AAN DEN HEER PROFr. J. van Vloten.

Amice Collega!

 

In uw stukje in de Taalgids, no. 3 van 1860, zijt gij zoo vriendelijk met eenige welwillende woorden te gewagen van een opstel door mij in de Gids van Augustus 11. geplaatst, en mij een antwoord te geven op mijne vraag: ‘wie geeft ons het passende Nederduitsche woord voor Zollverein, union douanière?’ Gij zegt: ‘waarom niet òf Tolvereeniging òf Tolverbond? beiden toch geven 't gevraagde woord volkomen terug.’ - Nu wil ik mij gaarne op uw gezag met deze woorden tevreden stellen. Maar gij vindt de vraag ‘bevreemdend’; te meer omdat ik ‘die woorden zelf een paar bladzijden later gebruik.’ Dit verpligt mij nu wel, de gronden van mijnen twijfel kortelijk mede te deelen.

Gij hebt gelijk: ik heb dat woord Tolverbond zelf in mijn opstel geschreven. Doch ik deed het met tegenzin, uit gebrek aan beter en om breedsprakige omschrijving te vermijden. Ik meende het aan het slot mijner beschouwingen zonder al te veel bezwaar te mogen doen, omdat de lezer nu eenmaal bekend was met het begrip, dat aan het woord verbonden moest worden.



[p. 278]

Maar ik vond het woord minder passend, al behielp ik mij er mede, omdat in der daad toch dat begrip er niet duidelijk en ondubbelzinnig in ligt. Stel u voor, dat men eenen Hollander, die nooit van het Duitsche Zollverein gehoord heeft, zonder nadere verklaring of beschrijving spreekt ‘van een Tolverbond tusschen Nederland en België’ zal hij u verstaan? Ik vrees, neen. De naam is op zich zelven niet voldoende om hem de zaak helder te maken, wanneer niet de herinnering aan het duitsche woord hem te hulp komt. Integendeel zal de naam Tolverbond of Tolvereeniging den Hollander veeleer op een dwaalweg brengen, omdat deze woorden én volgens ons taaleigen én volgens ons spraakgebruik iets anders beteekenen, dan gij er mede bedoelt.

Wij zijn in onze woordvorming wel wat kiescher dan de Duitschers. Zij gaan er veel ligter toe over, een eigen woord zamen te stellen om eenen naam voor eene nieuwe zaak te bekomen, dan wij, die ons liever nog behelpen met een vreemd woord te naturaliseren. Alleen aan onze slordige vertalers hebben wij het soms (zonderling genoeg!) te danken, dat een nieuw woord door hen geschapen, ook bij ons ingang vindt. Denk slechts aan het fraaije daadzaak. Zoo nu is het, dunkt mij, ook hier. Zollverein en Steuerverein lijden bij hen geen' aanstoot, om het begrip uit te drukken van eene vereeniging van staten tot gemeenschappelijke regeling van hunne regten op in- en uitvoer (Zölle) of van hunne belastingen (Steuer). Maar Tolvereeniging stuit bij ons op bezwaar, omdat wij bij dat woord het naast denken aan eene vereeniging, niet van staten, maar van tollen. Men zal zich bij dat woord het eerst voorstellen eene vereeniging, zamenvoeging van onderscheidene tollen of regten tot een geheel.

Nu komt hier nog het grootere bezwaar bij, dat in dit woord tol zelf ligt. Naar ons spraakgebruik heeft het eene andere beteekenis dan bij de Duitschers hun Zoll. Zij verstaan hieronder: elke heffng, die bij vervoer van personen, vooral van goederen geschiedt, ongeveer gelijk aan het Latijnsche vectigal; zij spreken dus van een Einfuhrzoll, Ausfuhrzoll,

[p. 279]

Durchgangs-zoll. Bij ons echter is tol de vergoeding, die betaald wordt voor en bij het gebruik van eenen weg, eene vaart of eene brug. Het is waar, vroeger was ook het begrip bij ons iets ruimer: 'sGraven tol te Dordrecht b.v. had veel van eene belasting op vervoerde goederen, gelijk aan de tegenwoordige in- of doorvoerregten; maar toch hechtte de voorstelling zich altijd aan de plaats, waar de goederen aanof voorbij gevoerd werden. In nagenoeg gelijken zin spreken wij tegenwoordig nog van Sondsche tol, Stader tol, Rijntollen; maar gij zult mij toegeven, dat ook hier de beteekenis van tol altijd nog stellig onderscheiden is van in- uit- en doorvoerregten. En (om te besluiten) terwijl de Duitscher zonder bedenking van zijnen Schutz-zoll spreekt, zou een Nederlandsch schrijver het niet wagen, dit door eenen beschermingstol, of beschermenden tol te vertalen, zonder gevaar te loopen, dat een naauwlettend lezer zijne overzetting op ééne lijn stelde met kolenbranders-geloof en ontwikkelings-geding. - Kan dan Tolverbond of Tolvereeniging er beter door?

 

t.t.

Leiden, November 1860.

S. Vissering.