgenomen Hoogd. woord; er is dan ook hier geen achtervoegsel, maar
het teeken van den nominatief.
|
|
een snoodaard is ook ‘iemand, die snood van aard’ is, en desniettemin heeft het, zoo als wij boven zagen, niets met het subst. aard te maken. Ge overtuigt u hiervan terstond door aan grijsaard en Spanjaard te denken; en op gelijke wijze zult ge vinden, dat de vergelijking van wreedaard en Reinaard met woorden op aar of er leidt tot de erkenning, dat aard en aar ongelijkslachtige uitgangen zijn. Is het nu duidelijk, dat beide verklaringen onaannemelijk zijn, wat is dan de oorsprong van aard? We kunnen uit
Grimms Deutsche Gr. II, bl. 339 en 340, leeren,
dat ons -aard één is met ons adjectief hard,
hetwelk eertijds de ruimere beteekenis had van ‘sterk.’ De woorden
op -aard (hard) waren dus oorspronkelijk zamenstellingen, gelijk
die op dom, heid, schap, en deelden in hetzelfde lot als deze laatste.
Er was een tijd, dat deze drie uitgangen nog op zich zelf staande eene
beteekenis hadden, dus nog woorden waren, maar in verloop van tijd verloren ze
hunne zelfstandigheid, en in stede van woorden werden ze louter middelen ter
afleiding. Zoo is het ook met hard gegaan. Niemand onzer denkt er bij
het spreken aan, dat dom eenmaal ‘gebied,’ heid
‘wezen, persoonlijkheid, stand,’ schap ‘orde,
staat’ beteekende; nog moeijelijker valt het ons in -aard ons
hard te herkennen, omdat èn vorm èn beteekenis zich
gewijzigd hebben. De wijziging van den vorm is een gevolg van twee
eigenaardigheden der taal. De eerste aanleiding tot die wijziging vinden we in
de neiging van onze taal of ten minste van eenige tongvallen, om de uitspraak
der a voor eene r te rekken; in het Mnl. zei men zoowel
haerde als harde, en nog tegenwoordig spreken we gaard in
plaats van gard uit, en Maart, vaart, kaart, enz. De tweede
aanleiding is te zoeken in de gemakkelijkheid, waarmede wij de h na een
medeklinker verwaarloozen, wanneer zulks geen onduidelijkheid kan ten gevolge
hebben; zoo zeggen wij tuis, tans voor thuis, thans, enz. Zoo is
het licht te begrijpen, dat de klove tusschen hard en -aard
allengskens grooter en grooter werd, totdat het gevoel voor de verwantschap
geheel en al verdween. Niet ons tegenwoordig taalbewustzijn kan dien band bevroeden, alleen taalgeschiedenis en taalvergelijking vermag dien in het licht te stellen. De oudste woorden op hard, Ohd. hart, die we kennen, zijn eigennamen, als Reginhart, Mnl. Reinaert, Nnl. Reinaard; Wolfhart = Wolfaard; Meinhart = Meindert, Gerhart = Geraard. Het Mhd. bezit ook ettelijke gemeen-zelfstandige naamwoorden op hart, bijv. lügehart, d. i. ‘die gaarne sterk liegt;’ naghart; selphart ‘zelfzuchtig;’ slinchart, ‘slokkaard;’ vrîhart; het Mnl en Nnl. bezitten er een veel grooter aantal, als snoodaard, valschaard, wreedaard, dronkaard, luiaard, enz. Niet minder menigvuldig dan bij ons zijn de met dit achtervoegsel afgeleide woorden in de Romaansche talen 1) ; bepaaldelijk het Fransch is rijkelijk van woorden op -ard voorzien. Hierin hebben niet slechts zuiver Duitsche eigennamen, als Renard, Richard, en zuiver Duitsche zamenstellingen, als gaillard (uit gail ‘opgewekt’) het volle burgerrecht gekregen, maar ook verscheidene nieuwe afgeleide woorden zijn er gevormd door ard achter een zuiver Romaanschen stam te voegen, bijv. fuyard, vieillard, montagnard, Savoyard, enz. Dat eenige onzer woorden op -aard naar Fransche voorbeelden gevormd zijn, heeft niets onwaarschijnlijks; Savoyaard is zeker daaraan ontleend; of Spanjaard daarentegen uit den vreemde tot ons gekomen is, mag betwijfeld worden; ook de Engelschen zeggen Spaniard, doch of zij het woord van ons hebben overgenomen, dan of wij van hen, en of beide misschien het van een derde ontleend hebben, mogen anderen beslissen. Na het bovengezegde is het bijkans overbodig op te merken, dat de spelling aart en ert eene wanspelling is, welke volkomen in het Mnl. spelstelsel, maar niet in het onze past. Bij eigennamen mogen we minder streng zijn, dewijl die meer op overlevering steunen dan andere woorden. Het |
1) Die vollediger opgaven dienaangaande verlangt,
verwijs ik naar
Diez, G. Roman. Sprachen, II, bl. 311,
vgg.
|
|
lijkt anders vrij zonderling, dat Wolfert en Wolfaard, Rijkert en Richard, Gerrit en Gerard, met elkaâr afwisselen. Aan eigennamen zij deze vrijheid vergund; ongeoorloofd echter is het, mijns inziens, een Reinaard tot een ‘Reinhart!’ te maken 1) .
Maastricht. H. Kern. |
1) [Tegen de identiteit van den Nederlandschen
uitgang aart of aard met hart pleit onder anderen zeer de
omstandigheid, dat die uitgang te onzent steeds aart, ert of er
luidde en niet hart Daarentegen bewijst zoowel de taal onzer Ouden als
nog onze volksspraak, de identiteit van veinzer, veinzert, veinzaart
enz. Zie mijne Verscheid, bl. 48, 113 en volgg. - A. d.
J.]
|