BOEKAANKONDIGING.

Proeven van Woordgronding, door G.L. van den Helm. Tweede Stukje. Te Utrecht, bij A.J. van Huffel. 1860 (VIII en 156 bladz. in 8vo.)

 

De heer van den Helm zet in dit Tweede Stukje den belangrijken arbeid voort, door hem in het ten verleden jare verschenen Eerste Stukje aangevangen, hetwelk ik in De Taalgids (I. no. 3) aankondigde.

Behalve eenige Nalezingen op het Eerste Stukje, geeft de geleerde Schrijver ons thans eene Toelichting van eenige Angelsaxische Glossen; voorts een Vervolg der Proeven van

[p. 280]

Woordgronding, handelende over de uitdrukkingen mar, marioth, abel, ancweiz, howisal, ale, zitz, hie, doos, niindeure, ulle, ieke, dag, raggen; en eindelijk eenige Toevoegsels en Verbeteringen.

Wat ik in de reeds vermelde aankondiging tot aanprijzing van het Eerste Stukje gezegd heb, acht ik van volle toepassing op dit Tweede. Het geeft op nieuw doorslaande blijken van des Schrijvers even grondige als uitgebreide kennis op het veld der etymologie, en versterkt mij in de overtuiging, dat hem onder onze taalvorschers eene voorname plaats toekomt.

Het belang, dat de heer van den Helm getoond heeft te stellen in enkele aanteekeningen, door mij op zijn vorige Proeven geleverd, noopt mij, ook nu het weinige niet achter te houden, dat ik onder het lezen van zijne nieuwe Proeve opteekende.

Bl. 3. Het Noord-Hollandsche werkw. oonen, lammeren werpen, komt niet slechts bij Chomel voor, maar ook in Weilands Woordenboek, i. v., en nu mede in De Taalgids, II 119.

Bl. 28. Aangaande het prov. eng. with leder voor taaije pees, merk ik op, dat bij Halliwell lether vel of huid beteekent, en with een willige tak en tak in 't gemeen; zou de uitdrukking dus ook eigenlijk kunnen beteekenen tak der huid, huidtak?

Bl. 31. 'k Geloof niet dat Weilands omschrijving van ninnen door ‘met smaak drinken’ juist is. Ninnen is drinken, doch in de taal der kleine kinderen, die het woord drinken nog niet kunnen uitbrengen. Zoo is ook bij Halliwell opgemerkt, dat de kinderen hun drinken ninne noemen. Van daar beteekent het werkwoord vervolgens drinken als kleine kinderen, langzaam drinken, lepperen. Dus leest men in Poirters Heyligh Hof van den Keyser Theodosius, bl. 90:

 Soo ras sy (de kinderen) u sien met heele potten drincken;
 Soo halen sy den kroes om oock daer in te schinken,
 En seeveren daer in, en ninnen heel den dagh,
 En vader en het kindt die drincken een gelagh.


[p. 281]

In de plaats, door Weiland uit Vondel aangehaald, is het woord genomen voor langzaam drinken, lepperen; en van der Veen, in zijne Zinnebeelden, bl. 358, noemt de drankliefhebhers ‘Bacchus dienaers in het Ninnen,’ waar men aan lepperen kan denken, of ook aan drinken in 't gemeen.

Bl. 41. In de uitdrukking uit den Walewein: hem herde mals maken, wordt maken, welligt nog naauwkeuriger dan door ‘wanen,’ verklaard door ‘zich houden als, zich aanstellen,’ in welke beteekenis het werkw. niet zeldzaam is. Men zie mijne Proeve over den invl. van Bild. Dichtw., bl. 208. Zoo leest men ook reeds in Der Minnen Loep, B. II. vs. 3668:

 Nu biddic u alte vriendelic,
 Dat ghi u maket mijns ghelijck
 Ende doet mine cleder aen.

d.i. nu verzoek ik u zeer vriendelijk, dat gij u aanstelt als mijn gelijke, enz. Ik voeg daar nog bij de spreekwijs het molleken maken, d.i. doen als een mol, die men leest in de Antwerpsche Spelen van Sinne, bl. 575:

Comt gaen wy wat schuylen en maken dmolleken.

Bl. 60. Dat alikruik bij Weiland niet voorkomt is waar, wat zijn Taalkundig Woordenboek betreft: in zijn Handwoordenboek voor de Spelling nogtans treft men het woord aan. Met onzen naam van het schelpdier is mede te vergelijken het Fransche salicoque, saillicoque, solicoque, waarvan alikruuk of alikruik - want men zegt beide - wel eene verbastering zou kunnen zijn, even als der Franschen crevette, dat bij hen hetzelfde dier beduidt, mijns bedunkens niets anders is dan ons kreeft. Bilderdijks gissing, dat alikruik beteekent aal in eene kruik, komt mij meer vernuftig dan waar voor.

De correctie van dit Tweede Stukje is minder naauwkeurig dan die van het Eerste. De gegevene lijst der ‘Drukfouten’ ware nog voor uitbreiding vatbaar, bij voorb. door misstellingen als die, welke bl. 18, reg 2, bl. 36, reg. 10, bl. 62, reg. 20, bl. 70, reg. 24, bl. 78, reg. 1 en elders

[p. 282]

voorkomen, en die den bekwamen Schrijver zelven zullen in 't oog vallen. Jammer vooral is het in de plaats treden hier en daar der ij voor y, b.v. bl. 5, reg. 28, bl. 8, reg. 26, bl. 60, reg. 18, bl. 93, reg. 13 en elders; eene verwarring, die te onzent niet zeldzaam is, doch die door het gezag van iemand als den heer van den Helm niet mag worden in de hand gewerkt. Hij houde mij dezen met bescheidenheid gegeven wenk ten goede en verrijke onze letterkunde met nog menige vrucht van zijne belangrijke nasporingen.

 

A. d. J.