[p. 273]

WERKWOORDEN, DIE VOORHEEN EENE ANDERE VERVOEGING HADDEN DAN TEGENWOORDIG.

Een aantal werkwoorden zijn door den tijd in de vervoeging geheel of ten deele van vorm veranderd. Sommige oorspronkelijk ongelijkvloeijende hebben alleen het verleden deelwoord op en behouden en zijn overigens gelijkvloeijend geworden, b.v. laden, laadde, geladen; spannen, spande, gespannen; scheiden, scheidde, gescheiden; lagchen, lachte (loeg vindt men nog wel eens bij dichters), gelagchen; braden, braadde, gebraden enz. 't Valt niet te ontkennen dat bij velen een toeleg opgemerkt wordt, om het praeteritum van ongelijkvloeijende werkwoorden gelijkvloeijend te maken; terwijl zij het verleden deelwoord op en behouden. Zoo plegen zij leesden, breekten, en meer dergelijke wanstaltige vormen te gebruiken. Daardoor verklaren wij 't ons ook, dat laden enz. door verloop van tijd laadde enz. heeft kunnen opleveren. Hieraan ergeren wij ons thans niet, ons oor wordt door deze vormen geen geweld meer aangedaan; maar in den beginne moeten loed, spien, schied, loeg, bried veel liefelijker geklonken hebben. Zooveel vermag eene onhebbelijke gewoonte! 't Zij ons ter leering om het streven naar gelijkvloeijendheid van de thans bestaande ongelijkvloeijende werkwoorden zorgvuldig tegen te gaan en ons zoo min in 't spreken als in 't schrijven te bedienen van wanstaltige vormen, als: breekten, leesden, steelden enz., welke onze ooren kwetsen. Anders is 't te vreezen, dat eenmaal onze nazaat diezelfde

[p. 274]

ontaalkundige vormen zal gebruiken in 't schrijven, die wij alras zouden invoeren, door aan wanspraak toe te geven. Laadde, spande, scheidde, lachte, braadde staan er ons borg voor. Immers, toen men deze, thans gewettigde, maar in den grond gebrekkige tijdvormen nog niet kende, gebruikte men hiervoor de welluidende loed, spien, schied, loeg; gelijk uit de volgende citaten uit den Heinrich van Limborch blijkt:

Loed, IV. 1208-1211.

 ‘Doe loeden si ter seluer stede
 Morante op siin paert
 Ende voerdene ten castele waert.’

VI, 1213-1216:

 ‘Si namen ende loeden haren here
 Ende voerdene met groten sere
 Ten lande wert ende keerden weder.’

XII, 984-987:

 ‘Noch waren daer .11. conincghe
 Die oec hare bodscap loeden,
 Echites ende heren Heinrich den goeden.’

Spien, II, 99:

 ‘Die hertoge spien sine sporen.’

Schied, I, 808-810:

 ‘Ende waer si sciet van mi,
 Sal ic hem vertellen lude of stille.’

II, 1847-1849:

 ‘Nu scieden die riddren onvervaert,
 Ende miin her Heinrich voer ten tenten waert.’

V, 656-658:

 ‘Sciede oec die grave henen,
 Hi bleve met grave van Athenen.’

Loeg, I, 1874-1877:

 ‘Nochtan waerdi scip ende roeder
 Van erterike doe si u droech
 Menighwarf si op u louch.’

III, 1068-1070:



[p. 275]

 ‘Ende mettien die ridder louch
 Ende seide: “her grave bi gode.”’

Doch er zijn ook andere werkwoorden, die, nu ongelijkvloeijend vervoegd wórden, maar voorheen gelijkvloeijend waren. Bv. vragen, vroeg, in steê van vraagde; jagen, joeg, in plaats van jaagde; gelijk men oulings sprak: I, 920-922:

 ‘Die grave wasser herde ghemeit,
 Ende vragede hare wanen si ware.’

I, 974-976:

 ‘Die vrouwe vragede hare tien tide
 Welc dat hare name ware.’

I, 1502-1506:

 ‘ic hadde liever dat men mi name
 Dat graefscap ende al Athenen
 Ende men mi weder jagede henen
 Te minen broeder in Ermenie.’

V, 1720-1722:

 ‘Entie andre van der stede
 Jagedense .11. milen verre.’

Wederom zijn er andere werkwoorden, die voorheen gelijkvloeijend waren, doch niet anders dan ongelijkvloeijend gebezigd worden; gelijk prijzen, wijzen, schenden, zenden; b.v.

Prijzen, I, 45-47:

 ‘Dat menne priisde vele meer
 Dan eneghen ridder noit eer.’

I, 2210-2212:

 ‘Mochtic dit noch te bispele
 Vertellen, dat priisdic sere.’

IV, 1963-1966:

 ‘Sine priisden Echites sere
 Selve die keyzer hare here
 Priisdene herde menechfout.’

en eenige verzen, vóór deze laatste, nl. 1847 - 1850 geprijsd

 ‘Soe deedt soe wel her Echites
 Dat hi meer ghepriist es
 Dan die andre altemale.’


[p. 276]

Wijzen, II, 380-382:

 ‘Doe leidine in die posterne,
 Ende wiisdem silver ende gout.’

V, 2006-2008:

 ‘Ende voer ter cautsieden weert
 ‘Daer hem wiisde die conincginne.’

Zenden, IV, 533-535:

 ‘Ende sendet van Limborch die jonfrouwen
 Ende bat hare in gherechter trouwen.’

IV, 638-641:

 ‘Enen bode senden si doe
 Ane die [n?] grave ende ane die gravinne
 Ende ontboden hem met bliden sinne.’

Terwijl gezend voorkomt I, 1674-1676:

 ‘Ende hier omme hebben si mi
 Ghesent te minen oem waert.’

VI, 913-915:

 ‘Heere wi siin ghesent hier
 Alse boden van den coninc fier.’

Eerst tegen het einde der middeleeuwen begon men deze werkwoorden ongelijkvloeijend te gebruiken; maar men bespeurt ook te gelijker tijd eene taalverbastering, waaraan 't ongelijkvloeijende dezer werkwoorden kan toegeschreven worden. Prees, geprezen; wees, gewezen; schond, geschonden; zond, gezonden zijn thans geijkte vormen; die prijsde, geprijsd, wijsde, gewijsd, schendde, geschend, zendde, gezend weder zou willen invoeren, zou volstrekt geene navolging vinden.

Eenige andere werkwoorden zijn, even als voorheen, wel ongelijkvloeijend gebleven, maar vertoonen in het imperfectum eene andere vokaal dan tegenwoordig, b.v. wegen, woog, gewogen. Het substantief waag wijst terug op eene andere vervoeging, als wegen, wach, wage, gewegen of - doch mogelijk meer om het rijm - geweget), zoo als men in oude boeken leest - gelijk in den meer genoemden roman VIII, 1518.

Eindelijk merken wij op dat de onvolm. verl. tijd van

[p. 277]

werken voorheen ook wrocht was - welke vorm nog in gebruik is; - hier bespeurt men eene letterverplaatsing of metathesis der r en een' niet ongewonen overgang van k in ch. Nog hebben wij eenige verleden deelwoorden over, zoowel van zwakke werkwoorden, als vermaard, berucht, (van beroepen), als van sterke werkwoorden b. v. geronnen van rinnen, ran, ron, hetwelk tweederlei beteekenis heeft, nl. die van (snel) loopen en vloeijen, bv., nimmer moê geronnen tijd, geronnen bloed.

 

H.M. Labberté.